Skip to main content

Full text of "SS en Nederland. Documenten uit SS Archieven, De, 1935 1945 (deel 1)"

See other formats


MINISTERIE VAN ONDERWIJS EN WETENSCHAPPEN 
RIJKSINSTITUUT VOOR OORLOGSDOCUMENTATIE 

BRONNENPUBLICATIES 
DOCUMENTEN, NR 2 



DE SS EN NEDERLAND 
DOCUMENTEN UIT SS-ARCHIEVEN 1935-1945 

DEEL I 




'S-GRAVENHAGE - MARTINUS NIJHOFF - 1976 



DE SS EN NEDERLAND 

DOCUMENTEN 
UIT SS-ARCHIEVEN 
1935-1945 



INGELEID EN UITGEGEVEN DOOR 
N. K. C. A. IN 'T VELD 



WITH AN ENGLISH SUMMARY 

DEEL I 

INLEIDING/DOCUMENTEN 1935-1942 



♦KOMT^ 
to jf H 
UI / m 

jZj g 

o M-N o 



'S-GRAVENHAGE - MARTINUS NIJHOFF - 1976 



Copyright 1976 by Netherlands State Institute for War Documentation, Amsterdam, AU rights reserved, 
including the right to translate or to reproduce this book or parts thereof in anyform. 



Printed in the Netherlands 
ISBN 90 247 1671 3 



Woord vooraf 



Grote delen van de archieven van het nationaal-socialistische Duitsland en van de National- 
sozialistische Deutsche Arbeiter partei en haar formaties zijn in de laatste fase van de tweede 
wereldoorlog vernietigd, maar veel is bewaard gebleven. Voorzover deze archieven afkomstig 
waren van de NSDAP en haar formaties werden zij na Duitslands ineenstorting geleidelijk 
samengebracht in het onder het Amerikaanse bezettingsbestuur ressorterende Berlin Docu- 
ment Center, Een deel van die archieven ligt daar nog steeds, een ander deel werd in 1948-49 
naar de Verenigde Staten overgebracht en in een later stadium overgedragen aan de regering 
van de Duitse Bondsrepubliek. 

Nog voor het transport naar de Verenigde Staten plaatsvond, hadden leden van de staf 
van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie toegang gekregen tot het Berlin Document 
Center, Het betrof hier dr. A. E. Cohen en drs. P. F. M. Fontaine. Zij zijn, soms onder 
moeilijke omstandigheden, vele maanden in Berlijn werkzaam geweest en hebben er zorg 
voor gedragen dat het Rijksinstituut fotokopieën ontving van de vele tienduizenden 
documenten met betrekking tot ons land die zich in het Berlin Document Center bleken te 
bevinden. Van speciaal belang was dat tot de collecties van dat Center ook een groot deel 
behoorde van het archief van de Persönliche Stab des Reichsführers-SS: de correspondentie 
dus die door of namens Heinrich Himmler gevoerd was; daarbij bevonden zich talrijke 
stukken die gewisseld waren met de Reichskommissar für die besetzten niederlandischen 
Gebiete, Dr. Arthur Seyss-Inquart, en met de Höhere SS- und Polizeifuhrer, Hanns Albin 
Rauter. 

Het heeft van meet af aan in het voornemen van ons college gelegen de belangrijkste 
stukken uit de bedoelde archieven in druk te doen verschijnen en dan op de bij onze instel- 
ling gebruikelijke wijze: voorzien van voetnoten alsmede van een uitvoerige inleiding. 
De selectie is in hoofdzaak verricht door dr. Cohen; hij gaf tevens een eerste concept voor 
de eerste twee paragrafen van hoofdstuk I van de Inleiding. Na Cohens benoeming tot 
hoogleraar te Leiden werd de voorbereiding van de bronnenpublikatie korte tijd door 
mr. D. W. Kok, vervolgens definitief door drs. N. K. C. A. in 't Veld overgenomen. Hij 
droeg zorg voor de uiteindelijke selectie en bracht in jarenlange arbeid de talloze gegevens 
bijeen die in de voetnoten en de inleiding verwerkt dienden te worden. 

De betekenis van deze bronnenpublikatie is, naar ons oordeel, niet slechts dat vele hon- 
derden stukken, die van primair belang zijn tot goed begrip van het door de Duitse bezetter 



v 



in de jaren '40-'45 gevoerde beleid, thans in gedrukte vorm een plaats kunnen vinden in 
bibliotheken van wetenschappelijke instellingen en in particuliere bibliotheken in binnen- en 
buitenland, maar vooral ook dat deze publikatie van begin tot eind onderstreept hoezeer 
ons land als het ware een politiek proefveld is geweest van de SS en haar denkbeelden. Wie 
ooit zich afvraagt wat de Duitse en de Nederlandse nationaal-socialisten met Nederland 
voorhadden en wat er van Nederland geworden zou zijn indien Duitsland de tweede 
wereldoorlog had gewonnen, zal op deze vraag een antwoord kunnen vinden in dit werk : 
De SS en Nederland. 



HET BESTUUR VAN HET RIJKSINSTITUUT 
VOOR OORLOGSDOCUMENTATIE 

A. F. manning, voorzitter 

P. W. KLEIN 
P. J. VERDAM 



VI 



Inhoud 



DEEL I 



Woord vooraf V 

Inhoudsopgave VII 

Lijst van afkortingen IX 
INLEIDING 

I De uitgave 

A De bron 3 

B Bewerking en weergave 4 

C Inhoud van de uitgave 7 

II De SS in Duitsland 

A Het karakter van de SS 12 

B De Allgemeine SS 26 
C SS en politie 

1 Sicherheitspolizei en SD 30 

2 De Ordnungspolizei 37 
D Concentratiekampen en Totenkopfverbande 42 
E De WafTen-SS 45 
F De organisatie van de SS-leiding 58 
G De Höheren SS- und Polizeiführer 66 

III Het rijkscommissariaat 

A De rijkscommissaris: positie en persoon 78 

B Neven- en ondergeschikten 87 

C Schmidt 90 

IV De Höherer SS- und Polizeiführer in Nederland 

A Rauter: persoon en functie 98 

B De Waffen-SS in Nederland 107 

C Sipo und SD in Nederland 112 

D De Ordnungspolizei in Nederland 121 

E De Nederlandse politie 126 

F De Reichsschulen 137 

V Het politieke doel van de SS 

A De opdracht aan de rijkscommissaris 146 

B Het ideologische uitgangspunt 148 

C De idee van het groot-Germaanse rijk 154 

D De Duitse werkelijkheid 160 

VI De Germanische Leitstelle 

A Coördinatie van de Germaanse politiek 164 

B De Anordnung 54/42 167 

C De Germanische Leitstelle in Nederland 172 



VII 



VII Prehistorie der Nederlandsche SS: de voor-oorlogse radicalen 

A De volkse tendens in de NSB 177 

B Rost van Tonningen 190 

C Der Vaderen Erfdeel 197 

D Feldraeijer en de Mussert-Garde 217 

E Zomer 1940: plannen 224 

F De oprichting van de Nederlandsche SS 232 

VIII De Germaansche SS 

A De actieve SS 243 

B De begunstigende leden 257 
C Propaganda en indoctrinatie: Storm-SS, de Volksche Werkgemeenschap, Avegoor 263 

D De verhouding tot de NSB 285 

E De ondergang van de Germaansche SS 303 

IX De Nederlandse vrijwilligers in de Waffen-SS 

A De leidende figuren 3 10 

B 'Westland' en 'Wiking' 313 

C De Standarte 'Nordwest' 332 

D Het Nederlandse vrijwilligerslegioen 334 

E De SS-brigade 'Nederland' 362 

F De Landstorm en andere eenheden in Nederland 372 

G De Landwacht 385 

H Slotopmerkingen over de vrijwilligers 403 

Slotbeschouwing 4 1 5 

Appendix: De groot-Germaanse rebellie in de Jeugdstorm 425 

ILLUSTRATIES tussen p. 440 en 441 

DOCUMENTEN 1935-1942 443 

DEEL II 

DOCUMENTEN 1943-1945 909 
BIJLAGEN 

I. Tabel van SS-rangen 1495 

II. Schema van SS-instanties 1496 

SUMMARY 1501 

DIGESTS OF DOCUMENTS 1529 

GLOSSARY 1641 

BRONNEN EN LITTERATUUR 1647 

Lijst van afkortingen met betrekking tot bronnen en litteratuur 1653 

REGISTERS 1659 



VIU 



Lijst van afkortingen 



Voor afkortingen betreffende bronnen en litteratuur zie men pagina 1653 en 1654 



Abt. Abteilung 

a.D. ausser Dienst 

Adj. Adjutant 

A-Fall Angriffsfall 

A.K. Armeekorps 

AO Auslandsorganisation der 
NSDAP 

AOK Armeeoberkommando 

Art. Artillerie 

ATL Algemeen Toezicht Leden 

Ausb. Ausbildungs- 

Az Aktenzeichen 

Baone Bataillone 

Batl., Btl. Bataillon 

bayr. bayerische 

BdO Befehlshaber der Ordnungs- 
polizei 

BdS Befehlshaber der Sicherheits- 

polizei und des SD 

BdW-SS Befehlshaber der Waffen-SS 

Befh.d.Tr.d. Befehlshaber der Truppen des 

H. Heeres 

BL begunstigend lid 

Brig. Brigade 

BRK Beauftragter des Reichskom- 

missars 

Btl.kdr Bataillonskommandeur 

CdS Chef der Sicherheitspolizei und 

des SD 

CdZ Chef der Zivilverwaltung 

DAF Deutsche Arbeitsfront 

De Vlag Deutsch-VIamische Arbeitsge- 

meinschaft 
Dion Division 
d.Sch(p) der Schutzpolizei 



E- Ersatz 

EK Eisernes Kreuz 

E-Spiel Englandspiel 

Ers. Ersatz 

E-Stelle Erganzungsstelle 

e.V. eingetragener Verein 

fdl. feindlich(e) 

FHA Führungshauptamt 

Flak Flug(zeug)abwehrkanone 

Freiw. Freiwillige(n) 

FS, Fs Fernschreiben 

Fürs. Fürsorge 

Geb. Gebirgs- 

geh. geheim(e) 

Gen. General 

Gend. Gendarmerie 

germ. germanisch 

Gestapo Geheime Staatspolizei 

Gren. Grenadier 

HA Hauptamt 

Höhere(r) Höhere(r) SS- und Polizei- 

SSuPF; führer 

HSSPF 

HW Heimwehr 

(i.)d.R. (in) der Reserve 

IdO Inspekteur der Ordnungspolizei 

IdS Inspekteur der Sicherheits- 
polizei und des SD 

Inf. Infanterie 

Ing. Ingenieur 

I . R. Infanterie-Regiment 

Jabo Jagdbomber 

Jag., Jg. Jager 

Kav. Kavallerie 



IX 



KdO Kommandeur der Ordnungs- 

polizei 

Kdos. Kommandosache 

KdS Kommandeur der Sicherheits- 

polizei und des SD 

KL Konzentrationslager 

Komp. (Kp.) Kompanie 

Kripo Kriminalpolizei 

KVA Küstenverteidigungsabschnitt 

Kv-Heer Kriegsverwendungsfahig-Heer 

L-Fall Landungs-Fall 

M.d.R. Mitglied des Reichstags 

MG Maschinengewehr 

Mob. Mobilisations- 

Na. Nachrichten 

Napola Nationalpolitische Erziehungs- 

(NPEA) anstalt 

Ndl. Niederlande 

Nenasu Nederlandsche Nat ionaal-So- 

cialistische Uitgeverij 

NIVO Nederlandsche Instelling voor 

Volksche Opvoeding 

NS., ns. nationalsozialistisch 

NSB Nationaal Socialistische 

Beweging 

NSDAP Nationalsozialistische Deutsche 

Arbeiter Partei 

NSKK Nationalsozialistisches Kraft- 

fahrkorps 

NSNAP Nationaal-Socialistische Ne- 

derlandsche Arbeiderspartij 

NSV Nationalsozialistische Volks- 

wohlfahrt 

Oa. Oberabschnitt 

OKH Oberkommando des Heeres 

OKW Oberkommando der Wehr- 

macht 

Org. Organisation 

Orpo Ordnungspolizei 

Pers. Personal; persönliche 

Pg. Parteigenosse 

P.O. Politische Organisation (der 

NSDAP); politieke organisatie 

(der NSB) 
Pol. Polizei 



Pro Mi Propagandaministerium 

Pz. Panzer 

RAD Reichsarbeitsdienst 

Res. Reserve 

RFSSuChdDt Reichsführer-SS und Chef der 

Pol Deutschen Polizei 

Rgt. Regiment 

RK Reichskommissar 

RKFdV Reichskommissar für die Fes- 

tigung deutschen Volkstums 

RSHA Reichssicherheitshauptamt 

RuS Rasse- und Siedlung(s) 

RuSHA Rasse- und Siedlungshauptamt 

SA Sturmabteilung 

SD Sicherheitsdienst 

Sipo Sicherheitspolizei 

SS Schutz-StafTeln 

SS-DBO SS-Disziplinarstraf- und Be- 

schwerdeordnung 

SS-Brif. SS-Brigadeführer 

SS-FHA SS-Führungshauptamt 

SS-Hstuf. SS-Hauptsturmführer 

SS-KV SS-Kriegsverwendungsfahig 

SSPF SS- und Polizeiführer 

SS-Staf SS-Standartenführer 

SS-Stubaf. SS-Sturmbannführer 

SS-TV SS-Totenkopf- Verbande 

SS-WVHA SS-Wirtschafts- und Verwal- 

tungshauptamt 

Stapo Staatspolizei 

Stellv. stellvertretende 

UK Unabkömmlichkeitsstellung 

VDA Volksbund für das Deutschtum 

im Ausland 

Verdinaso Verbond van Dietsche Na- 

tionaal-Solidaristen 

V-Mann Vertrauensmann 

VoMi Volksdeutsche Mittelstelle 

WA Weerafdeeling 

W.Bfh. Ndl. Wehrmachtbefehlshaber in den 

(WBN) Niederlanden 

WE Wehrertüchtigungs- 

z.b.V. zur besonderen Verwendung 

z Kt zur Kenntnis(nahme) 



X 



INLEIDING 



HOOFDSTUK I 



De uitgave 



A. De bron 

Van het begin af aan heeft de leiding van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie ernaar 
gestreefd zo spoedig mogelijk materiaal over de bezettingsgeschiedenis te verwerven uit de archieven 
van centrale Duitse instellingen. De geallieerden hadden na de capitulatie van de Duitsers in 1945 
grote hoeveelheden van dergelijk materiaal gevonden, en die o.a. samengebracht in het Brits- 
Amerikaanse Foreign Office - State Department Document Center (FOSD) te Berlijn, waar de 
archieven van het Auswartige Amt en de Reichskanzlei werden bewaard en bewerkt, en het Ameri- 
kaanse 7771 Document Center te Berlijn, meer bekend als het Berlin Document Center ( BDC) . De 
stukken daar werden gesorteerd in verband met het onderzoek voor de processen tegen oorlogs- 
misdadigers te Neurenberg. Toen begin mei 1947 een Nederlandse delegatie, waaronder enige mede- 
werkers van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, toegang kreeg tot het FOSD-Center, kon 
men van de gelegenheid gebruik maken om ook het materiaal in het Berlin Document Center te 
bestuderen. Hier werkten vrijwel uitsluitend, tot zijn terugkeer naar Nederland in september 1947, 
dr. A. E. Cohen, en, aanvankelijk samen met hem, vervolgens alleen tot eind maart 1948, drs. P. F. 
M. Fontaine. Zij richtten hun aandacht niet op al het materiaal in het BDC, maar concentreerden 
zich op het voor hen belangrijkste, de z.g. Himmler files. 

Dit was een verzamelbegrip voor een zeer groot aantal archivalia, die althans met elkaar gemeen 
hadden, dat ze afkomstig waren van een of andere SS-instantie. Kwantitatief en kwalitatief het 
belangrijkst bleken de stukken te zijn, die van het Hauptamt Persönlicher Stab Reichsfuhrer-SS 
afkomstig waren. Oorspronkelijk moeten deze stukken zich bevonden hebben op Himmlers bureau 
in de Prinz Albrechtstrasse te Berlijn, maar hoe zij in het BDC zijn terechtgekomen, is onbekend. 
De Nederlandse delegatie trof ze er in ieder geval in grote mate van wanorde aan; of deze wanorde 
was ontstaan op de oorspronkelijke opbergplaats dan wel als gevolg van evacuatie, van vernietigings- 
pogingen of van de terugvoering naar Berlijn, is niet duidelijk. Daarbij heeft de Schriftgutverwaltung 
van Himmlers staf kennelijk op verschillende tijdstippen verschillende indelingscriteria gehanteerd, 
maar die niet stipt toegepast. Men vindt geheime en andere stukken door elkaar, daarentegen 
ingekomen brief en doorslag van het antwoord niet steeds bij elkaar. Enige groepen stukken, die 
over Nederlandse zaken handelden, waren kennelijk gezamenlijk geregistreerd, maar lagen soms 
vrij ver uiteen in verschillende briefordners. 

Het materiaal van andere Hauptamter van de SS-leiding of van onderdelen daarvan leverde wat 
Nederland betreft weinig op, en was relatief onbelangrijk, met uitzondering van archivalia van het 
Rasse- und Siedlungshauptamt, en het SS-bureau voor wetenschappelijk onderzoek, het Ahnenerbe 
(onderdeel van de Persönliche Stab). Hier werd tamelijk veel aangetroffen, dat voor Nederland van 
belang was, zij het niet in die mate als met de hierboven genoemde stukken het geval was. 

Tegen het einde van de werkzaamheden van de heer Fontaine bleek, dat behalve de Himmler 
files nog een andere collectie voor het werk van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie van 
belang was, nl. de verzameling uit het SS-Personalhauptamt van de persoonsdossiers der SS-officie- 
ren, voor ongeveer 80% compleet. Hierbij waren ook de persoonsdossiers van Duitse functionaris- 



3 



DE UITGAVE 

sen, zowel te Berlijn en München als in het bezette Nederland werkzaam, die een honoraire SS-rang 
hadden, maar tevens van een aantal Nederlanders, die SS-Führer, d.w.z. SS-officier, waren. 

Al dit materiaal werd door de heren Cohen en Fontaine nauwkeurig doorgezien om vast te stellen 
of het op Nederland betrekking had. Dit laatste ruim genomen; gegevens over Duitsers, die zich 
tijdens de bezetting in Nederland bevonden, werden ook geacht voor de Nederlandse geschied- 
schrijving van belang te zijn wanneer zij betrekking hadden op de levensloop elders van deze 
Duitsers: zo bijvoorbeeld de levensloop van de Höherer SS- und Polizeiführer in Nederland Rauter, 
die niet te begrijpen valt als men zijn Oostenrijkse tijd niet kent. Ook werden stukken van belang 
geacht, die inzicht gaven in organisatie en werkwijze van centrale SS-instanties, die veel met 
Nederland te maken hadden, of analoge situaties in andere bezette landen (b.v. Noorwegen) belicht- 
ten. Van elk stuk, dat op een of andere wijze voor de geschiedschrijving van de bezettingsperiode 
van belang leek, werden fotokopieën gemaakt, meestal zowel voor het Rijksinstituut voor Oorlogs- 
documentatie als voor de Bijzondere Rechtspleging. Hoezeer de documenten in het BDC voor deze 
laatste instantie van belang bleken te zijn, werd treffend geïllustreerd door het proces tegen Rauter, 
die toen geconfronteerd werd met een aantal van zijn brieven aan Himmler. 

Om allerlei redenen (de wanorde in het materiaal, wijze van reproductie en overbelasting van het 
personeel van het BDC, etc.) was er in de verzameling fotokopieën, die aldus werd verkregen, geen 
logische volgorde. In de praktijk leverde dit, mede door de beschrijvingstechniek, die door het 
Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie wordt gebruikt, weinig moeilijkheden op. De gehele ver- 
zameling van fotokopieën wordt thans als de BDC-collectie van het instituut aangeduid; achter de 
aanduiding 'BDC' worden de stukken (d.w.z. de fotokopieën) aangeduid met een H wanneer zij 
uit de Himmler files afkomstig zijn, met een P wanneer zij uit de collectie persoonsdossiers afkomstig 
zijn. Links onderaan de hier afgedrukte stukken vindt men deze aanduidingen; in de noten is de 
aanduiding 'BDC kortheidshalve weggelaten, men vindt daar dus alleen de letter H of de letter P, 
gevolgd door de nummering. 

Intussen bevinden zich onder de H-nummers ook enige fotokopieën van stukken, die niet tot de 
Himmler files horen. Zo is met name door een medewerker van het BDC, Bruno Schumacher, de 
collectie verrijkt met kopieën van documenten uit de zeer fragmentarisch bewaard gebleven 
archieven van de Parteikanzlei en van het bureau van de Reichsschatzmeister der NSDAP. 

Dat de archivalia in het Berlin Document Center incompleet zijn, is zeker; in hoeverre, kan men 
slechts gissen. Van de gevoerde telefoongesprekken is bijzonder weinig overgeleverd. Aangezien 
Himmler evenwel vaak afwezig was, moest men zich veelal per telex tot hem wenden. Teneinde 
overbelasting van het telex-net te voorkomen werden veel zaken evenwel toch per brief afgedaan. 

Bij de crisis rond Berlijn in 1948 werden de Himmler files uit het BDC weggehaald en naar de 
Verenigde Staten overgebracht. De persoonsdossiers bleven in Berlijn achter. De collectie foto- 
kopieën voor het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie en de Bijzondere Rechtspleging was toen 
al gemaakt. In de Verenigde Staten werd het materiaal herordend en voor een deel gefilmd. Over- 
zichten van die films werden (en worden) gepubliceerd in de door de National Archives uitgegeven 
Guides to German Records microfilmed at Alexandria, Va. Voornamelijk de delen 32, 33 en 39 
hebben betrekking op de SS. Inmiddels werd in het begin van de zestiger jaren het grootste deel 
van de Himmler files (tezamen met ander materiaal) teruggebracht naar Duitsland, waar het nu 
berust in het Bundesarchiv te Koblenz. De dossiers van het SS-Personalhauptamt (waar onze 
fotokopieën met het P-nummer dus vandaan komen) bevinden zich nog steeds in het BDC te Berlijn. 

B. Bewerking en weergave 

Vrijwel meteen rees de vraag: hoeveel van de ongeveer 12.000 pagina's van de £Z)C-collectie - ver- 
geleken met andere archieven en collecties, die het instituut bezit, niet eens zo veel - te publiceren? 
Dr. A. E. Cohen, die pas na de opbouw van de verzameling de gelegenheid had het gehele gefoto- 



4 



BEWERKING EN WEERGAVE 



kopieerde materiaal in zijn onderlinge samenhang te bezien, kon uiteraard verscheidene selectie- 
normen hanteren: sommige stukken kwamen in aanmerking, omdat zij belangrijke feitelijke infor- 
matie over de bezettingsgeschiedenis gaven, of omdat zij karakteristiek voor bepaalde politieke 
opvattingen waren, andere vanwege de oorzaken die tot hun ontstaan hadden geleid of de gevolgen 
die zij opriepen. Daarnaast achtte hij het echter nodig een algemeen selectiecriterium te hanteren, 
hetgeen hij meende te vinden in de vraag, of Himmler, de Reichsfiihrer-SS, van de stukken kennis 
had genomen of hun ontstaan had bevorderd. De hoofdmoot van de uitgave bestaat dan ook uit 
stukken, afkomstig uit de Persönliche Stab, grotendeels door Himmler zelf gelezen, geparafeerd 
en soms van strepen en notities voorzien, dan wel gedicteerd. Een kleiner gedeelte werd door 
Himmlers persönlicher Referent - minder dan adviseur, meer dan secretaris - Dr. Rudolf Brandt 
afgehandeld. Maar de inhoud van de binnenkomende stukken werd dan door Brandt toch aan 
Himmler voorgelegd, en de uitgaande stukken werden door hem aan de hand van meestal gedetail- 
leerde instructies van Himmler geschreven. Het aantal stukken, dat uitsluitend door Brandt werd 
behandeld, is minimaal. Het opnemen van een twintigtal andere stukken, afkomstig van andere 
SS-instanties dan de Persönliche Stab, werd gerechtvaardigd door het belang van het stuk of het 
feit, dat Himmler de inhoud ervan gekend moet hebben; dit alles resulteerde in een scherpe selectie 
van het aanwezige materiaal. 

Hierop wordt weer een uitzondering gevormd door de ^///^«ÉT^-stukken, waarvan er een veertig- 
tal voor de publikatie is uitgezocht. Zij bevatten echter veel, dat typisch is voor de verhoudingen 
tussen de Duitsers onderling, bepaalde onderwerpen, die elders niet ter sprake komen zoals bv. 
de Friese kwestie, gegevens uit de eerste periode van de bezetting (toen Rauter nog weinig aan 
Himmler rapporteerde) en zij geven een kijk op een bepaald aspect van de Duitse politiek, nl. de 
semi-culturele VoIkstum-poUtizk, die door de Duitsers zelf van zeer groot belang werd geacht. 

Een scherpe selectie is tevens gemaakt uit de vele P-nummers van de BDC-collectie. Een deel 
daarvan vormt normale briefwisseling, die ook in het archief van de Persönliche Stab aangetroffen 
had kunnen zijn, en daar trouwens soms inderdaad aangetroffen is. Gepubliceerd zijn de auto- 
biografische schetsen - in het algemeen vereist bij opname in de SS in een officiersrang - van drie 
van de vier Generalkommissare van het Duitse bezettingsbestuur in Nederland (de vierde, Fritz 
Schmidt, had geen honoraire rang in de SS), waaronder die van Rauter ongetwijfeld de belangrijkste 
is, voorts van de vier Befehlshaber van de Duitse politieke politie (Sipo und SD) in Nederland, van 
de Voorman der Nederlandsche SS Feldmeijer, en - ter vergelijking met Rauter - van de Oosten- 
rijkse SS-officier Helle. 

Verder zijn er enkele stukken opgenomen, die weliswaar een H-nummer dragen, echter niet uit 
een SS-bron afkomstig zijn, maar uit de archieven van de Parteikanzlei en de Reichsschatzmeister 
der NSDAP. Aangezien aan hen geen afzonderlijke publikatie gewijd kan worden, gezien hun 
geringe aantal, zijn ze in deze uitgave het best op hun plaats. 

Tenslotte zijn er in deze publikatie een drietal stukken opgenomen, die in het geheel niet uit het 
BDC afkomstig zijn, maar uit andere archieven en collecties van het Rijksinstituut voor Oorlogs- 
documentatie. Inhoud en importantie van deze stukken (waaronder een uiterst belangrijke brief van 
Rauter aan Himmler uit juli 1941, uit een periode, waarin het restant van hun correspondentie zeer 
schaars is) rechtvaardigen o.i. echter ten volle de opneming in deze uitgave. 

Een klein aantal stukken, dat in deze uitgave gepast zou hebben, is er niet in opgenomen, met 
name enige correspondentie tussen Rost van Tonningen en Himmler, die beter op haar plaats is in 
de bronnenpublikatie over Rost van Tonningen, verzorgd door mevrouw drs. E. Fraenkel- Verkade. 

De volgorde van de documenten in deze uitgave is de chronologische. Men ziet zo de gebeurtenissen 
zich ontwikkelen zoals ook Himmler - wiens gezichtspunt bij de opzet centraal werd gesteld - ze 
heeft gadegeslagen. Men bedenke hierbij, dat de kern van de bijna 700 documenten in deze publikatie 
gevormd wordt door de correspondentie tussen Himmler en Rauter, waarbij zij in één brief of telex- 



5 



DE UITGAVE 



bericht herhaaldelijk meerdere en zeer diverse onderwerpen aan de orde stelden. Er is intussen geen 
evenwicht tussen het aantal stukken in de loop der jaren. De vooroorlogse jaren en ook 1940 en 194 1 
bieden weinig, hoewel men niet de indruk krijgt, dat er veel ontbreekt. De topjaren zijn 1942 en 1943 
met tezamen meer dan de helft van het totaal, maar dat zijn dan ook juist de jaren van de hevigste 
politieke strijd en spanning tussen de verschillende facties in het nazi-kamp. Die strijd, wij zullen 
er elders nog op terugkomen, vormt inhoudelijk de hoofdschotel van het hier gebodene. Het jaar 
1944 biedt weer minder en 1945 uiteraard weinig. 

Wat de wijze van uitgeven aangaat volgt deze publikatie in het algemeen de door dr. A. E. Cohen 
opgestelde 'Regels voor de bewerking van de bronnenpublikaties van het Rijksinstituut voor Oor- 
logsdocumentatie'. Tal van administratieve en andere gegevens zijn in de druk weggelaten; indien 
van belang, worden ze in letternoten weergegeven. Niet van belang geacht werden aanduidingen 
als 'Geheim', 'Geheime Reichssache' e.d., aangezien het grootste deel van de brief- en telexwisseling 
tussen zo hoog geplaatste functionarissen een geheim karakter droeg. Op een aantal stukken zijn 
stenografische notities geplaatst, die echter helaas vrijwel onleesbaar bleken; in sommige gevallen 
bevatten ze klaarblijkelijk de tekst van een aansluitend document; die gevallen zijn in de annotatie 
opgenomen. Voorts is de tekst formeel genormaliseerd. Wij wijzen er hierbij op, dat kennelijk 
onbetekenende verschrijvingen zijn verbeterd; waar twijfel zou kunnen bestaan, d.w.z. de mogelijk- 
heid van spelfouten, onvoldoende taalbeheersing of Fehlleistungen, is de tekst ongewijzigd over- 
genomen. Handtekeningen onder brieven zijn in beginsel letterlijk uit het origineel overgenomen. 
Waar ze, zoals op doorslagkopieën, ontbreken of waar slechts de paraaf of de voornaam neergezet 
is, zijn de ontbrekende namen of letters tussen rechte haakjes toegevoegd. Niet weggelaten, zoals 
dat in vele moderne bronnenuitgaven wel gebeurt, zijn de aanhef en de slotgroet, aangezien de sub- 
tiele verschillen tussen de ene en de andere formulering vaak tekenend zijn voor bepaalde ver- 
houdingen in een autoritaire staat. Een deel van de niet of niet letterlijk voor de druk overgenomen 
gegevens vindt men in de formele aanduiding, die boven de tekst van elk document is geplaatst. 
Hierin zijn doorgaans de Nederlanders aangeduid met vermelding van hun voorletters. Wat de 
Duitsers betreft is voor de zeven belangrijkste van hen een uitzondering gemaakt. 

Links onderaan is de vindplaats in de BDC-collectie van het Rijksinstituut voor Oorlogs- 
documentatie (RvO) vermeld, alsmede aard en ontwikkelingsstadium van het document zoals 
'vertaald afschrift', 'oorspronkelijk', 'doorslagkopie' e.d. In de weinige gevallen, waarin dit gegeven 
niet met zekerheid viel vast te stellen, is het meest waarschijnlijke genoteerd, indien nodig met een 
verantwoording in de annotatie. 

Volgens de hierboven genoemde 'Regels' dient de annotatie kort gezegd het volgende te bevatten : 
verwijzingen, verwerking van het niet gepubliceerde uit het desbetreffende archief (in dit geval de 
BDC-collectie), achtergrond leverende gegevens, al dan niet kritisch commentaar. Er is, zonder naar 
een onbereikbare volledigheid te streven, geopteerd voor een tamelijk uitgebreide annotatie; dit 
heeft o.a. het voordeel, dat waar ruwweg gezegd alle belangrijke stukken van de BDC-collectie hier 
gepubliceerd zijn, en de minder belangrijke in de noten zijn samengevat, de lezer dan wel geen vol- 
ledig beeld van de bezettingsgeschiedenis krijgt, maar in hoofdzaak wel van het materiaal in de 
collectie. Voor het leveren van commentaar, achtergrond, en daarmee een correctie op het materiaal, 
(en anderszins nodig of nuttig geachte gegevens) putten wij voor de annotatie uit de andere archieven 
en collecties (bijna alle van het instituut), en vervolgens uit de litteratuur. Gepubliceerd materiaal 
is in de voetnoten de eerste keer volledig, en vervolgens - behoudens zeer incidenteel vermelde 
werken - verkort weergegeven; met archivalia is dat steeds het geval. De complete titel of aanduiding 
kan gevonden worden door middel van de alfabetische lijst van bronnen en litteratuur, alweer met 
uitzondering van de slechts zeer incidenteel gebruikte werken. 

Van bepaalde Duitse instellingen zijn de namen, ook indien voorafgegaan door een Nederlands 
lidwoord, ter verduidelijking weergegeven als woordgroep zonder lidwoord ('de Höherer SS- und 
Polizeiführer' is er één; 'de Höheren SS- und Polizeiführer' zijn er meerdere). 



6 



INHOUD VAN DE UITGAVE 



C. Inhoud van de uitgave 

Wat behelzen nu de hier gepubliceerde stukken? 

Vermoedelijk zijn er in de huidige wereld weinig mensen, die de lettercombinatie 'SS' en de daarbij 
behorende Sfe-runen niet meteen associëren met massamoord en brute onderdrukking op een 
schaal, die in vroeger tijden ondenkbaar geweest zou zijn. Toch zal men in deze documenten en in 
de inleiding, die er aan voorafgaat, weinig bespeuren van het optreden der SS als instrument ter 
uitvoering van een tamelijk coherent programma van massale onderdrukking en moord. Weliswaar 
werd dit programma voornamelijk in Oost-Europa gerealiseerd, maar ook in het door de Duitsers 
bezette westen vervulde de SS taken in hetzelfde vlak: de vervolging en deportatie der joden, de 
bestrijding van het verzet, tenslotte een steeds wildere terreur. In de hier gepubliceerde stukken 
komen deze onderwerpen echter relatief weinig aan de orde. 

Voor een groot deel ligt dit aan de aard van de stukken, die immers uitgingen van de politieke 
top van de SS. De vervolging der joden in Nederland was voor een belangrijk deel zaak van een 
gespecialiseerd politie-apparaat, namelijk het Reichssicherheitshauptamt, de SS- en politiecentrale 
te Berlijn, ter plaatse in Nederland uitgevoerd door een aparte sectie van de Sicherheitspolizei 1 ; 
het onderwerp zelf vraagt dan ook een gespecialiseerde beschrijving. Zulks in overeenstemming met 
het Duitse regeersysteem, waarbij zaken van algemeen beleid, die meerdere landen betroffen, en 
routine-zaken door de centrale instanties te Berlijn werden afgehandeld, zaken, die daarentegen van 
incidentele of onverwachte dan wel territoriale aard waren, door de territoriale machthebber. 
Vandaar, dat de hoogste SS-chef in Nederland, de Höherer SS- und Polizeiführer Rauter, onge- 
getwijfeld een van de stimulerende krachten bij de jodenvervolging in Nederland was, maar dat zijn 
praktisch aandeel beslist geringer was dan dat van de bevelhebber der Sicherheitspolizei , die onder 
hem ressorteerde. 2 In de weinige brieven van Rauter aan Himmler, waarin de jodenvervolging ter 
sprake komt, overdreef hij daarbij zijn eigen aandeel nog. 3 Dat laatste gold beslist in veel mindere 
mate voor de onderdrukking der bevolking, de bestrijding van het verzet, en de toenemende terreur 
in Nederland. Dat immers waren duidelijk territoriaal gebonden zaken, die, zoals ook uit de stukken 
blijkt, in de latere oorlogsjaren in toenemende mate de aandacht van de territoriale Höherer SS- und 
Polizeiführer vroegen. 

Hoe dan ook, de hier afgedrukte stukken zijn, met de correspondentie tussen Rauter en Himmler 
als kern, voornamelijk afkomstig van die SS-leiders, die hun taak allereerst zagen in de politische 
Gestaltung: in dit geval de politieke toekomst van het bezette Nederland, en de rol, die de SS daarbij 
diende te spelen. 

Toch zou het iets te simpel zijn het probleem alleen maar af te doen met een verwijzing naar de 
aard van de stukken. Die vraagt immers zelf om een verklaring. Welnu, de lezer dient zich eigenlijk 
voortdurend het perspectief voor ogen te stellen, van waaruit verreweg de meeste stukken geschreven 
zijn - het perspectief namelijk van een door Duitsland gewonnen oorlog.* Voor de niet-nazi moge 
de betekenis van het Hitler-imperium in de eerste plaats liggen in de poging tot vernietiging van het 
jodendom. Merkwaardigerwijs valt die prioriteit ook vast te stellen bij Hitier zelf, naast zijn plannen 
voor verovering en germanisatie van Oost-Europa. Maar in het algemeen was voor de nazi's de 
bestrijding en uitschakeling van tegenstanders eigenlijk secundair ten opzichte van de *positieve* 
politiek. De razzia's, represailles, executies in een land als Nederland, de Silbertanne-moorden*, 

(1) Zie voor de juiste betekenis van deze term p. 33-35, 1 12-1 14. 

(2) Not. 107, B. A. Sijes: 'Adolf Eichmann und die Deportation der in den Niederlanden wohnenden 
Juden'. 

(3) Zie nrs. 216, 224, 235. 

(4) Vgl.p. 120. 

(5) Zie voor deze speciale vorm van SS-terreur nr. 467, noot 4. 



7 



DE UITGAVE 



het wegvoeren der joden, de oprichting van de kampen bij Amersfoort en Vught, dat alles had in 
de ogen van de hoogste functionarissen van het Duitse bezettingsbestuur, ook in de ogen van 
Himmler en vele anderen, de functie, die in de vijftiger jaren in Oost-Europese landen als Tsjecho- 
slowakije en Hongarije de onderdrukking, executies, deportaties, dwangarbeidskampen, enzovoorts 
hadden voor 'de opbouw van het socialisme' aldaar. Voor de politieke strategen de functie van 
noodzakelijke bijzaak. Dat er in deze stukken zo relatief weinig over gezegd wordt, en het weinige, 
dat er over gezegd wordt, is tekenend voor de gezichtshoek van lieden als Rauter, Seyss-Inquart, 
Mussert, maar ook van lieden als Voorhoeve, Kranefuss, Rost van Tonningen, Snijder, Theunisz, 
Van Geelkerken, om maar een losse doch steeds rake greep te doen uit de dramatis personae van deze 
publikatie. Dat de joden moesten verdwijnen, de 'reactie' onderdrukt, 'sabotage' in de kiem ge- 
smoord, was althans voor de felle nationaal-socialist vanzelfsprekend. 1 Veel belangrijker voor hen 
was wat er na de opruiming dan wel onderwerping der tegenstanders met Nederland zou gebeuren : 
zou dit een nationaal-socialistische, met Duitsland verbonden, maar zelfstandige staat worden zoals 
de NSB voor ogen stond? Moest het, waar weinig Nederlanders doch niet zo weinig Duitsers naar 
streefden, eenvoudigweg bij Duitsland worden ingelijfd? Of waren er mogelijkheden voor een opgaan 
van Nederland en andere 'Germaanse' 2 landen mèt Duitsland in een groter verband, een groot- 
Germaans Rijk, zoals de SS zich ten doel stelde? Hoe moest Europa worden gereorganiseerd, en 
wat zou de plaats van Nederland in dit nieuwe, door Duitsland beheerste Europa zijn? 

Zij die deze vragen als de essentiële politieke problemen beschouwden, zagen het liquideren 
van de werkelijke of vermeende vijanden inderdaad als bijzaak - als afbraak van het oude op de 
grond, waarop zij hun diverse blauwdrukken van de toekomst in nieuwbouw wensten om te zetten. 

Tijdens de oorlog, die naar de meeste nationaal-socialisten tot diep in 1944 dachten 8 , stellig door 
Duitsland gewonnen zou worden, verwerkelijkten zij niet alleen de nodig geachte afbraak, maar be- 
gonnen zij ook al in bescheiden mate aan de opbouw. De negatieve, nihilistische kern van de nazi- 
leer is stellig mede oorzaak geweest van het opvallende feit, dat de aanhangers zoveel succes met 
het eerste gehad hebben, en zo weinig hebben terecht gebracht van de politisehe Gestaltung, die hen 
voor ogen stond. Het verloop van de oorlog maakte voorts, dat van hun doen en laten slechts de 
destructie overbleef. Daarop viel na de oorlog het volle licht, en derhalve kwamen de 'positieve' 
politieke strevingen van de nationaal-socialisten in de bezette gebieden nog meer in de schaduw te 
staan. In het bijzonder gold en geldt dat voor de SS, veelal gezien als het instrument bij uitstek voor 
de door het nationaal-socialisme aangerichte destructie. Op zichzelf niet ten onrechte; de SS wilde 
en was echter meer dan dat. Behalve moordmachine was de SS ook ideologische stoottroep, poli- 
tieke pressiegroep, militair keurkorps, om de belangrijkste functies te noemen. Sommige daarvan 
waren voortgevloeid uit de oorspronkelijke taak van de SS om veiligheid van Führer en Rijk te 



(1) Wellicht niet zo vanzelfsprekend voor Mussert en gelijkgestemde NSB-ers. Wat de behandeling en de 
deportatie der joden betreft is er reden om aan te nemen, dat Mussert daar zijn twijfels over had. Hij wilde 
of durfde evenwel nimmer daarvan een punt van discussie met de bezetter te maken. Bovendien lag ook 
bij hem het primaat duidelijk bij de politieke toekomst van het nationaal-socialistisch te maken Nederland. 

(2) De aanhalingstekens bij dit begrip menen wij voortaan te kunnen weglaten zonder bij de lezer de 
verdenking te wekken de verpolitisering der nationaal-socialisten van (twijfelachtige) taalkundige of 
anthropologische termen te delen. In aansluiting op het taalgebruik in het beschreven milieu betekent 
'Germaans' hier Nederlands, Noors, Deens, Vlaams, soms ook Zweeds, Fins (!) en/of Zwitsers, een 
enkele maal tevens Brits, en omvat het in de praktijk niet het adjectief Duits. 'Germaanse vrijwilligers' 
zijn dus vrijwilligers, afkomstig uit Nederland, Noorwegen, Denemarken en Vlaanderen (eventueel ook 
uit andere geheel of gedeeltelijk Germaans geachte landen), ongeacht het uiterlijk van de betrokke- 
nen. Duitse vrijwilligers zijn derhalve niet onder deze term begrepen. 

(3) Zie bv. Verkl. Wybrands Marcussen in Doe. I Wybrands Marcussen. 



8 



INHOUD VAN DE UITGAVE 



waarborgen, andere had de SS zich door de machtsverhoudingen in bepaalde omstandigheden 
kunnen toeëigenen. Voor een deel was er samenhang tussen deze functies, voor een ander niet 
onbelangrijk deel waren er tegenspraken. Verderop in deze inleiding zullen wij gedetailleerder 
schetsen, hoe de SS tot een complex was uitgegroeid van organisaties met verschillende doel- 
stellingen. Geen wonder, dat zich in dit geheel ook centrifugale krachten openbaarden. 

Men ziet de SS in deze documenten dan ook niet zozeer in haar destructieve functie, maar in- 
tegendeel voornamelijk in een politiek vormgevende rol - althans in een poging daartoe. Men zou 
kunnen zeggen, dat dit boek in wezen de poging bevat van de SS om in Nederland een bepaalde 
politiek door te voeren en zich van de daarbij behorende machtspositie te verzekeren. Laten wij zo 
bepaalde aspecten van de SS in het duister, anderzijds plaatsen wij het milieu, waarin de SS zich in 
deze functie manifesteert, in het licht: het bezette Nederland als object van de bezetter, als politiek 
krachtveld, waar het bezettingsbestuur, Duitse nazi-instanties en Nederlandse nazi-groeperingen 
elkaar vonden, beconcurreerden en vaak heftig bestreden. 

Natuurlijk valt de SS ideologisch en mentaal niet van die andere politieke krachten te scheiden. 
Wat de situatie merkwaardig en gecompliceerd maakt, is het feit, dat ook formeel en structureel 
er alliages zijn. In Duitsland was de SS, ook toen zij tot een complexe super-organisatie was uitge- 
groeid, nog steeds een formatie van de Duitse nationaal-socialistische partij, de NSDAP, en had zij 
notabene geen eigen rechtspersoonlijkheid. De vertegenwoordiger van de Reichsführer-SS Himmler 
in Nederland, de Höherer SS- und Polizeiführer Rauter - beiden ongetwijfeld de twee belangrijkste 
personages in deze publikatie - was niet alleen de hoogste SS-autoriteit in het bezette Nederland, 
maar ook onder de wat loze benaming Generalkommissar für das Sicherheitswesen een der hoogste en 
belangrijkste functionarissen van het bezettingsbestuur. Dat laatste was ook het geval met zijn 
politieke rivaal, de Generalkommissar zur besonderen Verwendung Schmidt, die in het bijzonder de 
taak had om Nederland nationaal-socialistisch te maken. Deze Generalkommissar was tevens hoofd 
van de NSZMP-organisatie in Nederland, waar echter de SS in Nederland weer geheel los van 
stond. Maar het filiaal, dat het politieke deel van de SS in Nederland onderhield, bestond nu juist 
vrijwel alleen uit de Nederlandsche SS, die echter formeel een weerkorps was van de Nederlandse 
nazi-partij, de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) onder Musserts leiding. Zo zijn er nog meer 
alliages: de versmelting van SS en politie in Duitsland, en de poging daartoe in Nederland bijvoor- 
beeld. Ook zal men in deze publikatie het militaire deel van de SS, de Waffen-SS, vaak tegenkomen 
in de vorm van de eenheden, waarin Nederlandse vrijwilligers in groten getale dienst deden, zij het, 
dat zowel in de inleiding als in de stukken dit geenszins onbelangrijke militaire aspect steeds betrok- 
ken wordt op de kern : de politieke machtsstrijd der bezetters en hun handlangers in Nederland. 

Want dat is het centrale thema in deze publikatie. Wat hadden zij voor met Nederland, behalve 
dan de vernietiging van hun tegenstanders? Welnu, zoals wij nog nader hopen aan te tonen, waren 
zij het allen over één ding eens, hoe vaag en onbestemd het hun ook voor ogen stond : Nederland 
moest, in meerdere of mindere mate, genazificeerd worden. Voor de Duitse nazi's was dat eigenlijk 
identiek met een of andere mate van germanisatie. Het hoofd van het Duitse bezettingsbestuur in 
Nederland, de rijkscommissaris Seyss-Inquart, moest die naziflcatie en die verduitsing geleidelijk 
tot stand brengen. Die taak liet hij in de eerste plaats uitvoeren door de hierboven genoemde 
Generalkommissar zur besonderen Verwendung, de exponent van de Duitse nazi-partij tevens. Na 
een tamelijk veelbelovend, doch kort en mislukt experiment met de Nederlandsche Unie, een niet- 
nationaal-socialistische burgerlijke groepering, die tot op zekere hoogte tot collaboratie met de 
bezetter bereid was, wendde de bezetter zich bij gebrek aan beter tot de NSB. Al heel gauw bleek 
echter de SS, d.w.z. de Reichsführer-SS Himmler, en in Nederland de Höherer SS- und Polizei- 
führer Rauter met zijn inheemse trawanten, georganiseerd in de Nederlandsche SS, aan te sturen 
op absorptie van Nederland in een later te vormen Germaans Rijk. Mussert en het grootste deel 
van de NSB echter wilden wel meewerken aan het nazificeringsproces, doch wensten Nederland 
zo onafhankelijk mogelijk van Duitsland te houden, waarbij de NSB in hun ogen vanzelfsprekend 



9 



DE UITGAVE 



de leiding van staat en maatschappij zou krijgen. Om machtspolitieke redenen vooral kreeg de NSB 
een zekere steun van Schmidt en het Duitse partij-apparaat. Er ontstond een gedeeltelijk ideolo- 
gische, maar vooral machtspolitieke tegenstelling tussen de Nederlandse en de Duitse nazi-partijen 
enerzijds, en hun SS-formaties anderzijds, waarbij de allesbeslissende instantie, Hitier, de zaken 
voornamelijk op zijn beloop liet, en de verantwoordelijke topfiguur in het bezettingsbestuur, Seyss- 
Inquart, tussen de rivaliserende concepties en de rivaliserende machten in balanceerde. Een verge- 
lijkbare situatie treft men in het door de Duitsers bezette Noorwegen aan, ook wel in België, minder 
in Denemarken tengevolge van bepaalde omstandigheden. Toch propageerde de SS in al deze 
Germaanse landen 1 de idee van het Germaanse Rijk, en stiet zij in al die landen op tegenwerking 
van andere autoriteiten en van de inheemse nazi-partijen. 

Al die Germaanse bezette gebieden waren voor de SS van groot belang; de SS streefde - niet 
anders dan andere Duitse machtsapparaten, met name de rivaliserende NSDA P-organisatie - naar 
machtsposities in deze landen om die als springplank naar grotere macht te Berlijn te benutten. 

Onder die landen nam Nederland door zijn ligging, zijn veronderstelde gemakkelijker aanpassing 
aan het Deutschtum in vergelijk tot de Scandinavische landen, en vooral door zijn bevolkingsaantal 
zonder twijfel de eerste plaats in. Natuurlijk dient men Nederland niet onder het vergrootglas te 
leggen. Voor de leiding van het Duitse Rijk, voor middenkader en volk, voor de NSDAP als geheel, 
en niet te vergeten voor Hitier zelf heeft Nederland geen enkele essentiële betekenis gehad (mogelijk 
met uitzondering van enige militaire crises in 1940 en 1944). Voor het gros van de Duitse SS eigenlijk 
ook niet. Maar de hier geschetste optiek gold wèl voor Himmler en een aantal lieden uit zijn om- 
geving, die zich met de politieke strategie van het gehele SS-complex bezig hielden. Zo gezien krijgt 
het centrale onderwerp van deze publikatie, de politiek van de SS in Nederland, een meer dan 
incidentele en meer dan nationale betekenis. 



Uit het voorafgaande kan men reeds afleiden, van welk groot belang de hier gepubliceerde docu- 
menten zijn voor de geschiedschrijving van de tijd der Duitse bezetting in Nederland. Anderzijds 
blijkt tevens, en ook op dat aspect zullen wij later nog nader ingaan, dat deze documenten allerminst 
een evenwichtig beeld geven van de bezettingsgeschiedenis. Verre van dat; zelfs voor de onderlinge 
strijd der Duitse machthebbers en hun meelopers kan al dit materiaal uit SS-bron per definitie geen 
objectief en volledig beeld geven. Dat beeld krijgt men slechts door de hier gepubliceerde stukken 
te bestuderen in samenhang met andere bronnen: wij noemen hier slechts, om een willekeurige 
greep te doen, de archivalia van de NSB, de naoorlogse gesprekken met hoge Duitse functionarissen, 
de vaak belangrijke restanten van het archief van de Höherer SS- und Polizei 'führ er. Daar is voorts 
de samenhang tussen de gebeurtenissen in Nederland, en de gebeurtenissen elders, met name te 
Berlijn. Op dit laatste punt kan de steeds overvloediger litteratuur over het nationaal-socialistische 
Duitsland een onmisbare aanvulling en verdieping geven. 

De inleiding bij de documenten heeft dan ook een tweeledig doel. In de eerste plaats heeft de 
bewerker getracht de lezer een overzicht van en inzicht in de structuur van de SS te geven als 
achtergrond bij de hier gepubliceerde documenten. Dit uitgangspunt brengt met zich mee, dat het 
hier gebodene geen uitputtende beschrijving van nazi-Duitsland en zelfs niet van de SS is. Veel van 
hetgeen voor deze organisatie van belang, karakteristiek of zelfs bepalend is, komt zowel in de 
inleiding als in de documenten niet of slechts zeer terloops aan de orde; zoals bijvoorbeeld de 
pogingen tot penetratie van de Duitse economie, de politiek tegenover de bevolking van de bezette 



(1) Wallonië werd sinds 1943 ook Germaans geacht. Zie Edgar Erwin Knoebel: Racial lllusion and 
Military Necessity: A Study of SS Political and Manpower Objectives in Occupied Belgium (diss. univ. van 
Colorado), 1965, p. 324-333- 



10 



INHOUD VAN DE UITGAVE 



gebieden in Oost-Europa, veel aspecten van de conflicten met de Wehrmacht, enz. Voor een ge- 
schiedschrijving van de SS, waarbij al deze zaken beschreven worden, zij de lezer verwezen naar de 
litteratuur. Anderzijds wordt in deze inleiding wel dieper ingegaan op kwesties, waarvan een goed 
begrip essentieel is voor het verstaan van de afgedrukte documenten. Wij noemen hier de positie 
van de Höheren SS- und PoUzeifiihrer in Duitsland en de door de Duitsers bezette gebieden, of de 
voor-oorlogse ontwikkeling van een bepaalde vleugel in de NSB, die zich later in de Germaansche 
SS zou manifesteren. De inleiding is thematisch opgezet om als het ware een tegenwicht te leveren 
tegen de chronologisch gerangschikte documenten, waar men de meest diverse zaken in bonte 
warreling achter en door elkaar aantreft; de bewerker heeft de hoop, dat zodoende de structuur 
van de SS duidelijk zal worden - altijd dan in relatie tot de politieke verhoudingen in het bezette 
Nederland. De inleiding laat zich splitsen in een deel, dat de Duitse kant van de zaak behandelt: 
de SS in Duitsland, het Duitse bezettingsbestuur in Nederland, de rol van de Höherer SS- und 
PoUzeifiihrer in Nederland en de aan hem ondergeschikte organisaties - waaronder bijvoorbeeld 
de Nederlandse politie - de doeleinden, die de Duitsers zich ten opzichte van Nederland stelden, en 
de institutionele pogingen, die de SS in het werk stelde om de realisatie van haar doel: de vorming 
van een groot-Germaans Rijk, voor te bereiden. Het 'Nederlandse* deel van de inleiding behelst de 
voor-oorlogse groeperingen binnen de NSB, die later zich in de Nederlandse SS organiseerden, de 
organisatie van deze formatie, een overzicht van de hoogst conflictrijke verhouding van de formatie 
tot de NSB; tenslotte de Nederlandse vrijwilligers in de Waffen-SS, en de eenheden, waarin deze 
mannen dienst deden. 

Voorts wil de inleiding ook het scheve en eenzijdige beeld, dat de documenten zonder meer zouden 
kunnen oproepen, op belangrijke punten corrigeren. Dat is ook, naast het verschaffen van feitelijke 
gegevens, het doel van de annotatie. Uiteraard was het daarbij niet de bedoeling iedere onvolledig- 
heid, leugen, losse bewering, of onhoudbare opvatting te signaleren en tegen te spreken. Daaren- 
tegen zijn hier en daar in de annotatie langere stukken opgenomen, die op speciale, tamelijk isoleer- 
bare verschijnselen betrekking hadden. Wij hebben, ondanks de af en toe misschien wat bezwaar- 
lijke lengte der voetnoten, deze informaties niet opgenomen in de inleiding, waar zij de gang van het 
verhaal al te zeer zouden hebben gestoord. Eén van deze aparte onderwerpen, dat toch nauw 
verband houdt met het streven van de SS en o.i. wat meer aandacht verdiende, is in een appendix 
behandeld. 



1 1 



HOOFDSTUK II 



De SS in Duitsland 



A. Het karakter van de SS 

Vrijwel vanaf het begin van haar ontstaan had de NSDAP, de nationaal-socialistische partij van 
Adolf Hitier, naast zich een para-militaire formatie, de Sturmabteilung (SA). Deze Gllederung van 
de NSDAP had in de eerste plaats zaal- en straatterreur tot taak, en kon heel goed als politiek 
pressiemiddel gebruikt worden; van de gesloten geüniformeerde colonnes gingen zowel intimidatie 
als aantrekkingskracht uit. Dat was kort gezegd althans de visie, die Hitier op de SA, zijn korps van 
'politische Soldaten', had. De chef van de formatie, Ernst Röhm, had evenwel andere denkbeelden, 
waarvan wellicht de belangrijkste was, dat hij de SA als een soort schaduwleger zag. Aangezien vele 
S/4-lieden de ideeën van Röhm deelden of in hun doelstellingen of loyaliteit anderszins voor Hitier 
van dubieuze waarde waren, achtte deze het al gauw gewenst een kleine kerntroep te vormen van 
mannen, die hem onvoorwaardelijk trouw moesten zijn. 

Derhalve werd in maart 1923 te München, het centrum van de nazi-beweging, een Stabswache 
opgericht, die uit een aantal op betrouwbaarheid geselecteerde 5^-mannen bestond. Deze kleine 
groep, als een soort lijfwacht van Hitier bedoeld, en reeds voorzien van de doodskop op de ski-pet, 
en de zwart-omrande armband met het hakenkruis, die later zo karakteristiek voor de SS zouden 
zijn, werd twee maanden later omgezet in een 'Stosstrupp Hitier''; na de mislukking van Hitiers 
Putsch in november werd met de partij en de SA ook deze groep verboden. 1 Terwijl Hitier tijdens 
zijn gevangenschap Mein Kampf schreef, viel de nazi-beweging uit elkaar. Toen hij in december 1924 
uit de vesting Landsberg werd losgelaten, vond hij weinig meer dan een puinhoop over van zijn 
organisatie. Rivaliserende nazi-leiders dreigden het heft in handen te nemen. De SA bleef verboden, 
en was bovendien meer dan ooit de troep van RÖhm, niet van Hitier. 

Deze nam een aantal maatregelen; tot de schijnbaar minder belangrijke daarvan behoorde Hitiers 
opdracht aan zijn chauffeur Julius Schreck, vroeger lid van de 'Stosstrupp Hitler\ om opnieuw een 
Stabswache op te richten, tot welk doel Schreck zijn vroegere bentgenoten uit de Münchense kroegen 
haalde. Ook in andere plaatsen werden soortgelijke groepjes gevormd, al snel onder de naam 
Schutz-Staffeln (SS). 2 Het doel, en daar komt het hier op aan, was in de eerste plaats de bescher- 
ming van partijvergaderingen en partijfunctionarissen, natuurlijk vooral van Hitier, tegen politieke 
tegenstanders, en indien nodig ook tegen dissidente of rebellerende partijgenoten. Met opzet werden 
de Schutzstaffeln klein gehouden: per plaats één Zehner staffel, tien man, onder een Führer (leider), 
hoogstens twee van zulke groepen per plaats, te rekruteren uit de meest betrouwbare, meest fana- 
tieke, Hitier volledig toegewijde partijgenoten. 3 Eén kleine groep van dergelijke lieden, vertelde 
Hitier jaren later en dit keer naar waarheid, was hem meer waard dan een menigte twijfelachtige 

(1) Hans Volz: Daten der Geschichte der NSDAP (5e druk), Berlin-Leipzig, z.j. (1935), P- 5IJ Gunter 
d'Alquen: Die SS. Geschichte, Aufgabe und Organisation der Schutzstaffeln der NSDAP. , Berlin, 1939, 
p. 6; Andrew Mollo: Uniforms of the SS. Volume 1 Allgemeine-SS 1923-1945, London, 1969, foto op p. 3. 

(2) Ook geschreven Schutzstaffeln; in enkelvoud veelal één lokale groep, soms de hele SS aanduidend. 

(3) Volz, Daten, p. 51 ; d'Alquen, SS, p. 7. 



12 



HET KARAKTER VAN DE SS 

partijgenoten. 1 Hitiers overwegingen hierbij waren van zuiver praktische aard. De idee van de SS 
als een orde, een militaire, ideologische en raciale elite, was niet voorwaarde voor of grondgedachte 
bij haar ontstaan, maar een conceptie a posteriori. 

Hoezeer ook de elite-functie reeds in potentie in het wezen van de vroegere SS gelegen mag 
hebben, de onontwikkelde straatvechters, die de Schutzstaffeln in de eerste jaren leidden (Schreck, 
Berchtold, Heiden), waren niet de mannen om dit soort mogelijkheden te realiseren. Hoogstwaar- 
schijnlijk dachten zij helemaal niet aan zoiets: zij hadden genoeg te doen met 'marxisten* uit de 
nazi-vergaderingen te gooien, dreigend om hun Fiihrer te staan (of te rijden, wanneer deze zich per 
auto voortbewoog), en hun mannen instructies te geven voor colportage, plakwerk, ledenwinning, 
bespionnering van politieke opponenten, e.d. Want voor dit soort nederig werk werden de SS-ers 
gebruikt. De externe en interne Sicherung van de partij bracht met zich mee, zoals wij nog zullen 
laten zien, dat de SS er toe neigde een partijpolitie te worden, maar voorlopig waren de 'inlichtingen', 
die de SS-mannen rapporteerden, weinig meer dan burengeroddel over tegenstanders, en het zwart 
maken van onwelgevallige partijgenoten. Het zou jaren en jaren duren, voordat het politiek- 
politionele werk, dat de SS zich verschafte, enigszins boven dit niveau uitsteeg. 2 

De selectie van de mannen voor de SS geschiedde naar de eisen van het ogenblik. Schreck koos 
in overeenstemming met zijn persoonlijkheid lieden uit, die behalve natuurlijk overtuigd nationaal- 
socialist alleen maar blindelings gehoorzamende krachtpatsers hoefden te zijn. De opname-eisen 
beperkten zich verder tot een leeftijd tussen 25 en 35 jaar, het stellen van twee borgen, en een domi- 
cilie van vijf jaar in dezelfde plaats. 8 

In die beginjaren kon de SS moeilijk pretenties hebben. Kwantitatief en kwalitatief was zij on- 
betekenend. De NSDAP was de massa, waarmee Hitier de Weimar-republiek belegerde, de storm- 
ram, waarmee hij tegen de poorten van deze vesting beukte, was de luidruchtige Sturmabteüung. 
Niet alleen, dat toen in 1926 het verbod van de SA werd opgeheven, de SS geheel in de schaduw 
daarvan trad, de paar honderd SS-mannen maakten deel uit van de SA, en bleven dat doen tot de 
gewelddadige dood in 1934 van de SA -chef Röhm door hun handen. Weliswaar was de kleine 
organisatie tamelijk autonoom, maar de landelijk leider (Reichsführer van de SS) bleef een onder- 
geschikte van de SA -chef. Indeling en rangen (waarover meer gegevens in de volgende paragraaf) 
waren gelijk aan die van de SA. De SS-man droeg het S/*-uniform met het bruine hemd. Toch, de 
zwarte in plaats van de bruine ski-pet, das en rijbroek, en natuurlijk het dragen van de doodskop, 
markeerden al een zeker onderscheid met de SA. Een zeker elite-gevoel w*s er wel enigszins, in het 
begin voornamelijk misschien door de wetenschap tot de meest overtuigde en fysiek sterkste nazi's 
en trouwste Hitler-volgelingen te behoren. Hitier werkte op dat gevoel. Op de partijdag van 1926 
overhandigde hij de nazi-vlag, die bij de mislukte Putsch van drie jaar eerder was rondgedragen, 
'das heiligste Symbol der Bewegung, die Blutfahne des 9. November 1923' plechtig aan de SS. 4 
Daarmee werd uitgedrukt, dat de mannen met de zwarte pet en de doodskop de trouwsten der 
trouwen waren, aan wie het relikwie kon worden toevertrouwd. Dit soort symbolische 'beloningen', 
materieel nogal karig, bevorderde een bepaald ethos in de SS: de beloning ligt in de daad zelf. 

'Wir sind nicht überall beliebt, man wird uns nach evtl. getaner Arbeit in die Ecke stellen, wir 
dürfen keinen Dank erwarten. Unser Führer aber weiss, was er an der SS nat.' 6 

(1) H. R. Trevor-Roper (ed.): Hitler's Table Talk 1941-1944, London, 1953, 3-4 jan. 1942, p. 167. 

(2) Zie ook Heinrich Bennecke : Hitier unddie SA, München, 1962, Dokument 4, p. 239-240. 

(3) Heinz Höhne: Der Orden unter dem Totenkopf. Die Geschichte der SS, Hamburg, 1966, Gütersloh, 
1967, p. 28. 

(4) d'Alquen,55,p. 7. 

(5) Himmler na het onderdrukken door de SS van een 5^-revolte in 1931 (geciteerd bij Höhne, Orden, 
p.67). 



13 



DE SS IN DUITSLAND 



Die uitspraak, een paar jaar later gedaan, kwam soms, niet altijd, overeen met de sfeer, die er van 
het begin af in de SS leefde. De vermaning, dat men slechts veel plichten, hard werk, gevaar, en 
weinig beloning moest verwachten, moest inderdaad de SS bij tijd en wijle voor bepaalde mensen 
aantrekkelijk maken. Anderzijds moest dat voortdurende beroep op blinde trouw en opoffering al 
heel snel de SS-man het gevoel geven, dat hij iets bijzonders was, toch iets beter dan de gewone 
SA -man. 1 

Maar de SS als poging tot politieke, raciale en geestelijke elite, tot een haast mystieke orde, was 
grotendeels de schepping van de man, die op 6 januari 1929 door Hitier tot Reiehsführer-SS werd 
benoemd. De nieuwe chef 

'übernahm damit die ganzen, damals 280 Mann zahlenden, Schutz-StarTeln mit dem ausdrück- 
lichen und besonderen Auftrage des Führers, aus dieser Organisation eine in jedem Falie verlass- 
liche Truppe, eine Elitetruppe der Partei zu formen. . . Mit diesem Tage beginnt die eigentliche 
Geschichte der SS so, wie sie heute in all ihren tieferen Wesenszügen fest verankert in der national- 
sozialistischen Bewegung vor uns steht', 

schreef één der intellectuele voormannen der SS een tiental jaren later. 2 Dat laatste was in hoofdzaak 
zeker juist; het werd nog later ook door Hitier onderschreven. 3 

De naam van de nieuwe landelijke SS-leider is thans synoniem met kille massamoord: Heinrich 
Himmler 4 , op een tekening van de Britse cartoonist Low de zwarte engel des doods. Zij, die eens 
persoonlijk contact met hem hadden, zagen een andere figuur: soms een fanatieke sectarièr, soms 
een onaanzienlijk lijkende ambtenaar, zelfs nu en dan een beminnelijk mens. Stellig was hij, voort- 
komend uit het verstikkend kleinburgerlijke Duitse onderwijsmilieu van het fin de siècle zelf ook 
een pedante onderwijzer, alleen zijn Führer als meer-wetend (feitelijk als Alwetend Leraar) erken- 
nend, zelf constant lessen uitdelend, met een neurotische zin voor het détail, voor methodiek en 
voor orde - dit laatste in alle betekenissen van het woord - begiftigd. Een ideale ondergeschikte, 



(1) Höhne, Orden, p. 30, 31, wekt de suggestie alsof de SS reeds voor Himmlers tijd zich een soort 
partij -adel in de latere zin voelde. Deze suggestie berust op onvoldoende gegevens. 

(2) d'Alquen, SS, p. 8. 

(3) Zie Table Talk, p. 167. 

(4) Hierbij enige gegevens over Himmler, zonder dat wij aanspraak op volledigheid willen maken: 
Heinrich Himmler, geb. 7 okt. 1900 te München, uit leraarsmilieu. Oorlogsvrijwilliger sinds 1917, in 19 18 
uit het leger met de rang van vaandrig, in 19 19 enige tijd lid van een vrijkorps. Daarna landbouwkundige 
studie; in 1922 landbouwkundig assistent bij een bedrijf. Via Röhm in contact gekomen met de nazi- 
beweging, neemt in nov. 1923 deel aan de Hitier-Putsch. Daarna werkeloos, legt zich een tijdlang op 
kippenteelt toe, sluit zich bij een nazi-groepering onder leiding van Gregor Strasser aan, en wordt pro- 
pagandist. In 1925 lid van de heropgerichte NSDAP, en secretaris van Strasser. Terwijl deze echter van 
Hitier vervreemdt en zijn actieterrein naar Noord-Duitsland verlegt, blijft Himmler in het zuiden en wordt 
een trouw volgeling van Hitier. In 1925 plaatsvervangend Gauleiter van Niederbayern-Oberpfalz, in 1926 
van Oberbayern-Schwaben, in hetzelfde jaar plv. propagandaleider voor geheel Duitsland, het jaar 
daarop plv. Reichsfiihrer van de SS. Sinds 6 jan. 1929 zelf Reichsführer-SS. In maart 1933 Polizeiprasident 
van München; maakt zich geleidelijk van alle politieke politie-instanties in alle Duitse staten meester, 
tenslotte ook, in april 1934, van de Gestapo in Pruisen. In 1936 Reichsführer-SS und Chef der Deutschen 
Polizei, aug. 1943 bovendien minister van binnenlandse zaken, na de aanslag op Hitier in juli 1944 tevens 
opperbevelhebber van het reserve-leger in Duitsland. In febr. 1945 korte tijd opperbevelhebber van een 
legergroep aan het front. Op 23 mei 1945 na gevangenname door de Britten zelfmoord (zie voor de 
litteratuur: Willi Frischauer: Himmler. The evil Genius of the Third Reich, London, 1943; Roger 
Manvell & Heinrich Fraenkel: Heinrich Himmler, London, 1965 ; Josef Ackermann: Himmler als ldeologe, 
Göttingen, 1970). 



14 



HET KARAKTER VAN DE SS 



die de hem aangegeven grote lijnen vliegensvlug kon uitwerken, daarbij een gelovige aanhanger 
van de meest onzinnige dogma's en theorieën, die in de nazi-wereld, en soms daarbuiten, circuleer- 
den. 

'Er war unheimlich durch den Grad von konzentrierter Subalternitat, durch etwas engstirnig 
Gewissenhaftes, unmenschlich Methodisches mit einem Element von Automatentum', 

was de indruk van de Zwitser Carl Burckhardt, in de dertiger jaren hoge commissaris van de Volken- 
bond in Danzig. 1 Unheimlich was op velen de indruk van zijn strakke, bepaald niet ras-zuiver 
Germaanse, maar eerder mongoolse gezicht, met, achter een lorgnet of een bril verscholen, 'ogen, 
lichter dan water*. 2 Wellicht was dat uiterlijk, dat eerder op voorouders uit de Aziatische steppen 
dan uit het Teutoburger woud leek te wijzen, juist een van de redenen geweest, dat Himmler met 
zoveel hartstocht de mythe van het noordse ras beleed. 

Nu waren er in de nazi-beweging zeker tienduizenden mannetjes te vinden, die een vreemd of 
onaanzienlijk uiterlijk met bepaalde politieke denkbeelden leken te compenseren, en de pedanterie, 
de knechtenziel en de Gründlichkeit bezaten, die men in sommige Duitse milieus (en niet alleen de 
kleine burgerij) wel eens vermocht aan te treffen. Wat Himmler van de meesten van hen onderscheid- 
de, was een methodische en grote intelligentie, waarmee hij tussen alle details door het spoor van 
een bepaalde grote politieke lijn in het oog hield. Tevens, bij alle ideologische bekrompenheid, een 
open oog voor politieke mogelijkheden, of beter gezegd, die heldere blik bezat hij, zolang het te 
beschouwen terrein binnen de denkwereld van de nazi's viel; even daarbuiten werd die blik meteen 
vertroebeld door de dogmatiek, die hij was gaan aanhangen. 

Van het begin af trachtte hij, en niet zonder succes, de aan hem toevertrouwde SS naar Hitiers 
opdracht te kneden tot een elite-formatie, en dan volgens de ideeën en normen, die hij zich eigen 
had gemaakt. De SS moest meer worden dan een horde betrouwbare, gewelddadige slagersknechten. 
Er moest 'eine gleichartige, festgefügte und weltanschaulich zusammen verschworene Kampftruppe 
geschaffen, deren Kampfer aus bestem arischem Menschentum ausgesucht werden.' 8 De SS-mannen 
dienden een scherpe positieve selectie te zijn, niet alleen naar betrouwbaarheid, gehoorzaamheid 
en fysieke conditie, maar ook naar levensbeschouwing en raciale afkomst. Intellectuele capaciteiten 
behoorden niet tot de selectie-criteria. Weliswaar kwam men op den duur onvermijdelijk tot het 
inzicht, dat gaven op intellectueel gebied niet helemaal konden worden genegeerd, maar in principe 
golden die als secundair; de andere eisen, ook en juist de raszuiverheid, waren op zichzelf al conditio 
sine qua non. De SS-man moest een super-nazi zijn. Voor hem mocht het nationaal-socialisme geen 
'leer' zijn, die men aanhing, maar een wereldbeschouwing, ja, een zijnswijze. De raciale, ideologische 
en mentale smetteloze zuiverheid zouden hem doen afsteken tegen het gros van de leden van NSDAP, 
SA, en andere nazi-formaties. 

Duidelijk onderscheid tegenover de buitenwereld, maar binnen de groep eenvormigheid: als meer 
lieden, die het bestaande wensen om te vormen en het in hun geest reeds vervormen, verwachtte 
Himmler alle heil van de monoliet, de 'fest gefügte zusammen verschworene Kampftruppe'. Meer 
dan dat nog: de SS moest een orde zijn, een gesloten gemeenschap met de trekken van een esoterisch 
genootschap. De leden dienden aan elkaar verbonden te zijn, niet alleen door een hechte organisatie, 
maar door een gemeenschappelijk gedragspatroon, een gemeenschappelijk ethos, nieuw te vormen 
tradities. De geschiedenis, zij het gefilterd door Himmlers geest, leverde inspirerende voorbeelden 



(1) Geciteerd bij HÖhne, Orden, p. 33. 

(2) Zo een Nederlandse vrouw, die Himmler in 1936 toevallig ontmoette, tegenover de bewerker. 

(3) Organisationsbuch der NSDAP. Herausgeber: Der Reichsorganisationsleiter der NSDAP., München, 
1943- 



15 



DE SS IN DUITSLAND 



zoals de Teutoonse ridderorde en de Jezuïeten-orde. 1 Met de hem eigen methodische nauwgezetheid, 
die geregeld de grenzen van het groteske en bizarre verre overschreed, trachtte de bouwer van de 
nieuwe orde de fouten te vermijden, waardoor vroegere heersende groepen waren ondergegaan. 

Wat waren dan die fouten? In de eerste plaats een automatische erfelijkheid. Capabele leiders- 
figuren lieten hun plaats na aan een nageslacht, dat niet hetzelfde niveau had, maar wel de aanvoer 
van homines novi, die wel de vereiste capaciteiten hadden, verhinderde of deed stagneren. Hier raakte 
Himmler, altijd bang voor verstarring en bureaucratisering, ongetwijfeld aan iets, dat een kern van 
waarheid bevatte. Zonen van SS-mannen zouden derhalve niet automatisch in de SS worden opge- 
nomen, maar alleen een deel ervan, dat aan steeds strenger wordende selectiebepalingen voldeed. 2 
De nieuwe adel zou niet erfelijk zijn, maar zichzelf steeds weer moeten bewijzen (het zou echter 
niet verhinderen, dat in de betrekkelijk korte tijd van haar bestaan de SS toch een stuk establishment 
dreigde te worden). De vereiste capaciteiten voor de leden van een heersende kaste, de vereiste 
leiderspersoonlijkheid, waren uiteraard bepaald door de hoeveelheid Germaans (c.q. 'noords') 
bloed. Rasvermenging was dan ook bijna altijd de hoofdschuldige aan de ondergang van een 
bepaalde groep. In dit opzicht waren de vrouwen van de SS-mannen dus even belangrijk als de 
SS-leden zelf, ja, in zekere zin dienden zij ook deel uit te maken van de orde, die geen mannenge- 
meenschap moest zijn, maar een Sippengemeinschaft, één grote commune van families van over- 
wegend goed, en in geen geval on-Europees, of joods, bloed. Derhalve vaardigde Himmler op de 
laatste dag van 1931 de SS-order nr. 65 uit, het bekende Verlobungs- und Heiratsbefehl. Alle leden 
van de SS, die een huwelijk wensten aan te gaan, moesten de toestemming van de Reichsführer 
hebben. Die toestemming was afhankelijk van de vraag, of de bruid aan minimale eisen voldeed, 
waarbij alleen uitgegaan werd van 'rassischen und erbgesundheitlichen Gesichtspunkten'. De order 
besloot met de woorden: 

'Die SS ist sich darüber klar, dass sie mit diesem Befehl einen Schritt von grosser Bedeutung 
getan hat. Spott, Hohn und Missverstehen berühren uns nicht; die Zukunft gehort uns!' 3 

En zijn volgelingen accepteerden het. Wij zullen later nog wel zien, hoe vele aspecten, die typerend 
zijn voor de SS in de eerste perioden van haar bestaan, zich een decennium later zullen herhalen 
bij de Nederlandsche SS. Ook daar die vrijwillige en totale onderwerping aan een ijzeren gezag. Het 
Heiratsbefehl is inderdaad een duidelijk voorbeeld van vrijwillig opgeven van de privé-persoonlijk- 
heid, zelfs waar het de meest intieme relatie betreft, aan een politiek ideaal. Bij de lieden, die dit 
aanvaardden, hoefde men over het algemeen niet meer op een kritisch oordeel of een zelfstandig 
geweten te rekenen. Wel op gehoorzame uitvoering van onbegrijpelijke, of onmenselijke bevelen. 
Erbij zij meteen gezegd, dat dit niet altijd voor alle SS-leden heeft gegolden; nadat de nazi's aan 
de macht gekomen waren, kreeg de SS, zich versmeltend met staatsorganen, een officieel en meer 
dwangmatig karakter, waarin vaak allerlei categorieën lieden tegen wil en dank terechtkwamen, en 
nog later bepaalde groepen zelfs onder regelrechte dwang. De animo om alle bevelen van de SS- 
leiding zonder meer te accepteren, werd toen naar evenredigheid kleiner, het aantal laag- en hoog- 

(1) Gerichtheid op het verleden mag een algemeen fascistisch en nat ionaal-socialistisch wezenskenmerk 
genoemd worden. Typisch voor het nationaal-socialisme is ook de romantische interpretatie van his- 
torische fenomenen, speciaal van structuren van exclusieve, hiërarchische, esoterische aard; vgl. hetgeen 
de nazi's voor ogen stond bij de oprichting van de Nationalpoiitische Erziehungsanstalten, waar de toe- 
komstige heersersgroep gevormd moest worden, op p. 138. De haat tegen de vrijmetselarij is hiermee niet 
in tegenspraak. 

(2) Heinrich Himmler: Die Schutzstaffei ais antibolschewistische Kampforganisation (7e druk), München, 
1941. 

(3) IMT2825-PS. 

16 



HET KARAKTER VAN DE SS 



geplaatste SS-ers, dat zich geringschattend over de Reichsführer en zijn hersenschimmen uitliet, 
beduidend groter. Maar in de beginperiode van de SS had de grote stoet van meelopers, ongeïnteres- 
seerden en onwilligen nog niet zijn intrede gedaan. Het Heiratsbefehl dateerde uit de Kampfzeit, 
de tijd vóór de machtsaanvaarding door de nationaal-socialisten, toen hun partij, en ook de SS, 
nog particuliere verenigingen waren zonder de macht van de staat achter zich. Wie er geen zin meer 
in had, kon eruit weglopen. De lieden, die in deze tijd in de SS traden en erin bleven, vormden 
ideologisch en mentaal een selectie, die Himmler naar hartelust kon kneden. 

Uit praktische noodzaak had Hitier een kleine kerngroep doen oprichten; het was Himmler, die 
deze indertijd onbeduidende formatie een ideologische inhoud en rechtvaardiging gaf en tot de 
grondslag van een elitaire orde trachtte te maken. Dat in het wezen van een Stabswache, een 
Stosstrupp, een volledig toegewijde kern, reeds de elite-gedachte aanwezig was, is op zichzelf niets 
bijzonders. Bewuste kernvorming als middel tegen massificatie en verwatering is geen onbekend 
verschijnsel in de historie. Bepaalde factoren, die in de eerste plaats in het wezen van het nationaal- 
socialisme lagen, en voorts van meer incidentele aard waren, gaven evenwel de SS haar eigen 
specifieke karakter. 

Hoe vaag, innerlijk vaak tegenstrijdig, en kneedbaar de nationaal-socialistische leer ook was, er 
zijn evenwel vaste punten in te onderkennen : de ontkenning van de principes der Franse revolutie, 
het postuleren van de ongelijkheid der mensen, de ras- en elite-gedachte, en de principieel anti- 
democratische stellingname, zich uitend in het Fw/rrer-principe. Het werkelijke novum was het 
streven naar een staat, waarin deze principes verwerkelijkt zouden worden door middel van een 
massa-beweging, die de technieken van de marxistische, resp. bolsjewistische tegenstander diende 
over te nemen en zo mogelijk nog efficiënter en agressiever optrad. 

'In einer Zeit aber, in welcher die eine Seite, ausgerüstet mit allen Waffen einer, wenn auch 
tausendmal verbrecherischen Weltanschauung 1 zum Sturm gegen eine bestehende Ordnung 
antritt, kann die andere ewig nur Widerstand leisten, wenn sich dieser selber in die Formen eines 
neuen, in unserem Falie politischen Glaubens kleidet und die Parole einer schwachlichen und 
feigen Verteidigung mit dem Schlachtruf mutigen und brutalen Angriffs vertauscht', 

schreef Hitier in zijn onnavolgbare en kenmerkende Duits in Mein Kampf. 2 De voorhoede van het 
Duitse volk was de NSDAP, een soort Umwertung van het bolsjewistische partij-principe. De basis 
van beider ideologieën was totaal verschillend, gestalte en methodiek vertoonden een, door de 
nazi's vaak bewust nagestreefde, treffende gelijkenis. 

Er waren twee essentiële verschillen tussen het wezen van de bolsjewistische partij en van de 
NSDAP, die de SS tot iets anders en iets meer maakten dan haar pendant in de Sowjet-Unie. Hoe 
belangrijk de elite- vorming in Lenins conceptie ook was, zij bleef in beginsel een hulpmiddel; hoe 
onbetwist zijn leiderschap, en later dat van Stalin ook was, in beginsel waren zij de gekozen functio- 
narissen van een soevereine partij. 8 In de nazi-beweging waren echter elitevorming en leiders- 
beginsel doeleinden op zichzelf, uiterst belangrijke kernstukken van de leer. 

(1) Hitier heeft het hier over het marxisme, spec. het communisme. 

(2) XV. Auflage, München, 1932, p. 414. 

(3) Zelfs zo zijn de gevolgen catastrofaal geweest. Naar de mening van de bewerker is er een duidelijk 
verband tussen de 'excessen* van de tijd der 'persoonsverheerlijking* in de Sowjet-Unie, lees: de mil- 
lioenenmoord door een leiding zonder verantwoordelijkheid, en de partij-opvatting van Lenin. Dit moge 
het hier aangeduide verschil tussen het communistische en nationaal-socialistische partijwezen in de 
praktijk weer relativeren. 



17 



DE SS IN DUITSLAND 



De strijd om het bestaan was, evenals de klassenstrijd in de marxistische leer, een grondgegeven 
in het rechts-radicale denken. Een principieel onderscheid tussen het biologische, politiek-sociale 
of individuele niveau werd niet gemaakt. De elite was eigenlijk niet alleen of niet zozeer een doel 
op zichzelf, zij was onvermijdelijk resultaat van de strijd om het bestaan tussen individuen en 
groepen in de samenleving; het ging er veeleer om bewust een bepaalde elite van een bepaald soort 
te scheppen. 1 De essentieel bepalende factor in de geschiedenis was het ras. Alleen het Arische, 
Indo-Germaanse ras, en dan speciaal de noordse, Germaanse loot daarvan, was tot werkelijk 
scheppen, tot werkelijke cultuur, in staat. Andere factoren, zoals het milieu, dat zagen de nazi- 
theoretici uiteraard wel in, speelden zeker een belangrijke rol, maar in wezen werd opkomst of 
ondergang van een volk, een cultuur, een heersende groep, bepaald door de meerdere of mindere 
mate van aanwezigheid van het Arische en met name het noordse ofwel Germaanse ras-element. 
Indien men, bewust en wetenschappelijk, dat goede ras-element in een volk of leidende groep 
versterkte, en de mindere kwaliteit wist te elimineren of terug te dringen, kon men de opkomst en 
suprematie van dat volk of die groep stimuleren, of op zijn minst de ondergang afremmen. 

Het elitaire uitgangspunt ging gepaard met het leidersbeginsel. De NSDAP zou de politieke en 
raciale elite van het Duitse volk moeten zijn, maar de soevereiniteit, de Hoheit, berustte niet bij de 
partij, maar bij de Führer. Dit principe werd naar omlaag in alle geledingen van de NSDAP doorge- 
voerd. De partijfunctionaris, die een bepaald gebied beheerde, was ongeacht de grootte van dat 
gebied, de drager van de soevereiniteit. Hoheitstrager waren dus de Gauleiter, maar ook regionale 
leiders van lager orde tot en met de Blockleiter, wiens gebied zich doorgaans slechts tot een stuk 
van een straat beperkte, toe. 2 Zij allen waren verantwoording schuldig aan de boven hen geplaatste 
Hoheitstrager. De opperste Hoheitstrager, de Führer, werd geacht dat te zijn tegenover het Duitse 
volk, de geschiedenis, of de voorzienigheid, hetgeen weinig praktische consequenties inhield. De partij 
was, en pretendeerde dat ook te zijn, een verzameling van grotere en kleinere Führer-tjes, geheel in 
overeenstemming met de gedachte van een naar boven verantwoording verschuldigde elite. 

Dergelijke denkbeelden verwikkelden de nazi-partij van het begin af in een ernstige tegenspraak. 
Niet alleen, dat theorie en praktijk elkaar slecht verdroegen: raciaal was de partij stellig geen selec- 
tie; men weerde joden, maar dat was praktisch ook alles. Dat het elitaire beginsel in evident contrast 
stond met de realiteit der plebejische nazi-horden, was voor vele nazi's zelf maar al te pijnlijk 
duidelijk, maar nog niet doorslaggevend. Wel echter het feit, dat de NSDAP, teneinde de macht te 
veroveren, zelf een massa-beweging moest worden en dat ook wilde. Deze tegenspraak zou de partij 
nimmer kunnen oplossen. 

In principe had de SA wellicht de rol van een elite kunnen spelen. Maar de gedeeltelijke afkomst 
van deze formatie uit andere organisaties en diverse loyaliteiten tegenover eigen leiders, de vaak 
dubieuze trouw aan Hitier en zelfs aan de nationaal-socialistische leer van de bruine colonnes, en 
ook hun snelle en opzienbarende toename in het begin van de jaren dertig maakte de SA voor een 
dergelijke rol ongeschikt. Het was daarom niet onlogisch, dat de in aantal beperkte Schutzstaffel, 
waarin slechts de trouwsten van Hitiers getrouwen opgenomen mochten worden, de functie van 
een elite ging vervullen, al was er een Himmler voor nodig om deze potentie te realiseren. Juist 
aan de SS kon Hitier bepaalde moeilijke taken toewijzen. In 193 1 trad de SS hardhandig op tegen 
rebellerende S^-mannen onder leiding van de teleurgestelde 5^4-leider Walter Stennes. Doden 
vielen er toen niet; dat zou pas in 1934 gebeuren, anderhalf jaar nadat de nazi's de staatsmacht in 
handen hadden gekregen, toen bij de veronderstelde Röhm-Pittsch de 5^-leiding door de SS 

(1) Zoals bekend werd en wordt er in marxistische milieus op analoge wijze geworsteld met het probleem 
van de relatie tussen politieke actie en filosofisch determinisme betreffende de klassenstrijd. 

(2) Org. buch der NSDAP 1943, p. 98, 98a; De leiders voor het gehele Duitse rijk (Reichsleiter) van sub- 
organisaties zijn dus geen Hoheitstrager, de machtige Reichsführer-SS is derhalve niet bekleed met de 
Hoheit, die de eenvoudigste Blockleiter wèl heeft. 

18 



HET KARAKTER VAN DE SS 

fysiek werd geliquideerd. De Stennes-revolte was nog een interne twist in een particuliere vereniging, 
die in de sfeer van de kroeg en het vuistgevecht werd beslecht. Of die revolte werd onderdrukt door 
de SS (die, gênant genoeg, de politie van de Weimar-republiek te hulp moest roepen om de SA 
uit het Berlijnse partijgebouw te gooien!) dan wel door het persoonlijk optreden van een afwisselend 
huilende en brullende Hitier, of door andere oorzaken, doet weinig ter zake. 1 De SS had haar blinde 
loyaliteit bewezen, die Hitier beloonde met de verlening van de spreuk: 'SS-Mann, deine Ehre 
heisst Treue!' 2 

De elitaire positie drong zich als het ware aan de SS op. Immers, zij die de persoon van de Führer 
en de partij tegen alle externe en interne aanslagen moesten beveiligen, moesten wel een bijzondere 
en geprivilegieerde positie in het geheel innemen. De nazi-opvattingen, het historisch verloop - groei 
van de nazi-beweging, optreden van dissidente en onbetrouwbare partij- en SA -groeperingen - en 
Himmlers welhaast mystieke opvattingen over een gesloten orde vonden elkaar. De lijfelijke 
Sicherung van Hitier, partij-vergaderingen en functionarissen verwijdde zich tot een algeheel veilig- 
stellen van Führer en beweging, en na het overnemen van de macht, tot het veiligstellen van het 
nationaal-socialistische rijk en zelfs de leer. De pretoriaanse garde was op weg zich te ontwikkelen 
tot ruggegraat van het Rijk, uitvoerder van de meest delicate opdrachten, en geweten van de partij ; 
tegelijkertijd tot hoeder van de Heilige Graal en tot moordmachine. Dat lag noodzakelijkerwijs 
besloten in de taak, die de SS op zich genomen had, en die na 1933 de 'Sicherung des Reiches im 
Innern' was gaan inhouden, zoals Himmler het in 1937 in een rede voor Wehrmacht-ofRcieren 
formuleerde. 8 

Vele - niet alle - aspecten van de latere SS zijn af te leiden uit deze ontwikkeling van haar aan- 
vankelijke karakter. Twee wezenstrekken, die hiermee nauw samenhangen, kan men reeds in de 
Kampfzeit, de periode vóór de machtsaanvaarding door de nationaal-socialisten, onderscheiden. 

Allereerst zal het duidelijk zijn, dat de SS in eerste instantie een primaat op politioneel gebied 
zocht. De groei van de NSDAP, maar ook van de SS zelf, deed de behoefte ontstaan om de activi- 
teiten van de SS-mannen als verklikkers en roddelaars te centraliseren. Zo ontstond in 1931 de 
aanvankelijk nogal bescheiden en bovendien nogal amateuristisch werkende inlichtingendienst van 
de SS, de latere Sicherheitsdienst, berucht onder de afkorting SD. De nationaal-socialisten zagen de 
komende Machtübernahme als een overnemen van de staat door de partij. Logisch was het, dat de 
politieke politie van de staat zou toevallen aan de veiligheidsgarde, de politieke partij-politie, dus 
aan de SS en speciaal aan de SD. Dat in werkelijkheid de ontwikkeling iets anders zou verlopen, zal 
verderop nog ter sprake komen - de wil en de opzet waren duidelijk aanwezig. De Sicherung van de 
Führer-stSLa.t werd door de SS niet alleen defensief gedacht, zoals een politieke politie in een demo- 
cratische staat werkt of behoort te werken, maar naar nationaal-socialistische opvatting vooral in 
agressieve zin. Of beter gezegd, in de totalitaire gedachtengang, met alle paranoïde trekken van dien, 
was en is de agressie een vorm van defensie. De door de nationaal-socialisten veroverde staat moest 
beschermd worden tegen alle actuele en mogelijke, reële of gewaande oppositiegroepen: joden, 
socialisten, monarchisten, Jehova-getuigen, adel, vrijmetselaars, kortom alles wat door zijn bestaan 



(1) Verschillende versies hiervan in de litteratuur, o.a. bij Alan Bullock: Hitier. A Study in Tyranny, 
London, 1952, p. 166; Gerald Reitlinger: The SS. Alibi of a Nation 1922-1945, London, 1956, p. 25, 26, 
die ten onrechte meent, dat Hitier door deze affaire weinig vertrouwen in de SS kreeg; Höhne, Orden, 
p. 64, 65; Konrad Heiden: Adolf Hitier. Das Zeitalter der Verantwortungslosigkeit. Eine Biographie, 
Zürich, 1936, p. 276, 277. 

(2) Der Weg der NSDAP. Entstehung, Kampf und Steg. Erarbeitung und Ausgabe; SS-Hauptamt, Berlin, 
z.d., p. 120. De spreuk werd later in iets gewijzigde vorm op het koppelslot van de riem en op de dolk van 
de SS-man aangebracht (zie Org. buch der NSDAP 1943, Tafel 51 ; Mollo, Uniforms Allg. SS, p. 58, 59, 
62). 

(3) IMTi992(A)-PS. 



19 



DE SS IN DUITSLAND 



reeds een potentiële aanval op de staat of op de ideologische volkseenheid kon betekenen. Het 
agressieve karakter van de politie in de nazi-staat, de haar toevertrouwde zorg voor 'die Sicherung 
der gesamten Volksordnung und ihr gesamtes Wirkens gegen jede Störung und Zerstörung' 1 , was 
in de totalitaire opzet niet van defensie te onderscheiden - een immanent gegeven in iedere totalitaire 
opzet trouwens. 

Minstens even belangrijk was het feit, dat de SS, formeel ondergeschikt aan de SA, al in de tijd 
voor de machtsovername niet het slagvaardig instrument van de partij, maar van de Führer bleek 
te zijn. De soevereiniteit van de Führer boven de partij bracht met zich mee, dat de SS evenals de 
partij de staat in zich ging absorberen, maar losgekoppeld van de partij, vastgekoppeld aan de 
Führer, die boven staat en partij kwam te staan. Daardoor werd de SS geen staatsinstrument, maar 
bleef ook geen partij-apparaat, doch ontwikkelde zich als Fa/zrer-instrument naar wat men een 
derde macht zou kunnen noemen. De Duitse historicus l^diheim, die dit verschijnsel geanalyseerd 
heeft, kwam tot de conclusie: 'Als Führerexekutive das eigentliche, adaquate Werkzeug der Führer- 
gewalt gewesen zu sein, darin besteht die historische Bedeutung der SS.' 2 Mede door dit aspect van 
het karakter van de SS vermocht deze Gliederung van de partij een eigen identiteit in structureel, 
mentaal en zelfs enigszins in ideologisch opzicht te verkrijgen. 



Wat Hitier op het oog had, was geen sociale revolutie in de geijkte zin des woords. Verstaat men 
evenwel onder het begrip 'revolutie' de vervanging van de heersende groep door een andere, met 
essentiële wijzigingen in ideologie, doeleinden en mentaliteit van het regime, dan betekende Hitiers 
Machtübernahme in januari 1933 wel degelijk een revolutie. Hitiers doeleinden: het scheppen van 
een dynamisch, rücksichtslos expanderend Duitsland, en het scheppen van een daarbij behorend 
nieuw Duits mensentype, agressief en meedogenloos, zonder enige binding met de waarden van een 
christelijk of liberaal verleden, maakten een sociale omwenteling eigenlijk irrelevant. 'Waarom 
zouden wij banken en fabrieken socialiseren? Wij socialiseren de mensen!' 3 - in die kreet van Hitier 
lag veel (niet alles) van zijn werkelijke streven besloten. Met enig recht kon Hitier zijn revolutie als 
veel verderstrekkend beschouwen dan de revolutie van het socialistische type. Vernietiging van de 
oude sociale structuur of de oude heersende klasse was dan ook overbodig; individueel konden de 
leden van die klasse gespaard blijven en zelfs in de nieuwe heerserskaste worden opgenomen, wan- 
neer zij zich volkomen aan de nieuwe leer en zijn leider onderwierpen. 

Deze opvattingen verdroegen zich bovendien bijzonder goed met Hitiers tactiek van de 'legale 
revolutie', die hij sinds zijn mislukte staatsgreep van 1923 toepaste. De verovering van de staats- 
macht door het rechtse radicalisme was trouwens in welk land dan ook onmogelijk zonder een 
alliantie met, of althans neutralisering van, rechtse conservatieve krachten als bijvoorbeeld het 
leger; niemand die dat beter begreep dan Hitier. Wat er daarna zou gebeuren en wie het tenslotte 
zou winnen, was weer een ander hoofdstuk. De afloop in Duitsland meende Hitier, terecht, te 
kunnen voorzien. In de moderne, geürbaniseerde en geïndustrialiseerde Duitse samenleving met een 
middenklasse en een proletariaat, die door de economische depressie zwaar getroffen waren, bleek 



(1) Werner Best: Die Deutsche Polizei, Darmstadt, 1941 , p. 19, 20. 

(2) Hans Buchheim : Die SS - Das Herr schaft sinstrument. Befehl und Gehorsam. {Anatomie des SS-Staates 
BandI), Olten & Freiburg im Breisgau, 1965, p. 30. 

(3) In de oorspr. Franse uitgave van Hermann Rauschning: Hitier m"a dit. Confidences du Führer sur 
son plan de conquête du monde, Paris, 1939: 'Qu'avons nous besoin de socialiser les banques et les fabri- 
ques? Nous socialisons les hommes' (p. 219). 



20 



HET KARAKTER VAN DE SS 

het nationaal-socialistische radicalisme veel sterker te zijn dan 'de reactie', die zich op een onzalig 
ogenblik ermee had verbonden. 1 

Doel en tactiek van Hitiers revolutie brachten met zich mee, dat zijn partij de bestaande staats- 
structuur niet vernietigde, maar zich ermee verbond. Al een half jaar voor de Macht übernahme, 
in de zomer van 1932, had Hitier verklaard, dat het niet ging om formele veranderingen in de staats- 
structuur, maar om de opvoeding en de Neubildung van het Duitse volk. Dat kon alleen maar van 
de partij uitgaan; de komende staat zou een neerslag zijn van de zich nu al in de juiste vormen 
organiserende partij, 

'sie schafft in ihrer Idee und ihrer Organisation den Gehalt und das Wesen des ihr vorschweben- 
den völkischen Staates', 

had Hitier als parool uitgegeven. 2 Eenmaal aan de macht gekomen, liet de NSDAP zich allerminst 
door de staat terugdringen tot in de positie van een machteloze club 3 , maar nestelde zich, het klimaat 
en het tempo van de op drift geraakte samenleving bepalend, in het staatsgebouw en holde het van 
binnen uit. 

Dit karakter van de nationaal-socialistische revolutie werd behalve door de conservatieven ook 
misverstaan door de SA, waarin na Hitiers machtsaanvaarding een merkwaardige mengeling heerste 
van vage socialistische voorstellingen, de wens om zich tot een Duits volksleger om te vormen, en 
teleurstelling over het geringe aandeel in de buit. In 1933 hadden de SA -mannen vrijelijk de straat 
kunnen terroriseren en politieke tegenstanders vermoorden of mishandelen. Dit werk, aanvankelijk 
met veel arbeidsvreugde verricht, bevredigde de ambities tenslotte niet. Begin 1934 leek het er zelfs 
op, alsof de burgerlijke rechtsstaat terrein herwon. 4 Wanneer zou, vroegen de S/4-mannen zich af, 
Hitier de tweede nazi-revolutie beginnen, waardoor 'de reactie* met één klap uit haar zetels werd 
verdreven? Voor de keus gesteld tussen een dergelijke oplossing en verdere samenwerking met de 
conservatieve krachten, wier steun nog niet gemist kon worden, koos Hitier in juni 1934 na enige 
aarzeling voor het laatste en liet Röhm en een aantal andere 5^-leiders door SS-eenheden dood- 
schieten. Als beloning werd de SS van de laatste formele banden met de SA bevrijd, en tot een geheel 
autonome Gliederung, formatie, van de partij verheven. 

De onaanzienlijke Reichsführer-SS, die voor die tijd nog steeds formeel de ondergeschikte van 
Röhm was en die toen door de andere nazi-potentaten op zijn best als een figuur van de tweede rang 
werd beschouwd, had vanaf het begin het karakter van de nationaal-socialistische omwenteling heel 
goed begrepen. Het verdroeg zich uitstekend met zijn opvatting van de SS als een orde, die de veilig- 
heid van het Rijk moest verzekeren, en tevens als een partij-aristocratie van bloed en Weltanschauung 
de beste krachten (in die opzichten) van het nieuwe Duitsland moest bundelen. Ook Himmler wenste 



(1) De alliantie tussen rechts radicalisme en 'de reactie', product van een zekere (maar beperkte) ideolo- 
gische overeenstemming en praktisch-politieke noodzaak, is een algemeen verschijnsel. Een land als bijv. 
Spanje had echter een grotendeels agrarische sociale structuur; de traditionele heersende groep was 
overeenkomstig sterker, de sociale en politieke, wellicht ook culturele basis van het fascisme zwakker. 
Daar waren het de generaals, die het fascisme wegvaagden (vgl. het hoofdstuk: The Phenomenon of 
Fascism* van H. R. Trevor-Roper in European Fascism, edited by S. J. Woolf, London, 1968, spec. p. 
33-35). 

(2) Org. buch der NSDAP 1943, p. XXVII. 

(3) Men vergelijke de positie van de Faiange in Spanje. 

(4) Zie o.a. het streven naar normaliseren en reguleren van arrestaties en de poging aanvaardbare toe- 
standen in de concentratiekampen te scheppen, bij Broszat in Martin Broszat, Hans-Adolf Jacobsen, 
Helmut Krausnick: Konzentrationslager. Kommissarbefehl. Judenverfolgung {Anatomie des SS-Staates 
Band II), Ohen& Freiburg im Breisgau, 1965, p. 26 e,v. 



21 



DE SS IN DUITSLAND 



allerminst een revolutie van onder-op, maar penetratie in de oude structuur en uitholling daarvan. 
De doelstellingen van de SS, zoals hij die zag, liepen geheel parallel met de tactiek van zijn meester 
en met zijn eigen machtsstreven : de SS moest op iedere plaats, op ieder terrein, in iedere sociale laag 
en beroepsgroep van de Duitse samenleving doordringen. 

Dit kon in allerlei vormen geschieden, en de SS-man mocht al naar gelang van zijn positie er 
steeds anders uitzien: als onbewegelijke schildwacht in het zwarte uniform voor de deur van Hitiers 
rijkskanselarij, als salonfahiger SS-officier in het elegante Ausgehanzug in de Berlijnse society, als 
plichtsgetrouw politieman, in civiel gekleed als bedrijfsleider, in de witte jas van de wetenschappe- 
lijke onderzoeker, 

'sei es, dass er im Sattel des Renngaules sitzt, auf dem Sportplatz ficht, sei es, dass er als Beamter 
dient, sei es, dass er als Arbeiter am Bau Steine tragt, oder sei es, dass er an höchster Staatsstelle 
regiert, dass er als Soldat dienst tut, sei es, dass er an Werken deutschen Geist unserer Art 
schafft...' 1 

altijd diende de SS-man alles ondergeschikt te maken aan het onveranderlijke wezen en doel van 
de orde. Het was geen irreële gedachte voor hen, die meenden, dat eeuwenlang de Jezuïeten heimelijk 
de gehele Europese politiek beheerst hadden, en de noodzaak was evident voor lieden, die in alle 
landen ter wereld de jood in allerlei schijngestalten meenden waar te nemen, en er zeker van waren, 
dat achter die gestalten zich het eeuwige, onveranderlijke wezen van de wereld vernietiger verborg. 
Die penetratie in de maatschappij, zoals Himmler zich dat voorstelde, was voorbehouden aan de 
SS in het algemeen, die immers - afgescheiden van een groeiende bureaucratische bovenlaag - 
bestond uit mannen in verschillende beroepen, die aan de SS hun vrije tijd gaven. Maar dan, zo 
was althans het streven, al hun vrije tijd, en bovendien al hun aandacht en energie; hun werkkring 
en hun hele leven dienden een verlengstuk te zijn van hun positie als SS-man. 

Naast deze eigenlijke SS, of Allgemeine SS, zoals die gaandeweg werd genoemd, ontwikkelden 
zich professionele organisaties. Allereerst, in overeenstemming met wezen en doel van de SS, op het 
gebied van de politie. In een ander hoofdstuk zal nog uiteengezet worden, hoe de politieke politie 
van de Weimar-republiek, de gewone geüniformeerde politie, en de Sicherheitsdienst van de SS met 
elkaar vervlochten werden, en hoe Himmler zowel op organisatorisch als individueel vlak volkomen 
versmelting nastreefde. Eveneens was het in overeenstemming met de oorspronkelijke taak van de 
SS om de (werkelijke of vermeende) staatsvijanden onder controle te houden, tot welk doel een reeks 
van concentratiekampen werd opgericht. Ook hieruit ontwikkelde zich een aparte en zeer uitgebreide 
organisatie, te meer omdat in de tweede helft van de wereldoorlog de nadruk kwam te liggen op het 
economisch rendement, dat de gevangenen moesten opleveren. Een andere aparte factor vormde de 
SS-bureaucratie, die na de Macht übernahme zich ongehinderd - ongehinderd ook in financieel 
opzicht - kon gaan ontplooien. 

Zo ontwikkelde de SS zich tot een complex van verschillende gespecialiseerde en zich steeds meer 
vertakkende sub-organisaties, die elk vaak weer in mindere of meerdere mate samensmolten met 
staats-instanties. De bovengenoemde sub-structuren van politie en concentratiekampen waren dus 
uitvloeisel van de oorspronkelijke, zij het later verwijde, doelstelling van de SS. Andere sub- 
organisaties vonden hun oorsprong evenwel in factoren van meer externe en incidentele aard. 

In 1933 liet Hitier - behalve Führer nu ook rijkskanselier - weer een Stabswache, een lijfwacht, 
oprichten. Die Stabswache (een half jaar later Leibstandarte-SS 'Adolf Hitier 9 genoemd; wij komen 
in het volgende hoofdstuk gedetailleerder op dit alles terug) bestond weer uit uitgezochte SS- 
mannen, daar Hitier met reden het leger deze taak niet toevertrouwde. Het leek, alsof de geschiede- 



(1) Himmler, Schutzstaffel, p. 30. 



22 



HET KARAKTER VAN DE SS 



nis der SS zich zou herhalen, maar de expansie-mogelijkheden voor deze lijfwacht waren nu veel 
beperkter: de nazi's waren nu aan de macht, de Allgemeine SS en de door de SS gepenetreerde 
politieke politie ontwikkelden zich reeds tot de veiligheidsgarde in algemene zin. De enige ruimte, 
waar nog geen nazi-organisatie was doorgedrongen, was het militaire terrein. Daar ging Hitiers 
gewapende lijfwacht zich ontwikkelen tot een tweede militaire macht, de latere Waffen-SS. Dat was 
een proces, dat gedeeltelijk zijn oorzaken in de structuur van het nazi-regime had, gedeeltelijk echter 
ook door min of meer toevallige omstandigheden op gang gebracht werd. Maar ontstaan en groei 
van een gewapende SS als militaire macht hoorden zeker niet tot de oorspronkelijke doelstellingen 
van de SS (wèl van de SA) en sproten evenmin noodzakelijk uit haar wezen voort. 

De SS - zowel de grote sub-structuren: Allgemeine SS, politie en gewapende SS, als de bureau- 
cratie - zocht steeds weer nieuwe terreinen om zich te voeden en zich uit te breiden. Tekenend is het, 
dat de sterke tegenkrachten, die dit streven opriep, vooral van de partij uitgingen, nauwelijks of niet 
van de staat; de lezer zal nog zien, hoezeer dat ook gold voor de Duitse politiek in Nederland. 
Derhalve ontwikkelde de SS zich deels door realisatie van de immanente mogelijkheden, deels 
echter onder invloed van externe factoren langs bepaalde wegen en vond andere wegen voor zich 
afgesloten. De veelvoudige en nogal grillige structuur, die de SS hierdoor kreeg, was evenwel ook 
een desintegrerende factor. 



Vele jaren na de Macht übernahme nog gold de SS als een elitetroep, die zich toelegde op zelftucht 
en persoonlijke offers, op ideologische zuiverheid en sobere levensstijl. Inderdaad was er vaak een 
duidelijk verschil, of leek er te zijn, met het ruwe proletendom van de SA, en al gauw ook met de 
omhoog gevallen partijbonzen van de NSDAP. Lieden, die iets in het nieuwe regime zagen, maar 
juist door die twee laatste categorieën nationaal-socialisten werden afgestoten, meenden in de SS 
een organisatie van beter gehalte te zien. In dat stadium heeft de Allgemeine SS vermoedelijk wel een 
aantal idealisten - idealisten van een bepaald soort - aangetrokken. Maar juist de glans van het 
prestige als keurtroep deed velen van een ander type de adelsbrief zoeken, die de SS-runen met zich 
mee schenen te brengen, voor zover de opportunisten niet in de snel groeiende SS een goede gelegen- 
heid voor het maken van een carrière zagen. 

De door Himmler gewenste penetratie zette zich vaak in het tegendeel om: penetratie in de SS 
van elementen, voor wie het zwarte uniform een hulpmiddel was in hun politieke of privé-leven, 
en niet uitdrukking van meest wezenlijke loyaliteit. Himmler was over het algemeen niet karig met 
het verlenen van honoraire SS-rangen aan lieden van importantie, duidelijk in de hoop hen aan zijn 
orde en aan zijn politiek te binden. Het effect lijkt ons minimaal geweest te zijn. Wellicht is een 
enkele partijfunctionaris of industrieel, gevleid door de verlening van het zwarte uniform en een 
hoge SS-rang, wat toeschietelijker en gewilliger geworden dan hij anders geweest zou zijn, maar het 
beleid van een Bormann, leider van de partij-organisatie, of een Seyss-Inquart, rijkscommissaris 
van het bezette Nederland, is er niet zichtbaar door beïnvloed, tenzij men het rondlopen in het 
SS-uniform, en een heel enkele keer een lippenbekentenis 1 als zodanig zou willen beschouwen. Wel 
had het rondstrooien van deze ere-rangen (die er wel degelijk zijn geweest) 2 een zekere devaluatie 
van het zwarte uniform tot gevolg. 3 

De Allgemeine SS, samengesteld immers uit lieden, die de meest gevarieerde beroepen uitoefenden 
en zich in de meest verschillende kringen bewogen, zou de belangrijkste deelorganisatie van de SS 



(1) Zie bijv. nr. 69. Dat Seyss-Inquart Himmlers steun zocht, althans diens ongenoegen trachtte te 
vermijden, is geen gevolg geweest van zijn honoraire lidmaatschap van de SS. Zie p. 85. 

(2) Ziep. 28. 

(3) Zienr. 71- 



23 



DE SS IN DUITSLAND 



moeten zijn, reservoir en ferment. De leden werden geacht bij uitstek Hitiers 'politische Soldaten' te 
blijven, voor de zuiverheid van de nationaal-socialistische leer te waken en de gespecialiseerde 
SS-organen 'vor fachlicher Abschliessung und Loslösung von der Gesamtbewegung zu bewahren.' 1 
Dit had weinig concrete betekenis. In feite werd de Allgemeine SS het minst belangrijke onderdeel 
van het SS-complex, en kwam het accent steeds meer te liggen op de speciale SS-organen, waarin 
tien- en tenslotte honderdduizenden hun dagelijkse werk vonden: de gewapende SS-onderdelen, 
de politie, het apparaat der concentratiekampen en SS-bedrijven, de SS-bureaucratie. De geschiede- 
nis van de SS is niet de geschiedenis van alle SS-mannen, maar de geschiedenis van deze sub- 
structuren, waarvan tallozen deel uitmaakten, die nimmer lid zijn geweest van het zwarte corps. 

Maar ook in de professionele sub-structuren, in de diverse politie-organen en de Waffen-SS 2 , 
vond in zekere zin een omgekeerde penetratie plaats. Al meteen na de Macht übernahme had men 
juist hier dringend vakmensen nodig. De SS zoog staatsorganen in zich op, maar daarmee ook veel 
personeel uit de periode van de Weimar-republiek. De Waffen-SS kon niet worden opgebouwd 
zonder een kern van officieren uit het oude keizerlijke leger of uit de Reichswehr van de republiek. 
Al deze lieden - uiteraard geen principiële tegenstanders van het nationaal-socialisme, zeer vaak 
politiek indifferent - ondergingen stellig wel de invloed van de in de SS heersende sfeer, maar 
drukten ook hun stempel op de organisatie. Lieden als de politie-man Müller, hoofd van de Gestapo, 
of als de chef van de Duitse politieke politie in Nederland Harster, lieten zich willens en wetens 
bij de SS inlijven, maar werden nimmer SS-er in de ideologisch-mentale betekenis van het woord. 
Dat wil niet zeggen, dat zij daarom in misdadige handelingen de mindere waren van de ideologische 
fanatici. Integendeel, zij gaven de SS, ook of juist in de meest criminele activiteiten, de efficiency 
en de koele distantie van de vakman. 

De symbiose met staatsinstellingen, de specialisatie, en de toevloed van 'technici' riepen centrifugale 
krachten in het SS-complex op. Himmlers wens tot volledige integratie van SS en politie werd slechts 
voor een deel vervuld. De Waffen-SS dreigde naar de Wehrmacht toe te groeien, al bleef de SS- 
oorsprong altijd onmiskenbaar. De SS-bureaucratie, op verschillende terreinen werkzaam, kreeg 
verschillende belangen en ook verschillende visies op allerlei zaken. Himmler kon niet voorkomen, 
dat sommige typische weeffouten van de nationaal-socialistische maatschappij zich in de SS op 
nauwelijks kleinere schaal herhaalden: overlapping van bevoegdheden, competentietwisten, kortom 
de resultanten van de persoonlijke ambities van leidinggevende SS-ers, die ieder een eigen machts- 
apparaat trachtten op te bouwen. 

'Denn leben wird diese Waffen-SS nur dann, wenn die Gesamt-SS lebt. Wenn das gesamte Corps 
wirklich ein Orden ist, der in sich nach diesen Gesetzen lebt und sich darüber klar ist, dass ein 
Teil ohne den anderen nicht denkbar ist. Ihr seid nicht denkbar ohne die allgemeine SS, diese ist 
nicht denkbar ohne Euch. Die Polizei ist nicht denkbar ohne die SS, wir sind aber auch nicht 
denkbar ohne diese Exekutive des Staates, die in unser Hand ist. . .' 3 

Dit trachtte Himmler er voortdurend bij zijn volgelingen in te hameren; een aanwijzing, dat deze 
voorstelling van zaken meer zijn wens dan de werkelijkheid weerspiegelde. Het merkwaardige is, 
dat na de oorlog niet alleen het geallieerde militaire tribunaal te Neurenberg, maar ook weten- 
schappelijke onderzoekers een tijdlang min of meer Himmlers voorstelling van de SS als een hechte 



(1) Best, Deutsche Polizei, p. 100. 

(2) Deze term gemakshalve ook gehanteerd voor de Verfügungstruppe als voor-oorlogse voorloper van de 
Waffen-SS; echter niet voor de To t enk op f verbande (bewakingstroepen der concentratiekampen), die later 
grotendeels in de Waffen-SS zijn opgegaan; zie §§ D en E. 

(3) Rede voor de officieren van de Leibstandarte-SS 'Adolf Hitier' van 7 sept. 1940 te Metz, 1MT 1918-PS. 



24 



HET KARAKTER VAN DE SS 



monoliet, een staat in de staat, voor een realiteit aanzagen. 1 Doorslaan naar het andere uiterste en 
de SS slechts beschouwen als een organisatie, die haar impulsen niet vanuit een demonische opzet, 
doch louter vanuit toevalligheden en automatismen ontving 2 , zou even onjuist zijn. Een zekere 
samenhang was er stellig. Niet onderschatten moet men ook de stroom van indoctrinatie, die van 
de SS-leiding uitging. Vele leden van de SS en met name van de Waffen-SS mochten vooral in later 
jaren het merendeel van deze geestelijke voedingswaren als irrelevante onzin naast zich neerleggen 
- men kan niet ongestraft jaren lang lid van een organisatie zijn zonder iets van de sfeer en de 
opvattingen daarin over te nemen; dat viel zelfs te bespeuren bij Nederlanders, die zonder iets met 
de politieke SS te maken te hebben vrijwilliger in de Waffen-SS werden. De centrifugale tendensen 
trachtte Himmler tevens op organisatorisch gebied te beteugelen. De instelling van een aparte 
rechtspraak voor SS en politie was hier ten dele op terug te voeren, de creatie van Höheren SS- und 
Polizeiführer, die elk voor zich in hun gebied alle organen van SS en politie moesten bundelen (wij 
zullen er later op terugkomen) had het bewaren van de samenhang in het hele complex tot voor- 
naamste doel. 

Samenvattend gezegd: de SS was geen logisch en rationeel opgezette organisatie, maar een 
historisch bepaald complex geheel. 'Organisch gegroeid' zou men kunnen zeggen, om een favoriete 
term uit het rechts-radicale milieu te hanteren; in werkelijkheid had de SS zich tamelijk chaotisch 
ontwikkeld, en nam geregeld taken op zich, die slechts ten dele of in het geheel niet met het oor- 
spronkelijke doel samenhingen. De SS van 1944 was zeer verschillend van de SS van een decennium 
eerder, en viel eerst recht niet te vergelijken met de SS uit de Kampfzeit, de periode vóór 193 3. 3 

Toch lijdt het geen twijfel, dat er een zekere structurele en mentale samenhang was, zij het, dat 
zodra Himmlers greep onder omstandigheden minder vast werd, de onderdelen zich uit die samen- 
hang dreigden te verwijderen. 

Himmler wist het door hem beheerde complex ook voor bepaalde, meest destructieve, doeleinden 
met een redelijk rendement in te zetten. De Israëlische historicus Shlomo Aronson, die het ontstaan 
van de Duitse politieke nazi-politie wilde analyseren, verwachtte de dynamische, briljante Heydrich 
als centrale en beslissende figuur aan te treffen - hij vond de zo middelmatig lijkende unheimliche 
schoolmeester Himmler, die onderling zeer verschillende groepen en persoonlijkheden onder een 
noemer wist te brengen, en hen omsmeedde tot een instrument om zijn racistische Lebensraum- 
programma mee door te voeren. Daarbij was het Himmler gelukt, volgens de conclusie van Aronson 

'seinen Machtapparat um verschiedene Schwerpunkte herum aufzubauen, zwischen denen das 
Verhaltnis einer Konkurrenz bestand, die zu einem destruktiven Wettbewerb sich auswuchs.'* 

Die conclusie willen wij niet alleen onderschrijven, maar er nog iets aan toevoegen. Inderdaad 
leverde de dynamiek van de nazi-beweging in het algemeen en van de SS in het bijzonder vrijwel 
alleen resultaat en rendement op, wanneer het om het realiseren van negatieve doelstellingen ging. 



(1) Zie het vonnis van het internationale militaire tribunaal te Neurenberg, IMT XXII, p. 512-517; 
voorts Eugen Kogon: Der SS-Staat. Das System der deutschen Konzentrat ionslager, Berlin, 1947; ook wel 
Reitlinger, Alibi. 

(2) Zo Höhne, Orden, p. 18. In het algemeen wil Höhnes werk deze stelling illustreren. Met name wat zijn 
gebruik van de bronnen betreft voldoet het echter veelal niet aan wetenschappelijke maatstaven. 

(3) Koehl gebruikt voor de SS een beeld, dat aan Herakleitos lijkt te zijn ontleend, nl. dat van een snel- 
stromende, zich voortdurend vertakkende rivier. Inderdaad wijst hij er terecht op, dat de SS verschillend 
van karakter was in de verschillende perioden van haar bestaan. (Robert Koehl: The Character of the 
Nazi SS', in: Journal of Modern History 34, 1962, p. 275 e.v.). 

(4) Shlomo Aronson : Reinhard Heydrich und die Anfange des SD und der Gestapo 093 *-i935) (diss. Freie 
Univ. Berlin), Berlin, 1967, p. 323. 



25 



DE SS IN DUITSLAND 



Dat was in het geval van de SS niet onverklaarbaar. De SS was veiligheidsgarde van partij en staat, 
haar taak was het opruimen van vijanden. Die vijanden waren identificeerbaar, de SS organisato- 
risch, mentaal en politiek in staat tot liquidatie. Uit haar positie van veiligheidsgarde en elite leidde 
de SS evenwel ook een politiek prerogatief af, en deed, door nog te bespreken omstandigheden 
begunstigd, een greep naar de politieke suprematie in bepaalde bezette landen, waarbij als einddoel 
een rijk van het noordse ras, een groot-Germaans Rijk, werd gesteld. Die poging bracht de SS in 
een situatie, waarin zij als politieke partij moest fungeren. Daarin moest de SS wel te kort schieten. 
Daarvoor waren de tegenkrachten te sterk, daarvoor vertoonde de SS te weinig reliëf tegenover de 
NSDAP t en vooral: daarvoor was de tegenspraak met haar karakter als semi-militair-politionele 
elite-groep te groot. Men zal aan de hand van deze publikatie kunnen zien, hoe hierin één der 
belangrijkste oorzaken gelegen heeft van het mislukken der SS-politiek in Nederland, afgescheiden 
van het feit, dat dit falen een functie was van de mislukking der nationaal-socialistische politiek in 
het algemeen. 

B. De Allgemeine SS 

Na de weeropleving van de SA in de tweede helft van de twintiger jaren was de SS in alle opzichten 
een bijloper van deze steeds groter wordende organisatie geworden. Het systeem van de Staffel van 
tien man per plaats verdween, de indeling werd vrijwel gelijk aan die van de SA. De kleinste eenheid 
was de Schar van ongeveer 8 man, de niveaus daarboven werden gevormd door de Sturm\ dan door 
de Sturmbann, vervolgens de Standarte, die in aantal manschappen met een regiment infanterie van 
de Wehrmacht te vergelijken viel. Daarboven waren er meer territoriaal gedachte eenheden, Unter- 
gruppe en Gruppe, later (dat alleen bij de SS, niet bij de SA) Abschnitt en Oberabsehnitt genoemd. 
Corresponderende benamingen werden gevoerd door de deze afdelingen leidende functionarissen; 
men zou al deze SS-Führer en SS-Unterführer met officieren en onderofficieren kunnen vergelijken, 
hetgeen voor de Waffen-SS ongetwijfeld juist zou zijn, maar voor een civiel korps als de Allgemeine 
SS kwestieus is ; wellicht is de vertaling, die later in de Nederlandsche SS werd gebruikt, namelijk 
'SS-leiders' en 'SS-onderleiders' nog de meest adequate. Welnu, evenals de SA kende de SS derhalve 
lieden met de rang van Scharführer (een 'onderleider' dus), Sturmführer (reeds op het officiers-, c.q. 
leidersniveau), Sturmbannführer, Standartenführer en Gruppenführer, meestal inderdaad hoofd van 
de in nomenclatuur bijpassende eenheid. De opsomming hier is niet volledig, en kort nadat de 
nazi's aan de macht waren gekomen, werden de rangen nog met een aantal uitgebreid, en mitsgaders 
de hiërarchie verrijkt met Rottenfuhrer, Ober scharführer, Obersturmbannführer en Brigadeführer, 
om er slechts de helft van te noemen. Daarbij kwamen nog een paar rangen in de sfeer van de 
officiersopleiding, zoals Standartenj 'imker. 2 In die rangen en in de indeling was er echter in de loop 
der jaren toch een zekere afwijking van de SA gekomen, en werd de koppeling tussen eenheid en de 
daarbij behorende leiders-rang losser. Zo werd een rangenstelsel gecreëerd, dat zich wel enigszins 
met dat van het leger liet vergelijken. Dezelfde agressieve en barokke termen, met de daarbij 
behorende rangtekenen op de kraag, werden in de gewapende SS-onderdelen, wat later dus de 
Waffen-SS werd, gebruikt. Daar heette een compagnie een Sturm, een bataljon een Sturmbann, een 
regiment een Standarte. Na 1941 werd dit losgelaten, maar neigingen van beroepsmilitairen in de 

(1) Tussen Schar en Sturm blijkbaar nog Zug, maar kennelijk niet altijd; bij de SA heette die eenheid, 
bestaande uit gemiddeld 3 & 4 Schare, een Trupp\ bij de SS verdween deze benaming in 1934. (Best, 
Deutsche Polizei, p. 113, verder de bronnen in de volgende noot). 

(2) Frhr. von Eelking, Die Uniformen der Braunhemden, (S.A., S. Politische Leiter, Hitlerjugend,Jung- 
volk und B.D.M.), München, 1934, p. 6; Mollo, Uniforms Allg. SS, p. 20-21. Men zie voor een volledige 
opsomming de Tabel van SS-rangen. Min of meer hetzelfde rangenstelsel hadden behalve de SA ook het 
NSKKen het NSFK. De Hitlerjugend had een in nomenclatuur volledig afwijkende hiërarchie. 



26 



DE ALLGEMEINE SS 



Waffen-SS om zich dan maar ook net als in het leger Hauptmann in plaats van SS-Hauptsturm- 
führer te noemen, onderdrukte Himmler krachtig. 1 De enige concessie, die hij in dit opzicht deed, 
was toe te staan, dat SS-officieren in de rang van Brtgadeführer en hoger zich aanduidden als : 
SS-Brigadeführer und Generalmajor der Waffen-SS, SS-Gruppenführer und General der Polizei enz. 8 
In 1942 werd, kennelijk om niet al te zeer bij het leger achterop te raken, een nieuwe, en na Reichs- 
führer-SS zelfs hoogste rang gecreëerd, namelijk die van SS-Oberstgruppenführer, gelijkgesteld aan 
een Generaloberst van het leger. 3 De rangtekenen bleven in principe gelijk aan de oude, van de SA 
overgenomen, rangtekenen op het bruine hemd van weleer, zij het, dat ook hier bepaalde ver- 
anderingen niet konden uitblijven. 4 De SS-schouderstukken werden op een gegeven moment in de 
gewapende SS door de leger-schouderstukken vervangen. 6 

Oorspronkelijk had de SS het S/l-uniform gedragen, met dien verstande, dat alles zwart was 
behalve het bruine hemd, dat reeds in de Kampfzeit symbool van heilige overtuiging werd. Na de 
Machtübernahme werd de uniformering van alle nazi-organisaties uitgebreid met allerlei varianten 
voor verschillende gelegenheden: winter- en zomerkledij, groot en klein tenue, Ausgehanzug, 
etcetera, voor het partij-kader zelfs een Bürodienstanzug*; Goering persoonlijk spreidde zoals 
bekend de grootste extravagantie op dit gebied ten toon. Wanneer men ervan uitgaat, dat uiterlijke 
vormen zoals kledij geen toevalligheden zijn, mag men in dit verschijnsel wel een symptoom van ver- 
burgerlijking, beter gezegd van verzadiging der bruine revolutie, zien. De nationaal-socialisten 
hadden het erreichi, de machtsposities en de vette baantjes: het bruine hemd uit de Kampfzeit, de 
jaren van strijd tegen de Weimar-republiek, verdween nadien bijna geheel onder de 'geklede' 
tuniek, waarvan alleen de open kraag nog een klein stuk van het hemd liet zien. Bij de SS was deze 
tuniek zwart, en de ski-pet werd vervangen door een hoge, eveneens zwarte pet naar het model van 
de Duitse officierspet. Het zwarte uniform, konkrete uitbeelding van de SS, was compleet. 7 

Het werd echter allerminst dagelijks gebruikt, behalve dan door de leden van de gewapende 
Leibstandarte-SS 'Adolf Hitler\ De meeste dragers van het uniform waren immers de mannen van de 
Allgemeine SS, die, zoals de Reichsführer het wenste, 'voll und ganz im Beruf' werkzaam waren, 
en hun SS-dienst vervulden in het vrije week-end. Daar kwam dan nog één indoctrinatie-avond per 
week bij. 8 Dat was althans in doorsnee gebruikelijk, maar in bepaalde gevallen kon daar van afge- 
weken worden. De SS-man kon elk moment voor SS-dienst worden opgeroepen, en dat gebeurde 



(1) Zienr. 76. 

(2) Voorbeelden daarvan o.a. in Rauters Personalakt (P 1); zie ook K. G. Klietmann: Die Waffen-SS. 
Eine Dokumentation, Osnabrück, 1965, p. 492. 

(3) Al snel (maar niet algemeen) geschreven, om verwarring met de rang daaronder te vermijden: 
SS-Oberst-Grupperiführer. 

(4) Men vergelijke Eelking, Uniformen der Braunhemden, p. 20, 21, met Mollo, Uniforms Alfg. SS, p. 
22-25, en met Org. buch der NSDAP 1943, Tafel 50. 

(5) Zie p. 48, en de verwijzing daarbij. 

(6) Org. buch der NSDAP 1943, Tafel 13. Een onevenredig groot aantal bladzijden van dit werk worden 
gevuld, evenals dat met de tijd en de energie der nationaal-socialisten in het algemeen het geval was, met 
uitgebreide en minutieuze voorschriften over de diverse uniformeringen. Het verband tussen rechts- 
radicale stromingen en zucht tot uniformering mag bekend worden verondersteld. Typerend voor het 
nationaal-socialistische Duitsland is de vaak vermakelijke acribie, hierbij ten toon gespreid. 

(7) Ook hierin herhaalde deze ontwikkeling zich later bij de Nederlandse nationaal-socialisten. Funda- 
menteel moet de oorzaak daarvan gezocht worden in het slaafs volgen van het Duitse voorbeeld, dat zelfs 
tot in de meest futiele details altijd inspirerend wist te werken, maar ook in dezelfde psychologische 
context. Na mei 1940 dragen de NSB-ers ook bijna altijd de tuniek over het zwarte hemd, de Nederland- 
sche SS, pas in sept. 1940 gesticht, was meteen al zo gekleed. Zowel bij de Duitse als de Nederlandse SS 
valt er bovendien - verdere verburgerlijking - een voorkeur voor een wit hemd waar te nemen. 

(8) ÏMT 1992-PS. 



27 



DE SS IN DUITSLAND 



dan ook, bij antisemitische boycot-acties, bij jacht op politieke tegenstanders, waarbij SA en SS als 
hulppolitie opereerden. In het jaar van de Machtübernahme formeerden zich kleinere of grotere 
plaatselijke SS-groepen voor dit soort doeleinden, al dan niet bewapend. Sommige van deze groepen 
werden permanent, de leden ervan kregen zoiets als een min of meer geregelde bezoldiging, en 
werden ook wel in aparte gebouwen geconcentreerd. In die groepen lag de oorsprong van de 
gewapende SS, zoals men verderop nog zal zien. 

Van vrijwel iedere verplichting vrijgesteld waren de lieden, die honorair een rang in de SS be- 
kleedden, meest hoge functies in staat, partij, bedrijfsleven of algemeen-maatschappelijke instel- 
lingen uitoefenend. Na de oorlog legden zij uiteraard de nadruk op het honoraire en tot niets verplich- 
tende karakter van hun SS-lidmaatschap : het had niets te betekenen, men kon niet weigeren, het ging 
eigenlijk ongemerkt, iedereen deed het, enz. Wantrouwen in dergelijke commentaren (niet geheel 
ongerechtvaardigd) bracht geallieerde onderzoekers er toe te denken, dat er helemaal geen honoraire 
rangen in de SS waren, maar deze conclusie is onjuist. Zij, die honorair de rang van SS-Stan- 
dartenführer of hoger kregen, heetten Ehrenführer en voerden een apart distinctief en aparte armband 
(zelfs een soort tres); onder de genoemde rang heetten zij Rangführer. Die benamingen verdwenen 
echter weer in 1935, evenals de aparte distinctieven; de betreffende leden werden als behorend tot 
de staf van de Reichsführer geboekt. 1 In feite veranderde daarmee niets. Het leverde ook, zoals wij 
al betoogd hebben, voor de SS weinig op. Nog minder de instelling van donateurs, Fördernde 
Mitglieder. Misschien wel financieel, want er waren enige uiterst bemiddelde lieden onder, maar 
politiek gesproken hadden zij geen enkele betekenis, in tegenstelling tot wat later de Nederlandsche 
SS met haar 'begunstigende leden' te zien zou geven. 

De gehele SS-organisatie was territoriaal onderverdeeld in Oberabschnitte (elk daarvan weer in 
een klein aantal Abschnitte, hetgeen verder van geen enkel belang is). Deze gebieden vielen in het 
geheel niet samen met de grenzen van de regionale organisatie van de staat, met de Lander of de 
Pruisische Provinzen, maar evenmin met de Gaue van de partij. De Oberabschnitte vielen nauwkeurig 
samen met de grenzen van de Wehrkreise, de militaire territoria, die in beginsel elk een legerkorps 
voor de Wehr macht leverden. Die tendens was al bij de SA te bespeuren 2 , maar gezien de traditionele 
strevingen in dat lichaam, zoals bij tijd en wijle de gedachte om een levée en masse te vormen als 
vijandelijke machten Duitsland zouden aanvallen, voor het leger niet eens zo verontrustend. Zodra 
echter na de liquidatie van Rohm en de 5^-leiding in de zomer van 1934 de SS tot zelfstandige 
Gliederung van de NSDAP werd verheven, begon men hier de Wehrkreise consequent te kopiëren. 
Toen de Wehrmacht in 1937 het aantal Wehrkreise verhoogde, en daarbij de grenzen moest ver- 
anderen, volgde de SS de nieuwe indeling meteen tot in detail na. 3 Men bedenke, dat de SS er al 
enige tijd professionele gewapende en gekazerneerde onderdelen op na hield, die ook naar het 
systeem van de SS-Oberabschnitte gelegerd waren. Men kan zelfs de tendens vaststellen deze onder- 
delen in of bij de zetels van Wehrkreise te legeren. 4 De lezer zal verderop nog meer gegevens aan- 
treffen, die naar dezelfde conclusie wijzen: een van de belangrijkste taken van de SS was de Wehr- 



(1) Eelking, Uniformen der Braunhemden, p. 23, 98; Mollo, Uniforms Allg. SS, p. 50; Dienstalter sliste 
der Schutzstaffel der NSDAP, Berlin, resp. 1935 en 1936; minder belangrijke honoraire SS-Führer werden 
soms geregistreerd als behorend tot de staf van de hier na te noemen SS-Oberabschnitte (zie nr. 66, noot 1). 

(2) Men vergelijke de kaarten van de SS-Oberabschnitte en de SA-Gruppen in twee werken, samengesteld 
door Suprème Headquarters Allied Expeditionary Force. Evaluation and Dissemination Sec t ion G-2: 
Basic Handbook The Allgemeine SS (The General SS). E.D.SJGI8 Compiled from Mi4d and MIRS 
(London Branch) sources, z.pl., z.d., en Basic Handbook The SA of the Nazi Party ( Die Sturmabteilung der 
NSDAP). Brownshirt or Storm Troop Formations. E.D.S.jGli Compiled From Mater ial Available at 
Washington and London, z.pl., z.j. 

(3) Ermenhild Neusüss-Hunkel, Die SS, Hannover, Frankfurt am Main, 1956, p. 34. 

(4) A.v.,p.37,38. 



28 



DE ALLGEMEINE SS 



macht in de gaten te houden. Ongetwijfeld waren vooralsnog de SS-troepen veel te gering om 
eventueel met succes tegen het leger te kunnen optreden, maar het was een begin ; en dan was er nog 
de door de SS beheerste politie, en de AUgemeine SS als een niet onaanzienlijke reserve. 

In de nieuw-verworven gebieden was er veel meer overeenstemming tussen de grenzen van staats- 
en partij -administratie, en Wehrkreis. Tijdens de oorlog telde Duitsland, met de geannexeerde 
gebieden mee, 17 SS-Oberabschnitte, en in de bezette gebieden nog een stuk of 4, waaronder 
Nederland (SS-Oa. Nordwest) en Noorwegen (SS-Oa. Nord), hoogstwaarschijnlijk nog een Oa. 
Böhmen und Mdhren, wellicht ook Ukraine en Os t land (de Baltische landen). 1 Hebben de laatste 
niet veel meer betekenis gehad dan die van rekruteringsgebied van daar woonachtige Duitsers voor 
de Waffen-SS, de Oberabschnitte Nord en Nordwest kregen weer politieke betekenis door de op- 
richting van niet-Duitse, 'Germaanse' SS-formaties, die strikt gesproken tot de ongewapende, 
politieke, AUgemeine SS behoorden. Zij waren zelfs tijdens de oorlog de enige politieke SS-forma- 
ties, die iets te betekenen hadden, aangezien de meeste leden van de AUgemeine SS onder de wapenen 
waren geroepen, waarvan weer het merendeel overigens aanvankelijk in de Wehr macht dienst deed, 
niet in de Waffen-SS? Daardoor had in die jaren de Duitse politieke SS bijna niets meer te beteke- 
nen, en werd haar rol tot op zekere hoogte in andere landen overgenomen door de kleine, inheemse 
SS-organisaties daar. 

Maar die daling in betekenis van wat de oorspronkelijke SS was, was al veel eerder ingezet. Om 
te beginnen ontsnapte ook de SS niet aan een zekere massificatie. Ving Himmler zijn leiderschap 
over het nazi-elitekorps aan met 280 man onder zijn bevel 3 , bij Hitiers machtsaanvaarding waren 
het er al meer dan 50.000. 4 Juist toen uiteraard kwam de grote stroom opportunisten naar de partij, 
de SA en ook de SS toevloeien. Himmler beweerde later, dat hij ter wille van elite-vorming en 
selectie reeds in april 1933 de SS sloot, toen de andere nazi-organisaties hun ledenaantal nog zo 
indrukwekkend mogelijk wilden maken; in twee jaar zou hij een 60.000 man weer uit de SS hebben 
gezet. 5 Hoe dit ookzij, eind 1938 telde de AUgemeine SS bijna 215.000 leden, de gewapende SS een 
kleine 23.500 man. 6 Bij het uitbreken van de oorlog was dit aantal niet wezenlijk veranderd. 7 Over 
het algemeen week de beroepsverdeling in de SS niet veel af van die van de gehele Duitse bevolking. 
Duidelijk oververtegenwoordigd waren echter de handelssector (18% tegen 9% der bevolking), de 
ongeschoolde arbeiders (8 tegen 3%; wat betreft de geschoolde is er geen noemenswaard verschil), 
de ambtenaren (10 tegen 5%, verklaarbaar door de symbiose van SS met de politie). Sterk onder- 
vertegenwoordigd waren de vrije beroepen (1 tegen 6%), en vooral de agrarische sector met 10 tegen 
22%; één van de SS-idealen, de versmelting met het hoerendom, de terugkeer van het goede bloed 
naar de bodem, leed in de AUgemeine SS duidelijk schipbreuk 8 ; in een deel van de voor-oorlogse 
gewapende SS was evenwel weer het boerenmilieu bijzonder sterk aanwezig. 9 



(1) Op dit punt zijn de opgaven zeer uiteenlopend. Wanneer men bovendien de Oa. Rheinj West mark in 
zijn twee componenten verdeelt, zoals het Org. buch der NSDAP 1943, P- 427a, doet, waren er binnen de 
toenmalige Duitse grenzen dus 18 Oberabschnitte. 

(2) IMT 2825-PS. 

(3) IMTi992-PS;d'Alquen,SS,p.8. 

(4) d'Alquen,SS,p. 12. 

(5) IMT 1992A-PS. 

(6) Statistisches Jahrbuch der Schut zstaffel der NSDAP. 1938, (Berlin, 1939), P- 16. 

(7) IMT 2825-PS. 

(8) Stat. Jahrbuch SS 1938, p. 107. De verschillende sectoren worden in dit werk naar aantallen in de SS 
(niet naar verhouding op de totale beroepsbevolking) elders gespecificeerd (p. 103-106). De samen- 
stelling heeft plaats gevonden op basis van beroepsgroepen, zodat de sociale stratificatie onvoldoende tot 
uiting komt. 

(9) Zie Höhne, Orden, p. 413. 



29 



DE SS IN DUITSLAND 



Met het stijgen van het aantal SS-leden in de loop der jaren was echter de functie van de Allge- 
meine SS naar evenredigheid gedevalueerd, behalve dan de functie als reserve. De veiligheidsfunctie, 
primaire taak van de SS, berustte thans in de eerste plaats bij de politie, die Himmler sinds 1933 in 
toenemende mate met de SS versmolt. En in het algemeen besefte Himmler heel goed, dat, geheel 
in de lijn van het karakter van de nazi-revolutie, hij eerst een deel van het staatsapparaat in handen 
moest hebben, voordat hij de SS een institutionele basis voor de verlangde machtspositie kon 
geven. 1 Het zwaartepunt kwam te liggen bij de door de SS geannexeerde delen van de staats- 
apparatuur en bij die speciale onderdelen van de SS, die de staatsorganen in zich opzogen, of 
bepaalde werkterreinen van de staat overnamen. 

In de Kampfzeit had de SS, bestaande uit lieden, die in hun vrije tijd hun krachten aan de beweging 
gaven, zijn nut bewezen. Na de Machtübernahme werd de SS salonfahig, door de gute Gesellschaft 
geaccepteerd, een uitgebreide, goed geadministreerde organisatie, nauw aan de nieuwe staat ver- 
bonden. Er bestond nu echter weinig behoefte meer aan lieden, die in hun week-end 'einsatzbereit' 
krantjes verkochten, sprekers op propaganda-bijeenkomsten beschermden, ontevreden partijgenoten 
afranselden, of achterklap over lokale notabelen aan de leider van hun wijkgroepje meldden. Juist 
toen na 1933 de AUgemeine SS de kans kreeg zich te gaan ontplooien, waren als politieke kracht 
haar uren eigenlijk al weer geteld. De amateurs moesten plaats maken voor de professionals van 
de zich vormende politieke politie, de gewapende SS-eenheden, en de SS-bureaucratie. 

C. SS en politie 

1 . Sicherheitspolizei en SD 

Wij merkten reeds op, dat het in het wezen van de SS lag om de politie van het Derde Rijk te 
worden. Immers, de beveiliging van Fahrer en partij werd doorgetrokken tot de staat, waarvan men 
zich meester maakte. Reeds voor dit gebeurde had Himmler dat in een rede voor de Berlijnse SS- 
leiding in juli 1931 als doel aangewezen: de SA was de 'linie', de SS de 'garde' en daarbij diende zij 
zich van partij-garde te ontwikkelen tot garde van het Duitse volk, ja, van het gehele noordse ras. 2 
Dat hield in de eerste plaats de verovering van de politionele sector in, maar zover was Himmler 
nog lang niet. Juist in die tijd, medio 1931, dacht hij eraan een inlichtingendienst op te bouwen, en 
toevallig kwam hij in aanraking met een jonge man, die net uit de marine ontslagen was en een baan 
zocht: Reinhard Heydrich. 3 Voor Heydrich waren er twee mogelijkheden, een betrekking bij een 
zeilschool ergens in Sleeswij k-Holstein, ofte München bij de leiding van de NSDAP y een partij, die 
hij niet kende en waarvan hij nog geen lid was. Ook voor Himmler waren er twee mogelijkheden: 
de jonge ex-marine-officier, die bij zijn sollicitatie beweerde iets van Nachrichten te weten 4 , of de 

(1) Vgl. Shlomo Aronson: The Development of the Bavarian Political Police as the first SS and State 
Authority in Nazi Germany in 1933, Jerusalem, z.j., p. 11. 

(2) Aronson, Heydrich, p. 79. 

(3) Reinhard Tristan Eugen Heydrich, geb. 7 maart 1904 te Halle a.d. Saaie. 1919-^20 lid van vrijkorpsen, 
in 1922 in de marine, 1926 luit. ter zee, 1931 uit de marine ontslagen. In dat jaar intrede in NSDAPqu SS; 
1931 hoofd van de SD, 1936 daarbij hoofd van de Sicherheitspolizei, sinds de creatie van het Reichssicher- 
heitshauptamt in 1939 Chef der Sicherheitspolizei und des SD genoemd. In sept. 1941 benoemd tot plv. 
(en feitelijk) Reichsprotektor van het protectoraat Bohemen en Moravië. Op 4 juni 1942 overleden ten 
gevolge van een moordaanslag. De Duitse represailles omvatten o.a. de verwoesting van het Tsjechische 
dorp Lidice en het fusilleren van de mannelijke bevolking. {Der Grossdeutsche Reichstag 1938. IV. Wahl- 
periode (nach dem 30. Januar 1933), Berlin, 1938; Aronson, Heydrich; Höhne, Orden, p. 456-459)- 

(4) Nachrichtenoffizier kan betekenen zowel een officier, die inlichtingen verzamelt en spionage bedrijft, 
als iemand, die bij een verbindingsdienst (bv. de radioverbinding tussen schepen) werkzaam is. Heydrich, 
die in de marine het laatste geweest was, wist heel goed, dat Himmler het eerste bedoelde, maar liet hem in 
die waan (Aronson, Heydrich, p. 57, 58). 



30 



SS EN POLITIE 



politie-kapitein Horninger. Heydrich nu koos voor de nazi-beweging, Himmler voor Heydrich - een 
keuze, die voor beiden uiterst effectief bleek te zijn, al was het alleen maar, omdat later bleek, dat 
Horninger een spion van de Weimar-politie was. Toen de nazi's aan de macht kwamen, pleegde hij 
in februari 1933 zelfmoord. 1 

Men mag hieruit afleiden, dat het toeval ook een rol speelt én dat een zekere relativering van de 
gedachte, dat in het karakter van de SS in haar begintijd haar politionele en politieke rol van later 
noodzakelijkerwijs was opgesloten, op zijn plaats is. De ontwikkeling werd ook in belangrijke mate 
bepaald door Himmler, en door Heydrich, die thans begon met de opbouw van de Ic-Dienst van 
de SS, later genoemd de Sicherheitsdienst des Reichsführers-SS of wel SD. 

Dat betekende niet, dat de zaken nu precies verliepen zoals Himmler en Heydrich zich dat voor- 
stelden. Zoals de nazi-beweging als geheel een afschaduwing van de staat wilde zijn en de staats- 
macht veroveren, zo wilde de SS zich van de politie meester maken. Die Wille zur Macht was niet 
alleen op ideologisch of organisatorisch vlak, maar ook op het meest persoonlijke niveau aanwezig: 

'Viele SA-Manner und Führer glauben, mit dem Regierungsbeginn der NSDAP seien sie besol- 
dete Offiziere und Unteroffiziere, jeder SS-Mann behauptet, dass er vom Tage der Machtergreifung 
an höherer, bezahlter Polizeibeamter, der SS-Führer, dass er Polizeiprasident sei, und Orts- 
gruppenleiter . . . halten sich für Regierungsprasidenten und Landrate vom Beginn der nachsten 
Reichstagswahlen an. Es herrschen hier allen Ernstes verwirrte BegrifTe.' 2 

Maar zo gek waren deze verwachtingen nu ook weer niet of ze zouden voor een deel nog uitkomen 
ook. In deze conceptie zou de SD de politieke politie van het komende nazi-Rijk worden. Dit 
gebeurde echter niet, en wel voornamelijk om twee redenen. Toen de nationaal-socialisten in 1933 
aan de macht kwamen, kregen Himmler en Heydrich vooreerst in Pruisen geen voet aan de grond. 
Daar was het Goering, die zelf een politiek politie-apparaat, Geheime Staatspolizei (Gestapo) 
genoemd, schiep. De Reichsführer-SS en zijn SD-chef kregen pas in maart 1933 een kans om een 
voet binnen de deur van het staatsgebouw te zetten, en dan voorlopig nog alleen maar in de deel- 
staat Beieren. Toen de nazi's in die maand daar de macht overnamen, werd Himmler benoemd tot 
hoofdcommissaris van de stadspolitie van München, Heydrich tot chef van de kleine politieke 
afdeling daarvan. 3 

Het was een uitermate bescheiden begin, schril afstekend tegen de pompeuze wijze, waarop 
Goering eerst als minister van binnenlandse zaken, daarna als minister-president van Pruisen, en 
eigenlijk als een soort onderkoning van deze deelstaat, die de helft van Duitsland en bovendien de 
hoofdstad omvatte, zijn macht ostentatief uitoefende en er zichtbaar van genoot. Maar binnen een 
jaar had Himmler het klaargespeeld om hoofd van alle politieke politie-organen van alle Duitse 
Lander te worden. Sinds 20 april 1934 ook van Pruisen, want Goering had besloten zijn Gestapo 
aan Himmler te vermaken, eensdeels gedreven door angst voor Himmler en een bes^f dat de SS-chef 
onvermijdelijk de gehele politie toch in handen zou krijgen, anderzijds doordat hij tegen deze tijd 
Himmler als bondgenoot tegen de SA wilde winnen. 4 

Wat er nu in feite was gebeurd, was dat Himmler en Heydrich de reeds bestaande politieke 
politie-organen hadden overgenomen. Weliswaar werden die door hen uitgebreid, genazificeerd, 
geünificeerd, om-georganiseerd, in SS- en SX>-sfeer gebracht, vaak van SS- of SZ)-personeel voor- 

(1) A.v., p. 58 en p. 342, n. 123, hier steunend op naoorlogse verklaringen van de weduwe van Heydrich. 

(2) Rapport van de inspecteur-generaal der SA von Ulrich van 17 dec. 193 1 aan de 5,4-stafchef, geciteerd 
bij Aronson, Heydrich, p. 80, 81 . 

(3) Aronson, Bavarian Police, p. 8. 

(4) Het hier gestelde is een vereenvoudiging, zij het geen ontoelaatbare o.i., van de uitermate gecompli- 
ceerde gang van zaken. Men zie daarvoor de litteratuur ter zake. 



31 



DE SS IN DUITSLAND 



zien, kortom, in mentaliteit, doelstelling en organisatie grondig en bijna onherkenbaar omgeploegd, 
maar dat veranderde niets aan het feit, dat de SS zich amalgameerde met een staatspolitie, die uit 
de pre-nazi-periode dateerde en daarvan toch nog enige kenmerken meenam, en dat de SD als 
zodanig eigenlijk buiten de deur bleef staan. Geheel zakelijk gezien zou men eigenlijk de SD best 
hebben kunnen opheffen, maar dat deden Himmler en Heydrich niet : de SD vormde een te waarde- 
vol tegenwicht tegen de in oorsprong niet SS-massige of zelfs niet eens nationaal-socialistische poli- 
tieke politie - hoezeer ook de ambtenaren daarvan, die voor 1933 ook de nationaal-socialisten 
achterna hadden gezeten, thans tot verregaande collaboratie en identificatie met het nieuwe regime 
bereid waren, wellicht juist vanwege hun verleden. 1 De SD moest derhalve blijven bestaan en 
daarvoor werd de volgende formule gevonden : de SD moest inlichtingen verzamelen, op politiek, 
economisch, religieus, wetenschappelijk en cultureel gebied, zowel over personen, organisaties als 
geestelijke stromingen. Met die gegevens zou de Gestapo (zoals de nu in geheel Duitsland geünifi- 
ceerde politieke politie genoemd werd) zijn voordeel kunnen doen. De Gestapo deed het executieve 
werk: de tegenstanders in het oog houden, arresteren, verhoren. De ambtenaren van de Gestapo 
werden zoveel mogelijk in de SS opgenomen met een SS-rang, die overeenkwam met hun ambte- 
lijke rang. Zij werden dan in de SS-administratie geboekt als lid van de SD. 2 Dat was echter een 
formele kwestie; lid van de SD in de reële betekenis van het woord werden zij daarmee niet. Wanneer 
zij in uniform dienst deden, diende dat het SS-uniform te zijn, met de letters 'SD' in een zwarte ruit 
onderaan op de linkermouw. Aangezien dit meestal later in de bezette gebieden gebeurde, burgerde 
daar de aanduiding SD voor de Duitse politieke politie in. In Duitsland zelf, waar normaliter 
civiele kleding werd gedragen, placht men over de Gestapo te spreken. 3 

De mening, dat de SS in de vorm van de SD de politie had veroverd, leek logisch, en vond na 
de oorlog zelfs zijn weg naar de wetenschappelijke litteratuur 4 , maar is, inderdaad in deze vorm, 
onjuist. Himmler en Heydrich kregen een kans de politieke politie in handen te krijgen, en het 
vakmanschap van deze ambtenaren konden zij beter gebruiken dan het amateurisme van hun eigen 
SZ>-mannen. De SD kreeg dus een algemene en niet helemaal duidelijke informatie-opdracht, en 
bleef een inlichtingendienst van de nazi-beweging, niet van de staat, en tevens een instrument om 
partij en SS zelf in het oog te houden. De officiële erkenning op 9 juni 1934, dat de SD de enige 
inlichtingendienst van de partij was en geen andere daarnaast geduld zou worden 5 , versterkte dit 
karakter van de SD. Hoe fraai deze formule ook was, het betekende, dat de SD niet de politieke 
politie van het nazi-Rijk werd, maar - min of meer kunstmatig in het leven gehouden - weinig meer 
dan een hulporgaan van de Gestapo. 

Daaruit volgde allerminst, dat SS en politie gescheiden bleven. In juni 1936 kreeg Himmler de 
functie van Reichsführer-SS und Chef der Deutschen Polizei ( RFSSuChdDtPol) . Weliswaar stond 
deze figuur 'persönlich und unmittelbar' onder de Duitse minister van binnenlandse zaken 6 , maar 
daar Himmler reeds als Reichsführer-SS direct onder Hitier stond, betekende dit weinig of niets. 
Eerder andersom: later werd vastgesteld, dat de Reichsführer-SS und Chef der Deutschen Polizei 



(1) De klassieke voorbeelden daarvan: Heinrich Müller, voor 1933 medewerker van de politieke politie 
van München, specialist in marxistische organisaties, en Franz Josef Huber, idem wat betreft extreem- 
rechtse organisaties, met name de nazi's. Beide waren geen of min of meer zelfs anti-nazi, hetgeen niet 
verhinderde, dat Müller later chef van de Gestapo werd. (Aronson, Bavarian Police, p. 3-7, 22-26). 

(2) SS-Dienstaltersliste 1936. 

(3) Zie p. 112 en noot 1 daarbij. 

(4) Vooral Neusüss-Hunkel, SS, die in de scheiding tussen de Gestapo enerzijds met executieve bevoegd- 
heden en de SD anderzijds zonder deze bevoegdheden 'nur eines der zahlreichen Beispiele der bewussten 
Verfalschung, mit der ... die wahre Funktion des SD getarnt wurde' ziet (p. 10). 

(5) d'Alquen, SS, p. 22. 

(6) Best, Deutsche Polizei, p. 50; Buchheim, Anat. I, p. 55 e.v. 



32 



SS EN POLITIE 

'als solcher den RMdl. [Reichsminister des Innern] in allen Fragen seines Geschaftsbereiches 
vertritt und auch, soweit dieser berührt wird, an den Sitzungen des Reichskabinetts teilnimmt.' 1 

Daarmee won de formeel ondergeschikte politiechef terrein op de minister, niet omgekeerd. Die 
nieuwe functie, chef va n SS en politie^ dient men echter niet als een personele unie op te vatten 2 , 
maar als een functie met twee aspecten, het aspect van de staat, gegeven in het begrip Chef der 
Deutschen Polizei, en het aspect van de partij (waarvan de SS formeel een aanhangsel was), gegeven 
in het begrip Reichsführer-SS. Het is van belang om dit te signaleren, aangezien later zich iets 
dergelijks zou voordoen, toen Himmler zijn vertegenwoordiger naar het door de Duitsers bezette 
Nederland stuurde. 3 In het laatste geval zou echter deze symbiose eigenlijk louter verbaal zijn, omdat, 
zoals de lezer nog zal zien, daar de staatssector veel zwakker zou zijn dan de SS-sector. Dat was 
in het nazi-Duitsland van voor de oorlog nog niet het geval. Himmler vatte zijn nieuwe titulatuur 
dan ook allerminst als een personele unie op, maar als een hechte verbinding, van waaruit hij SS 
en politie verder met elkaar probeerde te versmelten. 

Om de stand van zaken aan de vooravond van de Duitse inval in Nederland weer te geven is het 
niet noodzakelijk de details van de verschillende stadia in dit proces weer te geven. 4 Eerst voegden 
Himmler en Heydrich de Gestapo en de Kripo, afkorting voor de Kriminalpolizei ofwel recherche, 
samen tot de Sicherheitspolizei (Sipo). De hele Sipo, dus ook de daarin opgenomen recherche, 
trachtte Himmler bovendien individueel aan de SS te binden. Alle S/po-ambtenaren, hoog en laag, 
die aan de gewenste maatstaven voldeden, kregen de mogelijkheid aangeboden lid van de SS te 
worden. Dat hield in, dat zij na opneming een met de ambtenaarlij ke positie overeenstemmende 
SS-rang kregen, en het SS-uniform droegen, wanneer het burgerkostuum niet in aanmerking kwam. 5 
Dat had in de eerste plaats tot gevolg, dat de recherche in de politieke sfeer van de Gestapo werd 
getrokken. Dit bracht weer met zich mee, dat de sfeer van de criminaliteit, waarin de Kripo beroeps- 
halve werkte, ook uitgebreid werd tot de Gestapo, en vooral tot de houding van de Gestapo- 
ambtenaren tegenover hun slachtoffers, geheel in overeenstemming met zienswijze en streven der 
nazi's om hun tegenstanders, communisten, monarchisten, joden of welke andere 'staatsgevaarlijke' 
elementen dan ook, op één lijn met misdadigers te stellen. In het algemeen werden trouwens weer 
beroepsmisdadigers tot de vijanden van de staat gerekend, daar ook zij een gevaar vormden voor 
de 'geistige und rassische Substanz des Deutschen Volkes', volgens de voorlichting van een der Sipo- 
ambtenaren aan zijn collega's. 6 



(1) Dmckbogen für eine Schulungsgemeinschaft über die Grundlagen und den Aufbau des nationalsozialis- 
tischen Reiches van 15 feb. 1941, uitgegeven door de Jnspekteur der Sicherheitspolizei und des SD te 
Hamburg, CDI 78 A. Zie ook Buchheim, Anat. I, p. 55 e.v. 

(2) Zoals Aronson, Heydrich, p. 326, nog enigszins doet. 

(3) Ziep. 105. 

(4) Deze zijn tot 1936 te vinden bij Aronson, Heydrich, nadien bij Buchheim, Anat. I. Voor de definitieve 
organisatie ook Best, Deutsche Polizei, en Suprème Headquarters Al lied Expeditionary Force. Evaluation 
and Dissemination Section G-2: The German Police. Prepared jointly by M.I.R.S. (London Branch) and 
E.D.S. in consultation with the War Office (MJ. 14 (d)). E.D.S./G/io, z. pl., April 1945. 

(5) In principe geschiedde de opneming in de SS dus op basis van vrijwilligheid, hoewel de sociale druk, 
bijvoorbeeld in verband met carrière-mogelijkheden, hier uiteraard veel groter was dan elders. Vgl. 
p. 38, noot 1. 

(6) Geciteerd bij Höhne, Orden, p. 172, 173. Uiteraard kunnen ook andere motieven meegespeeld hebben, 
bv. de wens van Himmler om Heydrich, die nu de Sipo zou leiden, een groter gewicht te geven tegenover 
SS-Gruppenführer Daluege, de toenmalige chef van de 'gewone' politie, waar de recherche toen nog bij 
hoorde. (Zie ook H.-J. Neufeldt, J. Huck, G. Tessin: Zur Geschichte der Ordnungspolizei 1936-1 945> 
Koblenz, 1957, 1, p. 22). 



33 



DE SS IN DUITSLAND 



In september 1939 vatte Himmler de Sipo en de SD samen in een nieuwe organisatie, het Reichs- 
sicherheitshauptamt (RSHA). Enerzijds bleven de samenstellende delen onderscheiden: De SD 
bleef een inlichtingendienst, de Kripo een recherche met de daarbij behorende taak, en de Gestapo 
de politieke" politie met executieve bevoegdheden. Het hoofd van de nieuwe organisatie, Heydrich, 
na zijn dood op 4 juni 1942 tengevolge van een aanslag door Tsjechische verzetsstrijders opgevolgd 
door de beduidend minder intelligente en invloedrijke Oostenrijker SS-Obergruppenführer Ernst 
Kaltenbrunner 1 , werd niet chef van het RSHA genoemd, maar Chef der Sicherheitspolizei und des 
SD ( CdS). Men bleef de Sipo als staatsorgaan, de SD (vanwege het karakter van de SS als partij- 
formatie) als partij-orgaan beschouwen; de regionale organen van de Sipo en van de SD waren wel 
aan elkaar aangepast, maar niet zoals de centrales met elkaar tot één organisatie samengevoegd, 
zoals wij nog zullen zien. Vooral tegenover de buitenwereld bleef men van Sipo und SD spreken, 
vermoedelijk om de positie van de SD als enige inlichtingendienst van de partij niet te ondergraven. 

Later is hieruit wel geconcludeerd, dat de samenvoeging van Sicherheitspolizei en SD slechts een 
schijn-amalgama opleverde, en dat het Reichssicherheitshauptamt als zodanig weinig meer dan een 
naamgeving voor intern gebruik was. 2 Dit echter is bepaaldelijk onjuist. De scheiding tussen de 
SD met zijn partij -karakter en de Sicherheitspolizei met zijn staats-karakter was historisch bepaald, 
en op zichzelf geen camouflage. Het werd echter wel als zodanig gebruikt om tegenover de con- 
currenten van de SS het feit te versluieren, dat men sinds 1939 hard op weg naar een integratie was. 
Wanneer men dit niet in het oog houdt, valt het optreden van de Duitse politie in Nederland met zijn 
politieke implicaties niet te begrijpen. Dit moge reeds uit de structuur van het RSHA worden 
afgeleid, die wij hier volgens de stand van 1943 zullen weergeven: 

Het geheel was in zeven Amter verdeeld. Daar kwam in februari 1944 nog een Amt bij, dat echter 
niet het cijfer VHP kreeg, maar als Mil. Amt werd aangeduid; het was de vroegere Abwehr, de 
militaire inlichtingendienst van de Wehrmacht, die nu door het RSHA werd geabsorbeerd. Ook 
werden er in die laatste periode van het nazi-rijk nog twee onbelangrijke afdelingen als Amter aan 
toegevoegd, namelijk een Amt N (Nachrichtenwesen, hier in de zin van telex- en radio-verbindingen) 
en een Amt S (Sanitatswesen).* 

De Sicherheitspolizei nu werd ondergebracht in de Amter IV en V, met dien verstande, dat de 
Gestapo thans, onder blijvende leiding van de inmiddels tot SS-Gruppenführer und Generalleutnant 
der Polizei opgeklommen Heinrich Muller, Amt ƒ K werd, onder de officiële titel : Gegner-Erforschung 
und -Bekampfung. Men bleef, uiteraard, van de Gestapo spreken (de officiële aanduidingen van dit 
Amt en van de andere Amter laten wij verder als volmaakt onbelangrijk weg; in het spraakgebruik 
drongen zij nimmer door). De Kripo, geleid door de met Muller gelijk in rang staande Arthur Nebe, 
werd Amt V. 

De SD kreeg twee, en goed beschouwd eigenlijk nog meer, Amter toegewezen. In de eerste plaats 



(1) Ernst Kaltenbrunner, geb. 4 okt. 1903 te Ried (Oostenrijk). Dr.jur., advocaat. Carrière in de (illegale) 
Oostenrijkse SS, in 1937 leider ervan. Na de Putsch tegen Dollfuss medio 1934 ruim een jaar in gevangenis 
en (Oostenrijks) concentratiekamp. Bij de Anschluss in maart 1938 Staatssekretar fiir die Sicherheit van 
Oostenrijk. In januari 1943 (!) benoemd tot hoofd van het RSHA. In 1946 door het internationale militaire 
tribunaal te Neurenberg ter dood veroordeeld en opgehangen. (Grossd. Reichstag; Hitiers Lagebesprechun- 
gen. Die Protokollfragmente seiner militarischen Konferenzen 1942-1945. Hrsg. von Helmut Heiber, 
Stuttgart, 1962, p. 944; Who^s Who in Germany and Austria, uitgave van geallieerde inlichtingendien- 
sten; stand omstr. maart 1945; /MJXXII, p. 536-538, 588). 

(2) Zo Höhne, Orden, p. 237. 

(3) Elk Amt in een Hauptamt van de SS (en vaak ook bij andere nazi-organisaties) placht met een Romeins 
cijfer te worden aangegeven, onderafdelingen daarvan (in het RSHA Gruppen genoemd) met een letter, 
onderafdelingen van een Gruppe (meestal Referate genoemd) met een Arabisch cijfer (H 1176). 

(4) IMT2346-PS. 



34 



SS EN POLITIE 



Amt III onder SS-Brigadeführer 1 Otto Ohlendorf. Dit was eigenlijk de 'echte* SD, de binnenlandse 
afdeling dan. Amt VI, eerst onder SS-Brigadeführer Heinz Jost, later onder de jonge SS-Oberführer 
Walter Schellenberg (de instigator van het zg. Venlo-incident in 1939), was de SD-buitenland, de 
politieke, economische, culturele spionagedienst van Duitsland. 'Buitenland' dan op te vatten als 
territorium, dat niet door Duitsland beheerst werd; de bezette gebieden vielen niet onder Amt VI, 
maar werden bestudeerd in een speciaal Referat III B 5 van Amt III. Amt VII, aanvankelijk onder 
leiding van SS-Standartenführer Prof. Franz Six, later onder een zekere SS-Obersturmbannführer 
Dr. Paul Dittel, hield zich met 'Weltanschauliche Forschung und Auswertung* bezig, had een weinig 
belangrijke taak, maar kan als een verlengstuk van de SD worden beschouwd. Het restant van de 
Abwehr, dat als Mil. Amt in het Reichssicherheitshauptamt werd opgenomen, kwam in personele 
unie met Amt VI onder leiding van Schellenberg te staan. Kort gezegd bestond het belangrijkste 
deel van het RSHA dus uit: Amt III: SD-Binnenland, Amt IV: Gestapo, Amt V: Kripo, Amt VI: SD- 
Buitenland; en voorts nog wat nakomertjes. 2 

Daarbij waren twee andere, nieuw Amter gecreëerd, namelijk Amt I, dat de titel droeg: Personal, 
Ausbildung und Organisation, en Amt II: Haushalt und Wirtschaft. Mede uit deze afdelingen wordt 
het duidelijk, dat het Reichssicherheitshauptamt niet alleen maar een samenvoeging op papier van 
Sipo en SD was, maar wel degelijk een nieuw, in vrij hoge mate geïntegreerd apparaat - zij het dan 
dat niet de SD de Sicherheitspolizei in zich opzoog, maar eerder omgekeerd. Niet alleen waren deze 
Amter I en II, die het beheer van het gehele apparaat tot taak hadden, bij de schepping van het 
RSHA in 1939 voortgekomen uit een samenvoeging van verschillende afdelingen van de Sipo en 
van de SD 3 , uit de samenstelling blijkt, dat hier een volkomen vermenging van de twee vroegere 
organisaties, zowel personeel als administratief, heeft plaatsgevonden. 4 Trouwens, ook in de Amter 
III en VI, de SD dus, kwamen ambtenaren van de staatspolitie terecht, terwijl £Z)-functionarissen 
in de Amter IV en V hun carrière vervolgden, zoals bijvoorbeeld de chef van het Judenreferat in 
Amt IV Adolf Eichmann. 5 

Het Reichssicherheitshauptamt was niet alleen een dépendance van het ministerie van binnen- 
landse zaken, het was ook, en dat in de eerste plaats, een Hauptamt van de SS. De binding aan het 
ministerie raakte vrijwel geheel in het vergeetboek. De naam was trouwens al typerend. Het woord 
'Hauptamt* werd in de NSDAP en de SS gebruikt, maar was nog nooit in de aanduiding van een 
staats-instantie voorgekomen. 6 Hier viel dus een instantie van de staat geheel samen met een orgaan 
met een partij-karakter, niet alleen wat betreft de samenstellende delen Sipo en SD, maar ook 
gezien het geheel als orgaan van het ministerie van binnenlandse zaken èn als orgaan van de SS als 
partij-formatie; aldus ook volgens één van de meest capabele SS-juristen, SS-Brigadeführer Dr. 
Werner Best, die trouwens een tijdlang Amt I van het RSHA geleid had. 7 Maar deze beschouwing 
is te formeel. Wat er in werkelijkheid gebeurde, was dat de SS zich al snel zowel van het staatskader 
als van het kader van de partij emancipeerde, en als het ware zich op een derde terrein bewoog als 
uitvoerend orgaan van de wil van de Führer, los van de staat - en eigenlijk ook van de partij. Maar 
in deze ontwikkeling groeide de SS en nam zij staatsorganen in haar complexe organisatie op. Die 



(1) Met de daarbij sinds 1940 horende toevoeging und Generalmajor der Polizei (zie p. 27); wij laten 
deze toevoegingen verder weg. Men make hieruit niet op, dat de hier genoemde Ohlendorf evenals 
Muller of Nebe uit de politie afkomstig was. 

(2) Geschaftsverteilungsplan des Reichssicherheitshauptamtes. Stand: 1.1 0.1943, IMT 219-L; IdS Hamburg 
CDI 78 A. 

(3) Zie Buchheim, Anat. I, p. 76, 77. Ook deze auteur komt tot de hier gestelde conclusie. 

(4) Men zie de in noot 2 vermelde bronnen. 

(5) Friedrich Zipfel, Gestapo und Sicherheitsdienst, Berlin, 1960, p. 16. Vgl. Aronson, Heydrich,p. 275, 276. 

(6) Neufeldt e.a., Orpo I, p. 2 1 . 

(7) Best, Deutsche Polizei, p. 103, 107. 



35 



DE SS IN DUITSLAND 



organen werden dus min of meer aan de staat onttrokken, en min of meer, al naar gelang de om- 
standigheden en mogelijkheden, met de SS versmolten. Dat gebeurde dus in sterke mate met de 
Gestapo en Kripo, hoewel zij altijd nog wel enige kenmerken van hun oorspronkelijk karakter als 
staatsorganen zouden houden. Het Reichssicherheitshauptamt mag men zien als een tamelijk goed 
gelukte versmelting van SS en staatspolitie, en nieuwvorming van een orgaan, dat daar adequaat 
uitdrukking aan gaf. 

Tot dusver hebben wij het uitsluitend over het centrale hoofdbureau te Berlijn gehad. Regionaal 
lagen de dingen anders en nog heel wat ingewikkelder - zo ingewikkeld, dat vele Duitse ambtenaren 
er niet uitkwamen. Die ingewikkeldheid mag op het eerste gezicht vreemd lijken voor een staat, die 
alles wilde centraliseren, en waarvan de leiders pretendeerden alle rommel, ook de organisatorische, 
van het democratisch-federalistisch regime eens en voor altijd op te ruimen. Maar die gecompli- 
ceerdheid was eigenlijk onvermijdelijk, waar een beweging met een ver doorgevoerde organisatie 
en onderdelen daarvan, die al voor de Macht übernahme een eigen leven gingen leiden, een op totaal 
andere principes gebaseerde staatsmachinerie veroverden en vervolgens gingen uithollen; daar 
kwam nog bij, dat Hitier door het uitspelen van verschillende figuren en verschillende machtsblok- 
ken tegen elkaar de zaken nog ingewikkelder maakte, teneinde zelf de beslissende factor te kunnen 
blijven - een systeem, dat Himmler met succes van zijn meester afkeek. Juist in de regionale struc- 
tuur van de politie uitte zich een en ander in een bijzonder ingewikkelde en topzware structuur. 

Wij vinden hier een structuurprincipe, dat wij elders nog zeer vaak zullen tegenkomen, namelijk 
de dubbele onderschikking van een regionale of lokale instantie zowel aan de eigen centrale te 
Berlijn, als aan plaatselijke functionarissen met een algemenere taak dan die van de betreffende 
instantie. De politie in al haar verschijningsvormen, zowel de politieke politie als de gewone straat- 
politie, als de recherche, was vóór 1933 ondergeschikt, en zelfs uitsluitend ondergeschikt, aan de 
lokale of regionale bestuurders. Zelfs in Beieren bestond er eigenlijk geen centrale poli tie-autoriteit. 1 
Dat was, om het kort te zeggen, een toestand, die Himmler en Heydrich zeer verdroot. Wat zij 
wilden, was een volkomen verzelfstandigde en volledig met de SS versmolten politie. Een politie, 
die uitsluitend zaak van het Reich zou zijn, die niets meer met het binnenlands bestuur te maken 
had, en waartoe de laatste gendarme in het kleinste Duitse dorpje volledig zou behoren zonder nog 
enige gehoorzaamheid tegenover burgemeester, gewestelijke bestuurder, of regering van een deel- 
staat te hoeven tonen. Uit het voorafgaande heeft de lezer kunnen zien, dat wat de losmaking van 
de centrale van Sipo en SD uit het bestuur (in dit geval de minister van binnenlandse zaken) betreft, 
Himmler en Heydrich praktisch vrijwel geslaagd waren. Regionaal lag het moeilijker, al was het 
alleen maar door het feit, dat de meeste Gauleiter, tevens Reichsstatthalter of Oberprasident van hun 
gebied, harde en zeer machtige mannen waren, die niet van plan waren zonder meer voor de SS te 
wijken. Ook de lagere goden hielden zoveel mogelijk aan hun politionele bevoegdheden vast. 

Regionaal bleef het apparaat van Sipo en SD derhalve verbrokkelder dan aan de top. De Gestapo 
had een stuk of zeventig regionale bureaus in Duitsland en de daarbij geannexeerde gebieden, 
Staat spolizeistellen (Stapo-Stellen) genoemd; de belangrijkste heetten Stapo-Leitstellen, zonder dat 
zij echter duidelijk boven de Stapo-Stellen geplaatst werden. Zo ook met de Kripo, die toch nog 
meer aan het regionale bestuur vastzat dan de Gestapo. Tenslotte waren daar de SD-Leitabschnitte 
en SD-Abschnitte, die daarentegen weer, uiteraard, met het bestuur van het Land of de provincie 
niets te maken hadden. Een zekere onderlinge aanpassing werd verkregen doordat de (Leit) stellen 
en (Leit)abschnitte van Gestapo, Kripo en SD zich meestal in dezelfde plaats bevonden en hetzelfde 
gebied bestreken. Alle drie organisaties hadden echter in kleinere plaatsen nog aparte Aussenstellen, 
die aan de grotere bureaus ondergeschikt waren. 2 

(1) Aronson, Bavarian Police, p. 1. 

(2) Zie de lijsten van deze plaatsen volgens de stand van 1941 in Best, Deutsche Polizei, p. 62, 64, 65; 
volgens de stand van 1944 The German Police, Annex F, G, H. 



36 



SS EN POLITIE 



Het was met tweeërlei doel, dat Himmler trachtte hier meer eenheid in te brengen. Ten eerste 
wilde hij de regionale diensttakken van zijn politie zoveel mogelijk aan de controle van het binnen- 
lands bestuur onttrekken. Ten tweede wilde hij die diensttakken, de twee takken van de Sicherheits- 
polizei, en ook de SD, regionaal zo hecht mogelijk aan elkaar binden. Tot dit doel creëerde hij in 
september 1936 de functie van Inspekteur der Sicherheitspolizei und des SD (IdS) voor iedere 
Wehrkreis. 1 In principe hadden zij alleen een controlerende en coördinerende functie, naar binnen 
ten opzichte van de twee SV/w-diensttakken en de SD, naar buiten tegenover het bestuur van 
provincie of deelstaat, partij, Wehrmacht e.d. De bevelen aan de politie-organen bleven echter 
normaliter komen van het RSHA, öf van de plaatselijke Oberprasident, Reichsstatthalter, of minister 
van binnenlandse zaken van de deelstaat. Aan hen kon de IdS suggesties en voorstellen doen, 
maar hij had hun bevelen te gehoorzamen; hij was zelfs aan deze regeerders 'persönlich und un- 
mittelbar' ondergeschikt. 2 Zelf was hij in principe niet de instantie, van wie de bevelen voor Gestapo 
en Kripo (wel weer voor de SD) kwamen. 3 

Maar die onderschikking aan plaatselijke bestuurders dreigde even fictief te worden als Himmlers 
onderschikking aan de rijksminister van binnenlandse zaken. Immers, wanneer bevelen van het 
plaatselijke bestuur niet in overeenstemming waren met richtlijnen en orders van het RSHA en de 
heren het niet eens konden worden, lag de beslissing bij de Chéf der Sipo und des SD, bij Heydrich 
dus. 4 En het was de bedoeling van Himmler en Heydrich om de IdS wel degelijk de normale en 
eigenlijke opdrachtgever van de plaatselijke Sipo te laten worden, zodat de politie dan geheel van 
het binnenlands bestuur geëmancipeerd zou zijn. 5 Voorlopig was het zover nog niet. Wij zullen 
in volgende hoofdstukken zien, hoe Himmler met de coördinatie van alle regionale SS- en politie- 
een heden onder een Höherer SS- und Polizeiführer weer een stap verder kwam, en hoe hij in de 
bezette gebieden, waar hij geen rekening met het binnenlands bestuur hoefde te houden, Sipo en 
SD meteen strak centraliseerde en onder een Befehlshaber der Sipo und des SD ( BdS) met veel 
grotere bevoegdheden plaatste. Pas in een later stadium van de oorlog introduceerde hij deze figuur, 
in de bezette gebieden ontwikkeld, ook in bepaalde gebieden van Duitsland zelf. 6 Tot een volledige 
verwerkelijking van dit streven kwam het echter niet meer. 

2. De Ordnungspolizei 

Naast Sipo en SD was er evenwel nog de 'gewone' politie, minus de recherche dan. Daarvoor werd 
in 1936 het begrip Ordnungspolizei geïntroduceerd. Onder dit hoofd werden nu de ingewikkelde 
politieorganisaties van de Lander 1 uit de periode van de federale Weimar-republiek tot een rijks- 
politie-organisatie samengevoegd. De Ordnungspolizei omvatte in de eerste plaats de normale 
geüniformeerde straatpolitie (Schut zpolizei, Gendarmerie, gemeentepolitie) en nog speciale politie- 
takken als waterpolitie, luchtbescherming en ook de brandweer. Deze politie, dat wil zeggen de 
normale straatpolitie, niet uiteraard de waterpolitie en dergelijke, droeg een mosgroen uniform, 
dat door snit, schouderstukken en rangtekens veel op dat van de Wehrmacht leek. Die indruk werd 
in de bezette gebieden versterkt door het dragen van kwartiermuts of helm; maar door de afwijkende 
kleur was het korps toch wel herkenbaar als de 'Gaine' politie, zoals dat in Nederland werd ge- 
noemd. In Duitsland zelf, waar de Ordnungspolizei ( Orpo) de gewone taken van de geüniformeerde 

(1) Oorspr. alleen Inspekteur der Sipo ; de SD kwam er pas later bij (IdS Hamburg, CDI 78 A). 

(2) IMT Gestapo- 13. 

(3) IdS Hamburg, CDI 78 A; vgl. ook nr. 3, noot 3. 

(4) A.v. ; IMT Gestapo-i 3 ; Best, Deutsche Polizei, p. 73. 

(5) Zie Buchheim, Anat. I, p. 91 e.v. 

(6) A.v.; The German Police, p. 47; zie p. 76. 

(7) Onder een Land van het Reich wordt een deelstaat verstaan, zoals Beieren, Württemberg, enz. 



37 



DE SS IN DUITSLAND 

politie bleef vervullen (zulks in tegenstelling tot hun activiteiten in de bezette gebieden), waren de 
politie-agenten bovendien herkenbaar aan de traditionele, typische sjako met twee kleppen. 

Maar ondanks het verrichten van routine-werk als het regelen van het verkeer en het thuis- 
bezorgen van verdwaalde kinderen dient men de Orpo toch wel degelijk als een onderdeel van het 
SS-complex te beschouwen. Natuurlijk was het voor Himmler, gezien het karakter van de geünifor- 
meerde politie, moeilijker om de Orpo met de SS te versmelten dan de Gestapo en de recherche; 
het omvangrijke korps gehed losmaken van het binnenlands bestuur was feitelijk onmogelijk. Toch 
kwam hij een eindweegs. Evenals bij de Sipo was het zijn streven zoveel mogelijk leden van de Orno 
in de SS op te nemen. Deze bleven echter het politie-uniform dragen (zij het met de SS-runen onder 
de linker borstzak genaaid). 1 De rangen en hun aanduidingen waren praktisch als bij de Wehrmacht 
{Wachtmeister, Hauptmann, Major, etc). Structureel werd een zekere mate van integratie in het 
SS-complex bereikt, doordat zaken als aanwerving, regeling van soldij en andere uitbetalingen, 
scholing, door SS-bureaus geregeld werden, en een aantal instellingen voor SS en politie als geheel 
werkzaam was, bijvoorbeeld de Technische SS- und Polizeiakademie. 2 

Gelijktijdig met de creatie van de IdS ging Himmler in 1936 over tot het instellen van de eveneens 
coördinerende functie van regionaal Inspekteur der Ordnungspolizei (IdO). Daar iedere IdS evenwel 
een Wehrkreis als territorium had, had die functionaris te maken met verschillende bestuurshoofden, 
aangezien de Wehrkreis de bestuurlijke indeling van Duitsland overlapte. Het gebied van een IdO 
was aanvankelijk echter doorgaans een Pruisische provincie of een Land. 3 Dit, en de aard van het 
werk maakte de binding van de IdO aan het plaatselijk bestuur toch sterker dan bij de Sipo het geval 
was. In de loop der tijden werd de territoriale indeling echter steeds meer aan de Wehrkreise aan- 
gepast, en de IdO steeds meer aan de SS-hiërarchie gekoppeld, met name aan de Höherer SS- und 
Polizeifiihrer, die in het volgende hoofdstuk besproken zal worden. Evenals dat met de Sipo het 
geval was, werden in de na maart 1938 geannexeerde en bezette gebieden Befehlshaber der Ordnungs- 
polizei (BdO) aangesteld, die wel degelijk zelf de opdrachten verstrekten; tenslotte kregen tijdens 
de oorlog een aantal Wehrkreise in Duitsland zelf ook een BdO - die, naar men veilig mag aan- 
nemen, ook bevelsinstantie was, dus losser van het plaatselijk bestuur stond, maar des te vaster in 
de SS-structuur geïntegreerd was.* 

Het centrale hoofdkwartier te Berlijn van de Ordnungspolizei heette dan ook Hauptamt Ordnungs- 
polizei, en werd als een Hauptamt van de SS beschouwd. Aan het hoofd ervan, en daarmee van de 
hele Ordnungspolizei, stond Kurt Daluege, die in 1942 de hoogste rang in de SS onder die van 
Reichsfuhrer bereikte, nl. die van SS-Oberst-Gruppenführer (een privilege, dat hij slechts met drie 
anderen deelde) 5 , waaraan toegevoegd, zoals gebruikelijk, de politie-rang : Generaloberst der 
Polizei. Daarmee was Daluege zelfs hoger in rang geworden dan zijn oude rivaal Heydrich. Hij had 

(1) Afbeeldingen bij The German Police, Annexe M, Plates III en Vla. Buchheim komt tot de conclusie, 
dat de druk om lid van de SS te worden, bij de Ordnungspolizei groter was dan bij de Sicherheitspolizei; 
vooral in latere jaren neigde Himmler er toe bij de Sipo een wat scherpere selectie toe te passen (Anat. I, 
P. 132). 

(2) Neufeldte.a.,0r/?<?l,p. 37; P 1:5823. 

(3) De bronnen spreken elkaar op dit punt wat tegen, of zijn onduidelijk. Wij volgen hier de meest 
waarschijnlijke weergave : een IdS per Wehrkreis, een IdO per provincie of Land (Best, Deutsche Polizei, 
p. 68,72). 

(4) Zo volgens de gegevens in The German Police, p. 16, 17; dit punt wordt in Neufeldt e.a., Orpo II, 
p. 20, 21, en in het Neurenbergse verdedigingsdocument IMT SS-87, waardevolle bronnen met echtereen 
apologetisch karakter wat de Ordnungspolizei betreft, kennelijk met opzet omzeild, teneinde de binding 
met de SS zo los mogelijk voor te stellen. 

(5) De anderen waren de Waffen-SS-generaals Sepp Dietrich en Paul Hausser, en (als enige honorair 
met deze rang voorzien) de Reichsschatzmeister der NSDAP Franz Xaver Schwarz; maar daar was dan 
ook goede reden toe (SS-Dienstalter sliste 1944; zie p. 171 ; voor Daluege zie ook nr. 102, noot 1. 



38 



SS EN POLITIE 



trouwens in scherpe concurrentie met de SD-chef in de dertiger jaren zijn verdienste voor het nazi- 
dom gehad. In 1943 echter noopten, naar het schijnt, de grote hoeveelheden drank, die de Chef der 
Ordnungspolizei geregeld nuttigde, Himmler hem de facto door Alfred Wünnenberg te vervangen. 1 
Bepaalde bevoegdheden werden in 1944 het Hauptamt Ordnungspolizei ontnomen, en deels aan het 
Reichssicherheitshauptamt, deels aan andere SS-organen gegeven; dat lag niet alleen aan de toe- 
nemende macht van de Sïpocentrale, maar ook aan het feit, dat Himmler bewust en consequent 
de versmelting van SS en politie bleef nastreven. 2 

Die invoeging in het geheel van de SS werd ook langs een andere weg bereikt, namelijk door de 
toenemende militarisering van de Orpo. Dat was reeds voor de oorlog in Duitsland in zekere mate 
het geval, maar juist in de bezette gebieden zouden de O/w-manschappen zich niet manifesteren als 
rondslenterende agenten, maar als leden van een militair korps van de bezetter, ingedeeld in batal- 
jons, met allerlei soorten wapens, ook artillerie, uitgerust. 

Dat was niet, zoals men geneigd zou zijn te denken, een gevolg van de partizanenstrijd in de 
bezette gebieden. Die strijd, die steeds massaler werd, en het gebrek aan legerreserves aan de uit- 
gestrekte Duitse frontlijn in de Sowjet-Unie versnelden deze ontwikkeling, maar waren er niet de 
oorzaken van. Die lagen elders : wellicht ook in een algemeen-Duitse traditie, waar het leger een veel 
groter politiek en sociaal prestige genoot dan in een 'burgerlijk' land als Nederland. De geheel 
andere waardering van das Militar in Duitsland maakt het begrijpelijk, dat de Duitse politie van 
oudsher zich door het leger had laten inspireren, tot in - of juist in - uiterlijke kentekenen als de 
rangaanduidingen en het uniform. 

Wij zullen in deze inleiding het uitermate belangrijke begrip 'militarisering' hanteren in drie 
betekenissen: in de eerste plaats de hierboven al genoemde organisatorische militarisering, het 
formeren van niet-specifiek militaire korpsen als de politie in bataljons, regimenten enz. Ten tweede 
het gebruik van zulk een korps - hoe ook geformeerd - voor zuiver militaire doeleinden, namelijk 
de bestrijding van externe en duidelijk in militaire formaties optredende vijanden. De militarisering 
van de Ordnungspolizei kwam o.i. voornamelijk voort uit de militarisering, die het nationaal- 
socialisme aan de hele Duitse maatschappij oplegde (zij het, dat dit zich tot op zekere hoogte weer 
uit de Duitse traditie verklaren laat), en nu dient men het begrip 'militarisering' op te vatten in de 
zin van een overdracht van militaire denkpatronen op het politieke en ideologische vlak. 3 

Deze perversie beperkt zich zeker niet alleen tot het nationaal-socialisme. Ook andere ideolo- 
gische systemen hanteerden en hanteren met beangstigend succes meestal dit middel om collectieve 
euforie, strikte gehoorzaamheid en maximale krachtsinspanning af te dwingen; men hoeft slechts 
te denken aan uitdrukkingen als 'militia Christi' of 'arbeidsbrigade'. Die militarisering in de zin van 
on-eigenlijk militair denken, het benaderen van politieke, sociale en ideologische zaken in militaire 
termen, is uiteraard nauw verbonden met polair denken in termen van vriend en vijand, de eigen 
groep tegenover de vijandige buitenwereld. Het was een essentiële trek bij uitstek van het nationaal- 
socialisme, dat slechts een boodschap wilde brengen aan de eigen groep, de eigen 'volksgemeenschap' 
en agressie jegens andere groepen als een constante noodzaak aanbeval. Bijna elke organisatie in 
de nazi-maatschappij werd militair opgezet, geüniformeerd, en in die zin geïndoctrineerd. De leden 
werd aangepraat, dat zij op hun gebied soldaten waren, 'politische Soldaten', soldaten van de 
Führer, strijders in de productieslag, de oogst-campagne, strijders van het Deutsche Arbeitsfront x y 
enzovoorts. 

(1) The GermanPolice, p. 16. 

(2) Neufeldt e.a., Orpo I, p. 32, 35, 36. 

(3) Vgl. Buchheim, Anat. I, p. 257 e.v. 

(4) De NSB ging in de benaming van van zijn categorale organisaties nog verder; daar wemelde het van 
de 'Fronten' : Medisch Front, Agrarisch Front, Rechtsfront, Economisch Front, etc. 



39 



DE SS IN DUITSLAND 



Die militarisering, beter gezegd, die opvatting van het volk als een permanent belegerd garnizoen 
- een opvatting, die nauw verbonden is met elke totalitaire gedachtengang - perverteerde de rol van 
de politie tot een instrument ter 'Sicherung der gesamten Volksordnung', zoals één der SS-theoretici 
het uitdrukte. 1 Dat gold niet alleen voor de politieke politie, neen, het was wel degelijk de uit- 
sluitende bestaansgrond van de gehele politie-macht van het volk, a fortiori natuurlijk in de bezette 
gebieden. Voor zover er tussen de partizanenstrijd en de militarisering van de politie, in het 
nazi-stelsel onontkoombaar, een causaal verband bestaat, dan eerder omgekeerd. Was in Duits- 
land al, zoals de geallieerden reeds tijdens de oorlog opmerkten, de Ordnungspolizei 'far more a 
Military Force of the Interior than an organization of public servants' 2 , die laatstgenoemde functie, 
eigenlijk een overblijfsel uit het 'individualistisch-humanitaire' pre-nazi tijdvak 3 , kon tegenover de 
niet -Duitse inwoners der bezette gebieden gerust vervallen, hetgeen ook grondig gebeurde. De hier 
geciteerde SS-denker en politie-theoreticus wees er op, dat het enige, waar het bij de Duitse politie 
in bezette gebieden op aan moest komen, Duitsland was. De Duitse politie diende niet meer, en 
overigens ook niet minder, te zijn dan 

'eine Einrichtung der deutschen Volksordnung und nur zur Sicherung ihres Bestandes und ihres 
Wirkens - hier ihres Wirkens ausserhalb des deutschen Volksraumes - tatig.' 4 

Een gewapende macht, die slechts de bescherming van de belangen van het Duitse volk, lees: het 
heersende regime, voorstond, dus; de lezer zal nog zien, dat met de Waffen-SS en de Totenkopf- 
eenheden, die hierna aan de orde zullen komen, binnen en buiten Duitsland ongeveer hetzelfde doel 
werd beoogd. 

Zo'n gewapende macht moest wel een militaire organisatie-structuur hebben. Dit manifesteerde 
zich voor het eerst openlijk bij de Anschluss van Oostenrijk en de annexatie van het Sudetenland 
in 1938, toen onder de binnenvallende troepen in de nieuw- verworven gebieden zich gesloten 
compagnieën en bataljons Ordnungspolizei bleken te bevinden. In de Poolse veldtocht in 1939 
raakten delen van het geregelde Poolse leger in gevecht met 0r/?<?-eenheden. 5 

Bij het begin van de oorlog werden dus reeds, alsof dat een volkomen normale zaak was, politie- 
eenheden aan het front ingezet. Geen wonder, dat toen later in de oorlog de Duitsers een tekort 
aan soldaten begonnen te krijgen, dit verschijnsel zich op grotere schaal herhaalde. Dit geheel 
afgescheiden van het feit, dat uit een aantal politie-manschappen, aangevuld met politie-reservisten 
en anderen, een frontdivisie werd gevormd, die de naam SS-Polizei-Division kreeg, en die al vrij snel 
als een eenheid van de Waffen-SS werd beschouwd. 6 

Deze divisie moest het Hauptamt Ordnungspolizei wel als afgeschreven beschouwen. Men mag 
aannemen, dat Daluege dat met de andere politie-troepen beslist niet wenste te doen. Het nam niet 
weg, dat bataljons van de Ordnungspolizei, die in het geheel niet onder de Waffen-SS ressorteerden, 
reeds in de barre winter van 1941 op 1942 een niet te verwaarlozen aandeel hadden in het behoud 
van het Duitse front tegen de Russische offensieven. De lof, die Daluege hun hiervoor toezwaaide, 
schijnt niet onverdiend te zijn. 7 



(1) Best, Deutsche Polizei, p. 19,20. 

(2) The German Police, p. 14. 

(3) Ofwel 'ichhaft-menschheitlich' (Best, Deutsche Polizei, p. 14, 15) in tegenstelling tot het 'völkische' 
nazi-standpunt. 

(4) A.v.,p. 20 (noot). 

(5) Neufeldte.a., OrpoII,p. 10, 11, 16, 17. 

(6) Zie ook verderop, p. 56; De depot-eenheden werden pas in mei 1941 gerekend tot de Waffen-SS te 
behoren, maar ook toen werd in uiterlijkheden nog een zekere band met de politie bewaard (zie p. 108). 

(7) Niet afgedrukt fragment van nr. 314 (H 610: 1 1 15-17); Doe. II Ordnungspolizei. 



40 



SS EN POLITIE 



In totaal zijn er in Duitsland en de bezette gebieden een stuk of honderd O/w-bataljons geweest, 
elk bestaande uit ongeveer 550 man, voorzien van de wapens, die men over het algemeen bij een 
infanterie-bataljon aantreft: lichte en zware mitrailleurs, mortieren, veldgeschut enz. Wat de 
manschappen betreft was er wel enig verschil met zuiver militaire bataljons, maar wezenlijk was 
dat niet. Slechts een klein gedeelte had in vredestijd een beroep bij de politie uitgeoefend, de meer- 
derheid bestond uit reservisten, of uit enkele andere categorieën, waarvan met name Volksduitsers 
moeten worden genoemd. Dat men deze troepen in de eerste plaats toch wel voor het achterland 
wilde gebruiken, blijkt uit het feit, dat de meeste manschappen öf door leeftijd, öf door hun fysieke 
conditie voor Wehrmacht of Waffen-SS minder geschikt waren. 1 Dat zou geheel passen in de op- 
vatting van Himmler, zoals wij die menen te mogen reconstrueren : Waffen-SS en politie gedeeltelijk 
voor militaire taken gebruiken - de een wat meer, de ander wat minder - maar dan zo, dat het accent 
bleef vallen op militaire acties in de politionele sfeer, bijvoorbeeld de bestrijding van partizanen en 
andere staatsvijanden. Dat zou zowel Waffen-SS als Ordnungspolizei blijven binden aan de oor- 
spronkelijke doelstellingen van de SS, het zou beide formaties ook met elkaar en met andere SS-sub- 
organisaties zoals de Sipo een zekere band geven. 

In die opzet slaagde Himmler niet helemaal, en zijn politie-bataljons werden, naar wij vermoeden, 
vaker gebruikt om de gaten in het front te stoppen dan hem lief was. Toch dreef die voortschrijdende 
militarisering (dit woord thans gehanteerd in de zin van toenemend gebruik voor zuiver militaire 
doeleinden) de Ordnungspolizei niet naar een gelijkschakeling met het leger, maar met de Waffen-SS. 
Himmler trachtte, zoals wij al gezien hebben, de Orpo zoveel mogelijk in het geheel der SS in te 
kapselen, door individuele opneming in de SS, en door maatregelen van structurele aard. Voegen 
wij daaraan nog toe, dat de Erganzungsstellen, de wervingsbureaus van de SS, zowel voor de 
Waffen-SS (in principe trouwens ook voor de Allgemeine 55, maar dat werd van steeds minder 
belang) als voor de politie rekruteerden. 2 In de loop van de oorlog werden de Duitse politie-bataljons 
tot regimenten samengevat en nog later, sinds februari 1943 (ook dit vond op verschillende tijd- 
stippen plaats) werden zij als SS-Polizei-Regimenter aangeduid. Die toevoeging van de twee 
omineuze S-runen werd door Himmler als een soort eerbewijs voor betoonde dapperheid gehan- 
teerd; 8 hoe de manschappen over de hen aangedane eer oordeelden, is niet bekend. Men zou nu 
verwachten, dat zij (evenals al eerder met de SS-Polizei-Division en de SS-Totenkopf-Standarten 
het geval was) 4 in de Waffen-SS zouden opgaan, maar dat gebeurde niet. De SS-Polizei-Regimenter 
bleven integrerende delen van de Ordnungspolizei*, zij behielden hun eigen groene uniform en rang- 
aanduidingen. Het onderscheid tussen politie en Waffen-SS werd er niet duidelijker op. 

Voor de bevolking der bezette gebieden heeft het zeker bitter weinig verschil gemaakt, of, en in 
hoeverre, bepaalde Duitse eenheden tot de Orpo of tot de Waffen-SS behoorden, of tot welk onder- 
deel van het SS-complex dan ook. Reeds tijdens de oorlog verwierven vele O/w-eenheden de naam 
tot de meest fanatieke en meedogenloze Duitse strijdkrachten te behoren, een naam, die door het na- 
oorlogse onderzoek is bevestigd. De massamoorden der Duitsers in de Sowjet-Unie in 1941 en 1942 



(1) Neufeldt e.a., Orpo II, p. 13-16, 34, 96-100; George H. Stein: The Waffen-SS. Hitler's Elite 
Guard at War 1939-1945* Ithaca, N.Y., 1966, p. 112. Volgens een naoorlogse verklaring uit Orpo- 
k ringen zou ongeveer twee-derde van de manschappen in de gesloten eenheden uit reservisten hebben 
bestaan (IMT Aff. SS-82). Rauter schatte bij de bataljons in Nederland het aantal manschappen, dat in 
vredestijd bij de politie diende, op 10% (Verkl. Rauter VI, p. 8). 

(2) FernschreibstelleRK698i ; Neufeldt e.a., Orpo II, p. 14; P 1 : 5823;circ. van het OKWv. 3onov. 1939, 
afgedrukt bij Otto Weidingen Division Das Reich. Der Weg der 2. SS-Panzer- Division 'Das Reich\ Die 
Geschichte der Stammdivision der Waffen-SS, Osnabrück, v.a. 1967, 1 (2e druk 197O, P- 343- 

(3) IMTSS-66,SS-68. 

(4) Zie daarvoor p. 56, 57. 

(5) Zo ook Neufeldt e.a., Orpo II, p. 31. 



41 



DE SS IN DUITSLAND 

werden niet alleen gepleegd door de bij de legergroepen gedetacheerde Einsatzgruppen van Sipo und 
SD. In de verder achter het front gelegen gebieden leverden de drie Höheren SSuPF in de bezette 
gebieden van Rusland hun niet geringe aandeel in de liquidatie-operaties door middel van de aan 
hen ondergeschikte eenheden van Waffen-SSsn Ordnungspolizei. In het algemeen zijn trouwens vele 
oorlogsmisdaden aan de Waffen-SS toegeschreven die in werkelijkheid door de Orpo zijn bedreven. 1 
Met dit verhaal zijn wij iets vooruitgelopen op de ontwikkeling tijdens de oorlog. Verderop zal 
de lezer nog meer voorbeelden tegenkomen van militarisering (in meer dan één betekenis) van niet- 
militaire formaties, ook in Nederland. Men houde evenwel in het oog, dat hoezeer ook de rol van 
de politie onder het nazi-regime veranderde, in de praktijk van het dagelijkse leven (zeker voor de 
oorlog) de Ordnungspolizei over het algemeen in Duitsland nog de normale routine- werkzaam heden 
van een normale politiemacht verrichtte. Het merendeel der manschappen deed daar trouwens niet 
in gesloten en gekazerneerde formaties dienst. De specifiek-repressieve taken van het SS-complex 
waren in het voor-oorlogse Duitsland aan andere organen opgedragen. 

D. Concentratiekampen en Totenkopfverbande 

Het lag in de aard van de SS als 'Schutzorganisation des neuen nationalsozialistischen Staates' 2 , 
dat zij niet alleen de organisatie voor het opsporen van de staatsvijanden werd, maar ook de 
organisatie, die voor de bewaking van de gevangen vijand zorgde. In die opvatting over bescherming 
van de staat lag allereerst het onschadelijk maken van de staatsvijanden besloten. Dat betekende 
voor de oorlog nog geen deportatie en uitroeiing, maar arrestatie, en behoorde uiteraard tot de 
competentie van de politie. De beschermingstaak van de SS hield ook het blijvend onschadelijk 
maken, of zo men wil het onschadelijk houden van de diverse vijanden in, hetgeen toen evenmin 
nog uitroeiing, doch langdurige opsluiting inhield. 

Voor dit deel van de taak der SS werd een andere organisatie naast de politie gecreëerd. Als zo 
vaak lag het begin van deze ontwikkeling eerder in de sfeer van toeval en samenloop van omstandig- 
heden dan van bewuste planning, hetgeen niet verhinderde, dat Himmler vervolgens in de ontstane 
constellatie zijn voordeel zag, en aan het organiseren sloeg. 

De nationaal-socialistische omwenteling in 1933 bracht de SA en de SS tot 'revolutionair op- 
treden', dat wil zeggen, dat zij als hulppolitie optraden, en in die capaciteit met hun tegenstanders 
gingen afrekenen. Met de arrestatie van deze mensen was het nog niet gedaan; bij de twee nazi- 
formaties, die nu de straat beheersten, begon zich de gewoonte te ontwikkelen hun arrestanten op 
bepaalde plaatsen te concentreren en hen daar in eigen beheer te mishandelen. Dat was de tijd van 
de 'wilde concentratiekampen', vaak kelders in de steden zelf, soms een fabrieksterrein. Tegen deze 
gang van zaken begonnen hoge nazi-autoriteiten zich te verzetten, zoals Goering in zijn kwaliteit 
van minister-president van Pruisen, en de rijksminister van binnenlandse zaken Frick. Uiteraard 
was het stellig geen medeleven met de slachtoffers of verontwaardiging over de willekeur en het 
onrecht, wat hen bewoog, als wel de angst, dat zij weinig of geen controle over deze particuliere 
kampen en hun SA- en SS-beheerders hadden. Tegen het midden van 1934 waren de autoriteiten 
er in geslaagd enige ordening in de zaken aan te brengen. Men moet dat globaal gezien zo verstaan, 
dat het aantal kampen drastisch werd gereduceerd en de SA zijn posities in deze verloor; uiteraard 
hing dit ook voor een belangrijk deel samen met de ondergang van de SA als zelfstandige politieke 
factor door de actie tegen Röhm en zijn omgeving medio 1934. Bij de SS lag het anders. Het tegen- 
offensief van de autoriteiten en de verkleining van het aantal kampen en ook van het aantal ge- 
vangenen leek de invloed van de SS ook te zullen verminderen, maar dit bleek geenszins het geval 

(1) The German Police, p. 21 ; Stein, Waffen-SS, p. XXIX, XXX; Raul Hilberg: The Destruction of the 
EuropeanJews, London, I96i,p. 193-197. 

(2) d'Alquen, SS, p. 13. 



42 



CONCENTRATIEKAMPEN EN TOTENKOPF VERBANDE 

te zijn. In 1933 al had Himmler als politiechef van Beieren (want daar kwam zijn functie toen 
praktisch op neer) zich een uitgangspositie verschaft, die hem een bijna absolute controle op de 
politieke gevangenen en hun behandeling verleende. Het gevolg was, dat terwijl in Pruisen de terreur 
van SA en SS aan banden werd gelegd en de tendens in de richting van opheffing der kampen ging, 
Himmler in Beieren de aanvallen van concurrerende nazi-groten wist te weerstaan. 1 Wat er ver- 
anderde, was dat de wilde terreur vervangen werd door een systematisering, waarbij het politie- 
apparaat, dat in handen van de SS was geraakt, en de organisatie der concentratiekampen, die door 
de SS was geschapen, elkaar aanvulden. Toen Himmler in april 1934 ook in Pruisen de politie in 
handen kreeg, kon hij zijn in Beieren reeds ontwikkelde systematiek ook daar toepassen. 

In maart 1933 had te Dachau, een plaats dicht bij München, de plaatselijke SS-afdeling op het 
terrein van een afgraving een 'wild' concentratiekamp gevestigd. De eerste commandant, een zekere 
SS-Oberführer Wackerle 2 , vaardigde draconische bepalingen uit, waarbij voor bepaalde vergrijpen 
ook de doodstraf door hem werd gesteld; uiteraard was dit geheel onwettig en eigenmachtig. 3 Er 
vielen inderdaad enige doden in Dachau. Toen de officier van justitie op 1 juni 1933 een aanklacht 
wegens medeplichtigheid aan moord tegen Wackerle en enkele van zijn medewerkers indiende, zag 
Himmler zich genoopt Wackerle te ontslaan 4 , en hem door SS-Oberführer Theodor Eicke 5 te 
vervangen, die hij voor dit doel uit een krankzinnigeninrichting bij Würzburg haalde. 

Het was tekenend voor de machtsverhoudingen in Beieren - en niet anders zou het binnen een 
jaar ook in de andere Lander van het Duitse Rijk gaan - dat de nieuwe commandant al gauw 
bepalingen uitvaardigde, die voor de oude van Wackerle beslist niet onder deden, compleet met 
doodstraf door ophanging. 6 Dachau werd bovendien een voorbeeld voor de andere concentratie- 
kampen. In mei 1934 kreeg Eicke alle kampen onder zijn bevel. 7 Bovendien had hij al eerder gedaan 
gekregen, dat de met wapens voorziene SS-mannen, die als bewakers van het kamp Dachau op- 
traden, uit het verband van de Allgemeine SS werden gelicht. Dat gebeurde ook met de eenheden, 
die de andere kampen bewaakten. Deze bewakingseenheden, eerst als SS-Wachverbande bekend, 
werden sinds 1936 SS-To te nkopf- Verbande (SS-TV) genoemd, en stonden eveneens onder bevel van 
Eicke. De lnspektion der Totenkopf- Verbande, en de Inspektion der Konzentrationslager, waarover 
Eicke gelijktijdig het bevel voerde, waren weliswaar beide onderdelen van het SS-Hauptamt onder 
leiding van SS-Obergruppenführer August Heissmeyer, maar in de praktijk had Eicke alleen met 
Himmler te maken. 8 

Deze hield, naar voorbeeld van zijn Führer, zijn ondergeschikten keurig tegen elkaar in evenwicht. 
Helemaal alles te zeggen over zijn kampen had Eicke ook weer niet: aan ieder kamp was een 

(1) IMT 1992A-PS; Broszat, /lm?/. II, p. 33-4 1 ■ 

(2) Volgens mededelingen van de heer A. Hoch van het Institut fïtr Zeitgeschichte te München identiek 
aan de op p. 49 en 328 genoemde Hilmar Wackerle. 

(3) IMTD-992. 

(4) I MT 644-PS, 645-PS ; Broszat, Anat. II, p. 56. 

(5) Theodor Eicke, geb. 17 okt. 1892 te Hampont (Lotharingen); soldaat, sinds 1920 bij de politie, sinds 
1923 employé van I. G. Farben. In 1932 enige tijd wegens bomaanslagen in de gevangenis. Lid van 
NSDAP en SA sinds 1928. Van maart tot juli 1933 op bevel van de Gauleiter van de Palts Bürckel, of van 
Himmler zelf als 'gemeingefahrlich geisteskrank' in een krankzinnigeninrichting opgesloten. Daarna 
commandant van het concentratiekamp Dachau, vervolgens van alle concentratiekampen en bewakings- 
troepen. In 1939 commandant van de SS-Totenkopf-Division. In februari 1943 in Rusland gesneuveld. 
(Broszat, Anat. II, p. 56, 57; Grossd. Reichstag; Aronson, Heydrich, p. 141, 142; Ernst-Günther Kratsch- 
mer: Die Ritterkreuztrager der Waffen-SS y Göttingen, 1955; zie ook Stein, Waffen-SS, p. XXXIII, 
XXXIV). 

(6) IMT775-PS. 

(7) Broszat, Anat. II, p. 57. 

(8) A.v.,p.74,75. 

43 



DE SS IN DUITSLAND 



poïitische Abteilung verbonden, die de gevangenen verhoorde, en over loslating besliste. Die afdeling 
was een dépendance van de politieke politie in het kamp. Het gevangennemen en eventueel loslaten 
van mensen was en bleef voorbehouden aan Heydrichs politie-apparaat, maar anderzijds kreeg, 
afgezien van deze inderdaad belangrijke poïitische Abteilung, Heydrich in het kamp-apparaat geen 
voet aan de grond. 1 Eicke was met zijn Totenkopf-Verbande een aparte machtsfactor in het geheel 
van de SS. Weliswaar waren deze bewakingseenheden allerminst militair in opleiding en houding, 
maar desalniettemin was het een apart georganiseerd en bewapend SS-korps. Hoewel de mannen 
van de Totenkopf-eenheden ook wel in het kamp kwamen, bijvoorbeeld om gevangenen naar het 
werk te begeleiden, hadden zij hun eigenlijke taak toch buiten het kamp, namelijk als zg. buiten- 
bewaking. Het aantal kampen was sinds 1933 aanzienlijk gedaald, maar elk van deze kampen was 
veel groter geworden. In 1938 waren er zes kampen: Dachau, Sachsenhausen, Buchenwald, Flossen- 
bürg, Lichtenburg, en sinds de annexatie van Oostenrijk Mauthausen. Kennelijk was het de be- 
doeling, dat bij ieder kamp een Totenkopf-Standarte gelegerd was, maar er waren er toen slechts vier; 
men mag veronderstellen, dat voor de kleinere kampen één of twee bataljons voldoende werden 
geacht. Drie van deze Standarten hadden elk een sterkte, variërend van ongeveer 2. 100 tot 2.500 man, 
de vierde telde eind 1938 nog slechts een 850 man. 2 Tot de Totenkopf-Verbande werden al gauw 
tevens de kampstaven gerekend, dus de kampcommandant, zijn adjudanten, de administratie, 
dokters, en divers personeel: het aantal varieerde van 19 tot 172 per kamp. In totaal telden de 
Totenkopf-Verbande eind 1938 meer dan 9.000 man. 3 

Bij het uitbreken van de oorlog werden de Totenkopf-Verbande echter in snel tempo van hun 
bewakingstaak ontheven en voor doeleinden ingezet, die steeds meer zuiver-militair werden, totdat 
zij tenslotte, zoals men nog zal zien, volledig in de Waffen-SS waren opgegaan, evenals trouwens 
hun chef Eicke. Met het begin en de uitbreiding van de oorlog nam de terreur en de repressie van 
de nazi's enorm toe, zowel in intensiteit als, uiteraard, in geografische omvang. Het aantal kampen 
èn het aantal gevangenen per kamp nam in dezelfde mate toe. De Inspektion der Konzentrationslager, 
thans onder SS-Brigadeführer Richard Glücks, maar nu niet meer met de leiding van de Totenkopf- 
eenheden in personele unie verenigd, ressorteerde aanvankelijk onder het in augustus 1940 opge- 
richte SS-Führungshauptamt. Dit orgaan van de SS-leiding fungeerde praktisch evenwel als het 
hoofdkwartier van de Waffen-SS. Een ander SS-orgaan kreeg steeds meer te maken met de con- 
centratiekampen, namelijk het in 1939 opgerichte Hauptamt Verwaltung und Wirtschaft van de SS- 
leiding. De chef daarvan, SS-Brigadeführer Oswald Pohl 4 , was evenals Heydrich uit de marine 
afkomstig en had evenals Eicke in zijn militaire tijd de functie van Zahlmeister gehad. Bij zijn over- 
gang naar de SS bleef hij in wezen deze functie uitoefenen, zij het op hoger niveau als hoofd van de 
Verwaltung, en met dien verstande, dat Pohl zijn bevoegdheden op financieel en administratief 
gebied zoveel mogelijk uitbreidde : alles wat met de economische ondernemingen van de SS te maken 
had, met de bevoorrading van de Waffen-SS, met alles op constructietechnisch en bouwtechnisch 
gebied, met de rendabiliteit van de concentratiekampen en de Arbeitseinsatz van de gevangenen, 
kreeg hij ook geheel, of goeddeels, in handen. 5 

(1) Zie Aronson, Heydrich, met name p. 151. 

(2) t Oberbayern\ voor Dachau; ' Brandenburg' voor Sachsenhausen; 'Thüringerf voor Buchenwald; de 
vierde was 'Ostmark' en kennelijk bedoeld als bewaking voor Mauthausen. Bij welke Standarten de 
onderdelen hoorden, die de twee andere kampen Flossenbürg en Lichtenburg bewaakten, is niet duidelijk. 

(3) Stat. Jahrbuch SS 1938, p. 79 (ook H 7:1097)- 

(4) Oswald Pohl, geb. 30 juni 1892 te Duisburg, aanvankelijk in dienst bij de marine. In 1929 lid van de 
SA. In 1934 overgang naar de SS, waar hij chef van het Verwaltung samt wordt, later tot Hauptamt 
verheven. Sinds 1942 SS-Obergruppenföhrer. Na de oorlog door een Amerikaans militair tribunaal ter 
dood veroordeeld, en opgehangen (AMT IV passim; Frangois Bayle: Psychologie et éthique du national- 
socialisme. Étude anthropologique des dirigeants SS, Paris, 1953, p. 232, 233). 

(5) The Allgemeine SS, Annexe E. 



44 



CONCENTRATIEKAMPEN EN TOTENKOP F VER B ANDE 

Evenals Heydrichs organisatie van Sipo und SD was het administratieve apparaat van Pohl een 
bewuste versmelting van SS- en staatsinstanties. Zijn Hauptamt bestond uit drie afdelingen, waarvan 
er twee identiek waren aan het Hauptamt Haushalt und Bauten van het ministerie van binnenlandse 
zaken, waarbij een derde bureau voor het beheer van de SS-bedrijven was gevoegd. 1 Het gehele 
Hauptamt Verwaltung und Wirtschaft verrichtte de nodige werkzaamheden niet alleen ten behoeve 
van SS en Waffen-SS, maar ook ten behoeve van de gehele politie. Aangezien Pohls Hauptamt 
steeds meer betrokken raakte bij allerlei aspecten van de kampen, was het niet meer dan logisch, 
dat bij een reorganisatie in maart 1942 de Inspektion der Konzentrationslager een onderdeel werd 
van het SS-Wirtschafts- und Verwaltungshauptamt (SS-WVHA), zoals het nu genoemd werd. De 
Inspektion, ook intern gereorganiseerd, heette nu Amtsgruppe D, maar bleef onder leiding van Glücks 
staan. 2 Tegen deze tijd echter werd er een onderscheid gemaakt tussen Konzentrationslager, die 
onder het SS-WVHA ressorteerden, en andere kampen, met name kampen in beheer van de Duitse 
politie. Zo was kamp Vught in Nederland een 'echt' concentratiekamp, de kampen Amersfoort en 
Westerbork echter waren kampen van de Sicherheitspolizei in Nederland. 3 Voor de gevangenen 
maakte het geen enkel verschil, zoals de systematische moorden en wreedheden in het kamp 
Amersfoort genoegzaam bewezen hebben. 

De Totenkopf-Verbande waren sinds het uitbreken van de oorlog vervangen door oudere leden 
van de Allgemeine SS, die niet voor militaire dienst geschikt waren. Desondanks werden in april 
1941 zowel de bewakingseenheden als het SS-personeel binnen de kampen samen met allerlei 
andere eenheden en inrichtingen van de SS voortaan tot de Waffen-SS gerekend. De manschappen, 
ook die binnen het kamp, droegen de veldgrijze uniform van de Waffen-SS. Dit was trouwens geen 
formele zaak. Himmler trachtte altijd zijn SS-mannen zoveel mogelijk door alle sub-organisaties 
van het SS-complex te laten doorstromen. Wij hebben al gezien, hoe de mannen van de Totenkopf- 
eenheden, die voor de oorlog de wacht aan het prikkeldraad van de kamp-omheining hielden, tijdens 
de oorlog de gelederen van de Waffen-SS versterkten; ook in die periode trouwens werden vele 
leden van binnen- of buitenbewaking der concentratiekampen overgeplaatst naar het front, en 
omgekeerd vonden vele gewonde leden van front-eenheden der Waffen-SS een plaats in de bewakings- 
eenheden 4 ; opleidingseenheden hadden vaak een gemengde taak: de rekruten deden soms tevens 
dienst als bewakers van nabij gelegen kampen. 5 Hoewel de Waffen-SS in het algemeen wel onder- 
scheiden kan worden van de concentratiekampen-organisatie van de SS, en een directe identificatie 
van de frontdivisies der SS met de gebeurtenissen in de kampen stellig onjuist is, vallen deze twee 
sub-structuren van de SS noch organisatorisch, noch personeel van elkaar te scheiden. En niets lag 
trouwens minder in de bedoeling van Himmler. 

E. De Waffen-SS 

Naast de Totenkopf-Verbande begon zich sinds de machtsovername in 1933 nog een andere be- 
wapende en stellig meer militaire SS-formatie te ontwikkelen. De SS als geheel was een decennium 
eerder uit een Stabswache voor de Führer ontstaan. Op 17 maart 1933 werd opnieuw een Stabswache 
voor Hitier gevormd, maar nu uitsluitend als een gewapende lijfgarde van SS-mannen, die hierin 
hun beroep vonden. De troep werd aangevoerd door Josef CSepp') Dietrich 6 , die vroeger allerlei 

( 1) Best, Deutsche Polizei, p. 102. 

(2) The Allgemeine SS, E 2; Broszat, Anat. II, p. 132, maakt merkwaardigerwijze geen melding van 
Haushalt und Bauten als staatsinstantie, hetgeen o.i. echter een zeer wezenlijk aspect van het SS- WVHA is. 

(3) Zie nr. 287, noot 4, en nr. 526. 

(4) Stein, Waffen-SS, p. 1 10, 1 1 1, 260-262. 

(5) Zoals bv. het Wachbataillon Nordwest in Nederland ; zie p. 373. 

(6) Volz, Daten, p. 55- 



45 



DE SS IN DUITSLAND 



beroepen had uitgeoefend, variërend van sergeant, kelner, landarbeider, tot body-guard van Hitier. 
Op de partijdag in september 1933 kreeg de eenheid de naam SS-Leibstandarte * 'Adolf Hitler\ en 
op 9 november, de dag waarop Hitiers mislukte staatsgreep van 1923 herdacht werd, legden de 
mannen een eed van trouw af aan Adolf Hitier persoonlijk. 1 Er werd toen weinig of geen notitie 
genomen van het toch uitermate merkwaardige feit, dat op dat moment een gewapende organisatie 
een persoonlijke eed aflegde, niet op het staatshoofd, de president van het Duitse Rijk von Hinden- 
burg, maar op een man, die constitutioneel niets meer was dan eerste minister van het rijk. Daarmee 
scheidde de Leibstandarte zich allerminst van het gros van de SS af om zich tot een normaal onder- 
deel van de strijdkrachten te ontwikkelen, maar toonde deze lijfwacht zich juist een typisch onder- 
deel van de SS als machtsapparaat buiten de sfeer van zowel partij als staat, als 'das Instrument 
unbedingtester Einsatzmöglichkeit des Führers' met al haar 'verschiedenartige Aufgaben', zoals 
dat van SS-zijde zelf werd geformuleerd. 2 Voor Hitier was het alleen maar een kwestie van persoon- 
lijke veiligheid, die hij terecht niet aan de Wehrmacht meende te kunnen toevertrouwen, wel aan de 
uitgezochte SS-mannen, en zeker aan iemand als Sepp Dietrich, een van de ruwe krachtpatsers, die 
om Hitier in de Beierse periode plachten heen te zwermen. Voor Himmler was het natuurlijk niet 
aangenaam, dat het karakter van de Leibstandarte en de oude en nauwe relatie tussen Hitier en Sepp 
Dietrich met zich meebrachten, dat de Reichsführer dit SS-onderdeel minder volkomen onder con- 
trole had dan hij wel zou wensen. 3 Maar anderzijds kon toch ook niet worden ontkend, dat op de 
hele SS iets afstraalde van de glans van de Leibstandarte, keurig in zwart uniform met stalen helm 
op parades, op wacht voor de Rijkskanselarij, of als erewacht bij hoog bezoek. Het geheel was 
indrukwekkend, maar het militaire uiterlijk was (toen nog) grotendeels schijn. 

Vrijwel gelijktijdig met de oprichting van de Leibstandarte 'Adolf Hitler\ toen nog eenvoudig 
Stabswache geheten, vormden zich in andere steden soortgelijke gewapende SS-groepen ter intimi- 
datie en terrorisering van de politieke tegenstanders. Later werden deze groepen Sonderkommandos 
genoemd, en als zij een sterkte tussen die van een compagnie en een bataljon bereikten, Politische 
Bereitschaften. Ook hier vond na de 'wilde' beginperiode van het nazi-regime een duidelijke regulatie 
plaats. De betrokken SS-mannen deden hauptamtlich dienst, beroepshalve dus, de eenheden werden 
behalve bewapend ook gekazerneerd en strakker georganiseerd. Deze eenheden stonden sinds 1934 
bekend als de SS-Verfügungstruppe (SS-VT) ter onderscheiding van de hierboven reeds besproken 
bewakingseenheden der concentratiekampen, de Wachverbande of wel Totenkopfverbande, Niet alle 
Stabswachen, c.q. SS-Sonderkommandos, die in 1933 min of meer spontaan uit de plaatselijke SS 
ontstaan waren, kwamen in de Verfügungstruppe terecht. De Stabswache te Dresden, in de herfst van 
1933 uit een honderdtal vrijwilligers van de lokale SS opgericht, al gauw SS-Sonderkommando en 
na uitbreiding Politische Bereitschaft genoemd, werd in 1935 naar Buchenwald verplaatst, en vormde 
daar de kern van de SS-Totenkopf- Standarte 3, die het concentratiekamp aldaar moest bewaken. 4 
Op een gegeven moment moest men trouwens de mannen duidelijk maken, dat zij niet tot de 
Verfügungstruppe behoorden. 5 Het is hier van belang er op te wijzen, dat Verfügungstruppe en 
Tot enkopf verbande dus niet een duidelijk verschillende oorsprong hadden; wel ontwikkelden de twee 
formaties zich een jaar of vijf verschillend, om tenslotte toch weer in de Waffen-SS ineen te vloeien. 



(1) A.v.,p.56. 

(2) d'Alquen,^, p. 20. 

(3) Reichsführer ! . . . Briefe an und von Himmler (hrsg. v. Helmut Heiber), Stuttgart, 1968, nr. 25. 

(4) Klietmann, Waffen-SS, p. 53; de werkelijke samenhang is in dit werk als steeds verdoezeld. 

(5) Zoals op te maken valt uit een bevel van de TV Sturmbann 'Sachseri' van 16 juni 1936, geciteerd bij 
Buchheim, Anat. I, p. 197, 198. Volgens Andrew M0II0& Hugh Page Taylor: Uniforms of the SS. Volume 
3 SS-Verfügungstruppe 1933-1939, London, 1970, p. 2, was deze Politische Bereitschaft een uitzondering 
in dit opzicht. Bewerker dezes acht het echter waarschijnlijk, dat de bewakingseenheid van Dachau ook 
uit een dergelijke lokale gewapende SS-groep is ontstaan. 



46 



DE WAFFEN-SS 



Het grote ogenblik voor de SS in het algemeen en voor de gewapende SS in het bijzonder brak 
stellig aan op 30 juni 1934, toen Hitiers besluit de 5><-stafchef Röhm en zijn aanhang te liquideren 
werd uitgevoerd. De factoren, die de val van Röhm veroorzaakten, zijn veelvuldig, en veelvuldig 
waren ook diegenen, die deze Röhm-Putsch - een Putsch van de staatsleiding tegen Röhm, niet 
omgekeerd - beraamden : vooraan Goering, Himmler, en de Reichswehr. In hun angst voor een 
partij -leger dan wel een nationaal-socialistische volksmilitie verbonden de generaals zich met door 
hen geminachte, maar machtige nazi's, die om andere redenen met de SA wilden afrekenen. Het 
vuile werk lieten zij echter door de SS opknappen, aan wie teneinde de SA -kameraden te kunnen 
elimineren wapens werden verstrekt. Hierdoor zou het leger binnen een aantal jaren juist bespoedi- 
gen wat het vreesde: de vorming van een echt nazi-leger. Het was de politieke politie, die de 
arrestaties en liquidaties van de SA -leiders en van 'reactionairen' voorbereidde, het waren in de 
eerste plaats de Leibstandarte 'Adolf Hitier' en de Politische Bereitschaften, die de zuivering uitvoer- 
den en de executies voltrokken. Röhm zelf werd in een gevangeniscel neergeschoten door Eicke, 
chef van de Totenkopfverbande en concentratiekampen en toekomstig generaal van de Waffen-SS, 
en een subalterne SS-officier, Michael Lippert, die meer dan tien jaar later als commandant van een 
SS-regiment met Nederlandse vrijwilligers in Nederland een aantal volslagen onrechtmatige execu- 
ties zou doen uitvoeren. 1 

De SS als geheel werd beloond met de verheffing tot zelfstandige formatie van de partij, de ge- 
wapende onderdelen ervan kregen eveneens de dank van de staatsleiding uitgedrukt in concrete 
maatregelen. Hitier mocht de minister van oorlog Generaloberst von Blomberg wederom plechtig 
verklaren, dat de Reichswehr de enige gewapende macht in de staat zou zijn, tezelfdertijd werd vast- 
gesteld, dat de SS een wapenvoorraad zou krijgen, waarmee een divisie kon worden uitgerust. 2 

Dat het leger aanvankelijk zo weinig verontrust werd, mag men vermoedelijk in de eerste plaats 
toeschrijven aan het feit, dat de Verfügungstruppe in dit stadium nog zeer onaanzienlijk was in 
omvang en kwaliteit en geen serieuze bedreiging leek te vormen. De sterkte bedroeg eind 1934 - en 
dan nog slechts op papier - drie regimenten en een verbindingseenheid, en daarvan zou alleen de 
Leibstandarte in regiment s ver band samengesteld zijn. 3 Weliswaar was de sterkte van een divisie 
voorzien, maar niet een divisie-verband als zodanig. Al deze voor-oorlogse jaren, zeker tot 1938, 
aarzelde Hitier tussen de wens een voor hem volledig betrouwbaar nationaal-socialistisch privé- 
leger voor binnenlands gebruik en van beperkte omvang te onderhouden, en zijn wens de Reichs- 
wehr, c.q. de Wehrmacht* voorlopig nog zo veel mogelijk te ontzien. De militaire waarde van het 
kleine SS-legertje was vooralsnog gering. 0 De Leibstandarte kon indrukwekkend in parade-pas 
defileren, de vrijwilligers voor de Verfügungstruppe moesten op fysiek en raciaal gebied een zeer 
scherpe selectie ondergaan, voor de ge vechts waarde had dat alles maar ten dele betekenis. Com- 
mandanten als Sepp Dietrich (laat staan Theodor Eicke), fanatieke nazi's met een brute Feldwebel- 
mentaliteit, leken karikaturen van militaire bevelhebbers te zijn (het moet gezegd, dat zij, en met 
name Sepp Dietrich, vaak in de loop der tijden met schade en schande de nodige kundigheden 
verwierven). In dit alles verried de gewapende SS nog al te zeer haar afkomst van de straatterreur- 
groepen van weleer. 



(1) Zie p. 384- 

(2) Buchheim,/lwüfM,p. 191,192. 

(3) Klietmann, Waff'en-SS, p. 15. Tekenend is het, dat in de contemporaine geschriften uit die tijd, waarin 
de SS wordt behandeld, of zelfs speciaal de aandacht krijgt, de gewapende eenheden nauwelijks of niet 
worden genoemd (bv. Volz, Daten, p. 50-58). 

(4) Sinds de invoering van de algemene dienstplicht werd de Reichswehr (het beroepsleger van Versailles) 
Wehrmacht genoemd, waaronder men alle officiële strijdkrachten moet verstaan, dus ook Kriegsmarine en 
Lufhvaffe. Het Heer was het leger. De leiding bleef onveranderd, althans tot februari 1938. 

(5) Stein, Waffen-SS, p. 6. 



47 



DE SS IN DUITSLAND 

Dat laatste veranderde, toen de SS-leiding besloot voormalige beroepsofficieren aan te trekken, 
en zich naar de voorschriften van de Reichswehr te conformeren. De gepensioneerde luitenant- 
generaal Paul Hausser accepteerde een functie als Inspekteur der Verfügungstruppe in de rang van 
SS-Brigadeführer, en wist - hoewel zijn gezag niet onvoorwaardelijk was, zeker niet over de Leib- 
standarte onder Hitiers gunsteling Dietrich - de Verfügungstruppe de professionele kennis van de 
Reichswehr bij te brengen. Ook uiterlijk conformeerde het SS-leger zich enigszins aan de officiële 
strijdkrachten: naast het zwarte uniform, dat voortaan in de eerste plaats als parade- en uitgaans- 
uniform dienst deed, kwam een veldgrijs uniform in zwang. De schouderstukken en de rangtekenen 
daarop waren die van het leger; de kraagspiegels bleven praktisch dezelfde als van de AUgemeine 
SS. 1 Ook bleven voorlopig bepaalde SS-aanduidingen in zwang, als Sturm voor compagnie, 
Sturmbann voor bataljon, en Standarte voor regiment; die laatste aanduiding bleef zelfs beklijven 
tot in 1941. 

Maar die technisch noodzakelijke aanpassing aan het leger betekende geenszins, dat de Ver- 
fügungstruppe alle tradities, opvattingen en methoden van de Reichswehr klakkeloos overnam. Verre 
van dat zelfs. Verscheidene ex-militairen zagen in het nieuwe SS-legertje een gelegenheid om met 
moderne ideeën te experimenteren, waarvoor zij in het traditionele leger nooit de kans zouden krijgen. 
Zo de commandant van het tweede SS-regiment, de Standarte 'Deutschland', de voormalige kapitein 
Felix Steiner, die op de opleiding van de hele Verfügungstruppe grote invloed uitoefende. Steiner, 
die wij later nog vaker zullen tegenkomen, geloofde op grond van zijn ervaringen in de eerste 
wereldoorlog in een elite-leger van kleine, snelle stoottroepen, bestaande uit zeer goed en veelzijdig 
opgeleide soldaten. 2 Hiermee deed het idee van een militaire elite, die zo belangrijk was bij de 
Waffen-SS, voor het eerst zijn intrede, en tevens,, zou men kunnen zeggen, een soort van self- 
fulfilling prophecy: door soldaten het gevoel te geven tot een elite te behoren, worden ze het ook. 3 
Dat is uiteraard niet de enige, en ook niet de voornaamste factor geweest voor het latere militaire 
succes van de Waffen-SS. Misschien wel het feit, dat men in de Verfügungstruppe geen rekening 
hoefde te houden met een conservatief en remmend militair establishment, en dat men de beschikking 
had over fanatieke, angriffsfreudige vrijwilligers. 

Wij hoeven de ontwikkeling van de Verfügungstruppe hier niet in détail te volgen. Begin 1938 
bestond het nog steeds zeer kleine SS-leger uit de volgende onderdelen, waarbij het (toevallige) 
verschijnsel zich voordoet, dat al deze eenheden of hun bevelhebbers weer in dit verhaal met betrek- 
king tot Nederland of Nederlanders zullen opduiken: 

De SS-Leibstandarte 'Adolf Hitier' te Berlijn onder bevel van Sepp Dietrich. 4 In de mei-dagen 
van 1940 rukte dit regiment door Noord-Brabant naar Rotterdam op. 

De SS-Standarte * Deutschland' te München onder commando van Felix Steiner, later bevelhebber 
van de eerste Germaanse divisie en het eerste Germaanse legerkorps van de Waffen-SS, waarin 
zeer veel Nederlandse vrijwilligers meevochten. 

De SS-Standarte 'Germania' te Hamburg onder bevel van Karl-Maria Demelhuber. Het regiment 
zou een onderdeel van de eerste Germaanse divisie worden, de commandant later bevelhebber 
van de troepen der Waffen-SS in Nederland. 

(1) Men zie voor détails Mollo-Taylor, Uniforms VT, passim. 

(2) Höhne, Orden, p. 41 1-413. 

(3) Het is zeker niet toevallig, dat men er in 1938 even aan dacht de Verfügungstruppe te gaan gebruiken 
als een parachutisten-formatie - bijna overal een typisch voorbeeld van een eïite-eenheid (Stein, Waffen-SS, 
p. 25). Het lijkt de bewerker echter logisch, dat dit niet is doorgegaan: daarmee zou Himmler zijn ge- 
wapende SS hebben overgeleverd aan Goering - nog erger dan aan het leger. 

(4) Hoewel de Leibstandarte toen nog slechts de sterkte van een regiment had, was Dietrich al sinds 1934 
SS-Obergruppenführer. De andere regimentscommandanten hadden de bij deze functie behorende rang 
van Standartenfiihrer. 



48 



DE WAFFEN-SS 



Na de annexatie van Oostenrijk in maart 1938 kwam daar nog bij de SS-Standarte 'Der Führer' 
te Wenen onder leiding van Georg Keppler. Dit regiment bewerkstelligde in de mei-dagen van 1940 
de doorbraak door de Grebbe-linie, waarbij de bataljons-commandant Hilmar Wackerle zich onder- 
scheidde, die later het bevel over het eerste regiment met Nederlandse vrijwilligers zou krijgen. 
Voorts hoorden bij de Verfügungstruppe nog een Sturmbann genie-troepen en een Sturmbann 
verbindingstroepen 1 en twee scholen voor de opleiding tot officier der Verfügungstruppe of politie, 
de SS-Junkerschule te Brunswijk, en de SS-Junkerschule te Bad Tölz. Aan dit laatste instituut, 
luxueus ingericht en fraai gelegen in het Beierse plaatsje aan de voet van de Alpen, zouden tijdens 
de oorlog honderden niet-Duitsers, 'Germanen' in de eerste plaats, waaronder weer vooral vele 
Nederlanders, tot officier der Waffen-SS worden opgeleid. Al met al telde eind 1938 de Verfügungs- 
truppe ruim 14.000 man, samen met de meer dan 9.000 man tellende TotenkopJ ver bande toch niet 
te verwaarlozen. De AUgemeine SS telde toen bijna 215.000 leden. 2 

De vraag doet zich voor, wat de bedoeling was van deze twee gewapende SS-korpsen. De Leib- 
standarte was oorspronkelijk zeker opgericht om Hitier een betrouwbare lijfwacht van zijn meest 
fanatieke aanhangers te verschaffen, maar de vèr-gaande militarisering in de loop der jaren, en de 
vorming van drie andere regimenten wezen al op een uitbreiding van de taakstelling. De Totenkopf- 
ver bande waren en bleven de bewaking van de kampen, maar toen dit korps een gevestigde en 
behoorlijk georganiseerde instelling was geworden, begon Himmler er toch wel nog iets anders in 
te zien. In een rede voor IVehrmacht-ofFicieren in januari 1937 kondigde Himmler aan, dat in geval 
van oorlog de Totenkopfverbande het kader zouden vormen voor een korps van 25.000 man, waarmee 
de interne veiligheid van Duitsland verzekerd zou zijn. Er zou niet alleen aan het front gevochten 
worden, niet alleen op zee, of in de lucht, neen, er zou een vierde krijgstoneel zijn, namelijk 'Inner- 
deutschland' waar sabotage- en terreurgroepen - joden, bolsjewieken, vrijmetselaars - weer zouden 
proberen de Duitse strijdkrachten de dolkstoot in de rug toe te brengen. Hiertegen optreden met de 
gewone politie was alleen mogelijk, zei Himmler, Venn ich mir eine Eingreiftruppe sichere, die ich 
für Akt ionen im Grossen gebrauchen kann. Das sind die Totenkopfverbande.' Die zouden in elk 
Regierungsbezirk gelegerd worden, maar dan zo, dat geen enkele eenheid in de eigen streek gelegerd 
werd. Over de Verfügungstruppe vermeldde Himmler slechts, dat die tijdens een oorlog aan het front 
zou staan, waarbij hij sterk de nadruk op de personele doorstroming naar en van de Ordnungspolizei 
legde, maar met geen woord repte over het eigenlijke doel van deze formatie. 3 

Gezien het feit, dat hij voor een gehoor van rVehrmacht-officieren sprak, is die verzwijging van 
betekenis. Waarin die betekenis ligt, wordt echter pas duidelijk in samenhang met andere gegevens. 
Allereerst een uitspraak van Himmler later in het jaar, op 8 november tegenover zijn Gruppenführer, 
een gezelschap, tegenover hetwelk hij zich ongeremder kon uiten: in oorlogstijd diende de Ver- 
fügungstruppe haar aandeel in de gevechten aan het front bij te dragen, want door daar haar bloed 
te offeren zou zij het morele recht hebben om op de onruststokers en lafaards aan het thuisfront te 
schieten. Met andere woorden, de SS moest evenzeer als de Wehr macht het prestige van de front- 
strijd bezitten om rücksichtslos op te kunnen treden tegen welke tegenstander dan ook. Dat was ook 
de opvatting van Hit Ier. 4 Het is duidelijk, dat die tegenstander dan niet aan het normale gevechts- 
front gevonden zou worden, maar in Duitsland zelf. Dat was ook geheel in overeenstemming met 
de taak van de SS als geheel: de 'Sicherung des Reiches im InnernV 

(1) SS- Dienstalter sliste 1938; Stat. Jahrbuch SS 1938, p. 12 (ook als H 1 1 : 1095); zie ook hoofdstuk IX; 
over de krijgsverrichtingen dezer onderdelen in de mei-dagen de desbetreffende plaatsen in L. de Jong: 
Het Koninkrijk der Nederlanden in de tweede wereldoorlog, dl. 3, VGravenhage, 1969. 

(2) Statist. Jahrbuch SS 1938, p. 16, 17, 73. 

(3) IMT 1992A-PS. 

(4) Stein, Waffen-SStp. 16, 17. 

(5) Ziep. 19. 



49 



DE SS IN DUITSLAND 



Het derde en belangrijkste gegeven in deze samenhang is een verordening van Hitier van 17 au- 
gustus 1938, waarin hij de taken van de SS vastlegde en tegenover die van de Wehrmacht afbakende. 
Kenmerkend is het dat het stuk begint met de constatering van de reorganisatie der politie in de 
afgelopen jaren en van de versmelting van de politie met de SS. Zowel van de Verfügungstruppe 
als van de Totenkopfverbande zegt de verordening evenwel, dat zij 'weder ein Teil der Wehrmacht 
noch der Polizei' zijn. De Verfügungstruppe 'ist eine stehende bewaffnete Truppe, zu meiner aus- 
schliesslicher Verfügung', de Totenkopfverbande heten 'eine stehende bewaffnete Truppe der SS zur 
Lösung von Sonderaufgaben polizeilicher Natur, die zu stellen ich mir von Fall zu Fall vorbehalte.' 
In vredestijd stonden zij onder de Reichsführer-SS und Chef der Deutschen Polizei, zonder dat er 
enige organisatorische samenhang met de Wehrmacht bestond; wel diende de Wehrmacht militair- 
technische steun te verlenen aan de Verfügungstruppe en had zij een inspectie-recht ten opzichte 
van dit korps. Maar zowel de Verfügungstruppe als de Totenkopfverbande bleven op het budget van 
het ministerie van binnenlandse zaken staan. De diensttijd in de Verfügungstruppe (vier jaar) gold 
als vervulling van de militaire dienstplicht, de diensttijd in de Totenkopfverbande (twaalf jaar) echter 
niet. In oorlogstijd of bij dreiging daarvan (Mob. Fall 1 ) kon de Verfügungstruppe door de opper- 
bevelhebber van het leger gebruikt worden, en viel dan onder de militaire wetten en bepalingen, of 
*Im Bedarfsfall im Innern nach meinen Weisungen' ; in dat laatste geval was het korps weer uit- 
sluitend ondergeschikt aan de Reichsführer-SS und Chef der Deutschen Polizei. Maar ook in het 
eerste geval wenste Hitier tijdstip, vorm en omvang van de inschakeling in het leger al naar gelang 
de binnenlands-politieke situatie pas te bepalen, wanneer het hem uitkwam. Hoe dan ook, in 
oorlogstijd zou de aanvulling van de Verfügungstruppe geschieden door bepaalde elementen van de 
Totenkopfverbande, die zelf als kampbewaking afgelost zouden worden door oudere leden van de 
Allgemeine SS en voorts veelvoudig versterkt zouden worden met een reserve, die Polizeiverstarkung 
werd genoemd. Het geheel was een 'Polizeitruppe, die im Bedarfsfall auf meinen Befehl, im Mob. 
Fall jedoch grundsatzlich aufgestellt und bewafTnet wird.' 2 

Er schijnen in totalitair geregeerde staten altijd minstens drie of vier verschillende soorten politie- 
formaties te moeten zijn. Zo ook hier: Hitier wilde de Verfügungstruppe in geval van oorlog wel mee 
laten vechten, maar wilde ze toch ook reserveren voor bepaalde binnenlandse gebeurtenissen; het 
was in deze visie dus een speciaal militair korps ter beschikking van de Führer met een zeker 
politioneel aspect. Zo ook de Totenkopfverbande, waar dat politionele aspect wat meer uitgesproken 
- ook letterlijk in Hitiers verordening! - was; eigenlijk viel dit korps te splitsen in een deel, dat de 
Verfügungstruppe zou versterken, en een ander deel, dat als kern van de Polizeiverstarkung als een 
soort oproerpolitie in het groot dienst zou doen. En dan was er nog de gewone Ordnungspolizei, om 
maar te zwijgen van hulppolitie-organen, van politieke en criminele politie etcetera. Zo had het 
regime een hele scala van korpsen ter beschikking, variërend van bijna geheel politioneel met een 
militair bij-tintje tot het omgekeerde, maar allemaal, ook de Ordnungspolizei, voor allerlei doel- 
einden, eveneens variërend van zuiver politioneel tot zuiver militair, geschikt. Dat de functie van 
al die troepen geheel in het vage, om niet te zeggen bijna geheel in het duister, werd gelaten, was 
zowel van Hitier als van Himmler bepaald opzettelijk. Dat hield het geheel uitermate soepel en 
wendbaar - en voor alles bruikbaar. 

De vraag is natuurlijk, wat Hitier en Himmler werkelijk voor ogen stond, en hier zijn toch wel 
enige verschillen in accent bespeurbaar tussen de Führer, die alle machtsfactoren in zijn rijk zoveel 
mogelijk in evenwicht met elkaar trachtte te houden, en de Reichsführer-SS, die zijn organisatie zo 
groot en machtig mogelijk wenste te zien - maar toch ook wel oprecht geobsedeerd was door het 
spookbeeld van revolterende coalities van joden, bolsjewieken, monarchisten, vrijmetselaars, 
katholieken, en 'reactionaire' officieren. In zoverre had hij nog gelijk ook, dat de terreur, de mee- 

(1) Mobilisationsfall. 

(2) IMT647-PS. 



50 



DE WAFFEN-SS 



dogenloosheid, en het agressieve, grenzenloze imperialisme van de nazi's inderdaad op den duur 
de scheidingslijnen tussen sommige van deze groepen deed vervagen, en hen tenslotte tot een zekere 
samenwerking bracht, die in 1944 in een bomaanslag op Hitier en een poging tot een staatsgreep 
resulteerde. Dit echter als gevolg van de repressie van het regime en speciaal van de SS; in de 
paranoïde visie van Hitier en Himmler c.s. had het causale verband altijd diametraal andersom 
gelegen : zij dienden deze opposanten voor te zijn. 

Want voor de oorlog was er van een serieuze bedreiging geen sprake, ook potentieel niet, tenzij 
door de Wehrmacht. Wat viel er dan 'im Bedarfsfall' te onderdrukken, door het inzetten van 
Verfügungstruppe en/of Totenkopfverbande! Het antwoord kan niet anders luiden, dan dat de 
gewapende SS-formaties in de eerste plaats bedoeld waren om ingezet te worden bij eventuele 
staatsgrepen van de Wehrmacht. 1 In een Putsch-situatie doet de omvang van de strijdkrachten er 
veel minder toe dan op het slagveld. Voor een legermacht, die tegen een revolte moet optreden, zijn 
onvoorwaardelijke loyaliteit aan het regime, snelheid en lokatie veel belangrijker. Welnu, het valt 
op, dat de SS- Verfügungstruppe aan al deze voorwaarden voldeed : het karakter en de motorisering 
van de Leibstandarte, de legering van andere onderdelen te Hamburg en München, het bestaan van 
een heel communicatie-bataljon passen in dit beeld. Bevestigd wordt onze veronderstelling boven- 
dien door de verordening van 17 augustus 1938, waarin werd bepaald, dat bij de 'Einsatz im Innern' 
ieder regiment versterkt zou worden met o.a. een verkennings-tankpeloton en esn compagnie 
motorrijders, en ieder niet gemotoriseerd zelfstandig bataljon met een colonne vrachtwagens. 2 

Wat dit betreft mag men aannemen, dat Hitier en Himmler bepaald één van gedachten zijn 
geweest. Een zeker verschil was hierin gelegen, dat Hitier het weliswaar ook nodig oordeelde, dat 
de 5*5- Verfügungstruppe frontervaring opdeed en in de onvermijdelijke oorlog haar deel in de zege- 
lauweren kon opeisen, maar dat in de eerste plaats de taak van de Verfügungstruppe elders, op het 
hierboven geschetste terrein lag. Een wezenlijke uitbreiding van de gewapende SS lag niet in zijn 
bedoeling. Himmler wilde daarin verder gaan, waarschijnlijk ook onder invloed van zijn adviseurs 
en SS-generaals. 

Toen de oorlog eenmaal uitgebroken was, nam de Verfügungstruppe, nog snel aangevuld met een 
inderhaast opgesteld artillerie-regiment, deel aan de Poolse veldtocht. De verliezen waren echter 
zwaar, en bovendien waren de bestaande regelingen en de structuur van de jaargangen zodanig, 
dat de aanvulling een probleem werd. Na de Poolse veldtocht bepaalde Hitier, dat de Verfügungs- 
truppe behalve de Leibstandarte 'Adolf Hitier* als versterkt regiment nog drie divisies mocht hebben. 
Een fraaie concessie aan de SS, maar hoe dit te realiseren, waar de Wehrmacht de opname van 
vrijwilligers uit de dienstplichtige jaargangen zoveel mogelijk trachtte af te remmen? Het was de chef 
van het Erganzungsamt, het rekruteringsbureau van de SS, SS-Brigadeführer Gottlob Berger, die 
een oplossing wist. De détails van zijn ingewikkelde gegoochel met cijfers, eenheden en jaargangen 
laten wij terzijde 8 ; de kern ervan was dat Berger op grond van het decreet van 17 augustus 1938 
het personeel van de Totenkopfverbande (en bovendien een aanzienlijk aantal manschappen van de 
Ordnungspolizei) overhevelde naar de Verfügungstruppe. De Totenkopfverbande konden weer aan- 
gevuld worden door de in de verordening genoemde Polizeiverstarkung, maar de aldus gevormde 
Totenkopf-Standarten werden niet meer als kampbewaking gebruikt, doch, zoals ook in de ver- 
ordening voorzien, voor dit doel vervangen door oudere mannen uit de Allgemeine SS; uit drie 
van deze Standarten werd een velddivisie, de SS-Totenkopf-Division, onder commando van Eicke 
zelf, gevormd. De andere Standarten (in juni 1940 waren dat er zestien 4 ) fungeerden nu meer als 
bezettingstroepen om de bevolking van veroverde landen in bedwang te houden. De februari-staking 

(1) Dit is ook, echter voornamelijk op andere gronden, de conclusie van Neusüss-Hunkel, 55, p. 39, 40. 

(2) IMT647-PS. 

(3) Zie daarvoor Stein, Waffen-SS t p. 32e.v. 

(4) A.v.,p.4i,noot37. 



51 



DE SS IN DUITSLAND 



te Amsterdam in 1941 werd door de 4. SS-Totenkopf-Standarte neergeslagen; juist voor dergelijke 
doeleinden waren deze eenheden ook bestemd. Desondanks dwong de voortschrijdende oorlog en 
het gebrek aan reserves Himmler ook deze regimenten al in hetzelfde jaar geheel in de Waffen-SS 
te laten opgaan. 1 

De naam Waffen-SS was eind november 1939, misschien al iets eerder 2 , in zwang gekomen om 
de gehele gewapende SS aan te duiden, dus Verfügungstruppe en Totenkopf verbande. Naarmate de 
laatste steeds meer in de eerste opgingen, was dat trouwens ook adequater. Zo vloeiden de twee 
formaties, beide voortgekomen uit de SS van het jaar 1933, weer ineen. Onder dit begrip Waffen-SS 
vielen echter ook, zoals wij gezien hebben, de nieuwe bewakingseenheden van de concentratie- 
kampen, ja, eigenlijk de hele concentratiekamp-organisatie als zodanig. 3 Ook werd gaandeweg 
vrijwel de gehele SS-bureaucratie tot de Waffen-SS gerekend, in de eerste plaats om de werkzaam- 
heden van bepaalde onontbeerlijk geachte functionarissen onder het begrip 'militaire dienst' te 
laten vallen. Uiteraard breidde dit verschijnsel zich snel en in grote omvang uit. 4 Uit prestige- 
gronden werd algemeen het zwarte uniform door het veldgrijze met de leger-sch ouderstukken ver- 
vangen. Anderzijds begon zich een scheiding tegenover de Allgemeine SS af te tekenen. De meeste 
leden daarvan waren in militaire dienst, en aanvankelijk bevond zich het overgrote deel zelfs in de 
Wehrmacht* De nieuwe rekruten, die sinds 1939 de Waffen-SS overspoelden, hadden gaandeweg 
steeds minder met de politieke SS te maken. In dat jaar kon de SS-journalist d'Alquen nog schrijven : 

'Nach Ablauf ihrer Verpflichtung in den Verfügungstruppen treten die SS-Manner selbstverstand- 
lich in die Allgemeine SS, aus der sie kamen, zurück' 6 , 

met de massale aanwerving van Volksduitsers, sinds 1940 ook van niet-Duitsers, betekende intrede 
in de Waffen-SS nog niet automatisch, dat men lid was van de SS als politieke organisatie. Omge- 
keerd betekende een rang in de Allgemeine SS nog niet, dat men diezelfde rang ook bekleedde bij 
dienstneming in de Waffen-SS. Dat zou uiteraard tot militaire rampen geleid hebben. Daarentegen 
was er geen enkel bezwaar om mannen, die een bepaalde rang in de Waffen-SS hadden bereikt, 
in de Allgemeine SS, voorzover ze daar lid van waren, automatisch dezelfde rang te geven. Gewillig 
lieten allerlei lieden, die Standartenfiihrer in de politieke SS waren, zich als gewoon soldaat in de 
Waffen-SS opnemen. Evenmin als in het geval van de Totenkopfverbande is er echter ooit een volko- 
men scheiding tussen Allgemeine SS en Waffen-SS geweest. Toen de laatste organisatie zich uit- 
breidde, werd het de goede gewoonte onder leden van de Allgemeine SS om hun diensttijd ook in 
het gewapende deel van de SS te vervullen. De Wehrmacht was steeds minder in staat om dat te 
verhinderen. Voor Himmler was de Waffen-SS, zoals wij nog zullen zien, juist vaak een middel om 
jonge mannen te winnen voor de politieke SS; de typische SS-sfeer bleef in de Waffen-SS behouden, 
zij het hier wat meer, daar wat minder, en de rekruten bleven onophoudelijk bestookt worden met 
allerlei vormen van SS-propaganda. De hierboven gesignaleerde vervlechting met de Totenkopfver- 
bande en hun plaatsvervangers als bewakingseenheden der concentratiekampen is echter van groter 
belang dan de samenhang tussen Waffen-SS en Allgemeine SS, vanwege de onbeduidendheid van 
deze laatste organisatie tijdens de oorlog. 

Ook organisatorisch - evenals dat bij de concentratiekamp-bewaking het geval was - bleef de 
Waffen-SS met andere delen van het SS-complex verbonden. De Inspektion der Verfügungstruppe 

(1) Zie ook p. 108. 

(2) ZieKlietmann, Waffen-SS, x>. 37- 

(3) Buchheim, /irtö/. I, p. 213. 

(4) Een frappant voorbeeld, een Nederlandse SS-man betreffend, op p. 273. 

(5) Zie Neusüss-Hunkel, SS, p. 110. 

(6) d'Alquen, SS, p. 20. 



52 



DE WAFFEN-SS 



was tot medio 1940 een onderdeel van het SS-Hauptamt. Althans formeel; in werkelijkheid gedroeg 
deze instantie zich nogal zelfstandig. In augustus 1940 werd het SS-Führungshauptamt opgericht, 
waarvan de Inspektion der Verfügimgstruppe (thans onder de naam Kommandoamt der Waffen-SS) 
de voornaamste basis vormde. Het SS-Führungshauptamt hield zich bezig met de bewapening, de 
opleiding, het formeren der eenheden en het operationele bevel van de eenheden der Waffen-SS, 
dit laatste alleen achter het front; aan het front stond de betreffende SS-divisie, of SS-brigade, of 
wat het dan ook was, onder operationeel bevel van de hogere legerbevelhebber, in het algemeen 
een generaal van de Wehrmacht dus. Wat betreft de interne gang van zaken, bevorderingen, bevoor- 
rading, samenstelling, e.d. had de SS-leiding, in de eerste plaats het SS-Führungshauptamt en in 
laatste instantie Himmler, het voor het zeggen. Het SS-Führungshauptamt was als het ware het 
militaire hoofdkwartier van de Waffen-SS, met dien verstande, dat het dus geen zeggenschap had 
over de operationele inzet aan het front. Anderzijds was het eveneens competent voor de Allgemeine 
55, hetgeen door de geringe betekenis van deze organisatie tijdens de oorlog niet zoveel inhield, 
maar wel weer tekenend is voor de organisatorische samenhang in de gehele SS. Ook de meeste 
andere organen van de SS-leiding, die hierna nog ter sprake zullen komen, waren ieder op hun 
eigen gebied trouwens competent voor zowel Waffen-SS als Allgemeine 55, en soms ook nog voor 
politieke politie en Ordnungspolizei. Dat was bijvoorbeeld het geval met het SS-Hauptamt, dat 
onder meer voor de aanwerving van SS- en politiemannen 1 en voor de indoctrinatie van SS en 
politie verantwoordelijk was. 

Het was dan ook niet de weinig markante chef van het SS-Führungshauptamt, SS-Brigadeführer 
Hans Jüttner 2 , maar Berger, die door zijn sluwheid en energie in betrekkelijk korte tijd de Waffen-SS 
enorm in omvang deed toenemen. Dat alleen al maakte hem tot een belangrijk personage in de SS 
en in de nazi-wereld in zijn geheel. Maar naast de rekrutering voor de Waffen-SS, of beter gezegd, 
via de organisatie van die rekrutering, begon hij ook een politieke rol te spelen, die naar het ons 
voorkomt in het algemeen onderschat wordt. Met name was het de werving van vrijwilligers en de 
gedwongen rekrutering in de door de Duitsers bezette gebieden en de satelliet-staten van Duitsland, 
die de Waffen-SS en Berger maakten tot wat zij tenslotte werden. Vanwege de centrale rol, die 
Berger ook in deze publikatie speelt, menen wij hier enige aandacht aan hem te moeten schenken. 

Gottlob Berger 8 , oud-vrijwilliger in de eerste wereldoorlog en toen opgeklommen tot de officiers- 
rang, onderwijzer en sportinstructeur, was ongetwijfeld een oude nazi, een Alter Kampfer, maar in 
de SS was hij pas in 1936 aangeland, als het ware uit de SA meegenomen door zijn chef aldaar, het 
hoofd van het Ausbildungswesen, SA-Obergruppenführer Friedrich- Wilhelm Krüger, die in de Röhm- 

(1) Voor de bronnen p. 41, noot 2. 

(2) Zie voor personalia van Jüttner nr. 30, noot 1. 

(3) Geb. 16 juli 1896 te Gerstetten (Württemberg). Vrijwilliger in de eerste wereldoorlog, driemaal 
gewond. Tenslotte luitenant. Sportopleiding, onderwijzer, in 1933 hoofd van een lagere school. Vervulde 
in het begin van de twintiger jaren enige posities van belang in plaatselijke vrijkorpsen. In 1922 of 1923 
lid van de NSDAP, in okt. 1923 betrapt op wapenbezit. In nov. 1930 lid van de SA, in 193 1 weer van de 
NSDAP. Regionaal leider van het Ausbildungswesen van de SA. In 1936 overgang naar de SS, meteen als 
sportleider in de Oberabschnitt Südwest in de rang van SS-Oberführer. In 1938 richt hij het Erganzungsamt, 
het centrale rekruteringsbureau van de SS op, en organiseert de lokale Erganzungsstellen. Begin 1940 
chef van het SS-Hauptamt in de rang van SS-Brigadeführer (april 1941 Gruppenführer). Juli 1942 boven- 
dien verbind ingsofficier tussen de Reichsführer-SS en het Ministerium fiir die besetzten Ostgebiete onder 
Rosenberg, een jaar later chef van de belangrijkste afdeling daarvan, de Führungsstab Politik. In september 
1944 (bij dit alles blijft hij chef van het SS-Hauptamt) slaat hij een militaire opstand in de satelliet-staat 
Slowakije neer, een maand later wordt hij stafchef van de Volkssturm en als Himmlers plaatsvervanger 
hoofd van de krijgsgevangenenkampen. In 1949 door een Amerikaans militair tribunaal veroordeeld tot 
20 jaar gevangenisstraf, eind 1951 vrijgelaten. (P 7; AMT 11, spec. B 58 NO 347, 348, 1785; N 29/2 IS 
1070; Bayle, Psychologie SS, p. 209-215). 



53 



DE SS IN DUITSLAND 

affaire een zeer dubieuze rol gespeeld had, en in 1935 met behoud van zijn hoge rang naar de SS 
overging, waar hij trouwens oorspronkelijk uit voortgekomen was. 1 

Ook Berger werd met zijn S 'A-rang, die van Oberführer, door de SS overgenomen. Zijn kans 
kreeg hij, toen hij in 1938 opdracht kreeg een rekruteringsapparaat voor de SS (ook voor de 
AUgemeine SS) te organiseren. In januari 1940 volgde hij Heissmeyer op als hoofd van het SS- 
Hauptamt. Juist in die periode echter werden allerlei taken aan andere, nieuw opgerichte Haupt- 
dmter 2 opgedragen, die voordien door het SS-Hauptamt waren verricht, zodat dit orgaan voorlopig 
alleen nog maar de rekrutering, sport-training, en ideologische indoctrinatie tot taak had. 3 Maar 
met de botte energie, waarover Berger beschikte, haalde hij hier alles uit, wat er in zat, en ook, 
wat er niet in zat. De lezer zal in de volgende hoofdstukken en in de hier gepubliceerde documenten 
genoegzaam kunnen zien, hoe Berger door zijn bemoeienis met de rekrutering van vrijwilligers uit 
de door Duitsland bezette Germaanse landen een politieke rol ging spelen ; de aanwerving werd 
voor hem de koevoet, waarmee hij zijn SS-Hauptamt als de exclusieve centrale van de SS, waar de 
politiek ten opzichte van de Germaanse landen bepaald moest worden, omhoog bracht. En aan- 
gezien Himmler van zijn SS de centrale van het hele regime voor deze zaken wilde maken, had 
Berger wat de Reichsführer betreft de wind mee. Vooral in België was zijn succes groot. 4 In Neder- 
land iets minder, omdat hij daar in de plaatselijke Höherer SS- und Polizei führ er Rauter een con- 
current in de SS zelf trof, die even energiek, ambitieus en bikkelhard was als hijzelf. In Noorwegen 
was er een rijkscommissaris, aan wie deze eigenschappen ook allerminst vreemd waren, en in 
Denemarken lagen de politieke en internationaal-rechtelijke verhoudingen te moeilijk, maar ondanks 
alle tegenwerking binnen en buiten de SS boekte hij stellig aanzienlijke resultaten. In latere stadia 
van de oorlog werd hij bovendien de belangrijkste politieke functionaris op het - overigens vrij 
machteloze - Ostministerium van Alfred Rosenberg, korte tijd succesvol generaal te velde, en 
organisator van de levêe en masse s , en helemaal op het einde van de oorlog gedroeg hij zich, daartoe 
gerechtigd of niet, als de plaatsvervanger van Himmler. 6 

De sleutel tot dit alles, en dat bleef Berger altijd heel goed beseffen, was zijn vertrouwenspositie 
bij Himmler. Daaraan bleef hij vijlen met een als openhartigheid en boerse goedmoedigheid ver- 
momde byzantijnse serviliteit, waarvan zelfs in Duitsland, zelfs in de nazi-partij en de SS, de gelijke 
moeilijk gevonden kan worden. In een brief van 9 maart 1943 aan Himmler zelf - men late zich niet 
misleiden door Bergers gewoonte Reichsführer in de derde persoon aan te spreken - heet het: 

'So ist auch mein letzter Vortrag im Feldquartier des Reichsführers-SS für mich persönlich das 
Entscheidendste mit in meinem Leben gewesen. Zuerst einmal darum, weil mein Reichsführer 
mir das Vertrauen geschenkt und mir persönliche Dinge mitgeteilt hat, was man nur tut, wenn 
das Visier in jeder Form geöffnet ist und man weiss, dass derjenige, dein man das sagt, dieses 
Vertrauen zu wahren versteht und, sofern möglich, mit noch grösserem Diensteifer zu danken 
versucht.' 7 



(1) Heinrich Bennecke: Die Reichswehr und der "Röhm-Putsch", München, 1964, p. 46, 47, 77, 78. 

(2) Zoals men verderop nog nader uitgewerkt zal zien, bestond de centrale SS-bureaucratie tenslotte uit 
12 Hauptamter (bijv. Reichssicherheitshauptamt, SS-Führungshauptamt, Hauptamt SS-Gericht, enz.) 
waarvan er één, tevens het oudste, kortweg SS- Hauptamt heette. * Hauptamt' kan dus zowel Bergers 
organisatie als de soortnaam betekenen. 

(3) En tijdelijk de materiële zorg voor de leden (The AUgemeine SS, K 2). 

(4) Zie Knoebel, SS in Belgium, o.a. p. 369-374. 

(5) Zie p. 53, noot 3. 

(6) N 29/2 Summary 137 van Interrogation 98 C, en IS 460. 

(7) N 30/2 NO 031, ook afgedrukt in Brief e an und von Himmler, p. 196-200. Vgl. ook de toon in de 
hier afgedrukte brieven van Berger, bijv. de nrs. 28 1 en 557. 



54 



DE WAF FE N -SS 



Enzovoorts, enzovoorts, het citaat is tamelijk willekeurig. Die houding tegenover Reichsführer, die 
hij als een soort persoonlijk bezit scheen te beschouwen, en waarmee hij zich de doorlopende gunst 
van dit object verzekerde, viel wel degelijk te rijmen met vulgaire grofheid tegenover anderen. 
Zowel in als buiten de SS was hij gehaat, en hij wist het, en betaalde het met verdubbelde rancune 
terug. Het was niet alleen zijn succes en zijn vertrouwelijke omgang met Himmler, die hem gehaat 
maakten, algemeen vond men hem een ijdele, arrogante, maar niet ongevaarlijke praatjesmaker. 1 
'Ehrgeizig, redet viel. . . verfolgt sein gestecktes Ziel hartnackig', hadden zijn SS-superieuren reeds 
voor de oorlog over hem geoordeeld. 2 Zijn kletspraat en de ruwe, 'volkse' toon waren deels camou- 
flage van zijn intrigantennatuur, deels authentieke dikdoenerij. 'Ein Angeber, Ein Geschaftlhuber,' 
zei na de oorlog een generaal van de Waffen-SS 3 , hetzelfde woord gebruikend als Seyss-Inquart, 
die de vooraanstaande positie van Berger terug te voeren achtte 

*auf seine Gefügigkeit Himmler gegenüber einerseits und auf eine gewisse «Geschaftelhuberei» 
(das Bestreben sich wichtig zu machen) andrerseits', 

er even later aan toevoegend : 

'Berger ist vielleicht ein schlauer, aber niemals ein kluger, oder gar weiser Mann gewesen.' 4 

En inderdaad, Bergers critici in partij en SS hadden geen ongelijk, wanneer zij beweerden, dat Berger 
voor zijn hoge positie het geestelijke niveau miste. 5 Berger bleef in wezen wat hij al in de eerste 
wereldoorlog was : een opgeklommen Feldwebel, met veel gevoel voor organisatie en intrige, maar 
in wezen zonder gevoel voor politiek. 

Met dat al was het Berger, die voor een groot deel de groei van de Waffen-SS tijdens de oorlog 
bewerkstelligde, maar daardoor, zonder dat nu bewust te willen, eraan meewerkte, dat karakter en 
doel van de gewapende SS veranderden. In die jacht op meer vrijwilligers, op meer divisies, joeg 
in het eerste stadium van de oorlog Berger zijn chef Himmler op, en Himmler op zijn beurt Hitier. 
Maar Hitier dacht nog steeds aan de Waffen-SS als een soort politie-leger, in de eerste plaats voor 
binnenlands gebruik. Die gedachte had hij in de eerste stadia van de oorlog nog niet losgelaten. 
Op 6 augustus 1940 stelde hij vast, dat het Duitse Rijk in zijn definitieve vorm groeperingen ('Volks- 
körper') zou omvatten, die niet allemaal 'dem Reich wohlwollend gegenüber stenen', zoals Hitier 
het met een plotseling zeer Brits understatement uitdrukte. Daarom diende er een 'Staatstruppen- 
polizei' te zijn, die niet verambtelijkt was, maar op en top militair, en dan ook aan het front de 
nodige offers bracht om tegenover het volk voldoende prestige te hebben. Welnu, 

*In den Reihen des Heeres nach Bewahrung im Felde in die Heimat zurückgekehrt, werden die 
Verbande der Waffen-SS die Autoritat besitzen, ihre Aufgaben als »Staatspolizei« durchzu- 
führen.' 



(1) Zie verschillende na-oorlogse verklaringen in N 29/2. 

(2) P 7: 8438. 

(3) NI. de voormalige SS-Obergruppenführer Wilhelm Bittrich (Höhne, Orden, p. 420). 

(4) N 29/2 VN 4. 

(5) Voor de bronnen noot 1. Het moet worden gezegd, dat de partijfunctionaris Klopfer gunstig over 
Berger oordeelt : Berger had gevoel voor Treue', voor 'Anstandigkeit*. Inderdaad hoorden deze eigen- 
schappen bij de poses, die Berger aannam, en het oordeel zegt eigenlijk alleen iets over Klopfer, niets over 
Berger (Verkl. Klopfer, p. 4). 



55 



DE SS IN DUITSLAND 

En dat was trouwens in het belang van de Wehrmacht zelf, want, en daar legde Hitier grote nadruk 
op, dan hoefde de Wehrmacht nooit de wapens tegen eigen 'Volksgenossen' te keren; de Wehrmacht 
was uitsluitend bedoeld om te strijden tegen vijanden van buitenaf. Blijkbaar werden tot de minder 
welwillende Volkskörper potentieel ook de eigen Volksgenossen gerekend; de binnenlandse taak 

'kann nur eine Staatspolizei erfüllen, die in ihren Reihen Manner besten deutschen Blutes hat 
und sich ohne jeden Vorbehalt mit der das Grossdeutsche Reich tragenden Weltanschauung 
identifiziert. Ein so zusammen gesetzter Verband allein wird auch in kritischen Zeiten zersetzenden 
Einflüssen widerstehen.' 

En om de nodige kwaliteit te bewaren diende de Waffen-SS beperkt te blijven tot een 5 a 10 procent 
van de vredessterkte van het leger. 1 

Deze uitlatingen waren zeker onder meer bedoeld om de Wehrmacht gerust te stellen: Hitier 
beloofde de generaals, dat de Wehrmacht niet gebruikt zou worden voor kwalijke karweitjes, en dat 
zijn privé-leger, dat die karweitjes wel moest en wilde opknappen, klein zou blijven. Maar hoe 
belangrijk dat element van geruststelling van de generaals ook is, het stuk onthult wel degelijk in 
wezen Hitiers bedoeling met de Waffen-SS. Het ligt geheel in de lijn van de verordening van 17 
augustus 1938, en trouwens van de hele genese van de gewapende SS-formaties. De laatste zin van 
het tweede hier weergegeven citaat hield eigenlijk in, dat in geval van binnenlandse onlusten de 
Wehrmacht potentieel onbetrouwbaar was, en dat het regime dan alleen op een ideologisch goed 
geïndoctrineerde politietroep kon en wenste te vertrouwen. 2 Een en ander was allerminst in tegen- 
spraak met heimelijke gedachten om, wanneer het nodig mocht zijn, de Waffen-SS ook daadwerke- 
lijk tegen de Wehrmacht in te zetten. 

In deze tijd beschikte de Waffen-SS te velde over weinig meer dan dezelfde troepen, die er drie 
maanden eerder, aan de vooravond van de Duitse veldtocht tegen Nederland, België en Frankrijk in 
mei 1940 geweest waren. Daar was allereerst natuurlijk de Leibstandarte-SS 'Adolf Hitier 9 : ver- 
volgens de andere kern van de Verfügungstruppe, de Standarte n 'Detttschland', 'G er mama' en 1 Der 
Führer\ in divisieverband bijeengebracht onder de naam SS-Verfügungsdivision; de SS-Totenkopf- 
Division, samengesteld met drie van de oudste Totenkopf-Standarten als kern, en ook aangevoerd 
door Eicke zelf, hetgeen in de veldtocht in Frankrijk resulteerde in grootscheepse verspilling van 
de levens der eigen manschappen en in het fusilleren van een honderdtal krijgsgevangenen 3 ; ten- 
slotte de SS-Polizei-Division, waarvan de kern uit leden van de Ordnungspolizei bestond, die ge- 
dwongen werden in een frontformatie van de SS te dienen. 

Naast deze drie divisies en de versterkte Leibstandarte waren er echter nog de ongeveer zestien 
Totenkopf-Standarten, waarvan het grootste deel in de bezette gebieden werd gelegerd, en dan 
natuurlijk de J anker schulen, losse depots, speciale bataljons e.d. 4 Al met al had Berger het reeds 
tot meer dan 100.000 man, waaronder drie volledige divisies, kunnen brengen. 

Op het geheel van de Duitse strijdkrachten genomen was dit nog wel in overeenstemming met 



(1) IMTD-665- 

(2) Buchheim, Anat. I, p. 204, ziet Hitiers uitlatingen van aug. 1940 als een in slaap sussen van de Wehr- 
macht, en vindt, dat het niets zegt over de werkelijke bedoelingen van Hitier. Merkwaardigerwijs zegt hij 
in een adem, dat het de tendens van de verordening van aug. 1938 versterkt. Gezien de andere gegevens 
en de algehele ontwikkeling geeft het document o.i., zij het versluierd met welwillende frases tegenover 
de Wehrmacht, in wezen stellig wel Hitiers intenties weer. Impliciet kan men dit ook uit de weergave 
bij Stein, Waffen-SS, p. 100, opmaken. 

(3) Höhne, Orden, p. 427; Stein, Waffen-SS, p. 76-78. 

(4) Gegevens over de sterkte van de Waffen-SS in deze tijd bij Klietmann, Waffen-SS, Stein, Waffen-SS, 
enIMTi9i9-PS. 



56 



DE WAFFEN-SS 

Hitiers conceptie. Maar op het moment, dat Hitier de hierboven aangehaalde uitspraken deed, 
spande Himmler zich al heftig in om de Waffen-SS juist wèl boven het toegestane, schamele quan- 
tum te brengen, en was Berger bezig op grote schaal vrijwilligers uit de Scandinavische landen, 
Nederland en Vlaanderen te werven. Dat viel niet helemaal meer, en al gauw helemaal niet meer 
te rijmen met een opvatting over de Waffen-SS als een 'Staatstruppenpolizei'. 

Lopen wij even op ons verhaal vooruit, en vatten wij in enkele woorden samen hoe de Waffen-SS 
zich verder ontwikkelde. De militaire successen van de Waffen-SS, hun Angnffsfreudigkeit en 
fanatieke verdediging in voor de Duitsers kritieke militaire situaties maakten, dat Hitier tenslotte 
- zo in de loop van 1942 - zijn verzet tegen verdere uitbreiding opgaf, en uiteindelijk die uitbreiding 
ging stimuleren. Juist sinds de tijd, dat voor Duitsland het tij in de oorlog ten ongunste begon te 
keren, namen de eenheden der Waffen-SS aan betekenis toe als kerntroepen op de bedreigde plaatsen 
aan het front. Zij bleken tot het uiterste stand te houden, en niet door nederlagen aan het wankelen 
te brengen. 1 Naarmate de behoefte aan manschappen groeide en de reserves steeds krapper werden, 
verwaterde evenwel de speciale fysieke, raciale en mentale selectie, die men vroeger op de rekruten 
had toegepast, meer en meer om tenslotte helemaal te verdwijnen. Sinds 1942 werd ook in toe- 
nemende mate dwang gebruikt bij de inlijving van Duitsers en Volksduitsers in de Waffen-SS. 2 
Medio 1944 telde de Waffen-SS, inclusief depots, bureaus en dergelijke (waaronder kennelijk ook 
de bewakingseenheden der concentratiekampen) 594-443 man. 9 Naar schatting bestond één derde 
tot de helft van dit aantal uit Volksduitsers of niet-Duitsers. Van de 38 divisies, die de Waffen-SS 
op het eind van de oorlog nominaal telde, waren alleen een stuk of tien werkelijk elite-divisies, 
over het algemeen de oudste. Een aantal eenheden kreeg de naam 'divisie', maar was ver, soms zeer 
ver onder de minimaal gebruikelijke sterkte van een dergelijke eenheid. 

Nog meer dan bij de Ordnungspolizei het geval was, zien wij, hoe Verfügungstruppe en Totenkopf- 
Verbande tenslotte militaire front-eenheden zijn geworden, ja, hoe de gehele gewapende SS in 
organisatorisch, functioneel en mentaal opzicht steeds minder verschil met het gewone leger, het 
Heer, ging tonen. Nog sterker is hier het verschijnsel zichtbaar van de militarisering: het opschuiven 
van de verschillende formaties van het politionele naar het militaire deel van het spectrum. Zoals 
hiervoor getracht is aan te tonen, vond dit zijn voornaamste oorsprong in de nationaal-socialistische 
wereldbeschouwing, waarin principieel militair denken op niet-militaire objecten en terreinen werd 
toegepast; de oorlog voerde deze ontwikkeling slechts tot de logische consequenties. 

Wellicht heeft de enorme groei van de Waffen-SS, dit onvoorziene uitdijen van het SS-complex 
op een on-eigenlijk terrein, zijn oorzaken tevens in het bestaan van dat complex op zichzelf. Een 
grote en gecompliceerde organisatie heeft altijd de neiging om verder te groeien en andere taken 
dan de oorspronkelijke op zich te nemen. Bij uitstek gold dit voor de SS, die in heftige vete leefde 
met andere machtsapparaten als Wehrmacht of partij, die zichzelf als de elite van de natie be- 
schouwde; die zichzelf - en niet geheel ten onrechte - voor het alternatief gesteld meende : toeneming 
in omvang en macht, of ondergang; die bovendien geleid werd door sluwe, machtsbeluste en mee- 
dogenloze figuren. Slechts de weerstand van andere, even machtige organisaties zou grenzen kunnen 
stellen aan het uitdijen van een dergelijk machtsapparaat, waarvan wij thans de hoofdlijnen der 
structuur vluchtig willen schetsen. 

(1) Dit is de conclusie, waartoe Stein, Waffen-SS, spec. p. 288, 289, komt. 

(2) Bronnen in noot 4 op p. 59 genoemd. 

(3) Overzicht van de sterkte van AUgemeine SS en Waffen-SS van het Statistisch-wissenschaftliche 
Institut des Reichsführers-SS, IMT D-878. Dat is dan tevens het laatste betrouwbare cijfer over de 
Waffen-SS. In de litteratuur (Höhne, Neusüss-Hunkel, etc.) vindt men meestal het cijfer terug, dat de 
vroegere SS-Oberst-Gruppenführer Hausser voor dec. 1944 geeft: 950.000 man, waarbij blijkbaar ook de 
300.000 a 350.000 doden en zwaargewonden sinds het begin van de oorlog gerekend zijn (Paul Hausser: 
Waffen-SS im Einsatz, Göttingen, z.j. (1953), p. 15). Beide cijfers zijn vermoedelijk te hoog. 



57 



DE SS IN DUITSLAND 



F. De organisatie van de SS-leiding 

Een decennium nadat de nationaal-socialisten de macht hadden overgenomen en Himmler vanuit 
zijn eerste bescheiden ambtelijke functie, namelijk die van hoofdcommissaris van politie van de stad 
München, een enorme macht begon op te bouwen, was de SS uitgegroeid tot een gigantisch appa- 
raat. De functies, die dat apparaat vervulde, waren zeer heterogeen. Belangrijke onderdelen van het 
SS-complex hadden wat achtergrond en beroepsbezigheden betrof met bepaalde sectoren van staat, 
partij of Wehr macht vaak veel meer gemeen dan met andere sub-organisaties van de SS. Centrifugale 
krachten waren wel degelijk aan het werk, een aantal conflicten en spanningen binnen de SS 
vloeide uit de structuur voort en was daarom moeilijk te verhelpen, en het onharmonieuze geheel 
was allerminst de hechte monolithische orde, die Himmler krampachtig tot een realiteit trachtte te 
maken. Dat betekende echter niet, dat het begrip 'SS' een abstractie was, een verzamelnaam voor 
een aantal elkaar op leven en dood bestrijdende groeperingen, die verder niets gemeen hadden. 1 
Hoezeer ook onderling verschillend, een zekere stijl, een zeker ethos, een radicale opvatting van 
de nazi-ideologie verbond alle sub-organisaties van de SS toch min of meer. Allen gehoorzaamden 
zij dezelfde meester, die met deze structuren achter zich, en mede dank zij juist hun diversiteit, een 
machtsfactor van bijzonder grote betekenis in nazi-Duitsland werd. In de laatste jaren van de tweede 
wereldoorlog gingen velen, zowel binnen als buiten Duitsland, geloven dat Himmler na Hitier de 
machtigste man in het nazi-imperium was, en dat hij waarschijnlijk zelfs de opvolger van de Fiihrer 
zou worden. Dat men dat dacht, was begrijpelijk. De Reichsführer-SS was allereerst de onbetwiste 
chef van de politie, zowel van de politieke politie als van de gewone geüniformeerde straatpolitie en 
de recherche. De concentratiekampen met millioenen gevangenen waren het domein van de SS. Het 
beste deel van de Duitse landstrijdkrachten werd gevormd door de elite-divisies van de Waffen-SS, 
die ten tijde van de geallieerde invasie in Normandië in juni 1944 bijna 600.000 man telde. Welis- 
waar waren de eenheden van de Waffen-SS aan het front onder ^//raac/tf-commandanten 
geplaatst, maar alleen in operationeel opzicht; voor het overige - en achter het front helemaal - 
waren zij geheel en al ter beschikking van de Reichsführer-SS. En ook op andere terreinen begon de 
SS mede te beslissen of de toon aan te geven. 

De diversiteit van het SS-complex werd weerspiegeld in de organisatorische samenstelling van 
de centrale leiding. 2 Wij geven hieronder de stand van omstreeks 1943, toen de SS-organisatie vol- 
groeid was, en uit twaalf Hauptamter bestond. Elk Hauptamt gaf leiding aan een bepaalde sub- 
organisatie van het SS-complex, of hield zich bezig met bepaalde aspecten van het geheel. 3 De 
meeste chefs hadden tegen medio 1943 de rang van SS-Obergruppen fiihrer bereikt; in de hieronder 
volgende uiteenzetting menen wij dit gegeven derhalve te mogen weglaten. 

Onder die twaalf Hauptamter waren er drie, die wij reeds eerder besproken hebben, en die tevens 
staatsorganen waren, waarbij, zoals wij gezien hebben, deze SS-bureaus geen staatskarakter 
kregen, maar integendeel eerder de staat in de SS opging: het Reichssicherheitshauptamt (RSHA), 
het Hauptamt Ordnungspolizei en het SS-Wirtschafts- und Verwaltungshauptamt (SS-WVHA) . Het 
betekende allerminst, dat de andere SS-instanties zich niet bezig hielden met zaken, die normaliter 
tot de competentie van de staat horen. Voor al deze organen, en voor de hele SS, blijft gelden, dat 
zij wel macht en functies van de staat hadden geüsurpeerd, maar niet aan de regels en wetten van 
de staat gebonden waren, formeel, feitelijk noch moreel. 

(1) Vgl. p. 25. 

(2) Zie bijlage 1: Schema van SS-instanties. Af en toe werd de term Reichsführung-SS gebruikt. Himm- 
ler gaf er echter de voorkeur aan om de SS-leiding als geheel met Reichsführer-SS te laten aanduiden ; 
zo in het briefhoofd van nr. 1 87 : 'Der Reichsführer-SS. Chef des SS-Hauptamtes'. 

(3) De gegevens over de organisatie der SS-leiding zijn te verspreid om ze op een bepaalde bron terug te 
voeren. Men zie o.a. The Allgemeine SS, en Best, Deutsche Polizei, tevens Buchheim, Anat I. p. 239 e.v. 



58 



DE ORGANISATIE VAN DE SS-LEIDING 



Het oudste Hauptamt van de SS stond eenvoudigweg bekend als SS-Hauptamt. In deze organisa- 
tie, tot 1940 geleid door August Heissmeyer 1 , was aanvankelijk alles van de SS bijeengebracht, wat 
niet tot de competentie van de SD hoorde, of op het gebied van Rasse en Siedhmg lag (daarvoor 
was een apart Hauptamt geschapen). Dat hield onder meer in de lnspektion der Konzentraüonslager 
en tevens van de Totenkop) "verbande (evenwel zonder veel invloed op de inspecteur, Eicke), de 
lnspektion der Verfügungstruppe (daar lag het overigens net zo), de administratie, de personeels- 
afdeling, een semi-gerechtelijke instantie van de SS, enzovoorts. In 1939 en 1940 werden de meeste 
van deze afdelingen tot zelfstandige Hauptamter verheven. Heissmeyer, waarvan men de indruk 
krijgt, dat hij niet een van de sterkste figuren in de SS geweest is, werd als chef van het SS-Hauptamt 
begin 1940 door Berger vervangen. Hij behield echter een tweede functie, die hij sinds 1935 uit- 
oefende, nl. die van Inspekteur der Nationalpolitischen Erziehungsanstalten (Napolas), een soort 
nazi-internaten van middelbaar schoolniveau, waarin de invloed van de SS tamelijk groot werd. 
Het waren echter staatsscholen, die onder de Reichserziehungsminister Rust ressorteerden; de eigen- 
lijke taak van Heissmeyer was natuurlijk deze scholen geheel in handen van de SS te spelen, waar 
hij evenwel nooit helemaal in slaagde. De inspectie, een staatsorgaan dus, werd onder de naam 
Dienststelle SS-Obergruppenführer Heissmeyer later als Hauptamt in de SS-leiding opgevoerd. 
Alweer een symbiose tussen de staat en de SS dus, maar in dit geval liet de staat, in casu minister 
Rust, zich niet zonder meer door de SS annexeren. Toen in 1942 twee van deze scholen onder de 
naam Reichsschulen in Nederland werden geopend, gaf een en ander tot uitgebreide en nimmer 
geheel opgeloste competentietwisten aanleiding. 2 

De taken van het zwaar geamputeerde SS-Hauptamt beperkten zich nu voornamelijk tot de 
aanwerving, de ideologische indoctrinatie van SS-mannen (en politiemannen) en hun fysieke 
training. Het eerste was het belangrijkste. In de loop der jaren werd door middel van verdragen met 
Duitslands satelliet-staten Slowakije, Hongarije, Roemenië en Kroatië, in die landen en zonder 
enige pseudo-legale formaliteit tevens in Servië, Polen en het door de Duitsers bezette Russische 
gebied de militaire dienstplicht in de Waffen-SS voor Volksduitsers 3 ingevoerd. Het was in feite 
het SS-Hauptamt, dat deze massale en gedwongen inlijving doorvoerde. Ook in Duitsland zelf werd 
sinds 1942 regelrechte dwang gebruikt om jongelui in de Waffen-SS te krijgen. 4 De werving in de 
Germaanse landen was principieel op vrijwillige basis, hoewel van het begin af ronselarij, valse 
voorspiegelingen, onhoudbare beloften e.d. allerminst geschuwd werden. Van belang is hier vooral, 
dat Berger door deze werving zeggenschap kreeg in de Duitse bezettingspolitiek. 

(1) Geb. 11 jan. 1897 te Gellersen. Tijdens de inflatie breekt hij zijn juridische studie te Göttingen af, 
werkt enige jaren als arbeider; pedagogische interesse. Inspekteur der Napolas; sinds 1942 bovendien 
Höherer SS- und Polizeiführer van Berlijn en omgeving. In 1941 getrouwd met de Reichsfrauenführerin 
Gertrud Scholtz-Klink. (SS-Dienstaltersliste 1944; Grossd. Reichstag; Wh<fs Who in Germ. 11; IMTXX, 
p. 296; Not. 148, J. C. H. de Pater: 'Die Reichsschule für Jungen te Valkenburg'). 

(2) Zie voor dit onderwerp hfdst. IV, § F. Horst Ueberhorst (hrsg.): Elite für die Diktatur. Die National- 
politische Erziehungsanstalten 1933-1945. Ein Dokumentarbericht, Düsseldorf, 1969, p. 29, 167, geeft 
Heissmeyers Hauptamt de naam: Hauptamt Nationalpolitische Erziehung, Bewerker dezes heeft deze 
naamgeving elders nooit aangetroffen. 

(3) Wij hanteren deze, indertijd niet ongebruikelijke vernederlandsing van het begrip Volksdeutsche, 
mensen van niet-Duitse nationaliteit, maar Duits van origine. De criteria daarvoor verwaterden ook snel. 
Tenslotte werden lieden in de Waffen-SS opgenomen, die praktisch geen Duits konden spreken, en verder 
ook geen enkele band met Duitsland voelden. 

(4) Trials of War Criminals before the Nuernberg Military Tribunals under Control Council Law No. 10, 
Washington (1951-1952), Case u> spec. XIV, p. 550-551 ; Stein, Waffen-SS, p. 171*174. Opgrond van 
de cijfers van de laatste auteur zou men tot een totaal van tenminste 150.000 Volksduitsers komen; 
Neusüss-Hunkel, SS y p. 104, noemt een getal van 310.000, kennelijk van Hausser, Waffen-SS im Einsatz, 
p. 19, overgenomen, en waarschijnlijk te hoog. 



59 



DE SS IN DUITSLAND 



De zuiver-militaire zaken, zoals opleiding, opstelling der Waffen-SS-tenheden, bevoorrading, enz. 
waren, zoals gezegd, in 1940 opgedragen aan het toen opgerichte SS-Fuhrungshauptamt, een soort 
SS-pendant dus van het Oberkommando des Heeres. Met dit verschil, dat het over de operationele 
inzet niets te zeggen had, en daardoor nimmer een serieuze rivaal van het opperbevel van het leger 
kon worden, ook niet, toen na 20 juli 1944 Himmler Befehlshaber des Ersatzheeres, opperbevel- 
hebber van alle landstrijdkrachten in Duitsland, achter het front, was geworden, en Jüttner zijn 
plaatsvervanger in die functie. Wat de Waffen-SS betreft, was en bleef Jüttner afhankelijk van het 
mensenmateriaal, dat Berger hem leverde; zijn taak was eigenlijk alleen de mannen in eenheden te 
groeperen en ze klaar te stomen voor het front, waar anderen de beschikkingsmacht over de een- 
heden weer overnamen. Tussen Berger en Jüttner was in de loop der jaren een oprechte vijandschap 
gegroeid, waarvan anderen zoals Mussert, wel eens trachtten te profiteren. Tevergeefs. Tegen Berger 
was de kleurloze bureaucraat Jüttner absoluut niet opgewassen. 

Het Rasse- und Siedlungshauptamt ( RuSHA ) werd voor de oorlog geleid door Richard Walther 
Darré. Vroeger had Darré de jonge Himmler in niet onbelangrijke mate beïnvloed met zijn gedach- 
ten over bloed en bodem. Eén van de Leitmotive in de SS, de band met het hoerendom, was voor- 
namelijk van Darré afkomstig 1 , die naast zijn positie in de SS ook minister van landbouw was. In 
april 1942 viel hij echter in ongenade, en moest hij zich feitelijk uit al zijn functies terugtrekken. 2 
Al eerder, medio 1940, was hij als chef van het RuSHA vervangen door Otto Hofmann, die zelf in 
april 1943 werd opgevolgd door Richard Hildebrandt. In de tijd van Darré had het RuSHA als een 
zeer belangrijk Hauptamt gegolden, de aangewezen instantie voor alle zaken in de SS, die iets met 
ras te maken hadden, zoals keuring van SS-leden, eventuele kolonisatie van SS-mannen als boeren, 
de scholing van alle leden der SS-organisaties enz. Maar gaandeweg verloor dit 'ideologische' 
Hauptamt aan betekenis. Toen na de verovering van Polen een begin werd gemaakt met massale 
kolonisatie van Duitsers op van Polen geroofde grond, bleek - in tegenstelling tot de opzet - slechts 
een betrekkelijk gering aandeel der werkzaamheden aan het RuSHA toe te vallen; het meeste en 
belangrijkste werk werd door andere SS-instanties verricht. Ook de ideologische vorming moest 
het RuSHA gaandeweg aan het SS-Hauptamt afgeven, zodat de arbeid zich hoofdzakelijk beperkte 
tot ras-keuringen, uitgevoerd door zg. Eignungsprüfer, en de zaken, die daarmee samenhingen: 
adviezen voor huwelijkstoestemming of -afwijzing door de Reichsführer, afstammingszaken, enzo- 
voorts. Inzake de kolonisatie moest het RuSHA samenwerken met twee andere, nog nader te noemen 
SS-instanties, en, zoals gezegd, speelde het in deze problematiek niet de belangrijkste rol. Daaren- 
tegen had gedurende een zekere periode in de oorlog het RuSHA wel de behandeling van salarissen, 
pensioenen en sociale zorg voor de SS-leden en hun gezinnen in handen, datgene dus wat de Duitsers 
Versorgung (wettelijke regelingen) en Fürsorge, de bijkomende financiële en sociale steun, die de 
SS haar leden gaf, noemden. 3 

Tot het begin van de oorlog had het Rasse- und Siedlungshauptamt vrijelijk kunnen theoretiseren 
over bloed en bodem, ras en cultuur, en de eens te verwerkelijken droom van een grootscheepse 
Duitse kolonisatie in Oost-Europa, met verdrijving dan wel uitroeiing van de niet-Duitse bevolking, 
voorzover van inferieur ras geacht, en Einde ut schung van die elementen, die blond en blauw-ogig 
en ook verder van duidelijk noords-Germaanse bloede waren - en politiek niet al te onbetrouwbaar. 
Na de verovering van Polen kon men een begin maken met het realiseren van deze denkbeelden, 

(1) Höhne,0/v/f?w,p.49. 

(2) Who"s Who inGerm. II, p. 25, 26; 7A/rXXII,p. 101. 

(3) Wij zullen dit geheel evenals men indertijd deed, enigszins onjuist dus, onder de term Fürsorge samen- 
vatten (de Versorgung ging later trouwens naar het Reichsarbeitsministerium). De Fürsorge voor de 
Germaanse vrijwilligers in SS-dienst zou in Nederland later nog een zekere politieke rol spelen. {The 
Allgemeine SS, M 3; zie ook nr. 88, noot 7, nr. 540, en noot 2 daarbij, en nr. 556; voorts Buchheim, 
Anat. I, p. 246-248). 



60 



DE ORGANISATIE VAN DE SS-LEIDING 



die eigenlijk de kern van Hitiers programma vormden. De organisatie droeg Hitier op aan Himmler 
als Reichskommissar für die Festigung deutschen Volkstums (RKFdV), maar deze gebruikte daar 
niet in de eerste plaats het RuSHA voor, maar de Volksdeutsche Mittelstelle (VoMi), een partij- 
organisatie, die zich bezighield met de problematiek der Volksduitsers en die langzamerhand onder 
leiding van Werner Lorenz geheel onder SS-controle kwam te staan, en vooral een nieuwe instantie, 
die het Stabshauptamt van de RKFdV werd genoemd en geleid door Ulrich Greifelt. Beide organen 
werden later als Hauptamter in de SS-leiding ingevoegd. Hoe de taakverdeling was tussen de 
betrokken SS-instanties: Stabshauptamt, VoMi, RuSHA en ook nog wel andere organen als het 
Reichssicherheitshauptamt, bij de misdadige bevolkingspolitiek, die gedurende de oorlog in het door 
de Duitsers bezette Oost-Europa werd bedreven, doet er hier niet zo veel toe; in het kader van deze 
publikatie is een en ander slechts van belang, omdat Himmler zich op grond van deze taak als 
algemeen part ij -gemachtigde voor alle Volkstum-zaken opwierp en zich door deze uitgangspositie 
met de West-Europese, Germaanse bezette landen als Nederland kon gaan bemoeien. 1 

Het SS-Personalhauptamt, geleid door Walter Schmitt en sinds 1942 door Maximilian von Herff, 
hield zich, zoals de naam reeds doet vermoeden, bezig met de personalia van de SS-leden, dat wil 
zeggen voornamelijk de SS-Fuhrer, de officieren dus, zowel van de Allgemeine SS als van de Waffen- 
SS. In het algemeen speelde dit orgaan slechts een rol bij bevorderingen en uiteraard ook bij degra- 
daties en royementen. De formele bevordering van elke SS-Führer of degradatie en uitstoting uit de 
SS was uitsluitend en alleen een zaak van de Reichsführer-SS zelf. Wanneer men meent, dat dat 
bijna altijd in de praktijk zal hebben betekend, dat Himmler snel een handtekening plaatste zonder 
het voorgelegde document ook maar in te zien, vergist men zich: in bijzonder veel gevallen wijdde 
Himmler zich met alle aandacht en concentratie aan het probleem, of een bepaalde Untersturm- 
führer bevorderd diende te worden of niet (tekenend voor hem is ook, dat hij de benoeming van 
bepaalde onderofficiersposten in eenheden met Germaanse vrijwilligers aan zich hield). 1 Het 
recht van bevordering der Gruppenführer en Obergruppenführer was echter aan Hitier zelf voor- 
behouden. 1 

Het Hauptamt SS-Gericht was in 1940 voortgekomen uit het SS-Gericht, dat ondanks zijn wat 
pretentieuze naam voor de oorlog slechts disciplinaire zaken en kwesties van 'eer' afdeed. Het had 
dus slechts een zekere regulerende functie ten opzichte van de privécode, die de SS zich had aange- 
meten. Dat veranderde, toen de SS er in oktober 1939 in slaagde een eigen jurisdictie te krijgen. Die 
'Sondergerichtsbarkeit der SS und der Polizei bei besonderem Einsatz' gold in het algemeen geno- 
men voor alle gewapende SS-troepen en de gehele politie, inclusief de Sipo en de SD, en in tegen- 
stelling tot wat de naam suggereerde onder alle omstandigheden, zowel in de bezette gebieden als in 
Duitsland zelf. Bovendien vielen alle SS-leden, die in de SS hun beroep vonden - de functiona- 
rissen der SS-Hauptamter en plaatselijke bureaus in de eerste plaats - ook onder deze rechtspraak. 
Uitgezonderd bleven de leden der Allgemeine SS als zodanig, natuurlijk ook wanneer zij dienst 
deden in de Wehrmacht. Maar zelfs daar was het in speciale gevallen mogelijk overtreders door 
een SS-rechtbank in plaats van een krijgsraad van de Wehrmacht te berechten. Als wetboek van 
strafrecht werd het militaire strafrecht van de Wehrmacht toegepast, zij het met hier en daar bepaalde 
aanpassingen aan de verhoudingen in de SS. 4 

Deze eigen rechtspraak is tekenend voor de macht, die de SS verwierf; de partij bracht het 
nimmer zover. Nu vloeide een en ander wel voornamelijk voort uit de noodzaak om de Waffen-SS 

(1) Zie daarvoor hfdst. VI, spec.§B. 

(2) Zienr. 144. 

(3) Dit als algemene regel; blijkbaar bevorderde Hitier ook wel eens SS-officieren van lagere rang. Zo 
werd in april 1941 Rauter, toen nog SS-Brigadeführer, in rang verhoogd tot Gruppenführer door Hitier 
(P 1 : 5670-1). 

(4) The Allgemeine SS, Annexe M ; IdS Hamburg, CDI 78 A, p. 1 3, 14. 



61 



DE SS IN DUITSLAND 



haar eigen krijgsraden te geven, maar typerend is het weer, dat SS-functionarissen en politie-amb- 
tenaren aan een rigoreuze militaire rechtspraak onderworpen werden. Typerend ook, dat deze 
rechtspraak de neiging had om zich over allerlei categorieën justitiabelen uit te breiden, die enigszins 
in relatie tot de SS stonden: personen in dienst van de SS, lieden, die overtredingen in een gebouw 
van SS of politie hadden gepleegd, enz. Wellicht heeft deze Sondergerichtsbarkeit der SS zich in 
Nederland (en mogelijk ook in het Tsjechische protectoraat) het meest verbreid: al sinds juli 1940 
kon de rijkscommissaris gevallen van Nederlanders, die iets misdreven hadden tegen leden van SS 
of politie, verwijzen naar de rechtspraak der SS. Nederlandse politiemannen werden er sinds medio 
1942 ook aan onderworpen, voorzover zij strafbare handelingen tegenover de bezetter begingen; 
daaronder werd ook het niet uitvoeren van een opdracht verstaan. 1 Sinds 1943 maakten de Duitse 
autoriteiten in Nederland voor de berechting van verzetsdaden ook gebruik van Polizeistandgerichte, 
die formeel rechtbanken van de rijkscommissaris van het bezette Nederlandse gebied waren, in 
feite echter SS-rechtbanken. 

Het Hauptamt SS-Gericht nu was, eerst onder Paul Scharfe, sinds diens dood in 1942 onder 
Franz Breithaupt, de centrale instantie van de SS-rechtspleging. Samenvattend geformuleerd 
behandelde het alles, wat voor en na de eigenlijke procesvoering door de SS-rechtbanken plaats- 
vond; onder meer de behandeling van gratieverzoeken (de uiteindelijke beslissing werd in principe 
door Hitier of Himmler genomen) en het toezicht op de strafkampen voor SS- en politie-personeel 
en de speciale fronteenheden, waarin gestrafte SS- en politiemannen de kans kregen hun schuld 
te boeten - door de zeer gevaarlijke opdrachten meestal met hun leven. 2 Drie soorten SS-recht- 
banken waren er: allereerst een Oberstes SS- und Polizeigericht te München, dat zware gevallen 
als verraad, sabotage, aanslagen op de Führer e.d. moest berechten en bovendien elke zaak tegen een 
SS-officier in de rang van Brigadeführer en hoger. Het was geen hof van appèl, en had met de SS- 
rechtspraak in bezette gebieden eigenlijk niets te maken. In 1944 werd er op instigatie van Himmler 
ook een SS- und Polizeigericht z.b.V. (zur besonderen Verwendung) opgericht om 'moeilijke en 
gecompliceerde' zaken te behandelen - bedoeld werd voornamelijk een aantal gevallen van cor- 
ruptie in concentratiekampen. Een tweede categorie bestond uit krijgsraden te velde bij divisies en 
legerkorpsen van de Waffen-SS, de derde, voor ons meest belangrijke categorie, uit de SS- und 
Polizeigerichte, waarvan er in principe één in iedere Oberabschnitt van de SS was. In het bezette 
Nederland bevond zich het SS- und Polizeigericht te Den Haag; in februari 1944 verhuisde het 
naar Velp. 3 Dit was dus in Nederland de werkelijke SS-rechtbank, die leden van SS en politie (ook 
Nederlandse politie) berechtte; formeel stond dit tribunaal los van de Polizeistandgerichte.* 

Het laatste hier te noemen Hauptamt was de Persönliche Stab des Reichsführers-SS ( Pers. Stab 
RFSS) onder leiding van Karl WolfP, één van de jongere elegante society-figuren, die de SS in de 
dertiger jaren rijk werd ; hij hoorde al voor de oorlog ook tot de vaste relaties van Nederlandse 
nazi's als Julia op ten Noort en Rost van Tonningen. Daarbij was 'WölfYchen' bepaald de favoriet 



(1) VO 52/40,75/42; nr. 200. 

(2) The Allgemeine SS, Annexe M. 

(3) Doe. II SS- und Polizeigericht X a 3 ; HSSPF 12 a-d. 

(4) Zie ook p. 117. 

(5) Geb. 13 mei 1900 te Darmstadt; vrijwilliger en tenslotte officier in de eerste wereldoorlog, daarna lid 
van een vrijkorps. Vervolgens werkzaam in het zakenleven, o.a. in het bankbedrijf. In 193 1 lid van 
NSDAP en SS. In 1933 enige tijd adjudant van de Reichsstatthalter van Beieren, General Ritter von Epp, 
daarna adjudant van Himmler. Sinds 1936 Chef des Pers önlichen Stabes des RFSS; in 1937 SS-Gruppen- 
fiihrer y in 1942 SS-Obergruppenführer. In september 1943 benoemd tot HÖchster SS- und Polizeiführer 
in Italië; op het eind van de oorlog voerde hij de geheime onderhandelingen met de geallieerden, die tot 
de capitulatie van de Duitse troepen in Italië leidden. In 1964 veroordeeld tot 15 jaar dwangarbeid; in 
1970 vrijgelaten (Grossd. Reichstag; Wh&s Who in Germ. II; P69; KB I 7531 ; N 26/4 IS 1795). 



62 



DE ORGANISATIE VAN DE SS-LEIDING 



van Himmler bij uitstek. 1 Oorspronkelijk adjudant van Himmler, was hij in november 1936 chef 
van de Persönliche Stab van Himmler geworden, die toen tevens de status van een Hauptamt 
kreeg 2 en tot een zeer heterogene maar stellig zeer belangrijke centrale instantie van de SS uit- 
groeide. Dat het Hauptamt Persönlicher Stab des RFSS en de chef ervan een rol van betekenis (ook 
met betrekking tot Nederlandse aangelegenheden) speelde, werd - en wordt o.i. - nog vaak onvol- 
doende ingezien; het duurde bijvoorbeeld na de oorlog meer dan vijftien jaar, voordat men besefte, 
dat de keurige, salonfahige SS-generaal WolfT, die in april 1945 tegen Hitiers wil de Duitse troepen 
in Italië had laten capituleren, inzake de misdaden van het nazi-regime een beduidend minder 
onschuldige rol had gespeeld dan hij lange tijd had weten te suggereren. 8 Vermoedelijk omdat men 
in de Persönliche Stab al die tijd slechts een adjudantuur van Himmler had gezien, wat het oor- 
spronkelijk ook geweest was. Al voor de oorlog evenwel had de Persönliche Stab zich ontwikkeld 
tot een orgaan, dat ruwweg twee categorieën omvatte: 4 ten eerste wat men een ware adjudanteska 
zou mogen noemen, een gecompliceerde verzameling van adjudanten, secretarissen, aide-de-camp's, 
etc; gezien zijn voortdurend optreden in deze publicatie moge hiervan Rudolf Brandt 5 genoemd 
worden, die zijn carrière als klerk met een steno-diploma aan Himmlers staf begon en als belang- 
rijkste secretaris, SS-Standartenführer^ chef van de hoofdafdeling Persönliches Re f er at, intimus en 
medeplichtige van Himmler eindigde - hetgeen hem na de oorlog te Neurenberg aan de galg bracht 
- zonder dat hij echter de status van een WolfT kreeg. Een politieke invloed op Himmler zoals 
Bormann die op Hitier uitoefende, verkreeg Brandt nimmer. 

Daarnaast had Himmler nog een menigte andere adjudanten, die voor een deel tevens verbin- 
dingsofficieren met allerlei andere aan Himmler ondergeschikte organen waren, bijvoorbeeld een 
politie-adjudant, die de verbinding met het Reichssicherheitshauptamt en het Hauptamt Ordnungs- 
polizei verzorgde (en zelf weer chef van een afdeling was), of de SS- Richter ; die de verbinding met 
het Hauptamt SS-Gericht onderhield, en, uiteraard, ook zelf de Reichsfiihrer juridisch advies gaf. 
Door deze adjudanten, althans sommigen van hen, werd vaak de verbinding met andere staats- 
en partij-organen onderhouden. Dit alles bracht met zich mee, dat de Persönliche Stab de centrale 
werd, van waaruit Himmlers bevelen naar alle delen van zijn imperium gezonden werden, en waar 
alle informatie en alle kwesties, die de Reichsfiihrer voorgelegd moesten worden, geconcentreerd 
werden, voordat zij terug naar de Hauptamter gingen of definitief in de archieven begraven werden. 
Dat gaf betrekkelijk ondergeschikte figuren als Brandt toch een zekere macht, die toch wel iets 

(1) Wanneer Wolff in maart 1943 een nierontsteking krijgt, noteert Himmler voortdurend de resultaten 
van zijn dagelijkse telefoongesprekken met de behandelende SS-arts ('Befinden Wolff gut' etc.) (CDI 
73 B). Vgl. ook nrs. 351 en 360. 

(2) Dit valt uit de Personalakt van Wolff af te leiden (P 69 : 10246); al gauw werd deze instantie als zodanig 
in de organisatieschema's van de SS opgenomen. 

(3) KB I 7531- 

(4) Voor het volgende over de Persönliche Stab, indien niet anders vermeld, The Allgemeine SS, Annexe 
J; N 26/4 NO 168 1 ; AMTI,IDoc. Book I ; Best, De utsche Polizei, p. 102. 

(5) Geb. 2 juni 1909 te Frankfurt am Oder. Rechtenstudie en opleiding stenografie; in 1933 Dr.jur. In 
hetzelfde jaar lid van de NSDAP, het jaar daarop van de SS. In dat jaar als schrijver bij Himmlers staf, 
wordt secretaris-stenograaf; in 1937 of 1938 Persönlicher Referent des RFSS, met een desbetreffende 
afdeling in de Persönliche Stab onder zich. Kort daarop liaison-offlcer met het Reichsinnenministerium; 
wanneer Himmler in 1943 zelf minister van binnenlandse zaken wordt, wordt Brandt chef-de-bureau. 
Onderbreking van zijn werkzaamheden voor Himmler van maart tot mei 1941, wanneer hij op bevel van 
Himmler in de Leibstandarte-SS 'Adolf Hitier* de Balkan-veldtocht meemaakt. In nov. 1935 nog slechts 
SS-Untersturmführer, in 1944 tenslotte SS-Standartenführer, Na de oorlog door een Amerikaans militair 
tribunaal ter dood veroordeeld wegens medeplichtigheid aan medische experimenten op gevangenen en 
euthanasie, en opgehangen (AMT I A 62 4933-35 ; Trials Am. Trib. y Case 1, Vol. II, p. 235-241 ; N 26/4 IS 
31, IS 31, IS 360, NO 359; SS-Dienstaltersliste 1936). 



63 



DE SS IN DUITSLAND 



groter was dan met zijn positie overeenkwam. 1 Het gaf iemand als WolfY, die zich zo in Himmlers 
gunst mocht verheugen, en over zo vele relaties in toonaangevende kringen beschikte, ook een 
beduidend grotere invloed, dan men alleen op grond van zijn functie zou verwachten. 

De tweede categorie bureaus, waaruit de steeds groeiende Persönliche Stab bestond, omvatte 
allerlei, dat niet goed in een bepaald Hauptamt viel in te passen, zoals - typerend voor Himmlers 
denkwijze - een Zentralinstitut für optimale Menschenerfassung of de Beauftragte für das Dienst- 
hundewesen. Vaak betrof het zaken, waarin Himmler zelf hevig geïnteresseerd was. Zo was er een 
Amt Wewelsburg, zich occuperend met de zaken betreffende de burcht 'Wewelsburg' in Westfalen, 
die Himmler tot een geheimzinnig, romantisch centrum van de SS-orde wilde maken. 2 Het Amt 
Lebensborn hield zich bezig met de aangelegenheden van de SS-stichting Lebensborn, die zich ten 
doel stelde kinderrijke families van goed ras te ondersteunen, zwangere vrouwen, gehuwd of niet, 
maar dan vanzelfsprekend ook rassisch wertvoll, in speciale tehuizen onder te brengen en hen daar 
hun kind ter wereld te laten brengen, en voorts de verdere zorg voor deze moeders en de kinderen te 
verlenen. Het doel van deze Lebensbornheime was derhalve gelegen in behoud en uitbreiding van 
het waardevolle noords-Germaanse bloed. 3 

Daar was voorts, ook een dierbaar troetelkind van Himmler, Ahnenerbe, evenals Lebensborn als 
Amt in de Persönliche Stab opgenomen, anderzijds formeel een stichting. 4 De belangrijke rol, die 
de Duitsers Ahnenerbe in hun politiek ten opzichte van het bezette Nederland wilden laten spelen, 
en die het in relatie met de Nederlandse SS-groep inderdaad al sinds de voor-oorlogse tijd speelde, 
rechtvaardigt hier een summiere uiteenzetting. 5 'Das Ahnenerbe' e. V. was in 1935 opgericht om het 
Duitse volk langs wetenschappelijke weg zijn bloed en bodem, zijn Arische en speciaal zijn Ger- 
maanse erfenis bewust te maken : 

'Die Forschungs- und Lehrgemeinschaft «Das Ahnenerbe» hat die Aufgabe, Raum, Geist, Tat 
und Erbe des nordrassigen Indogermanentums zu erforschen, die Forschungsergebnisse lebendig 
zu gestalten und dem Volke zu vermitteln.' 

Het kwam vooral aan op de popularisering van de bereikte resultaten, maar dat mocht niet uit- 
sluiten, dat die resultaten slechts 'unter Anwendung exakt-wissenschaftlichen Methoden' bereikt 
mochten worden. 6 In de praktijk bleek zowel aan het een als aan het ander wel iets te mankeren. 

President van Ahnenerbe, met alle bevoegdheden voorzien, was Himmler zelf. De wetenschap- 
pelijke leiding berustte bij Walter Wüst, hoogleraar in Indo-arische talen en culturen aan de uni- 
versiteit van München, uiteraard SS-Führer, tenslotte zelfs Standartenführer. Dezelfde rang werd 
bereikt door de Ge schaft sführ er en feitelijk leider van Ahnenerbe Wolfram Sievers 7 , die de lezer in de 
hier gepubliceerde stukken herhaaldelijk, veel vaker dan Wüst, zal tegenkomen. 

(1) Zie bv. nr. 103 ; vgl. nr. 588. 

(2) Zie ook nr. 10. 

(3) Zie voor meer gegevens over Lebensborn nr. 439, noot 3. 

(4) Zowel Ahnenerbe als Lebensborn waren een eingetragener Verein ( e. V.). 

(5) De bewerker heeft helaas geen gebruik meer kunnen maken van het werk van Michael H. Kater: 
Das 'Ahnenerbe' der SS 1935-1945. Ein Beitrag zur Kulturpolitik des Dritten Reiches, Stuttgart, 1974. 

(6) N27/1 488-PS. 

(7) Geb. 10 juli 1905 te Hildesheim. Werkzaam in de boekhandel, hield zich daarnaast bezig met jeugd- 
werk, Wondervogel, padvinderij. Sinds 1929 lid van de NSDAP, sinds 1935 Reichsge schaft sführ er van 
Ahnenerbe; bekleedde een dergelijke functie bij het aan Ahnenerbe verbonden Institut für wehrwissenschaft- 
liche Zweckforschung, en een functie bij de Reichsforschungsrat. Door deze posities betrokken bij medische 
experimenten op gevangenen in concentratiekampen. Na de oorlog door een Amerikaans militair tribu- 
naal te Neurenberg ter dood veroordeeld en opgehangen (AMT I Y 1-8; Trials Am. Trib, Case 1, II, p. 
254-255,299,330). 



64 



DE ORGANISATIE VAN DE SS-LEIDING 



De organisatie bestond voornamelijk uit Lehr- und Forschungsstatten op het gebied van (indo-) 
germanistiek, volkskunde, prehistorie, archeologie, kortom alles, wat op dit vlak voor de SS 
interessant was, of waarvoor Himmler speciale belangstelling had: runenschrift, sprookjes en 
legenden, het binnenland van Azië, grotten, 'indogermanisch-deutsche Musik* - wat de SS-geleer- 
den daaronder ook verstaan mogen hebben - grafheuvels en oude boerderijen, enz., enz. Vaak 
bestonden deze afdelingen geheel of grotendeels uit universitaire instellingen van de desbetreffende 
hoogleraren, die voorzien van een SS-rang met hun instituut of seminarium, men zou haast zeggen 
met huid en haar, in Ahnenerbe werden opgenomen. Er waren ook enige afdelingen bij voor de 
exacte wetenschappen, teneinde de 'liberalistische' scheiding tussen geestes- en natuurwetenschap- 
pen te overwinnen. 1 Maar die laatste speelden (in ieder geval tot aan de oorlog) een bescheiden rol, 
aangezien met deze disciplines het geestelijk en biologisch erfgoed der Germaanse voorvaderen 
moeilijk viel te traceren - met uitzondering, in de SS-visie dan, van wetenschappen als biologie en 
Pflanzengenetik, waarvoor Ahnenerbe uiteraard de desbetreffende afdelingen bezat. 2 

Waarde-vrije wetenschap was derhalve allerminst de bedoeling. De wetenschap diende een hulp- 
middel te zijn bij de politieke bewustmaking van het Duitse volk, in nationaal-socialistische zin dan, 
en meer speciaal in SS-zin. En dit streven bleef niet beperkt tot het Duitse volk. Reeds voor de 
oorlog trachtten medewerkers van Ahnenerbe op voorzichtige wijze in het door hen Germaans 
geachte, maar bepaaldelijk on-Duitse Nederland bij lieden, die beroepsmatig of als amateur in het 
verleden geïnteresseerd waren een besef van gemeenschappelijke Germaanse afstamming, met alle 
politieke implicaties van dien, wakker te roepen. Pogingen, die na mei 1940 geïntensiveerd en straf 
georganiseerd werden: Ahnenerbe werd het centrum van Duitse imperialistische infiltratie langs 
cultuurpolitieke weg. 3 Die inschakeling van de wetenschap voor politieke doeleinden vervormde, 
zoals in dergelijke gevallen altijd gebeurt, de wetenschappelijke resultaten, die immers al min of 
meer door Himmler besteld waren, en bracht het wetenschappelijk niveau gevaarlijk in gedrang. 4 

Onschuldig was dit gedoe dus allerminst. Regelrecht crimineel werd Ahnenerbe tijdens de oorlog 
door de activiteiten van een instelling, die een onderdeel van Ahnenerbe was geworden: het Institut 
für wehrwissenschaftliche Zweckforschung der Waffen-SS und Polizei, dat zich met experimenten op 
gevangenen in concentratiekampen bezighield. Zo was Ahnenerbe, en met name de zakelijk leider 
Sievers, ten nauwste betrokken bij onder meer de beruchte experimenten van Dr. Rascher in 
Dachau, en de aanleg van de macabere verzameling schedels van 'joods-bolsjewistische commissa- 
ristypen' (voor dit doel ter dood gebracht) door Prof. Hirt te Straatsburg. In zijn uitgebreide dag- 
aantekeningen van 1944 had Sievers dit alles ook vlijtig genoteerd, hetgeen hem na de oorlog aan de 
galg bracht; (het was onder meer voor medeplichtigheid aan deze zaken, dat ook Brandt als secre- 
taris van Himmler en bemiddelaar werd opgehangen). 6 

Maar doordat al dit soort zeer diverse zaken aan de Persönliche Stab werden verbonden, werd 
dit orgaan steeds logger en onhanteerbaarder. In de oorlog ontstond derhalve om Himmler heen 
een mobiel en militair georganiseerd hoofdkwartier, de Feldkommandostelle des Reichsführers-SS. 
Met alle troepen en bureaus, die er aan verbonden waren - verbindingstroepen, luchtafweer- 



(1) N27/1 NO 303, 488-PS, NO 573; H 861, H 505 A. 

(2) Zie schema van Ahnenerbe, H 505 A. 

(3) Zie voor de voor-oor logse periode, p. 212-214, voor de bezettingstijd p. 269 e.v. 

(4) Himmler dwong zijn wetenschapsbeoefenaars onhoudbare theorieën te accepteren, zoals de totaal 
onwetenschappelijke 'Welteislehre' van Hanns Hörbiger, en het werk van Herman Wirth, vooral zijn 
verdediging van het Oera-Linda-boek, een beruchte vervalsing (Ackermann, Himmler als Ideologe, 
p. 45-49). Hiermee is echter niet gezegd, dat alle wetenschappelijke arbeid van SS-zijde waardeloos zou 
zijn. 

(5) N 27/1 NO 573; H 861, H 505 A; IMT(ook voor andere medische experimenten) NO 15, 65, 85-89,91 ; 
AMT I Y 1-8; H 849-866 is het dagboek van Sievers uit 1944. 



65 



DE SS IN DUITSLAND 



eenheden, bewakingstroepen als het Begleit-Bataillon Reichsführer-SS - waren dat naar geallieerde 
schatting nog altijd een 3000 man. 1 De staf hiervan, de Kommandostab Reichsführer-SS, van april 
1941 tot mei 1943 geleid door SS-Brigadeführer Kurt Knoblauch, die in februari 1941 mee had 
geholpen de februari-staking in Amsterdam neer te slaan 2 , is blijkbaar een onderdeel van de Per- 
sönliche Stab geweest. Vermoedelijk is de situatie zo geworden, dat een deel van de Persönliche 
Stab, natuurlijk in de eerste plaats bureaus als Ahnenerbe en Lebensborn, te Berlijn (of München) 
bleven, en dat Himmler de adjudanten en secretarissen, die hij het meest nodig had, in zijn Feld- 
kommandostelle met zich meenam, en met puur-militaire medewerkers in zijn Kommandostab 
verenigde. 3 

De twaalf hier genoemde Hauptamter besloegen, zoals men heeft kunnen zien, het hele uitgebreide 
spectrum van de activiteiten der SS, of het nu spionage was, genocide, de opstelling van gevechts- 
eenheden van buitenlandse vrijwilligers, het ten dode toe uitbuiten van de arbeidskracht van 
millioenen gevangenen, of op zichzelf onschuldige bezigheden als de bewaking van Hitiers buiten- 
verblijf te Berchtesgaden, archeologische opgravingen, of de inrichting van kraamklinieken. 

Toch was dit alles slechts begonnen met de oorspronkelijke opdracht om de veiligheid van de 
Führer te garanderen. Die opdracht was in de loop der jaren verwijd tot het garanderen van de 
veiligheid van de Führer èn zijn rijk (hetgeen reeds in de nationaal-socialistische opvatting over het 
leiderschap opgesloten zat); daarbij kwamen het postulaat, dat de Schut zstaffeln zelf naar politieke 
opvatting en bloed de elite van dat rijk waren, en het feit, dat de zichzelf aldus opbouwende hiërar- 
chie onvermijdelijk een drang tot ongelimiteerde zelf-expansie vertoonde. Gestuit werd die zelf- 
expansie door het optreden van andere machtige organisaties, evenwel niet dan nadat de SS zich van 
een aantal arbeidsterreinen meester had gemaakt, waarop normaliter het staatsapparaat zich zou 
hebben bewogen. Wij wezen echter reeds op de middelpuntvliedende krachten in dit geheel. In de 
loop van dit proces immers waren de activiteiten, waarmee de SS zich ging bezighouden (en de 
mensen, die daardoor in de SS werden opgenomen), van zo diverse aard geworden, dat er een zekere 
vervreemding ten opzichte van de oorspronkelijke doelstellingen optrad, en dat bovendien de sub- 
organisaties van het SS-complex van elkaar dreigden te vervreemden. Ditzelfde was eigenlijk al met 
de nazi-beweging als geheel gebeurd, toen de SS organisatorisch en mentaal zich steeds meer van de 
NSDAP ging onderscheiden. Hetzelfde dreigde met de SS zelf te gebeuren. De eerste tekenen 
daarvan werden al snel na de Machtübernahme in 1933 bespeurbaar, toen Himmler en Heydrich zich 
van de politie meester maakten. 

Het was evenwel een gevaar, dat de Reichsführer niet was ontgaan. 

G. De Höheren SS- und Polizeiführer 

In de jaren voor de oorlog was de samenhang in de onderdelen van het SS-complex sterk verticaal 
van karakter. Immers, het Duitse Rijk vertoonde nog steeds de merktekenen van de oorspronkelijke 
federale opzet, zodat de machtsusurpatie van de SS, de Gestapo en dergelijke vaak op regionaal 
niveau moest worden bevochten. Daarvoor dienden de plaatselijke functionarissen krachtige rugge- 
steun en straffe leiding van hun superieuren te Berlijn te krijgen. De hiërarchische krachtlijnen 

(1) The Allgemeine SS, J 3 ; dit blijkbaar niet meegerekend de twee brigades, twee cavalerie-regimenten, en 
andere kleinere eenheden, die in 1941 direct onder bevel van Himmlers militaire staf stonden (zie p. 359). 

(2) Zie voor Knoblauch nr. 55, noot 2. 

(3) De bronnen zijn op dit punt niet duidelijk; het bovenstaande zou men kunnen opmaken uit The 
Allgemeine SS y J 3, en schema 1428, Coll. Org. schema's, in tegenstelling tot Klietmann, Waffen-SS, p. 
393-395» die suggereert, dat de Kommandostab een zuiver militaire eenheid was. Gezien de instelling van 
deze auteur zegt dit echter weinig of niets. 



66 



DE HÖHEREN SS- UND POLIZEI FÜHRER 

liepen van de Gesta/w-centrale in de Duitse hoofdstad naar de vele Stapo-Stellen, van Eicke naar 
zijn exclusieve domein van kampen en bewakingseenheden, van de Inspektion der Verfügungstruppe 
naar de gewapende SS-eenheden in de provincie. 
Steeds bleef er het gevaar van verzelfstandiging van al die diverse machtsapparaten der SS. 

'Wehe, wenn die Hauptamter in gutgemeinter, aber falsch verstandener Vertretung ihrer Auf- 
gaben sich mit je einem Befehlsweg nach unten selbstandig machen würden', 

waarschuwde Himmler zijn hoogste SS-leiders nog in 1943. 1 Al lang voor de oorlog evenwel had de 
verticale 'Befehlsweg nach unten* veel van zijn noodzaak verloren, naarmate de SS tegenover andere 
instanties een sterkere positie had gekregen. Het kwam Himmler daarom uiterst gewenst voor een 
aanvullend horizontaal organisatie-beginsel in te voeren, waardoor regionaal alle organen van SS 
en politie met elkaar verbonden zouden worden. 2 

Iets dergelijks was in beperktere zin al in 1936 gebeurd door de creatie van de Inspekteure der 
Sicherheitspolizei und des SD, die de Sipo en de SD regionaal moesten samenvatten, en de Inspek- 
teure der Ordnungspolizeiy die dezelfde taak hadden ten opzichte van de eenheden der 'gewone* 
politie in hun gebied. Het lag voor de hand hetzelfde te doen met al deze politie-organen en de SS 
zelf: 

'Mann setzte den beiden Inspekteuren einen SS-Führer, der im gleichen Gebiet den SS-Oberab- 
schnitt führte . . . vor, setzte gewissermassen ein Dach über beide,' 

verklaarde een zeer deskundig Duits politie-functionaris na de oorlog. 3 

Dat kwam inderdaad geheel overeen met de kern van de Erlass, die de minister van binnenlandse 
zaken op 13 november 1937 uitvaardigde, zij het, dat niet alleen Allgemeine SS en politie, maar ook 
de gewapende SS-eenheden eronder begrepen werden : 

'Es ist notwendig, für den Mob-Fall alle dem Reichsführer-SS und Chef der Deutschen Polizei 
unterstehenden Krafte (Ordnungspolizei, Sicherheitspolizei, SS- Verbande) innerhalb der Wehr- 
kreise unter einen gemeinsamen Führer zu stellen.' 

De titel van deze nieuwe functionaris zou 'Höherer SS- und Polizeiführer' zijn; 4 zijn positie ten 
opzichte van de lokale bestuursinstanties zou later worden geregeld. 6 

Uiteraard was niet de formele ondertekenaar van het decreet, de minister van binnenlandse zaken 
Frick, doch diens politiechef Himmler de opsteller van het stuk. De 'Mob-Fall* (Mobilisationsfall) 
zou zich twee jaar later voordoen, en tijdens het verloop van de oorlog zou de HÖherer SSuPF 
evenals vele andere nazi-instellingen - van een speciale functie voor een buitengewone toestand tot 
een normaal geaccepteerde instantie worden. 

(1) IMT 1919-PS. 

(2) Men zie voor deze materie Hans Buchheim: 'Die Höheren SS- und Polizeiführer' in Vierteljahrshefte 
für Zeitgeschichte 1963, p. 362-391, enigszins gewijzigd opgenomen in Buchheim, Anat. I, p. 1 33-1 71. 
Met het onderhavige hoofdstuk wil de bewerker geenszins de voortreffelijke beschouwing van Buchheim 
(waaraan veel in deze pagina's ontleend is) trachten te evenaren, doch slechts de nadruk leggen op 
bepaalde aspecten, die van belang zijn voor een goed begrip van de positie van de Höherer SS- und 
Polizeiführer \n Nederland. 

(3) NI. de Or/w-generaal A. von Bomhard (IMT Aff. SS-87). 

(4) Wij zullen hier nu en dan de in het milieu zelf gebruikelijke afkorting 'HSSuPF' hanteren (vgl p. 6). 

(5) Geciteerd bij Buchheim, Anat. I, p. 1 33-134- 



67 



DE SS IN DUITSLAND 



Bij de aanvang van de oorlog werd het nodig geacht de thans hun taak aanvaardende Höheren 
SS- und Polizeiführer van een instructie te voorzien. De vaagheid, die de Erlass had betoond inzake 
de verhouding van de Höherer SSuPF tot de bestuursinstanties in zijn Wehrkreis, werd door de 
instructie niet opgeheven: over de positie van de HSSuPF naar buiten vermeldde het stuk niets. 
Het is trouwens kenmerkend, dat die instructie, in de vorm van een in deze publikatie afgedrukte 
Dienstanweisung 1 , pas op 18 december 1939 Himmlers schrijftafel verliet, toen zijn Höheren SSuPF 
in het veroverde Polen al een maand of wat bezig waren een machtspositie met bruut geweld op te 
bouwen. 2 De instructie bevat alleen aanwijzingen voor de interne gang van zaken in de SS: in 
iedere Wehrkreis kwamen de inspecteurs voor de politieke en de gewone politie (de IdS en de IdÖ), 
de chef-staf van de Allgemeine SS, het rekruteringsbureau voor SS en politie, de gewapende SS- 
eenheden, een instantie voor de zich vormende SS-rechtspraak, en nog een paar minder belangrijke 
SS-instanties allen onder de Höherer SS- und Polizeiführer te staan. Logisch was het tenslotte - de 
instructie zegt er zelf niets over - dat de leiders van de SS-Oberabschnitte de nieuwe functie kregen. 3 

Maar de nieuwe 'horizontale' functie onderbrak niet de oudere, meer ingespeelde 'Befehlsweg 
nach unten'. Het blijkt al enigszins uit de instructie: de HSSuPF dient op te treden bij gezamenlijke 
acties van SS en politie. Dat kwam in Duitsland zelf zelden voor. Zakelijk bleven politieke politie, 
criminele recherche, SD, geüniformeerde politie, gewapende SS, enzovoorts hun bevelen ontvangen 
deels van hun eigen superieuren te Berlijn, deels - met name Ordnungspolizei en recherche - van 
lokale civiele gezagsdragers. Een ontwerp voor een nadere instructie van begin 1943 stelde vast, dat 
alleen de diverse Hauptamter te Berlijn 'Befehle und Weisungen auf fachlichem Gebiet' konden 
geven. 4 

Was de Höherer SSuPF, wanneer er geen gemeenschappelijke actie van SS en politie aan de gang 
was, dan ten enenmale buiten staat om bevelen te geven, en kon hij slechts inspecties houden, 
suggesties plaatsen, hier en daar wat druk uitoefenen? 5 In de praktijk kwam het neer op toch wel 
iets meer. Zijn disciplinaire bevoegdheden mogen beperkt zijn geweest, maar een stok achter de deur 
had hij als Gerichtsherr van het SS- und Polizeigericht in zijn territorium. In deze eigenschap kon hij 
een onderzoek entameren, ieder lid van SS en politie in staat van beschuldiging stellen, en vonnissen 
al dan niet bevestigen. 6 De Allgemeine SS stond - om zo te zeggen : rechtstreeks en verticaal - onder 
hem. Bovendien spande Himmler zich ten zeerste in om de functie meer gezag en inhoud te geven bij 
zijn streven om politie en SS met elkaar te versmelten. De Hauptamter te Berlijn kwamen uiteraard 
nog al eens in conflict met de regionale SS-gezagsdragers, maar ook te Berlijn besefte men wel, dat 
met het oog op de positie van de SS tegenover de buitenwereld de Höherer SS- und Polizeiführer 
niet te weinig reële bevoegdheden kon hebben. Zelfs een Heydrich kwam in 1941 op grond van deze 
overwegingen tot de conclusie, dat men 'auf die Dauer weder den Höheren SS- und Polizeiführern 
noch den Inspekteuren im Reich ein sachliches Führungsrecht vorenthalten' kon. 7 

De kern van de instructie van december 1939 was ongetwijfeld de opdracht aan de Höheren SS- 
und Polizeiführer om elk in hun territorium de Reichsführer-SS und Chèf der Deutschen Polizei in 



(1) Nr. 14; eigenlijk een aanhangsel (H 273: 3029) bij een Erlass van Himmler van 6 december, waarin 
de formulering voor briefhoofden van de Höheren SSuPF wordt voorgeschreven; zie Buchheim, Anat. I, 
P- 135- 

(2) Zie Martin Broszat: N at ionalsozialistische Polenpolitik i939-*945> Stuttgart, 1961, p. 58. 

(3) Aangezien de SS-Oberabschnitt immers een afschaduwing van de Wehrkreis was; een uitzondering 
was Berlijn, waar beide functies gescheiden bleven (The German Police, A 4; IMTXX, p. 296). 

(4) Ontwerp voor bevoegdheden van de HSSuPF van 8 januari 1943, geciteerd bij Höhne, Orden, p. 397. 

(5) Zoals beweerd wordt door Bomhard in 1MT Aff. SS-87. 

(6) SS-Disziplinarstraf- und Beschwerdeordnung (SS-BDO) z.j. (1943), P- 22; nr. 531. 

(7) Heydrich aan Daluege 20 okt. 1941, gecit. bij Buchheim, Anat. I, p. 91 ■ 



68 



DE HÖHEREN SS- UND POL I Z EI FÜH RE R 



de vervulling van al diens taken te vertegenwoordigen. Sterker nog: in de uitoefening van alle door 
deze figuur uitgeoefende taken. Zo bijvoorbeeld Himmlers taak als Reichskommissar'für die Festi- 
gung deutschen Volkstums, later opzettelijk vager en veelomvattender gemaakt tot Volks tums- 
gemachtigde. Dat was een bij uitstek politieke functie, die in de nazi-maatschappij van alles kon 
inhouden, en in Himmlers handen ook ging inhouden. De Höheren SS- und Polizei fuhr er nu waren 
meestal ook uitdrukkelijk de regionale vertegenwoordiger van Himmler in deze on-eigenlijke 
functies. 1 Dat zou voor de Germaanse landen bepaalde consequenties inhouden. 

Een en ander wilde zeggen, dat de Höherer SSuPF in zijn gebied alles moest proberen door te 
drijven, waartoe Himmler bevoegd was of hetgeen hij eenvoudigweg geüsurpeerd had. Kortom, de 
Höheren SSuPF moesten de regionale Himmlers zijn, wilden het zeer zeker zijn, en waren het vaak 
ook. 

Aangezien de aanwijzingen vaag waren, hing het helemaal van de man in kwestie af, of hij er wat 
van maakte of niet. Dat gold voor de SS-interne gang van zaken, het gold ook voor het optreden 
naar buiten. Met zijn beperkte zeggenschap over de politie met name, die ook tot lokale civiele 
gezagsdragers in zekere onderschikking stond, zou de positie van de Höherer SSuPF tegenover een 
Oberprasident van een Pruisische provincie of een Reichsstatthalter, die meestal ook de partij- 
Gauleiter van hun gebied waren, niet zo sterk geweest zijn. De grenzen van een Wehrkreis liepen 
echter dwars door die van een provincie, een Land, of partij-Gaw heen, zodat een Höherer SSuPF 
met meerdere civiele gouverneurs te maken had, en omgekeerd. Hoe de verhoudingen precies lagen, 
bleef ongewis. 2 Dat werkte ten voordele van de SS. Voor de andere autoriteiten waren de Höheren 
SS- und Polizeiführer inderdaad de representanten van Himmler, achter wie zij altijd de machtige 
schaduw van de opperste leider van de SS zagen. 8 

Hier kwam nog iets anders bij. Uit de instructie van december 1939 zou men kunnen opmaken, 
dat de belangrijkste concrete taak van de Höherer SSuPF zou bestaan in het commando over alle 
SS- en politie-eenheden in zijn gebied, wanneer in speciale gevallen een gemeenschappelijke actie 
nodig zou zijn, bijvoorbeeld cordon- vorming bij een bezoek van Hitier, of 'grosse Sicherungs- 
massnahmen'. 4 Het eerste echter was toch wel erg onwezenlijk, het tweede deed zich binnen Duits- 
land, inclusief Oostenrijk, aanvankelijk zeer zelden voor. 

Er is reeds eerder op gewezen, dat de regionale organisatie van de SS parallel liep aan de leger- 
indeling in Wehrkreise, en dat de organisatie en de lokatie van de gewapende SS voor de oorlog 
duidden op snelle actie in geval van binnenlandse troebelen. Het vermoeden ligt voor de hand, dat 
één van de werkelijke bedoelingen met de instelling van de HSSuPF was een figuur bij de hand te 
hebben, die regionaal gewapende SS en politie zou kunnen inzetten in geval van georganiseerde 
opstand tegen Hitier, met name van de Wehrmacht* 

Dit was echter een potentiële taak van de HSSuPF. Zijn feitelijke taak bestond, kort gezegd, uit 
coördinatie : intern door SS en politie in zijn gebied op elkaar af te stemmen, extern door de belangen 
van het SS-complex in al zijn geledingen tegenover bestuur, partij, Wehr macht, etc. tot gelding te 
brengen. Hierop viel voor de Höheren SSuPF binnen de Duitse grenzen van 1938 het accent; zij 



(1) Soms, teneinde bepaalde civiele functionarissen niet voor het hoofd te stoten, met een omweg via 
deze lieden, zie Gut achten des Instituts für Zeitgeschichte, München, v.a. 1958, I, p. 249, 250; Broszat, 
Polenpolitik, p. 59. 

(2) The G er man Police, p. 7 ; Buchheim, Anat. I, p. 1 34-1 37. 

(3) In juli 1940 legde Himmler nog de nadruk op het representatieve karakter van de functie, in Duitsland 
dan (Buchheim, Anat. I,p. 141). 

(4) Zie punt 6 van nr. 14; Best, Deutsche Polizei, p. 107, 108. 

(5) Zo ook Neusüss-Hunkel, SS, p. 48, 49, die echter dit als vrijwel de enige reële functie van de HSSuPF 
ziet, en te weinig oog heeft voor de functie als uitdrukking van Himmlers intern eenheidsstreven. Buch- 
heim daarentegen verwaarloost o.i. ten onrechte dit 'staatsgreep-aspect' van de HSSuPF. 



69 



DE SS IN DUITSLAND 



waren immers de vertegenwoordigers van de Reichsführer-SS voor al diens functies. Hier moet men 
de kern zoeken van de realisatie van de HSSuPF-funcüe in de praktijk, en hieruit valt te begrijpen, 
dat die functie een groeiende politieke inhoud kreeg. 



Aangezien men in de bezette landen geen rekening hoefde te houden met weerstrevende organen 
van binnenlands bestuur (en andere gevestigde belangen binnen en buiten de SS) kon de organisatie 
van SS en politie hier strakker worden aangepakt. 

De Höherer SSuPF 'm een bezet land had drie ondercommandanten onder zich: een Befehlshaber 
der Sicherheitspolizei und des SD (BdS), een Befehlshaber der Ordnungspolizei (BdO) en - dat was 
geheel en al een novum - een Befehlshaber der Wajfen-SS (BdW-SS). Geen Inspekteure, maar 
werkelijke bevelhebbers, die 'mit umfassender Führungsbefugnis' voorzien waren. 1 

De politie was nu geheel ontdaan van de wirwar van bevoegdheden en interferenties van lokale 
gezagsdragers. Daarin lag een kans op grotere integratie van de diensttakken; men had nu vrij 
spel. Vlak achter de oprukkende Duitse legers stortten zich Gestapo, Kripo en SD op het pas 
veroverde gebied, maar nu samengevat in mobiele Einsatzkommandos, die zich na afloop van de 
krijgshandelingen veranderden in stationaire Aussenstellen van een hoofdkwartier, waar de BdS 
kwam te zetelen. 2 De Ordnungspolizei manifesteerde zich in gemilitariseerde bataljons, in structuur 
praktisch niet te onderscheiden van zuiver militaire eenheden, die zich in het veroverde gebied onder 
het commando van de BdO legerden 3 , om zo te zeggen zij aan zij met eenheden van de Wajfen-SS 
onder hun BdW-SS. 

Anders dan in Duitsland 4 was het bezette gebied meestal ingedeeld in districten onder een SS- 
und Polizeiführer ( SSuPF), die gesecondeerd werd door een Kommandeur der Sicherheitspolizei und 
des SD (KdS) en een Kommandeur der Ordnungspolizei (KdO). Evenals op het hoger gelegen 
niveau stonden deze Kommandeure 'in befehlsmassiger und sachlicher Hinsicht' onder hun Befehls- 
haber, territoriaal onder de SSuPF; ook hier dus spanningen tussen de horizontale en verticale 
bevelslijnen. 5 Er nader op ingaan is overbodig, omdat juist in Nederland die onderverdeling in 
districten met elk een SSuPF, een KdS en een KdO ontbrak, vermoedelijk vanwege de overzichtelijke 
afmetingen van het land; in Noorwegen bijvoorbeeld waren ze er wel. 

De drie Befehlshaber van de drie diensttakken: Sipo und SD, Orpo, en Waffen-SS, waren echter 
niet uitsluitend aan hun Höherer SSuPF ondergeschikt. De 'Befehlsweg nach unten' vanuit Berlijn 
bleef gehandhaafd voor routine-aangelegenheden, of zaken van algemene strekking: de deportatie 
der joden uit Nederland werd georganiseerd door het Reichssicherheitshauptamt te Berlijn, en de 
bevelen liepen vandaar direct naar de BdS in Nederland en zijn Aussenstellen in de provincies van 
dat land. De Höherer SSuPF kon wel initiatieven nemen, stimuleren, coördineren, enz. Werkelijk 
bevelvoerend werd hij, als Himmler hem met voorbijgaan van het apparaat te Berlijn orders gaf 6 , 
en uiteraard wanneer Sipo, Orpo en Waffen-SS in combinatie moesten optreden. 



(1) Best, Deutsche Polizei, p. 73, 74. 

(2) Zie hiervoor ook p. 113. 

(3) The GermanPolice, p. 20; Neufeldt e.a., Orpo II, p. 9-13, 16, 17; zie ook p. 38. 

(4) Zie voor de begrenzing noot 3 op p. 7 1 . 

(5) The German Police, p. 8, 9; Doe. II Noorwegen; Broszat, Polenpolitik, p. 57; Documenta Occupa- 
tionis VI (red. Karol Marian Pospieszalski) : Hitlerowskie 'Prawo' okupacyjne w polsce. Czesc II, Generalna 
Gubernia. Wybór dokumentów i próba syntezy, Poznarï, 1958, p. 55, 56. 

(6) Uitgewerkt is dit punt bij Buchheim, I, p. 143-144, 165-166, die een duidelijk onderscheid maakt 
tussen de eerste bevelslijn, de 'Routinebefehlsweg', en de tweede, de 'Sonderbefehlsweg' ; iets daarvan ook 
in een Erlass van Himmler van 21 mei 1941, H 193: 2521-2; zie het schema in Studies over Nederland in 
Oorlogstijd. Onder redactie van drs. A. H. Paape, *s Gravenhage, 1972, 1, p. 201. 



70 



DE HÖHEREN SS- UND POLIZEIFÜ HR ER 



Men krijgt overigens de indruk, dat de routine-bevelslijn - van een Berlijnse instantie naar een 
diensttak van SS of politie in een bezet land - van het meeste belang is geweest bij Sipo und SD. Van 
het Hauptamt Ordnungspolizei gingen vrijwel nooit belangrijke impulsen uit, evenmin als van het 
SS-Führungshauptamt - de militaire centrale van de Waffen-SS - onder de krachteloze Jüttner. In 
1940 bepaalde deze laatste instantie met zoveel woorden, dat evenals de bevelhebber van de Ord- 
nungspolizei de bevelhebber van de Waffen-SS in een bezet gebied aan de Höherer SSuPF onder- 
geschikt zou zijn; hij moest daarbij het uitvoerende militaire orgaan van de HSSuPFzijn. Het SS- 
Führungshauptamt bleef direct richtlijnen geven over de opleiding. 1 Zulks gold ook voor de Ord- 
nungspolizei: veel meer dan instructies inzake uniformering, bevordering en dergelijke ontving de 
BdO in Nederland niet van het Hauptamt Ordnungspolizei te Berlijn. 2 

Er waren evenwel nog meer instanties, die territoriaal aan de Höherer SSuPF, maar 'sachlich' aan 
een hoofdbureau te Berlijn ondergeschikt waren : de SS-Erganzungsstelle - het plaatselijke wervings- 
bureau voor alle takken van SS en politie - aan Bergers SS-Hauptamt, de Rasse- und Siedlungs- 
führer, die tot de staf van de Höherer SSuPF hoorde, aan het Rasse- und Siedlungshauptamt, enzo- 
voorts. En wat de Waffen-SS betrof, bestond er een ander gevaar voor de zeggenschap van de 
Höherer SSuPF: de Waffen-SS-XroQVQn zelf hadden altijd al neiging vertoond zich zeer zelfstandig 
te gedragen. Naarmate zij zich tijdens het verloop van de oorlog steeds meer met het leger vereen- 
zelvigden (en het verschil daarmee in allerlei opzichten steeds geringer werd) bestond er des te meer 
kans, dat de Wehrmacht in de bezette landen, die immer al getracht had de Waffen-SS naar zich toe 
te halen, in die opzet zou slagen. 

Het is duidelijk, dat bij deze elkaar overlappende competenties en de vage taakomschrijving van 
de Höheren SSuPF er ruime marges bestonden voor een bureau-oorlog tussen hen en andere SS- 
instanties, met name de Hauptdmter in Duitsland. Dat kwam dan ook zo vaak voor - en de Höherer 
SSuPF in Nederland Rauter schuwde het uitvechten van deze vetes allerminst - dat het één van de 
meest normale en karakteristieke trekken van de SS-organisatie genoemd mag worden. De uitslag 
van die conflicten werd bepaald door zwakte of sterkte der partijen, vooral van die van de H SSuPF, 
en de al dan niet door Himmler gegeven steun. Toch kan uit het voorafgaande worden afgeleid, hoe 
binnen het SS-kader de positie van een Höherer SS- und Polizeiführer in een bezet land inderdaad 
sterker was dan in een of andere Oberabschnitt in Duitsland. En mede daardoor ook extern. 



Zowel wat de SS-interne als de externe relaties van de H SSuPF in de bezette gebieden betreft is het 
feit van belang, dat de weerstanden van reeds gevestigde machtsstructuren, waartegen Himmler 
en de SS in Duitsland 8 moeizaam optornden, in de bezette gebieden ontbraken. De nationale 
staatsinstellingen van het veroverde land konden immers met veel meer gemak opzij worden ge- 
schoven, of geheel dienstbaar gemaakt. In tegenstelling tot Duitsland, waar de SS met veel inspan- 
ning het eerstgeboorterecht van staat, partij of Wehrmacht trachtte te ondermijnen, stonden hier 
deze concurrenten op hetzelfde beginpunt als de SS : allen moesten zij nog zien er wat van te maken, 
of om in het meer idealistische nazi-jargon te spreken, welke rol zij bij de Neugestaltung van een pas 
veroverd gebied zouden spelen. De mogelijkheden voor het SS-complex als geheel waren dus be- 
duidend groter dan in Duitsland. Reeds hierdoor moest wel een rol van grotere betekenis toevallen 



(1) Klietmann, Waffen-SS y p. 435. Vgl. nr. 55. 

(2) Zie de circulaires van de BdO in Nederland in HSSPF 296-298 ; vgl. p. 123. 

(3) Hier wordt onder 'Duitsland' verstaan: het Altreich (Duitsland met de grenzen van 1937), Oostenrijk, 
het Sudetenland, en de geannexeerde gebieden zoals West-Polen en Elzas-Lotharingen. Het Tsjechische 
protectoraat vertegenwoordigde wat de organisatie van SS en politie betreft in zekere zin een tussenvorm, 
doch behield de belangrijkste kenmerken van de organisatie in Duitsland. 



71 



DE SS IN DUITSLAND 

aan de vertegenwoordiger van Himmler en het SS-complex in het bezette gebied, de Höherer SS- 
und Polizeiführer. 

Daarbij kreeg zijn taak als coördinator van SS en politie een veel groter gewicht. De omstandig- 
heden in een bezet gebied verschilden nu eenmaal principieel van die in Duitsland: land, bevolking, 
bestuursorganisatie en politieke omstandigheden, religieuze, economische en sociale structuur, 
kortom de hele maatschappij in het bezette gebied dwong, ook op politioneel gebied, tot beslissingen, 
die plaatselijk zich opdrongen en plaatselijk getroffen moesten worden. De bevolking was uit Duits 
oogpunt veelal onbetrouwbaar, zo niet vijandig. De strijd tegen verzetsorganisaties, die alle nuances 
omvatten kon van individuele arrestaties tot regelrechte partizanenoorlogen, waar hele divisies mee 
gemoeid waren, dwong - wel heel evident anders dan in Duitsland - regelmatig tot gemeenschap- 
pelijke acties van eenheden van Sipo, Orpo, en Waffen-SS onder leiding van de Höherer SS- und 
Polizeiführer, eventueel met inheemse formaties en soms zelfs met van de Wehr macht geleende 
onderdelen erbij. 1 Door het verloop van de oorlog en het zich voortdurend uitbreidende massale 
verzet in de bezette gebieden werd het bevelvoerend en leidinggevend karakter van de Höheren SS- 
und Polizeiführer steeds sterker. Zij ontwikkelden zich, vooral in Rusland, tot de centrale figuren in 
de anti-partizanenstrijd, en zelfs meermalen tot de uitsluitend bevoegde commandanten in deze 
speciale oorlog. 2 

Men kon hen moeilijk de bevoegdheid om politionele verordeningen uit te vaardigen, ont- 
houden. In 1940 had Himmler er nog eens de nadruk op gelegd, dat Höheren SSuPF niet bevoegd 
waren voor kwesties van materieel politierecht. Maar dat gold nu juist niet voor het Tsjechische 
protectoraat, Polen (het Generalgouvernement), Noorwegen en Nederland, kortom die gebieden, 
waar in 1940 Höheren SSuPF waren. Ook in de gebieden waar zij later optraden namen zij besluiten 
inzake materieel politierecht. Niet alleen in Polen en Nederland, waar de Höherer SSuPF ertoe ge- 
rechtigd was, maar ook in Frankrijk, waar alleen de Militarbèfehlshaber dat recht had, vaardigde 
de Höherer SSuPF verordeningen uit; de Wehrmacht was niet in staat de usurpaties van SS en 
politie met succes tegen te gaan. Onduidelijk blijft het trouwens, of de Höheren SSuPF het recht 
om decreten uit te vaardigen afleidden van de civiele of militaire landvoogd, of uit hun functie op 
zichzelf. Zelf bekommerden zij zich zeer weinig om de formeel-juridische basis. 3 

Er was nog een belangrijke factor, waardoor de Höheren SS- und Polizeiführer in de bezette 
gebieden een beduidend belangrijkere rol speelden dan hun collega's in Duitsland. 

Het inzetten van eenheden van politie, Waffen-SS, en inheemse formaties, steeds meer in vereni- 
ging en steeds massaler - in de orde van grootte van een bataljon, een brigade, een divisie - kan 
men beschouwen als een tegenmaatregel op de acties van partizanen-eenheden, en in de beperkte 
technische zin wel te verstaan, als een defensieve reactie. Maar daarnaast werden vanaf het begin 
SS en politie massaal gebruikt ter verwezenlijking van agressieve doeleinden, gericht tegen de be- * 
volking van het bezette gebied. Juist deze agressieve acties droegen meer dan wat ook er toe bij om 
die bevolking in steeds massaler verzet te drijven. 

Hitiers agressie tegen de Duitsland omringende staten, uitgevoerd door de duikbommenwerpers 
en de pantsercolonnes van zijn Wehrmacht, was eigenlijk alleen een middel tot realisatie van zijn 
agressie tegen de bevolking van sommige van deze staten, met name Polen en de Sowjet-Unie: het 
einddoel was de grens tussen het Deutschtum en het Slavische Volkstuin een enorm eind in oostelijke 

(1) Een voorbeeld hiervan levert het neerslaan van de ghetto-opstand in Warschau in 1943 door zo'n 
gemengde strijdmacht onder leiding van de SS- und Polizeiführer van het district Warschau, die dan nog 
een rang lager was dan de H SSuPF XI MT 1061-PS ; Hilberg, Destruc t ion, p. 323-324). 

(2) Zo IMT Aff. SS-87; de tendens is evenwel ook in de westelijke bezette gebieden duidelijk. 

(3) Doe. Occ. VI, p. 87; HSSPF 8 a, 297 c; Buchheim, Anat. I, p. 138, 141 ; Hans Umbreit: Der Militar- 
béfehlshaber in Frankreich 1940-1944, Boppard am Rhein, 1968, p. 1 1 5-1 1 7 ; Het proces Rauter, 's-Graven- 
hage, 1952, p. 14. 



72 



DE HÖHEREN SS- UND POLIZEIFÜHRER 

richting te verleggen. Dit moest door SS en politie worden verwezenlijkt: de middelen waren 
liquidatie, in de eerste plaats van de joden, voorts van de Slavische intelligentsia en de Slavische 
sociale bovenlaag, de deportatie van grote Slavische bevolkingsgroepen, de herbevolking met 
Duitsers, germanisatie van assimileerbare elementen en onderwerping van het restant in eeuwige 
horigheid. De uitvoering van dit gruwelijke programma, waarin de uitvoering van een bepaalde 
politiek en massaal politioneel optreden met elkaar versmolten, was, niet onlogisch, opgedragen 
aan de Reichsführer-SS als Reichskommissar für die Festigung deutschen Volkstums, en derhalve 
aan de Höheren SS- und Polizei führ er als diens gevolmachtigden in die functie. 

Himmler had echter uit die functie de vagere en wijderstrekkende functie van gemachtigde van 
de partij voor alle Volkstum-zaken weten te distilleren - wij komen daar nog wel op terug. 1 Onder 
die titel mengde hij zich in de zaken van de bezette gebieden in het Germaanse Noord-West- 
Europa. De bedoeling was hier de bevolkingen zich van die Germaanse aard bewust te laten worden 
en daarmee van hun ras-verwantschap met de Duitsers. Geprobeerd moest worden die bevolkingen 
hetzij voor het Deutschtum terug te winnen - waarna annexatie van de betreffende landen kon 
volgen - hetzij een politieke vorm voor de Germaanse saamhorigheid op te dringen, in de vorm van 
een Germaans Rijk met Duitsland natuurlijk als kernland. Dat kwam er op neer, dat zowel in oost 
als in west de Duitsers, en speciaal de SS, een of andere vorm van verduitsing nastreefden: in het 
oosten openlijk door decimering, in het westen (voor zover Germaans geacht) verhuld door beke- 
ring. 2 Ook hier was het de plaatselijke Höherer SSuPF, die deze subtielere vorm van Volkstum- 
politiek moest uitvoeren. 

Het voornaamste doel van de Duitse politiek - hoezeer de methoden in oost en west ook ver- 
schillend waren - en de politionele aard van die politiek maakten, dat de Höherer SSuPF, indien 
zijn persoonlijkheid krachtig genoeg was, een uiterst belangrijke politieke rol kon gaan spelen, 
desnoods tegen die van Hitiers opperste satraap in het bezette gebied in. 



In het veroverde Polen werd dit al meteen duidelijk, In de geannexeerde landstreken werden de 
Höheren SSuPF 'persönlich und unmittelbar' onder de diverse Reichsstatthalter geplaatst, in het 
restant, het Generalgouvernement kwam de Höherer SSwPF Krüger 'unmittelbar' onder de General- 
gouverneur Frank te staan. 3 Die formele onderschikking verhinderde allerminst, dat tussen de 
landvoogd en zijn barse SS- en politie-leider een heftige machtsstrijd ontbrandde. Terzijde zij aan- 
getekend, dat de massamoorden en de gewelddadige onderdrukking geen punt van discussie tussen 
hen vormde: het ging erom, wie de zweep zou hanteren. In het voorjaar van 1942 kwam het tot een 
formele vastlegging van bevoegdheden, in die zin, dat Krüger tevens Staat ssekretar für das Sicher- 
heitswesen in het bestuurgremium van de gouverneur-generaal zou worden. 4 Himmler kreeg het recht 
om Krüger 'auf dem Gebiet des Sicherheitswesens und der Festigung deutschen Volkstums' directe 
orders te geven. Dat had Himmler altijd al gedaan, maar nu werd dit formeel vastgelegd; de 



(1) Ziehfdst.VI,§B. 

(2) De situatie in het de facto geannexeerde Elzas-Lotharingen valt wel te vergelijken met de toestanden 
in de ingelijfde Poolse gebieden, met alle deportaties, kolonisaties door Duitsers, expulsies etc. van dien. 

(3) Documenta Occupationis V (red. Karol Marian Pospieszalski) : Hitlerowskie 'Prawo* okupacyjne w 
Polsce. Wyhór dokumentów. Czesc I, Ziemie * Wcie\one\ Poznan, 1952, p. 89; Doe. Occ. VI, p. 55, 86-87; 
Krüger is dezelfde als de op p. 53, 54 vermelde F. W. Krüger. 

(4) Deze vorm is mogelijk ontleend aan de formele positie van de HSSuPFin Nederland; deze was nl. 
Generalkommissar für das Sicherheitswesen van de rijkscommissaris Seyss-Inquart (zie hiervoor p. 105 
e.v.). Deze was plaatsvervanger van Frank geweest en onderhield nog steeds contacten met zijn vroegere 
chef. 



73 



DE SS IN DUITSLAND 

formule dekte wel zo ongeveer drie kwart van de Duitse politiek in Polen. Het recht om orders aan 
de Höherer SSuPF te geven had Frank ook; Krüger diende bij de bevelen van de een de toestemming 
van de ander te krijgen, en bij verschil van mening zou Hitier beslissen. 1 Natuurlijk ging na deze 
'oplossing' de machtsstrijd in alle hevigheid verder, om overigens in 1943 met de nederlaag van 
Krüger, niet echter van de SS in zijn geheel, te eindigen. 

De hier beschreven regeling illustreert goed de onafhankelijke positie, die de Höherer SSuPF in 
een bezet gebied kon innemen. SS en politie dreigden een tweede gezagsapparaat te worden, zowel 
in het Generalgouvernement als in de geannexeerde Poolse gebieden. 2 In andere landen was het, ook 
wanneer zulke heftige conflicten tussen landvoogd en HSSuPF ontbraken, niet anders. 

In Noorwegen werd in april 1940 een Duits bezettingsregime onder een Reichskommissar inge- 
steld. In de betreffende Führer-Erlass van 24 april 3 werd over een Höherer SSuPF in het geheel niet 
gerept, maar wel bepaalde het decreet (in de Erlass over de instelling van het Generalgouvernement 
had dat juist weer ontbroken): 'Zur Durchsetzung seiner Anordnungen kann sich der Reichs- 
kommissar deutscher Polizeiorgane bedienen.' Precies dezelfde woorden bevatte Hitiers Erlass van 
18 mei 1940, waarmee Nederland eveneens een bezettingsbestuur onder een Reichskommissar werd 
toegewezen; het stuk was praktisch een kopie van het decreet inzake Noorwegen. 4 De gebruikte 
formulering wees er al op, dat de Duitse politie niet tot het directe machtsapparaat van de rijks- 
commissaris hoorde, en men zal aan de hand van de situatie in Nederland nog kunnen zien, hoe 
het SS- en politie-apparaat inderdaad een soort enclave van Himmler in het Duitse bezettings- 
bestuur vormde. Men zou verwachten, dat dan het hoofd van die enclave, de Höherer SSuPF, 
'persönlich und unmittelbar' onder de rijkscommissaris gesteld zou zijn, maar ook die woorden 
ontbraken in de genoemde decreten. De omschrijving van positie en taak van de Höheren SSuPF 
in Noorwegen en Nederland bleef uiterst vaag. Misschien ook wel, omdat de rijkscommissaris in 
Noorwegen Terboven en zijn collega in Nederland Seyss-Inquart beseften, dat inlassen van een 
dergelijke formule gezien de ervaringen in Polen toch niet veel zou helpen 5 ; maar zoals zo vaak 
was die vaagheid voornamelijk bewuste opzet van Himmler: 

'Und zwar hat sowohl der Führer als auch der Reichsführer Himmler sich auf den Stand pun kt 
gestellt, er will nicht ein scharf umrissenes Paragraphengesetz dem Höheren SS- und Polizeiführer 
bieten, sondern man wollte sehen, wie nach der Praxis draussen in den verschiedenen Gebieten 
sich das Wirkungsgebiet des Höheren SS- und Polizeiführers und des Reichskommissars, bezw. 
der anderen Funktionare ausglattet . . .' 

zei na de oorlog de vroegere Höherer SSuPF in Nederland Rauter. 6 Dat 'ausglatten' verwachtte 
Himmler, terecht, ten voordele van eerstgenoemde partij te zijn. 



(1) IMT 2233-PS; Doe. Occ. VI, p. 89-94; A. E. Cohen: 'Een onbekende tijdgenoot: de laatste Befehls- 
haber der Sicherheitspolizei und des SD in Nederland", in Studies I, p. 170-184, waaruit blijkt, dat 
wanneer er later toch nog een scheidingslijn komt tussen voor- en tegenstanders van een soepeler houding 
tegenover de Poolse bevolking, die bepaald niet altijd parallel loopt met de scheidingslijn tussen civiel 
bestuur en SS; voorts Broszat, Polenpolitik, p. 78-84. 

(2) Zo ook Broszat, Polenpolitik, p. 60. 

(3) Reichsgesetzblatt 1940 I, p. 677-678. 

(4) Vgl. de bron in de vorige noot met VO 1/40. 

(5) Seyss-Inquart was als plaatsvervanger van Frank bijzonder goed op de hoogte. Bij Terboven heeft 
misschien het feit meegespeeld, dat de eerste HSSuPF in Noorwegen een oude relatie van hem was 
(Magne Skodvin: Striden om okkupasjonsstyret i Norge fram til 25. september 1940, Oslo, 1956, p. 194; 
Sverre Kjeldstadli: Hjemmestyrkene, Oslo, 1959, p. 1 16). 

(6) Proces Rauter, p. 18. 



74 



DE HÖHEREN SS- UND POLIZEIFÜH RER 

Hoezeer dat het geval was, en zulks niet alleen tegenover civiele landvoogden, maar ook tegen- 
over militaire gouverneurs, blijkt uit de regeling van de positie der Höheren SSuPF 'm de Sowjet- 
Unie en Frankrijk. 

In een Erlass van 21 mei 1941, een maand dus voor de inval in de Sowjet-Unie, bepaalde Himm- 
ler, dat in de gebieden achter de oprukkende Duitse legers, waar militaire bevelhebbers het bewind 
zouden voeren, Höheren SS- und Polizeiführer zouden worden ingezet 'für das Gebiet der politischen 
Verwaltung' (die laatste woorden waren al tekenend voor de wassende politieke inhoud, die de 
functie van HSSuPF kreeg). Wat opmars, verzorging en legering betreft stond de Höherer SSuPF 
onder de militaire bevelhebber van het desbetreffende gebied. Deze had trouwens, wanneer militaire 
belangen dat eisten, een zekere zeggenschap over de HSSuPF en diens SS- en politietroepen. 
Verder waren die echter autonoom, en kreeg de HSSuPF direct bevelen van Himmler; veelal waren 
dit (onuitgesproken) orders voor de massa-executies van joden, zigeuners e.d. 1 

In bepaalde gebieden van de Sowjet-Unie werden later civiele bezettingsbesturen ingesteld onder 
Reichskommissare, die elk een aantal districtsgouverneurs met de titel Generalkommissare* onder 
zich hadden. De Höherer SSuPF van zo'n gebied stond weliswaar 'persönlich und unmittelbar' 
onder de rijkscommissaris, maar deze was gehouden de bevelen van Himmler op te volgen inzake 
de 'polizeiliche Sicherung'; bovendien zou de Höherer SSuPF in alle veiligheidskwesties - een 
belangrijk en rekbaar begrip - de meerdere zijn van de Generalkommissare (die elk weer een 55- 
und Polizeiführer onder zich zouden hebben). 3 

In Frankrijk werd de Höherer SSuPF, die begin 1942 in Parijs kwam te zetelen, bij een Führer- 
decreet van 9 maart 1942 4 ook 'persönlich und unmittelbar' ondergeschikt gemaakt aan de Militar- 
befehlshaber van het bezette Frankrijk. Deze mocht hem orders geven inzake de militaire beveiliging 
van het land en militaire operaties, en kon in geval van onlusten of gevechtshandelingen tijdelijk 
over SS- en politie-eenheden beschikken. Voor politionele activiteiten en 'Volkstumsfragen' zou de 
HSSuPF zijn orders van Himmler krijgen; hij was trouwens competent voor alle zaken, die tot het 
ressort van Himmler, ook in diens functie van Reichskommissar für die Festigung deutschen Volks- 
tums, behoorden. Opvallend in dit decreet is het twee maal vermelden van dat woord * Volkstuin' ; 
een aanwijzing voor het feit, dat - al is het stuk duidelijk geïnspireerd door de bovenvermelde 
bevelen inzake de positie van de Höheren SSuPF in de Sowjet-Unie - die uitermate politieke be- 
voegdheden inzake Volkstum niet alleen in het bezette oosten, maar ook in het westen een rol van 
belang speelden. In de praktijk usurpeerden SS en politie allerlei taken, waartegen het militaire 
bestuur zich niet voldoende kon verweren. 5 

Anders dan in Duitsland was de Höherer SSuPF in een bezet gebied aan één gezagsdrager, de 
civiele of militaire gouverneur van het land, ondergeschikt. Voor die onderschikking werd vaak de 
geijkte formule 'persönlich und unmittelbar' gebruikt, zoals men gezien heeft. Het zal nu duidelijk 
zijn, dat die woorden, die men al eerder tegenkwam bij Himmlers formele onderschikking aan de 
minister van binnenlandse zaken Frick, eerder het tegendeel van straffe subordinatie aangaven. 8 



(1) H 193: 2521-2. Dit werk werd in eerste instantie uitgevoerd door Einsatzgruppen van Sipo und SD; 
deze waren eerst aan de legergroepen toegevoegd, maar werden na ongeveer een half jaar ingevoegd in het 
SS- en politie-apparaat onder de Höheren SSuPF (zie Hilberg, Destruction, spec. p. 242, 243). De formu- 
lering met het woord 'politisch' al eerder in de richtlijnen van het OKWwan 13 maart 1941 (IMT 447-PS). 

(2) De term betekent hier dus iets anders dan in Nederland, waar hij geen territoriale inhoud heeft: zie 
hfdst. IV. De verdere onderverdeling is hier niet relevant. 

(3) Erlasse van Hitier van 17 juli 194 1, IMT 1997-PS, die betr. de H SSuPF'm Broszat, Anat II, p. 369-370; 
zie ock IMT 1056-PS; H 196: 2527; vgl. Proces Rauter, p. 468. 

(4) Geciteerd bij Buchheim, Anat. I, p. 138-139. 

(5) Umbreit, Mil Bef. Frankreich, p. 1 1 1-1 17. 

(6) Zie p. 32, 33- 



75 



DE SS IN DUITSLAND 



De ondergeschikte in kwestie, werd eigenlijk geïmpliceerd, was juist niet een radertje in de ambtelijke 
hiërarchie van de boven hem gestelde gezagsdragers, maar stond los van hem, met een eigen aparte 
organisatie onder zich. Bovendien, de ene onderschikking sloot die andere niet uit; niet die van 
Himmler aan Hitier, en evenmin die van de Höherer SSuPF aan Himmler. Het zal duidelijk zijn, 
dat die laatste subordinatie prevaleerde, wanneer het tussen de Höherer SSuPF en het opperste 
gezag ter plaatse tot een conflict kwam. 

Kortweg betekende dit, dat de Höherer SSuPF niet in de eerste plaats mede-uitvoerder was van 
de politiek van de Reichsstatthalter, rijkscommissaris, Militarbefehlshaber of hoe de opperste 
functionaris van het bezettingsbestuur ter plaatse ook genoemd mocht worden, maar primair van 
de politiek van Himmler. Vaak vermengd met zijn persoonlijke inzichten, soms beïnvloed door de 
opvattingen van plaatselijke autoriteiten, was het toch voor alles een SS-politiek, die de Höherer 
SSuPF trachtte te realiseren. Dit gold zowel voor de oostelijke als de westelijke veroverde landen, 
en, het is van belang dit vast te stellen, zowel voor geannexeerde gebieden als voor landen met een 
civiel bezettingsbestuur of onder militair gezag. Het grondpatroon varieerde niet naar gelang van 
de verschillende vormen van de Duitse overheersing. 



Door de oorlogsomstandigheden, met name de noodzaak van politionele repressie op grote schaal, 
was de machtspositie van de Höheren SSuPF beduidend groter geworden. In de eerste plaats in de 
bezette gebieden, maar ook in Duitsland. Na de catastrofe in Stalingrad radicaliseerde het regime 
in Duitsland in toenemende mate: Goebbels proclameerde de totale oorlog, en steeds luider werden 
de stemmen van de nazi-fanatici, die 'krachtig optreden' eisten : geen bureaucratisch gezeur, maar 
een totale inzet, straffe leiding en meedogenloze afstraffing van allen, die niet voor de volle honderd 
procent meewerkten en meestreden. In feite kwam men dicht in de buurt van een zienswijze, waarbij 
Duitsland nauwelijks anders dan een bezet gebied werd bestuurd. Hier lagen de aanknopingspunten 
voor de SS om de situatie in de bezette gebieden in Duitsland zelf te kopiëren: de Inspekteure der 
Sicherheitspolizei und des SD werden eerst in de grensgebieden, later bijna overal in Duitsland, 
Befehlshaber, met daarbij behorende grotere bevoegdheden; ook de Inspekteure der Ordnungs- 
polizei werden in december 1943 allen tot de status van Befehlshaber verheven. Al eerder had Himm- 
ler tamelijk concrete plannen voor de invoering van de SSuPF in Duitsland. 1 De bedoeling was 
kortom SS en politie in Duitsland dezelfde bevoorrechte plaats te geven als in de onderworpen 
landen. 

Werd het nu dan niet tijd om de H SSuPF van een algemene instructie te voorzien? Eén van de 
functionarissen, die zich met de materie bezighielden, schreef in mei 1944 aan een lid van Himmlers 
stafbureau : 

'Die Höheren SS- und Polizeiführer innerhalb und ausserhalb der Reichsgrenzen sind inzwischen 
zu wesentlichen Bestandteilen der Reichsverwaltung und Verteidigung des europaischen Raumes 
geworden. Die Entwicklung ist, da in letzter Zeit die Befugnisse sehr ausgebaut wurden, zu 
einem gewissen Abschluss gekommen.' 2 

Een onderzoek, dat in 1944 door enige SS-functionarissen naar staatsrechtelijke positie en bevoegd- 
heden van de HSSuPF werd verricht, leverde echter niets op. Tot een vaststelling van een en ander 
kwam het niet. 3 Heel erg nodig was het ook niet; de Höheren SSuPF gingen hun gang zonder 

(1) The GermanPolice, p. 47; Neufeldt e.a., Orpo II, p. 21 ; Buchheim, Anat. I, p. 169-171. 

(2) H 272: 3028. Wellicht is de meermalen genoemde Bomhard de auteur. 

(3) H 272: 3028. Hans Buchheim: 'Die Höheren SS- und Polizeiführer', in VfZ. 1963, p. 362-363; IMT 
Aff. SS-87. 



76 



DE HÖHEREN SS- UND POLIZEIFÜHRER 



algemene richtlijnen - hetgeen ook de bedoeling was - soms zelfs onkundig van bestaande inciden- 
tele voorschriften. 1 

Samenvattend kan gezegd worden, dat bij de Höherer SSuPF in Duitsland het accent voor- 
namelijk viel op een naar buiten gerichte politieke taakuitoefening, juist ook door het ontbreken 
van een volledig en uitsluitend gezag over de bureaus en eenheden onder zijn supervisie. In de 
bezette gebieden was dat gezag beduidend groter. De geheel andere omstandigheden in die landen, 
waar politioneel en politiek beleid van de nationaal-socialistische overheersers zo innig met elkaar 
werden vervlochten, maakten evenwel, dat die grotere politionele taakuitoefening toch het politieke 
gewicht van de HSSuPF deed toenemen. De vorm van het bezettingsbestuur maakte daarbij weinig 
verschil. Een militair gezag had bepaalde bevoegdheden over SS en politie op militair gebied, die 
een civiele landvoogd uiteraard miste, maar onder omstandigheden bleek de politieke positie van 
een HSSuPF onder militair bestuur niet zwakker te zijn dan onder burgerlijk bestuur - eerder het 
tegendeel. 

Hoe de positie van de Höherer SSuPF en van de aan hem ondergeschikte organen in Nederland 
was, zal hierna worden uiteengezet. Alvorens echter de grenzen der mogelijkheden van de SS in 
Nederland te kunnen bepalen, dient de lezer eerst bekend te worden gemaakt met de structuur van 
het gehele Duitse bezettingsregime in dat land. 



(i) Rauter kende blijkbaar Himmlers Erlass van 21 mei 1941 niet (zie nr. 498). 



77 



HOOFDSTUK III 



Het rijkscommissariaat 



A. De rijkscommissaris: positie en persoon 

Al lang voordat in mei 1940 Nederland door leger en luchtmacht van de machtige nabuur-staat 
werd aangevallen, had de Duitse legerleiding tot in kleinigheden uitgewerkte plannen klaarliggen 
voor het militaire bestuur, dat zij na verovering van het land er wilde vestigen. Toen die verovering 
een feit was, greep geheel onverwacht Hitier plotseling in: het militaire regime diende door een 
civiel bestuur vervangen te worden. 1 

Naar Noorwegen had hij kort daarvoor een Reichskommissar gezonden om aan het politieke 
gebroddel, dat de Duitsers daar aanvankelijk ten beste gaven, kort en krachtig een einde te maken 
en voorlopig een duidelijke leiding aan de gang van zaken te laten geven. In de titel van de functio- 
naris zat het speciale en voorlopige karakter besloten 2 - Hitier hoefde zich niet meteen op toe- 
komstige staatkundige verhoudingen vast te leggen. Toen Nederland veroverd was, nam hij weer 
zo'n impulsieve en improvisatorische beslissing; beter gezegd, hij kopieerde (tot in détails) het voor 
Noorwegen genomen besluit. Waarom? Koningin en regering waren (anders dan Hitier aanvanke- 
lijk gehoopt had) verdwenen. Land en volk, dat stamverwant aan het Duitse scheen te zijn, lagen 
weer- en stuurloos aan zijn voeten. Wat hij ermee moest doen, wist hij nog niet precies. Hij had 
trouwens met de veldtocht in Frankrijk wel teveel andere dingen aan zijn hoofd om daar nu diep 
over na te denken. Wel wist hij, dat hij deze zo snel verkregen buit op een of andere manier wenste 
vast te houden. Dan maar voorlopig een rijkscommissaris. 3 

Hij had, op 15 mei al, meteen de man uitgekozen, die het pas veroverde land zou kunnen besturen : 
de Oostenrijker Arthur Seyss-Inquart had zijn verdiensten bij het inpalmen van andere staten al 
bewezen bij de Anschluss van zijn vaderland. Het gaf hem recht op een vooraanstaande positie. 

(1) Men zie behalve uiteraard hfdst. 2 in De Jong, Koninkrijk 4, eerste helft, in de eerste plaats Konrad 
Kwiet: Reichskommissariat Niederlande. Versuch und Scheitern nationalsozialistischer Neuordnung, 
Stuttgart, 1968. Deze voortreffelijke studie houdt zich onder meer bezig met een uitvoerige analyse van 
de kwestie, waarom de militaire administratie door een civiel bestuur werd vervangen; verder o.a. met de 
problematiek van de doeleinden van het Duitse bestuur en de Duitse bezettingspolitiek gedurende het 
eerste halve jaar van de bezetting. Verder dient genoemd te worden H. J. Neuman: Arthur Seyss-Inquart, 
Het leven van een Duits onderkoning in Nederland, Utrecht- Antwerpen, 1967 (goede inleiding voor het 
Duitse politieke streven, gezien vanuit Seyss-Inquart). Voor korte inleidingen ook: Werner Warmbrunn: 
De Nederlanders onder Duitse bezetting 1940-1945, Amsterdam, 1964 (spec. hfst. III); B. A. Sijes: De 
Arbeidsinzet. De gedwongen arbeid van Nederlanders in Duitsland, 1940-1945, 's-Gravenhage, 1966 
(P- 53-68, met uiteraard meer detaillering in de sociale politiek). Voorts ook de artikelen 2, 3, en 4 in 
Studies I (oorspr. Notities voor het geschiedwerk). 

(2) Vgl. bv. Reichskommissar für die Wiedervereinigung Oesterreichs, Reichskommissar für die Preisbil- 
dung, enz. 

(3) Voor voorgeschiedenis en instelling van het rijkscommissariaat Not. 73, A. E. Cohen: 'Enige formele 
gegevens betreffende Hitler's bemoeienis met Nederlandse aangelegenheden', van dezelfde auteur Not. 91 : 
'Het ontstaan van het Duitse Rijkscommissariaat voor Nederland* en Kwiet, Reichskommissariat, 
p. 49-5L 



78 



de rijkscommissaris: positie en persoon 

Bovendien liep de man als portefeuilleloze Reichsminister en plaatsvervangend Generalgouverneur 
zonder werkelijk wat te doen te hebben in Polen rond, en voelde zich daar kennelijk overbodig. 1 
Hitier besloot blijkbaar meteen vaart achter de zaak te zetten. Drie dagen later tekende hij het 
besluit tot Seyss-lnquarts benoeming; in de dagen daarop werd de nieuwe rijkscommissaris door 
Hitier ontvangen, zijn vier belangrijkste medewerkers werden uitgekozen (twee door Seyss-Inquart 
zelf, twee door Hitier), de eerste decreten werden opgesteld. Zij zouden van kracht worden op het 
moment, dat het militaire bewind in Nederland het bestuur aan de rijkscommissaris overdroeg. 
Tenslotte, op 25 mei, werden Seyss-Inquart en twee van zijn nieuwe medewerkers (Schmidt en 
Rauter) door Hitier in diens hoofdkwartier nog eens in verband met hun komende taak toege- 
sproken. Dezelfde dag nog vertrokken zij naar Den Haag. 8 Op 29 mei nam Seyss-Inquart het 
bestuur over Nederland op zich. 

De basis van het nieuwe bewind, althans van de formele kant benaderd, lag in die eerste oekazen. 
Het allereerste decreet van Hitier, de Erlass des Führers über Ausübung der Regierungsbefugnisse in 
den Nieder landen van 18 mei 1940 was zoals eerder gezegd bijna helemaal letterlijk overgeschreven 
van het Noorse pendant. De rijkscommissaris was 'Wahrer der Reichsinteressen und übt im zivilen 
Bereich die oberste Regierungsgewalt aus. Er untersteht mir unmittelbar und erhalt von mir Richt- 
linien und Weisungen'. Het Nederlandse recht bleef, 'soweit es mit der Besatzung vereinbar ist' 
van kracht, maar de rijkscommissaris kon verordeningen met kracht van wet uitvaardigen. Zijn 
bevelen kon hij laten uitvoeren door de Duitse politie, of, evenals het bestuur in het algemeen, door 
Nederlandse instanties. Buiten de vastgestelde soevereiniteit van de rijkscommissaris viel de militaire 
sector, waarvoor de Wehrmachtbefehlshaber verantwoordelijk was: 'seine Forderungen werden im 
zivilen Bereich vom Reichskommissar durchgesetzt', maar, indien uit militair oogpunt nodig, kon 
hij zelf maatregelen nemen; de opperbevelhebbers van het Duitse leger, de marine en de Luftwaffe 
hadden deze bevoegdheid ook. 3 

De volmachten, die de rijkscommissaris op 18 mei had gekregen, werden de volgende dag echter 
al beperkt door een decreet, waarbij Goering in diens functie van Beauftragter für den Vierjahresplan 
het recht kreeg om Seyss-Inquart 'Weisungen' te geven; op economisch gebied werd er weliswaar 
mee bedoeld, maar erg duidelijk stond het er niet in. Tekenend was het, dat Hitier in de Erlass zelf de 
publikatie ervan verbood. 4 De belangstelling van Reichsmarschall Goering voor Nederland be- 
perkte zich echter tot het leeghalen van dat land. Zelfs daarin slaagde hij maar gedeeltelijk; toen hij 
in augustus 1942 onmogelijk hoge schattingen aan voedsel uit alle bezette gebieden van Europa van 
Hitiers satrapen eiste, besloot Seyss-Inquart die eisen rustig naast zich neer te leggen. 5 

Ook de Duitse minister van binnenlandse zaken Frick gaf zijn wens naar inspraak in het nieuw- 
verworven gebied te kennen. Wanneer Goering mocht ingrijpen in Nederland, waarom hij dan niet? 
Hitier gaf aan deze wens evenwel geen gevolg, misschien omdat in dit geval 'der Führer das Hinein- 
regieren der vielen Reichsressorts vermieden wissen möchte* (waarvoor Frick zei 'vollstes Ver- 
standnis' te kunnen opbrengen). 6 Of misschien ook om andere redenen: Frick had hierbij als argu- 



(1) Dit, en tevens, dat Himmler wellicht een goed woordje voor hem heeft gedaan, mag men uit de nrs. 
17 en 19 wel opmaken. Seyss-Inquart, door Himmler met de rang van SS-Gruppenführer begiftigd, had 
zich steeds als een trouw vriend van de Reichsführer-SS doen kennen, althans voorgedaan. Dat Seyss- 
Inquart in Polen weinig te doen had, ook bij Neuman, Seyss-Inquart, p. 128. 

(2) Voor de faits et gestes van de betrokken figuren in die periode Not. 73. 

(3) RGBl. 1940 I, p. 778, afgedrukt als VO 1/40 in het Verordnungsblatt für die besetzten niederlandischen 
Gebiete , waarvan de uitgave in dezelfde Fuhrer-Erlass gedecreteerd werd. VO 2/40 is een entrée-procla- 
matie aan het Nederlandse volk van Seyss-Inquart. 

(4) OCCBBT1644. 

(5) Zie nr. 205 en de in noot 1 daarbij genoemde bronnen, vgl. nr. 459 I en de verwijzingen daarbij. 

(6) FOSD 2752: 534857. 



79 



HET RIJKSCOMMISSARIAAT 



ment naar voren gebracht, dat de Reichsführer-SS op bepaald gebied zijn plaatsvervanger was, een 
argument, dat bij de meikwaaidige machtsverhoudingen in Hitiers Rijk makkelijk in zijn tegendeel 
kon omslaan. Maar misschien ook mogen wij aannemen, dat Hitier het eenvoudigweg al meer dan 
genoeg vond, dat één van zijn secondanten de uitdrukkelijke bevoegdheid kreeg bevelen aan zijn 
stadhouder in Nederland uit te delen, en voelde hij geen behoefte om zijn andere getrouwen derge- 
lijke privileges op schrift te geven. 

De positie van de Wehrmachtbefehlshaber 1 - voor deze functie werd de Luftwaffe-gcneraed 
Friedrich Christiansen uitgekozen - werd twee dagen later, op 20 mei, in een andere Führer-Erlass 
nader uitgewerkt. De inhoud kwam er hoofdzakelijk op neer, dat de Wehrmachtbefehlshaber een 
zuiver territoriale bevelhebber was, die alleen tijdelijk operationele bevoegdheden bezat bij een 
plotselinge dreiging van een vijandelijke aanval en uiteraard bij een aanval zelf; dan moest hij de 
situatie zien te redden, totdat de daartoe aangewezen militaire commandanten de zaak overnamen 
Daarentegen werd nu vastgelegd, hetgeen het eerste decreet eigenlijk al impliceerde, dat hij het 
recht had bij militaire bedreiging 'alle zur Abwehr erforderlichen Massnahmen auch für den zivilen 
Bereich anzuordnen', wel zoveel mogelijk via de rijkscommissaris. Men zou in later jaren regelingen 
voor een dergelijk geval uitwerken, die in de praktijk echter nooit gerealiseerd zouden worden. 2 

In theorie was de Wehrmachtbefehlshaber dus minstens een gelijkwaardige partner van de rijks- 
commissaris. 

Deze bereidde zich intussen reeds voor zijn nieuwe taak voor. Samen met zijn Oostenrijkse vriend 
Wimmer, die hij een hoge positie in het rijkscommissariaat had toegedacht, stelde Seyss-Inquart te 
Berlijn een proclamatie aan het Nederlandse volk op en tevens zijn eerste verordening, die met de 
daarop volgende de basis van het komende bewind in Nederland vormde. 3 

Bij deze decreten trok de rijkscommissaris alle bevoegdheden van koning en kabinet van Neder- 
land aan zich, en bovendien die van de wetgever : alweer heette het, dat de rijkscommissaris veror- 
deningen met kracht van wet kon uitvaardigen. Wat de uitvoering betreft, was er nu vergeleken 
met Hitiers Erlass een lichte accent- verschuiving te bespeuren : 

'Der Reichskommissar bedient sich zur Durchführung seiner Anordnungen, soweit nicht die ihm 
unterstellten deutschen Dienststellen unmittelbar tatig werden, der niederlandischen Behörden.' 

Dat waren uiteraard, na het vertrek van de ministers, in de eerste plaats de secretarissen-generaal, 
die de verordening aan de rijkscommissaris verantwoordelijk maakte 'für die ordnungsgemasse 
Leitung der Amtsgeschafte.' Zij mochten dan ook een soort verordeningen uitvaardigen tot nadere 
uitwerking van de geldende wetten en de decreten van de rijkscommissaris. 4 Deze zou zijn taak ver- 
vullen door middel van vier Generalkommissare. In de tweede verordening werden hun werkter- 
reinen genoemd, in een volgende hun namen gepubliceerd : 



(1) Ook als Wehrmachtsbefehlshaber, dus met V tussen de twee woorddelen geschreven. Deze term 
wordt uitsluitend gebruikt voor een zuiver militaire territoriale commandant. Een Militarbefehlshaber 
oefent ook altijd het bezettingsbestuur door middel van een Militarverwaltung uit. 

(2) FOSD 413: 215676-7, afgedrukt in Het proces Christiansen, 's Gravenhage, 1950, p. 230; zie ook 
nr. 384, noot 1. 

(3) De bron hiervoor is Wimmer (Verkl. Wimmer I, p. 4), die na de oorlog beweerde, dat de twee eerste 
verordeningen van de rijkscommissaris beide reeds te Berlijn door Seyss-Inquart en hem zijn uitgewerkt 
{VO 3/40 en 4/40 dus); zo ook op grond van deze bron Kwiet, Reichskommissar iat, p. 57. Om verschil- 
lende redenen - o.a. de anders onverklaarbare en onnodige herhalingen in de tweede verordening - menen 
wij, dat alleen de entrée-proclamatie en Seyss-Inquarts eerste verordening al te Berlijn geredigeerd zijn. 

(4) In VO 3/40 wordt de term 'Ausführungsvorschriften' gebruikt; in het Verordnungsblatt verschenen zij 
echter ook vaak als 'Verordnungen*. 



80 



de rijkscommissaris: positie en persoon 



Generalkommissar für Verwal tung und Justiz werd Dr. Dr. Friedrich Wimmer; Generalkommissar 
für das Sicherheitswesen (Höherer SS- und Polizei führer werd er tussen haakjes achter vermeld) 
de SS-Brigadeführer Hanns Rauter, Generalkommissar für Finanz und Wirtschaft werd Dr. Hans 
Fischböck, en de partij-functionaris Reichsamtsleiter Fritz Schmidt kreeg de wat vager gehouden 
functie van Generalkommissar zur besonderen Verwendung (z.b.V.). Deze vier hoge Duitse ambte- 
naren zouden aan alle Nederlandse openbare en particuliere instanties bevelen mogen geven en 
inlichtingen van hen eisen. Voorts had de rijkscommissaris tevens direct onder zich een repre- 
sentant van het Auswdrtige Amt in de persoon van de Gesandter Otto Bene, en een Beauftragter 
voor de Nederlandsche Bank. De naam van deze man, Staatsrat H. C. H. Wohlthat is hier alleen 
volledigheidshalve vermeld, daar hij ten aanzien van ons onderwerp weer geheel mag worden 
vergeten. Eveneens direct onder de rijkscommissaris kwam de zg. Prasidialabteilung te staan, die 
zich bezig diende te houden met de zaken, waarover de rijkscommissaris zelf direct een beslissing 
wenste te nemen. Hoofd van deze dienst, die zich in de praktijk ook intensief bezighield met de 
financiën en de personeelszaken van het rijkscommissariaat, was Dr. Hans Piesbergen. Men ziet: 
het ontbrak niemand van de hogere Duitse functionarissen aan rang of titel vanwege staat, partij, 
semi-militair korps of universiteit. 1 Wat hun functie feitelijk inhield, zal verderop nog worden 
besproken. 

Direct onder Seyss-Inquart ressorteerden tevens Beauftragten des Reichskommissars voor de 
verschillende provincies, daarbij ook nog twee voor de steden Amsterdam en Rotterdam, zodat 
het totale aantal, naar een eenvoudige rekensom ons leert, dertien bedroeg. Deze gemachtigden 
waren echter geen gouverneurs, zoals bijvoorbeeld in het bezette Polen. Zij hadden immers geen 
machtiging Nederlandse instanties en organen bevelen te geven; zij konden alleen Nederlandse 
bestuursmaatregelen uitstellen, en zich volledig van die zijde laten informeren. Zij waren derhalve 
een soort zendgraven, 'missi domini', zoals Seyss-Inquart het zelf uitdrukte, met een in principe 
observerende en rapporterende taak. Tijdens buitengewone omstandigheden, namelijk naar aan- 
leiding van de stakingen in april-mei 1943, benoemde de rijkscommissaris hen tot Sonderbeauf- 
tragten met speciale bevoegdheden, elk in de eigen provincie. Een zekere bevoegdheid om even- 
tueel de Duitse politie in te schakelen, hadden de Beauftragten al in 1940 gekregen. 2 

In 'normale' tijden mochten de Beauftragten dan geen direkte bestuursfunctie hebben, het poli- 
tieke karakter van hun positie bracht met zich mee, dat zij steeds meer bemoeienis kregen met het 
provinciale en gemeentelijke bestuur, en met allerlei Nederlandse instellingen in hun ambtsgebied. 
Benoemingen en ontslagen met de politieke implicaties van dien vormden natuurlijk een belangrijke 
aangelegenheid: deze burgemeester diende door een NSB-er vervangen te worden, gene gemeente- 
secretaris was een te gewillig werktuig voor de bezetter om ontslagen te worden, enz. AI in de aanvang 
had Seyss-Inquart ingezien, 'dass es sich bei diesen Beauftragten nicht so sehr um Verwaltungs- 
beamte als um politisch erfahrene Manner handeln müsse', weshalve hij via Schmidt bij Bormann, 
de feitelijke leider van de NSDAP, zijn personeel voor de te vervullen functies van provinciaal 
Beauftragter bestelde. Het was ook niet meer dan logisch, dat de meesten uit de partij afkomstig 
waren, en dat zij, bij blijvende directe onderschikking aan de rijkscommissaris, de 'politieke' 



(1) VO 5/40; Reichsamtsleiter was eigenlijk een functie, geen rang, zoals blijkbaar hier ten onrechte 
opgevat; het behoeft ons echter niet te verwonderen, dat de Duitsers niet goed wijs meer werden uit de 
vele snorkende titels in omloop. Gesandter is hier een ambtelijke rang, en heeft niets te maken met een 
diplomatieke functie. 

(2) Zie VO 4/40 en 1/43; Verkl. Wimmer ï, p. 13; Kwiet, Reichskommissariat, p. 80; Die Niederlande im 
Umbruch der Zeiten. Alte und neue Beziehungen zum Reich. Hrsg.v. Dr. Max Freiherr du Prei unter Mit- 
Wirkung von Willi Janke, Würzburg, 194 1, p. 87; P. J. Bouman: De April-Mei-Stakingen van 1943, 
's-Gravenhage, 1950, p. 337-338. 



81 



HET RIJKSCOMMISSARIAAT 



Generalkommissar z.b.V. (die bovendien de leider van de Duitse nazi-partij in Nederland was, 
zoals men nog zal zien) als coach kregen. 1 

In deze opzet was formeel, afgezien van Goerings bevoegdheden, de rijkscommissaris een ware 
satraap, enige en algemene gevolmachtigde van de Führer. Zijn macht werd slechts beperkt door de 
militaire belangen van de Wehrmacht. Alle civiele instanties waren in de uitoefening van hun taak 
ondergeschikt aan de rijkscommissaris. Seyss-Inquart beriep zich later ook op een bevel van Hitier, 
waarbij in de bezette gebieden geen dépendances van Duitse overheidsinstellingen mochten be- 
staan. 2 De vier commissarissen-generaal van deze absolute onderkoning leken op een soort minis- 
ters, die elk verschillende Nederlandse departementen onder zich kregen. 8 Men moet hier echter niet 
uit afleiden, dat elk van hen uitsluitend met een paar Nederlandse secretarissen-generaal te maken 
had, en beroepsmatig geen contact met de anderen onderhield. Daarvoor was de afgrenzing der 
arbeidsterreinen van de Duitse machthebbers te vaag, en vooral, daarvoor week de arbeidsverdeling 
tussen hen, gebaseerd op Duitse en nationaal-socialistische bestuursprincipes, te zeer af van de 
Nederlandse bestuursorganisatie. De secretarissen-generaal van binnenlandse zaken en justitie 
kregen uiteraard een groot deel van hun bevelen van de Generalkommissar für Verwaltung undJustiz, 
maar in alle zaken, die met de politie te maken hadden, was het de Höherer SS- und Polizeiführer y 
die instructies aan hen gaf. 

Eigenlijk moet men het zich zo voorstellen, dat het rijkscommissariaat als geheel boven de 
Nederlandse bestuursorganisatie werd geplaatst, en dat al naar gelang van de importantie de 
Reichskommissar zelf zich met een bepaalde zaak en met bepaalde Nederlandse functionarissen 
bemoeide, dan wel een Generalkommissar, (welke, hing van die zaak af), de Leiter van een Haupt- 
abteilung of een Abteilung, of slechts een Referent, die in een afdeling een Referat als arbeidsterrein 
had. Daaraan moet dan worden toegevoegd, dat dit Duitse bestuursapparaat - in principe slechts als 
beperkte \Aufsichtsverwaltung' gedacht - in werkelijkheid slechts drie Generalkommissariate met 
alle hoofdafdelingen, afdelingen, kantoorgebouwen, salarisschalen en secretaresses vandien telde: 
het machtsapparaat van de Höherer SS- und Polizeiführer maakte, zoals hiervoor reeds in het alge- 
meen aangeduid is en zoals in een volgend hoofdstuk aan de hand van de HSSuPF'm Nederland nog 
geadstrueerd zal worden, eigenlijk geen deel uit van het civiele bezettingsbestuur. 

Voordat de Generalkommissariate en de figuren van de leiders ervan nader beschouwd worden, 
dient op een bepaald element in de regeerpraktijk van het bezettingsbestuur te worden gewezen. In 
werkelijkheid werd de theoretische alleenheerschappij van Seyss-Inquart in meerdere opzichten 
ondermijnd. Ten eerste moest hij zijn personeel samenstellen uit ambtenaren, die ministers, partij- en 
staatsdignitarissen in Duitsland ter beschikking stelden. Veelal voelden de ondergeschikten van de 
rijkscommissaris zich nog gebonden aan hun vroegere superieuren, en vertegenwoordigden in hun 
functie in het rijkscommissariaat vaak de inzichten en de belangen van de Duitse machtsapparaten, 
waarvan zij vroeger deel hadden uitgemaakt. Dat de vertegenwoordiger van het Auswartige Amt 
Bene (officieel gelijkgesteld in rang met de vier commissarissen-generaal) in feite een luisterpost in 
Nederland was van de minister van buitenlandse zaken ('Auge und Ohr' van Ribbentrop, zoals hij 
het na de oorlog bondig samenvatte) 4 , was niet het meest belangrijke. Het was met de andere hoge 
en ook lagere functionarissen van het rijkscommissariaat in meerdere of mindere mate ook het 
geval 5 : Rauter was een vertegenwoordiger van Himmler, de uit het partij- en propagandawerk 

(1) Verkl. Wimmer I, p. 12-14; IMT 997-PS; personalia van de Beauftragten in PA Pras. 

(2) VO 3/40, spec. § 8 ; FOSD 7782 : 556332 ; voor de theoretische verhoudingen, Niederlande im Umbruch, 
p. 85. 

(3) Zo ook volgens Seyss-Inquart, zie nr. 49. 

(4) Verkl. Bene. 

(5) Zie de na-oorlogse uitlatingen van Harster in Kwiet, Reichskommissariat y y. 81. 



82 



de rijkscommissaris: positie en persoon 

afkomstige Schmidt had rekening te houden met de feitelijke partijleider Bormann en in mindere 
mate met de propagandaminister Goebbels; Fischböck was tot op zekere hoogte een representant 
van Goering en de minister van economische zaken Funk. Mutatis mutandis gold dit ook weer voor 
hun ondergeschikten. 

Bovendien stuurden ministers, gevolmachtigden en andere nazi-leiders van diverse kwaliteit en 
status te Berlijn en München zelf weer allerlei gemachtigden naar Nederland, die vaak buiten het 
rijkscommissariaat om opereerden. Om de schijn van zijn alleenheerschappij te handhaven placht 
Seyss-Inquart deze functionarissen een positie in zijn bestuurshiërarchie te geven, waardoor er in 
werkelijkheid natuurlijk weinig veranderde. Af en toe leek het rijkscommissariaat meer op een 
conglomeraat van vertegenwoordigers van Duitse ministeries en andere instanties dan op een 
coherent en evenwichtig bestuursapparaat. Wehrmacht, Goering, Funk, de gevolmachtigde voor de 
arbeidsinzet Sauckel en de minister voor bewapening (eerst Todt, later Speer), de minister van 
onderwijs Rust en andere Duitse machthebbers van het tweede, derde of nog lager plan, zij allen 
mengden zich in de zaken van het bezette Nederland om hun eigen belangen zo goed mogelijk te 
behartigen. Uiteraard gaf dit aanleiding tot onophoudelijke conflicten. Sauckel wilde zoveel moge- 
lijk Nederlandse arbeiders naar Duitsland overbrengen, Speer wenste middels zijn gevolmachtigde 
in Nederland Fiebig het Nederlandse industriële potentieel in de Duitse oorlogsproductie in te 
schakelen, en de Nederlandse arbeiders dus in Nederlandse fabrieken te houden. 1 De tegenstellingen 
tussen de betrokken functionarissen in Nederland weerspiegelden de tegenstellingen (en versterkten 
die) tussen hun hoogste chefs in Duitsland. Zo was het, hier minder, daar meer, in de grond van de 
zaak overal bij het bezettingsregime in Nederland. 

Het zal duidelijk zijn, dat de in dit voorbeeld genoemde machthebbers, Sauckel en Speer, ieder 
voor zich bedacht waren op een optimale uitoefening van hun taken en een zo groot mogelijke 
machtsuitoefening. In de politieke vormgeving in het bezette Nederland waren zij totaal ongeïnte- 
resseerd, laat staan dat zij een eigen politieke of ideologische visie op deze zaak hadden. Dit gold 
merkwaardigerwijs voor de meeste Duitse machthebbers.' Dat neemt niet weg, dat de conflicten 
tussen hen of tussen hun representanten in Nederland, ook wanneer die een zuiver zakelijke, techni- 
sche of persoonlijke achtergrond hadden, er niet minder hevig om waren. Dat gold ook voor de 
lagere échelons van het bezettingsbestuur, waarbij het persoonlijke element verhoudingsgewijs een 
veel grotere rol speelde. Kortom, er ontbrak op hoog en laag niveau heel wat aan een sfeer van 
samenwerking, die toch niet overbodig ware geweest in de gelederen van een bezettingsbestuur over 
een vreemd en vijandig gezind volk. Een medewerker van een provinciale Beauftragter tekent de 
sfeer onder de besturende Duitsers in Nederland als 'ein Kampf Aller gegen Alle' 8 , niet ongelijk 
dus aan hetgeen zich ook in Duitsland zelf afspeelde. 

Wat die politieke vormgeving in Nederland betreft, was ook de belangstelling van Hitier zeer 
vluchtig, om niet te zeggen welhaast afwezig. Werkelijk geïnteresseerd toonden zich van de hoogste 
nazi-leiders alleen Himmler en de leider van de Parteikanzlei Martin Bormann. 4 Machtsvergroting in 



(1) Zie Sijes, Arbeidsinzet, p. 56, 57. 

(2) Zie bv. de onbenullige opmerkingen van Funk, als hij eens met dit soort problemen geconfronteerd 
wordt: Correspondentie van mr. M. M. Rost van Tonningen. Deel I 1921 - mei 1942. Ingeleid en uitgege- 
ven door drs. E. Fraenkel-Verkade in samenwerking met A. J. van der Leeuw, 's-Gravenhage, 1967. 

(3) Nr.91. 

(4) Tot aan zijn vlucht naar Groot-Brittannië in 1941 was Rudolf Hess de leider van het partij-apparaat 
onder de titel Stellvertreter des Führers (in diens oorspronkelijke kwaliteit van Führer der NSDAP), en 
werd de partij-centrale als zijn Stab aangeduid: zie nr. 345, noot 1. Wij zullen echter ter vereenvoudiging 
dit orgaan voor de hele duur der bezetting als Parteikanzlei aanduiden, en Bormann als de leider daarvan 
(in zoverre niet ten onrechte, waar Bormann al eerder tijdens het nominale leiderschap van Hess de 
feitelijke macht uitoefende). 



83 



HET RIJKSCOMMISSARIAAT 



de bezette gebieden zou allicht de eigen positie in Hitiers rijk als geheel versterken. Daarbij speelde 
bij Himmler ook een zeker ideaal in de Duits-Noords-Germaanse sfeer een authentieke rol. In die 
zin gaf hij van het begin af aan orders aan zijn Höherer SS- und Polizeiführer in Nederland Rauter. 
Bormann werd, of hij wilde of niet, in de bezettingspolitiek ten opzichte van Nederland betrokken 
door de partij-representant aldaar, de Generalkommissar z.b. V. Schmidt. In de politieke conflict- 
situatie, die hieruit resulteerde, was de rijkscommissaris vaak meer bemiddelaar dan heerser. 



Zonder twijfel was er althans één Duitser, die wel degelijk besefte, hoe opzet en realiteit van het 
Duitse bewind in Nederland van elkaar verschilden: Arthur Seyss-Inquart. 1 Zin voor realiteit kon 
men niet ontzeggen aan deze zeer intelligente, koude en introverte figuur, die een voor nazi-leiders 
opmerkelijke distantie ten opzichte van zichzelf kon opbrengen. 2 In meer dan één betekenis 
scheen hij trouwens niet goed in het nazi-uniform te passen. Uiterlijk reeds kwam zijn lange, 
gebrilde, zich wat moeizaam bewegende gestalte (gevolg van een val tijdens een bergbeklimming) 
beter tot zijn recht in burgerkleding dan in het uniform met de hoge pet en de rijlaarzen. 
Maar ook anderszins was hij niet typerend voor de harde kern van het nazi-dom, zelfs niet 
het Oostenrijkse. Of juist niet het Oostenrijkse nazi-dom. De van huis uit katholieke advocaat 
uit Wenen - eigenlijk afkomstig uit een Duitse taai-enclave in Moravië - had een hoofd- 
rol gespeeld bij de vereniging van Oostenrijk met Duitsland in 1938, maar was kort daarop 
van dit toneel door de brute Gauleiter Bürckel verdrongen. Als plaatsvervangend gouverneur- 
generaal van het bezette Polen had hij daarna ruimschoots gelegenheid de onderlinge twisten 
tussen de Duitse heersers, met name tussen de Generalgouverneur Frank en de Höherer SSuPF, te 
observeren; bovendien werd hij daar zelf ook wel eens in betrokken. 3 Naar onze stellige overtuiging 
zeer tegen zijn zin. Het lag reeds in zijn aard om met diverse machthebbers een zo goed mogelijke 
relatie te onderhouden. In feite was hij in de Oostenrijkse affaire, met alle gecompliceerde verhou- 
dingen en intriges tussen kanselier, ministers, Duitse gezanten en gevolmachtigden, austro-fascisten, 
gematigde en extreme nazi's, groot-Duits en centraal-Europees denkenden, fanatici, zwakkelingen 
en eerzuchtigen, door dit talent naar de voorgrond geschoven. Maar toen hij de absorptie van 
Oostenrijk in Hitiers Duitsland eenmaal verzekerd had, bleek de 'intellektuelle Einzelganger', 



(1) Geb. 22 juli 1892 te Stannern bij lglau, thans Stonarov bij Jihlava, in Tsjechoslowakije. Studeerde 
rechten te Wenen, onderscheidde zich als vrijwilliger in de eerste wereldoorlog, werd eerste luitenant en 
tijdelijk compagniescommandant, behaalde tijdens een verlof de titel van Dr. jur. Na de oorlog advocaat 
te Wenen, lid van enige Duits-nationale verenigingen; in 1931 donateur van de Oostenrijkse NSDAP, in 
1932 lid van de Steirische Heimatschutz (zie voor dit uiterst rechts-radicale vrijkorps, waarin Rauter een 
leidende rol speelde, de annotatie bij nr. 1), desondanks zich enigszins distantiërend van de radicale 
Oostenrijkse nazi's. Juni 1937 lid van de Oostenrijkse Staatsraad, februari 1938 onder pressie van Berlijn 
minister van binnenlandse zaken en nationale veiligheid, 1 1 maart 1938 onder zware Duitse druk opvolger 
van Schussnigg als bondskanselier, voltrekt als zodanig de Anschluss, 13 maart Reichsstatthalter van het 
nu geannexeerde Oostenrijk en tevens in de SS opgenomen als (honorair) Gruppenführer, een jaar later 
rijksminister zonder portefeuille. In oktober 1939 benoemd tot plaatsvervangend gouverneur-generaal 
van het bezette Polen, op 19 mei 1940 benoemd tot rijkscommissaris van het bezette Nederland. Door 
het internationale militaire tribunaal te Neurenberg ter dood veroordeeld, en op 16 okt. 1946 opge- 
hangen. (P 1; Grossd. Reichstag; Kwiet, Reichskommissariat, p. 46-48; Neuman, Seyss-Inquart \ passim). 

(2) Zoals ook blijkt uit zijn houding tijdens het proces tegen de hoogste nazi-leiders, waaronder hemzelf, 
te Neurenberg; zie bijv. G. M. Gilbert (de Amerikaanse gevangenis-psycholoog te Neurenberg): 'Seyss- 
Inquarts persoonlijkheid', in Nederland in Oorlogstijd, orgaan van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocu- 
mentatie, 1949, december-nr., p. xoe.v. 

(3) Zie nr. 7, noot 1 en nr. 1 6. 



84 



de rijkscommissaris: positie en persoon 

zoals een Oostenrijkse nazi-leider hem eenmaal had gekarakteriseerd 1 , niet in staat zich goed te 
handhaven in het turbulente milieu van partij-bonzen en alte Kampfer der NSDAP. Hetgeen hij 
later over Rost van Tonningen schreef ('findet seine Starke nicht in sich, sondern trachtet Unter- 
stützung und Halt von dritten Personen zu bekommen* 2 ), was misschien wel het herkennen van een 
analoge situatie, hoe verschillend Rost en hij verder ook waren. Zijn onaanzienlijke positie in de 
NSDAP, en voorts zijn ervaringen in het bezette Polen, hebben hem zeker gebracht tot, of gesterkt in 
zijn voornemen om aansluiting bij de steeds machtiger Reichsführer-SS te zoeken, een lijn, die hij 
na zijn benoeming tot rijkscommissaris in Nederland doorzette. Waarschijnlijk is het vooral 
daarop terug te voeren, dat het in zijn gebied nooit tot een openlijk conflict tussen het burgerlijk 
gezag en de SS kwam. Wellicht valt die benoeming zelf uit deze factoren te verklaren; ten eerste was 
daar het feit, dat hem na de Anschluss van Oostenrijk een hoge positie was beloofd. Als zodanig 
kon men de positie van plaatsvervanger van Generalgouverneur Frank niet beschouwen: het was 
weinig meer dan een sinecure. Maar bovendien achtte Hitier hem een gewiekst diplomaat, geschikt 
dus om de Nederlanders te lijmen, en daarbij een niet al te sterke figuur, hetgeen ook zijn aantrek- 
kelijke kanten had. Datzelfde heeft Himmler misschien ook gedacht, die mogelijkerwijs een zeker 
aandeel in de benoeming van SS-Gruppenführer Seyss-Inquart tot hoogste civiele gezagsdrager in 
Nederland gehad heeft. 3 

Deze zag de functie, die hem in mei 1940 toeviel, echter niet als een eindstation. Het drong 
langzamerhand tot de heersende kliek in het nazi-rijk door, dat Seyss-Inquart de capaciteiten en de 
ambitie bezat om de nogal onbekwame Ribbentrop als Reichsminister des Auswartigen op te volgen, 
tot welk doel hij de twee machtigste mannen in het nazi-Rijk op Hitier na, de leider van de SS 
Himmler en de feitelijke partij-leider Bormann, op gezette tijden met zijn schriftelijk neergelegde 
inzichten betreffende de internationale situatie bombardeerde. Hitier zelf bleef van dit soort corres- 
pondentie en van veelvuldig bezoek van zijn stadhouder in Nederland verschoond. Tegenover 
Mussert merkte Seyss-Inquart eens op, dat hij om zo te zeggen tot het huispersoneel van de Führer 
behoorde 4 , maar hij wachtte zich er wel voor om de almachtige, sterk gepreoccupeerd met militaire 
zaken, te veel lastig te vallen; Hitier zou hem dan wel eens een intrigant kunnen gaan vinden, en 
wilde Seyss-Inquarts Streben naar de post van minister van buitenlandse zaken succes hebben, dan 
was terughoudendheid in zijn privileges bij de heerser bepaald gewenst. 5 Bovendien had het zorg- 
vuldig cultiveren van goede relaties, een techniek die Seyss-Inquart in Oostenrijk grondig onder de 
knie had gekregen, met lieden als Himmler en Bormann uiteraard zijn geheel eigen mérites. 

Voorzichtig laverend wist Seyss-Inquart zo tot het einde toe het vertrouwen van Hitier te be- 
houden, en tevens een goede verstandhouding met diens belangrijkste secondanten te bewaren, zich 
terdege realiserend, dat zijn volmachten in Nederland in de praktijk beperkt werden door rijks- 
ministers, rijksgevolmachtigden en andere nazi-leiders in Duitsland, die hun invloed in de bezette 
gebieden deden gelden. Natuurlijk was het wel jammer, dat de Führer zijn diepste wens pas eind 
april 1945 per testament vervulde, toen hijzelf en het Duitse Rijk met alle buitenlandse zaken 
van dien op het punt stonden voorgoed te verdwijnen. Bovendien legde na de zelfmoord van Hitier 
het nieuwe Duitse staatshoofd, admiraal Dönitz, de wilsbeschikking naast zich neer. 6 Het omzichtig 
laveren, het kwispelen om de machtigen in het Rijk, het minutieus doseren van woorden en daden 

(1) Neuman, Seyss-Inquart, p. 58. 

(2) Ziep. 197. 

(3) Vgl. Henry Pieker (hrsg.): Hitiers Tischgesprache im Fiihrerhauptquartier 1941-1942, Stuttgart, 1963, 
p. 360; zie Neuman, Seyss-Inquart, p. 77, en hiervoor p. 78, 79, en noot 1 daarbij ; ook Verkl. Lammers, p. 1. 

(4) Verslag van Mussert van bespreking met Seyss-Inquart op 12 febr. 1945, NSB 27 a. 

(5) Verkl. Wimmer II, p. 1 1 ; Verkl. Lammers, p. 3. 

(6) Zie bijv. H. R. Trevor-Roper: The Last Days of Hitier, London, 1958 (3d. ed.), p. 197, 244-246; 
Walter Lüdde-Neurath: Regierung Dönitz. Die letzten Tage des Dritten Reiches, Göttingen, 1950, p. 47; 
ook o.a. Verkl. mevr. Seyss-Inquart-Maschka. 



85 



HET RIJKSCOMMISSARIAAT 

- niet te veel, niet te weinig - dat alles, wat Seyss-Inquart decennia lang beoefend had en geoliede 
routine was geworden, had tenslotte niet het verlangde resultaat opgeleverd. 

Het lag in de natuur van deze man - in tegenstelling tot die van zijn barse collega Terboven in 
Noorwegen - om zo weinig mogelijk tegen benen aan te schoppen, Nederlandse of Duitse benen, 
van ondergeschikten of hogergeplaatsten. Het is opvallend, hoe na de oorlog bijna alle Duitsers, 
die hem hadden gekend, met een zekere waardering over hem spraken. Een zekere waardering; die 
in de eerste plaats de Reichskommissar gold, minder de persoon van Seyss-Inquart, die zich heel 
weinig of in het geheel niet deed kennen. Men mag zeggen, dat ook aan zijn Oostenrijkse vrienden 
Wimmer en Fischböck, die hem het meest nabij stonden, hij zijn persoonlijkheid maar zeer ge- 
deeltelijk blootgaf - misschien geldt het zelfs voor zijn eigen vrouw. Tegenover anderen bewaarde 
hij, hoffelijk en voorkomend, een volkomen distantie. Alleen tegenover iemand als Mussert per- 
mitteerde hij zichzelf af en toe streng of bars op te treden om onmiddellijk daarna weer een glad en 
minzaam masker op te zetten, meestal met het beoogde effect. 1 'Wenn ich mit Seyss-Inquart sprach, 
hatte ich immer das Gefühl, als wenn eine Wand von Glas zwischen uns ware' zei na de oorlog de 
chef van Seyss-Inquarts Prasidialabteilung. 'Nicht zu durchschauen', luidde een ander oordeel, dat 
een algemeen gevoelen vertolkte. Men vond hem niet uitgesproken sympathiek, maar ook niet het 
tegenovergestelde. Populair was hij niet bij het personeel van het rijkscommissariaat, maar er werd 
niet op hem gescholden. 2 In de hogere échelons werd hij vaak, vanwege zijn katholieke achtergrond 
en de hem aangewreven dubbelhartigheid, met het epitheton 'jezuïet' aangeduid. Rauter noemde hem : 

'sehr fleissig, aber kühl bis ins Herz hinein. Ein Mann, der kein Herz gekannt hat . . . Er war 
erzogen in einer Jesuitenschule in Feldkirch in Vorarlberg', 

en dat beïnvloedde natuurlijk zijn denken. 8 Dat laatste verhaaltje en de daaraan verbonden con- 
clusie berustten op niets, maar het leverde voor een aantal lieden een bevredigende verklaring, zeker 
voor de weinig genuanceerd oordelende Rauter, die - de hier gepubliceerde stukken tonen het aan - 
nog niet half de gecompliceerde politiek van Seyss-Inquart en diens even gecompliceerde persoon- 
lijkheid doorzag, en ook niet ten volle de fundamentele onzekerheid van de gesloten intellectueel 
Seyss-Inquart. 

Fundamentele onzekerheid inderdaad. Een Nederlands biograaf van Seyss-Inquart komt tot de 
slotsom, dat hij tegenover Tatmenschen een gevoel van onmacht had, dat velerlei gestalten kon aan- 
nemen, en dat zich bijvoorbeeld tegenover Hitier in kritiekloze bewondering uitte. 4 Wij zijn geneigd 
ons bij dit oordeel aan te sluiten. In zijn slotwoord in de rechtszaal te Neurenberg nog verklaarde 
Seyss-Inquart niet de man te kunnen afzweren, die hij gediend had, die 'Grossdeutschland als eine 
Tatsache in die deutsche Geschichte gestellt hat.' 5 Dat hij juist dit naar voren bracht, en op deze 
wijze, tekent niet alleen de Oostenrijker - of als men wil, Sudetenduitser - Seyss-Inquart, maar ook 
de mens. Zijn intellectuele onzekerheid wordt bevestigd door een na-oorlogse uitspraak van zijn 
vriend Wimmer, die hieruit het feit verklaarde, dat Seyss-Inquart zo vaak het oor had geleend aan 
Schmidt, de radicale volksjongen met de ervaring van de demagoog en partij-man. 6 

(1) Duidelijk in Musserts eigen verslagen van besprekingen met Seyss-Inquart in NSB 27 a; vgl. p. 240. 

(2) Verkl. Piesbergen, p. 4, 6, 7; brief van Heinrich Vogler aan L. de Jong van 14 juni 1950; de verdere 
karakterisering berust mede op grond van andere na-oorlogse gesprekken, o.a. met Wimmer, Hermann 
Harster, Vogler, Rauter, Wilhelm Harster, Schwebel. 

(3) Verkl. Rauter II, p. 12. Ook Rost uitte zich in een brief aan Wolff van 13 januari 1943 over Seyss- 
Inquart als 'de U bekende Jezuïet* (Ned. in Oorlogst. 1947, p. 155). 

(4) Neuman, Seyss-Inquart, p. 66. 

(5) /M7"(Duitse uitgave) XXII, p. 459, 460. 

(6) Verkl. Wimmer II, p. 13. 



86 



DE rijkscommissaris: positie en persoon 

De dubbelhartigheid valt ondertussen moeilijk te ontkennen. Dubbel spel spelen, het ene zeggen 
en het andere doen, de een tegen de ander uitspelen; het was in Seyss-Inquarts niet zó sterke positie 
eigenlijk een noodzaak. Dat hij daarmee nu zeer afstak tegen de intrigant Schmidt, de sluwe en 
dikwijls onoprechte Rauter, de duistere Himmler, kan weer niet worden gezegd. Dat juist hij bij 
medewerkers en tegenstanders als de 'jezuïet' gold, was vermoedelijk behalve aan zijn rooms- 
katholieke achtergrond te danken aan zijn intellectuele en gevoelsmatige distantie, zijn aarzeling, 
zijn behoefte om zijn eigenlijke bedoelingen vrijwel altijd te versluieren achter een scherm van in- 
gewikkelde zinsconstructies, dubbele ontkenningen, zogenaamde identificatie met het standpunt 
van zijn gesprekspartner, en altijd: voorbehoud. 1 

Wel mag men veronderstellen, dat een dergelijke figuur zich vermoedelijk niet al te veel illusies 
heeft gemaakt over de feitelijke inhoud van zijn positie. Hij kende de nazi-wereld, hij wist uit eigen 
ervaring in Oostenrijk en Polen, dat zijn alleenheerschappij in Nederland in de praktijk wat minder 
heerschappij, en wat minder alleen, zou zijn. 

B. Neven- en ondergeschikten 

Korter kunnen wij zijn over de Wehrmachtbefehlshaber - om zo te zeggen de militaire mede-regent 
van de rijkscommissaris - en twee van de vier commissarissen-generaal, namelijk die voor bestuur 
en justitie, en die voor financiën en economische zaken. 

In theorie waren rijkscommissaris en Wehrmachtbefehlshaber min of meer gelijkwaardige part- 
ners, maar juist hier kreeg de rijkscommissaris al gauw een aanzienlijk overwicht. 2 

Persoon en positie van de Wehrmachtbefehlshaber waren beide weinig formidabel. Ten eerste 
waren zijn bevoegdheden, ook op zijn eigen militaire gebied, beperkt: hij was niet veel meer dan 
een territoriaal toezichthouder op de Duitse troepen in Nederland, en in verschillende belangrijke 
opzichten, bijvoorbeeld disciplinair, had hij geen zeggenschap over hen. 3 Als, om iets te noemen, 
General der Flieger Christiansen bij een inspectie van de troepen door een of andere soldaat be- 
handeld zou worden op een wijze, die niet door de beugel kon, kon hij de man niet zelf bestraffen, 
maar moest hij daar bepaalde legerbevelhebbers om verzoeken - en maar afwachten, wat er dan van 
terechtkwam, zei zijn chef-staf von Wühlisch na de oorlog. 4 Kortom, erg veel had de Wehrmacht- 
befehlshaber over de bezettingstroepen niet te vertellen, als het er op aan kwam. Over de eenheden 
van de Wajfen-SS in Nederland had hij in normale tijden zelfs helemaal niets te vertellen, en hoe 
het precies zat, als hij in geval van een plotselinge geallieerde aanval tijdelijk operationele bevoegd- 
heden kreeg, wisten de heren zelf niet goed. 6 Bovendien was voor zo'n geval voorzien, dat zo snel 
mogelijk de eigen commandanten der aanwezige strijdkrachten, de echte generaals zou men haast 
zeggen, het bevel overnamen. De staf van de Wehrmachtbefehlshaber was een onduidelijke en magere 
organisatie, en bovendien zeer weinig efficiënt. Na de oorlog zei de vroegere chef-staf er zelf van: 
'. . . eine organisatorische Missgeburt, wie sie aber typisch für die Staatsführung Hitiers war. . 

(1) Vgl. p. 160. Zulks niet alleen tegenover SS of NSB, maar ook tegenover bijvoorbeeld de Wehrmacht '. 
zie - alweer bijvoorbeeld - nr. 525 I. 

(2) Bij de Oranje-demonstraties op 29 juni 1940 ('Anjerdag*) schijnt Christiansen nog een hoge toon te 
hebben aangeslagen en gedreigd te hebben Seyss-Inquart te 'massregeln' : zie nr. 38, noot 20. Eigenlijk 
zou het overwicht ook meer bij Christiansen gelegen moeten hebben op grond van de verordeningen, zie 
p. 79, 80. 

(3) Zie de in nr. 48, noot 1 genoemde bronnen. 

(4) Proces Christiansen, p. 232. 

(5) Zie p. HO. 

(6) Proces Christiansen, p. 233 ; de inlichtingenofficier was notabene een reserve-officier, die ook nog de 
welzijnszorg der troepen behartigde (inleiding bij de regestenlijst van het WBN-archief, p. 5; Vogler aan 
De Jong 14 juni 1950). 



87 



HET RIJKSCOMMISSARIAAT 

Toen sinds september 1944 Nederland weer oorlogstoneel werd, desintegreerden functie en orga- 
nisatie van de Wehrmachtbefehlshaber volkomen. Het heft bleef in handen van de legerbevelhebbers 
enerzijds, en civiel gezag en vooral SS anderzijds. 

Friedrich Christian Christiansen 1 was vroeger zo niet de oudste ('icn bin der alteste deutsche 
Seeflieger') 2 dan toch waarschijnlijk de meest bekende figuur uit de Duitse marineluchtvaart ge- 
weest. Om welke reden dan ook was hij een blinde verering voor de Führer gaan koesteren. Aan 
dit alles, en aan zijn carrière bij het ministerie van luchtvaart in de dertiger jaren, had hij waar- 
schijnlijk de protectie van Goering te danken, of misschien wel dat laatste, die carrière, aan de 
relatie met Goering. Vermoedelijk kwam ook uit die hoek zijn benoeming in mei 1940 tot de hoge 
post van Wehrmachtbefehlshaber in den Niederlanden, een functie, waarvoor de eenvoudige man, 
ex-matroos zonder academische of hogere militaire vorming, ten enenmale ongeschikt was, en zich 
ook ongeschikt voelde, zoals hij na de oorlog zei ; men beloofde hem echter een deskundige staf ter 
zijde te stellen, die alle moeilijke dingen wel zou opknappen. Het gevolg laat zich raden: 'ich wurde 
sowieso nicht für voll angesehen'. 3 De protectie van Goering devalueerde tijdens de oorlog sterk, 
sinds de Reichsmarschall zich meer en meer tot een eclatante mislukking ontwikkelde, en door 
Himmler, Bormann en Goebbels naar een tweede plaats onder de Rijksgroten werd geschoven. 

Dat betekende, dat Christiansen tamelijk alleen kwam te staan. In die situatie bleek hij tegen zijn 
tegenspelers, van welke aard dan ook, niet opgewassen. Na de oorlog probeerde hij zich voor te 
doen, en trachtte zijn Nederlandse raadsman hem tijdens zijn proces af te schilderen, als een ruwe, 
eerlijke en rondborstige zeeman, van wie men emotionele uitspraken als de wens tot 'ganz Holland 
zerstören' niet zo letterlijk moest nemen. Er zijn ernstige redenen om hieraan te twijfelen, niet aan 
de ruwheid, doch aan de rondborstigheid van de ongeletterde zeeman. Maar wel moet men de 
ultima ratio in het pleidooi van zijn verdediger onderschrijven: het feit, dat Christiansen, wat 
intellect betreft, verre de mindere was van lieden als Seyss-Inquart en Rauter. 4 Misschien was het 
hierom, dat hij zoveel mogelijk contacten vermeed met het civiele bezettingsbestuur. Ten opzichte 
van Nederlanders was zijn houding minstens even afwerend. Vooral Mussert en zijn NSB genoten 
zijn hardnekkige antipathie, zonder dat de oorzaken daarvoor nu recht duidelijk zijn. 5 

De zwakke positie van Christiansen vond mede zijn oorsprong in het feit, dat de rijkscommissaris 
direct onder de Führer ressorteerde. Al was Seyss-Inquart zo slim om niet al te veel gebruik te 
maken van zijn privilege om rechtstreeks naar Hitier toe te gaan, indien nodig, kon hij het doen. 
Deze mogelijkheid was er voor Christiansen ook niet. Alles, wat hij wenste te bereiken of naar 
voren te brengen, moest lopen via het Oberkommando der Wehrmacht en dit OKW onder de leiding 
van de ruggegraatloze Generalfeldmarschall Keitel bleek niet altijd tijd of zin te hebben om de zaken 



(1) Geb. 12 dec. 1879 te Wyk op het Noord- Friese eiland FÖhr. Bekend kapitein der koopvaardij en 
sportvlieger. In de eerste wereldoorlog marinevlieger, daarna kapitein op grote passagiersschepen, van 
1930 tot 1933 commandant van de vliegboot Do X, waarmee hij een opzienbarende vlucht maakte. In 
1933 lid van de NSDAP, ambtenaar bij het Reichsluftfahrtministerium, 1935 commandant van de oplei- 
dingsscholen der Luftwaffe, 1937 leider van het Nationalsozialistisches Fliegerkorps (NSFK). Sinds mei 
1940 Wehrmachtbefehlshaber in den Niederlanden (WBN). In verband met terreurmaatregelen (executies 
van gijzelaars, platbranden van een deel van Putten en deportatie van een groot deel der mannelijke 
bevolking van het dorp) in aug. 1948 door het Bijzonder Gerechtshof te Arnhem tot 12 jaar gevangenis- 
straf met aftrek van voorarrest veroordeeld. In dec. 195 1 in vrijheid gesteld. In 1972 gestorven. (Das 
Deutsche Führerlexikon 1934! 1935, Berün-Leipzig, z.j. (1934); Proces Christiansen, spec. p. 9-1 1, 165). 

(2) Verkl. Christiansen, p. 3. 

(3) A.v.,p. 3. 

(4) Zie requisitoiren pleidooi in Proces Christiansen, spec. p. 158 en 164. 

(5) Zie nr. 79 ; nr. 157, noot 1 8 ; H. M. Hirschfeld : Herinneringen uit de bezettingstijd, Amsterdam-Brussel, 
1960, p. 44, 45- 



88 



NEVEN- EN ONDERGESCHIKTEN 



van de Wehrmachtbefehlshaber in Nederland in kwesties met de rijkscommissaris of de Höherer 
SSuPF of met wie dan ook te behartigen, afgezien van de geringe mogelijkheden voor het OKW 
om zich tegen de invloeden van Himmler en Bormann c.s. te verzetten. 1 

Tegenover een Christiansen zag Seyss-Inquart dus wel kans zijn civiele gezag waar te maken. 
Wat zijn ondergeschikten betrof ondervond de rijkscommissaris onvoorwaardelijke vazallentrouw 
alleen van zijn Generalkommissar für Verwaltung und Justiz Wimmer. Niet alleen, dat deze een 
persoonlijke vriend van Seyss-Inquart was, op zijn arbeidsgebied deden de interferenties van poten- 
taten in het Duitse achterland zich veel minder voelen; Wimmer had alleen met de minister van 
binnenlandse zaken Frick en de minister van onderwijs Rust te maken, tamelijk machteloze lieden, 
die niet in staat waren de autoriteit van de rijkscommissaris ernstig te ondergraven. 2 

Dat arbeidsgebied omvatte het bestuur in engere zin, de 'innere Verwaltung', maar ook meer dan 
dat. Het geheel hield in overeenstemming met de heersende Duitse opvattingen zulke verschillende 
zaken in als bijvoorbeeld het voorbereiden van verordeningen, justitie, volksgezondheid, en onder- 
wijs. De aanduiding van een aantal Hauptabteüungen zegt genoeg: Inneres, Erziehung und Kirchen, 
ook Wissenschaft, Volksbildung und Kulturpflege. Maar alles, wat met politie te maken had, was 
zorgvuldig buiten de competentie van Generalkommissar Wimmer gehouden. 

De Oostenrijker Friedrich Wimmer 3 was oorspronkelijke kunsthistoricus, vervolgens jurist, en 
had in 1934 een functie gekregen in de afdeling onder de Oostenrijkse bondskanselier, die zich met 
constitutioneel recht bezighield, hetgeen allerminst verhinderde, dat hij tevens adviseur was van de 
illegale Oostenrijkse NSDAP, wie de grondwet van het land een doorn in het oog was. In het kort- 
stondige kabinet-Seyss-Inquart, dat in maart 1938 de Anschluss van Oostenrijk bij Duitsland vol- 
trok, was Wimmer als Staatssekretar onder de bondskanselier Seyss-Inquart diens plaatsvervanger. 4 
Daarna verhuisde hij als Regierungsprasident naar Regensburg om die post op te geven toen Seyss- 
Inquart hem in mei 1940 verzocht een positie in het komende civiele bezettingsbestuur in Nederland 
te aanvaarden. Hij stond - evenals Fischböck - met de rijkscommissaris op voet van tutoyeren, 
dat wil zeggen 'Du* in het persoonlijk contact, 'Sie' tijdens dienst; met het haast onvermijdelijke 
gevolg, dat iemand eens Wimmer tegen Seyss-Inquart 'Du, Herr Reichsminister' hoorde zeggen. 5 
Zonder twijfel voelde Seyss-Inquart zich het meest verwant met Wimmer, die eveneens sterk ge- 
ïnteresseerd was in kunst (vooral in muziek vonden zij elkaar), veelzijdig georiënteerd, en evenmin 
een harde Draufganger was, ja, door dat soort mede-nazi's ook gewantrouwd werd als katholiek- 
gebonden en weich. Hoe kunstminnend, rustig, beschaafd en week Wimmer ook was of gevonden 
werd 8 , het verhinderde hem niet om aan de meest harde maatregelen van het bezettingsregime zijn 
in het geheel niet onbelangrijke medewerking te verlenen, de meest hardvochtige besluiten in ver- 
ordeningen te verwerken, het doorlopend onrecht met legale techniek te schragen, zonder dat men 
ooit iets van een gewetensconflict bespeurt. Maar die houding is allerminst in tegenspraak met een 



(1) Proces Christiansen, p. 34. Het is Christiansen zelf, die in verband met de tegen hem ingebrachte 
beschuldigingen uiteraard de nadruk hierop legt, maar het wordt bevestigd door zijn chef-staf von Wüh- 
lisch (Proces Christiansen, p. 231-232) en door de contemporaine documenten (zie nrs. 384, 544 en de 
annotatie en verwijzingen daarbij, eveneens de inleiding bij de regestenlijst van het WBN-archief). 

(2) Zie Verkl. Wimmer l, p. 9. 

(3) Zie ook zijn curriculum vitae, geschreven naar aanleiding van zijn honoraire opname in de SS: nr. 6, 
met de annotatie daarbij. 

(4) Zie nr. 6, noot 6. 

(5) Verkl. Wilhelm Harster, p. 3 ; zie ook Verkl. Piesbergen, p. 4. Voor het volgende ook de na de oorlog 
gevoerde gesprekken met andere Duitsers (Verkl. Rauter, Verkl. Schwebel, e.a.). Met het hier weergege- 
vene zijn de naoorlogse gesprekken met Wimmer zelf (Verkl. Wimmer) o.i. allerminst in tegenspraak. 

(6) Een beleefde, doch zwakke figuur, is het oordeel over hem, niet alleen van de in de vorige noot 
genoemde Duitsers, maar ook van Hirschfeld, Herinneringen, p. 44. 



89 



HET RIJKSCOMMISSARIAAT 



in wezen zwakke persoonlijkheid. Zwak was ook zijn positie, want in feite alleen afhankelijk van 
de rijkscommissaris; een achterban in Duitsland van machtige ministers of partijfunctionarissen 
had Wimmer, zoals wij al gezegd hebben, niet. Belangrijke politieke impulsen gingen dan ook niet 
van hem uit. 

Zeer uitgebreid waren arbeidsgebied en organisatie van de Generalkommissar für Finanz und 
Wirtschaft. Die organisatie omvatte Gewerbliche Wirtschaft, Preisbildung, Ernahrung und Land- 
wirtschaft, Post- und Fernmeldewesen, Eisenbahn, om maar een zeer losse en allerminst volledige 
greep te doen in de wirwar van afdelingen en onderafdelingen. Van zeer groot belang voor de 
Nederlandse bevolking, zij het niet voor dit verhaal, was de Hauptabteilung Soziale Ver walt ung, die 
zich bezig hield met de uitzending (al spoedig: deportatie) van Nederlandse arbeidskrachten naar 
Duitsland. In 1942 werd deze instantie om nog te noemen redenen onder de Generalkommissar 
z.b. V. geplaatst, om in 1944 naar Finanz und Wirtschaft terug te keren. 1 In feite was ook dit com- 
missariaat-generaal een conglomeraat van allerlei instanties, die voortdurend richtlijnen van 
Berlijnse bureaus kregen en onderling met toewijding hun competentie-veten bleven uitvechten. 

De Generalkommissar Hans Fischböck 2 was eveneens Oostenrijker, eveneens een goede bekende 
van Seyss-Inquart, en had, zij het op ander terrein dan Wimmer, een vergelijkbare carrière achter de 
rug. Na een tijdlang in het bankwezen en aanverwante instellingen werkzaam geweest te zijn, werd 
hij belast met de afwikkeling der zaken van de in 1936 ineengestorte verzekeringsmaatschappij 
'Phoenix' (die ineenstorting had toen een schandaal in heel Oostenrijk veroorzaakt). Daarnaast 
diende hij Seyss-Inquart, in die twee laatste jaren van Oostenrijks onafhankelijkheid de rijzende 
ster aan het politieke firmament, van advies op economisch gebied. In het Anschluss- kabinet van 
Seyss-Inquart was hij minister van handel. In tegenstelling tot Wimmer behoorde hij wel degelijk 
tot het harde soort. Dat iemand als Rost van Tonningen hem 'een meester in cynische en geslepen 
manoeuvre* zou hebben genoemd 3 , zegt op zichzelf vermoedelijk alleen, dat Fischböck hem te slim 
af was, maar zeer ambitieus en wantrouwend en bovendien onvermurwbaar was hij stellig. 4 Op 
economisch terrein speelde hij in Nederland een uiterst belangrijke rol, die echter betrekkelijk snel 
het karakter van rücksichtslose uitbuiting aannam, geheel in overeenstemming met de wensen van 
Goering en Funk, die beiden in de politische Neugestaltung van Nederland in wezen ongeïnteresseerd 
waren. 

Meer menen wij derhalve over Wimmer en Fischböck, hoewel beiden honorair SS-Führer waren, 
niet te hoeven zeggen. Daarentegen des te meer over het derde commissariaat -gene raai, dat de vage 
aanduiding zur besonderen Verwendung had gekregen, en dat als enige onder leiding stond van een 
echte Duitser uit het Altreich: Schmidt. 

C. Schmidt 

De benoeming van Wimmer en Fischböck was een persoonlijke keuze van Seyss-Inquart geweest. 
Dat was niet het geval met Schmidt en Rauter. De laatste (die een apart hoofdstuk vormt, in meer 
dan één opzicht trouwens) was door Himmler naar voren geschoven 6 , Schmidt hoogstwaarschijnlijk 
door Bormann. Op 25 mei 1940 had Hitier in zijn hoofdkwartier in de Eifel de pas-benoemde rijks- 
commissaris en deze twee commissarissen-generaal toegesproken in verband met hun spoedig te 



(1) Zie Sijes, Arbeidsinzet, p. 57, 58; Pras 1 io 00 C. 

(2) Zijn korte autobiografie voor opname in de SS hier afgedrukt als nr. 82. 

(3) KB I 2227. 

(4) Hirschfeld, Herinneringen, p. 6, 44. 

(5) D.w.z. Hitier had zijn keus gedaan uit een voordracht door Himmler van twee mannen: Rauter en 
E. von dem Bach-Zelewski (zie nr. 21, en noot 2 daarbij). 



90 



SCHMIDT 



aanvaarden functies in Nederland. Daarbij was gezegd, dat Schmidt als representant van de Partei- 
kanzlei zou worden 'beigegeben'. Tevens verwachtte de Führer, dat de Generalkommissare 'engstens' 
met Seyss-Inquart 'zusammenarbeiten würden'. 1 Van een duidelijke formele onderschikking werd 
niet eens gerept. 

Ambt en taak van de Generalkommissar z.b.V. waren uitermate vaag aangeduid in de desbetref- 
fende verordening 2 : hij was belast met kwesties inzake openbare meningsvorming en met opdrach- 
ten, die hij in speciale gevallen van de rijkscommissaris zou krijgen. Wat hield dit nu in? De twee 
belangrijkste Hauptabteilungen van dit speciale commissariaat-generaal kregen de omineuze namen 
Politischer Aufbau en Volksaufklarung und Propaganda. Kortom, het bleek al gauw, dat de taken 
bestonden uit het voeren van nazi-propaganda, en vooral van een nazificeringspolitiek. Pers, radio, 
film en dergelijke zaken kregen speciale aandacht van de Generalkommissar z.b. K, die al snel als de 
'politische Generalkommissar* werd aangeduid. Aanvankelijk gingen vrijwel alle Duitse functio- 
narissen er als vanzelfsprekend van uit, dat bij het ontwerpen en realiseren van het politieke beleid 
hij de eerste secondant van de rijkscommissaris, en mede-bepaler van het beleid, zou zijn. Pas later 
ontwikkelde de SS zich met name in de persoon van de Höherer SSuPF tot een gevaarlijke concur- 
rent. Al met al reden genoeg om wat uitgebreider stil te staan bij de persoon van Schmidt en het 
apparaat, waarvan hij het hoofd was. 

Zijn commissariaat-generaal was niet alleen uit partij-mensen opgebouwd, maar voor een groot 
deel uit personeel, dat van het Propagandaministerium afkomstig was. De ene groep was trouwens 
gedeeltelijk aan de andere identiek; dat gold in de eerste plaats voor Schmidt zelf, die zoals men 
hieronder nog zal zien zowel in de partij -hiërarchie als in het propaganda-apparaat carrière had 
gemaakt. Onlogisch was de keuze van deze Generalkommissar en het personeel onder hem niet, 
waar één van hun voornaamste taken bestond uit de 'openbare meningsvorming', dat wil zeggen het 
voeren van propaganda en het controleren en beïnvloeden van de Nederlandse nieuwsmedia. 
Indien de Duitse minister van propaganda Goebbels het gewild had, had hij vermoedelijk vrij 
makkelijk van het Generalkommissariat z.b. V. een vooruitgeschoven post van zijn ProMi {Propa- 
gandaministerium) kunnen maken. Bij een bezoek van hem aan Den Haag op 29 juni 1940 (waarbij 
Goebbels zelf kon waarnemen, hoe de Nederlanders naar aanleiding van Prins Bernhards verjaardag 
voor het eerst openlijk tegen de bezetter demonstreerden) constateerde een ambtenaar van het 
commissariaat-generaal, zelf uit het ProMi afkomstig, verheugd, dat de minister 

Von meiner Dienststelle und den Ausserungen des Generalkommissar Schmidt den Eindruck 
gewonnen hat, dass unser Ministerium hier doch gut dasteht und sich weiter noch fester in den 
Sattel setzen wird.' 3 

Maar hierbij liet Goebbels het, verder geen enkele interesse voor Nederland tonend en het terrein - 
Schmidt en diens onderhorigen - zodoende geheel aan Bormann overlatend. 

Daar kwam nog iets bij. Voor de oorlog waren de Rijksduitsers 4 in Nederland, die lid waren van 
de NSDAP, georganiseerd in de Landesgruppe Niederlande van de Auslandsorganisation der NSDAP, 
zij het later onder een andere naam. Na mei 1940 slaagden Seyss-Inquart en Schmidt erin de 
Landesgruppe Niederlande aan de Auslandsorganisation te ontfutselen, en in oktober 1940 - in 
navolging van het Generalgouvernement in Polen - te organiseren in een zg. Arbeitsbereich der 



(1) Verkl. RauterII,p. 6. 

(2) FO4/40. 

(3) CD! 4 C; Verkl. Wimmer II, p. 1 1 ; Verkl. Janke, p. 10. 

(4) Personen met de Duitse nationaliteit, in tegenstelling tot Volksdeutschen ('Volksduitsers'), lieden, 
van wie een Duitse afstamming werd aangenomen. 



91 



HET RIJKSCOMMISSARIAAT 

NSDAP in den Nieder landen 9 ondergeschikt aan de rijkscommissaris, met als leider de General- 
kommissar z.b.V. Schmidt. 1 

Dit Arbeitsbereich was net zo georganiseerd als een Gau in Duitsland, met Kreise, Ortsgruppen, 
met de voor een Gau gebruikelijke bureaus en functionarissen, met neven-organisaties zoals de 
DAF (Deutsche Arbeitsfront), Reichsjugendführung, NSV ( Nationalsozialistische Volkswohlfahrt) 
en dergelijke. Het grote verschil was, dat er nimmer een SA in Nederland kwam, en dat de SS in 
Nederland er volkomen los van stond. 

Niet alleen in de persoon van Schmidt was het Arbeitsbereich der NSDAP in den Niederlanden 
gekoppeld aan het rijkscommissariaat; ook een aantal functionarissen van het Arbeitsbereich 
hadden overeenkomstige posten in het Generalkommissariat z.b. V. Zo was de leider van het Referat 
Jugend in het zb ^-apparaat tevens Beauftragter van de Reichsjugendführung in Nederland, en als 
zodanig functionaris van het Arbeitsbereich. De bewuste versmelting van partij en staat, in Duits- 
land al ver doorgevoerd, was hier ook meer dan alleen een personele unie. In de indelingsschema's 
van het rijkscommissariaat werd het Arbeitsbereich min of meer als een soort instantie van de 
Generalkommissar z.b.V. opgevoerd. Medewerkers van DAF en NSV werden als onbezoldigde 
ambtenaren in het rijkscommissariaat opgenomen. Er zijn nog meer gegevens, die in deze richting 
wijzen; de betrokken Duitsers wisten blijkbaar zelf vaak geen onderscheid te maken tussen bepaalde 
functies en activiteiten van het Generalkommissariat z.b.V en het Arbeitsbereich. 2 

Daarbij kreeg Schmidt nog een derde ambt: de Generalbevollmachtigte für den Arbeitseinsatz 
Sauckel benoemde hem in oktober 1942 tot zijn vertegenwoordiger in Nederland (waardoor de 
eerder genoemde Hauptabteüung Soziale Verwaltung een onderdeel van Schmidts commissariaat- 
generaal werd). Soortgelijke functies hadden de Gauleiter in Duitsland gekregen; het staatskarak ter 
ervan was dus stellig discutabel. 3 Misschien kan men in plaats van versmelting van partij en staat 
eerder spreken van verwarring, zij het een opzettelijke. Hoe dan ook, het verschafte Schmidt een nog 
groter, zij het niet doorslaggevend, gewicht. 

Als chef van het Arbeitsbereich kreeg Schmidt (het werd pas in oktober 1941 formeel zo gesteld) 
de rechten van een Hoheitstrdger. 4 Dat ging al een heel eind in de richting van de zo zeer door hem 
begeerde Gauleiter-positie. Niet alleen tegenover zijn collega's en concurrenten, ook tegenover 
de rijkscommissaris maakte het zijn positie sterker. 5 De politieke winst ging echter ook naar Bor- 
mann, de opsteller van het desbetreffende decreet. De leider van het Arbeitsbereich in Nederland 
immers 

'ist in allen internen Parteiangelegenheiten an meine, in allen den politischen Einsatz des Arbeits- 
bereichs der NSDAP betreffenden Fragen an die Weisungen und Richtlinien des Reichskom- 
missars und Reichsministers Pg. Dr. Seyss-Inquart gebunden.' 



(1) Verfügung K9/40 van 7 okt. 1940, in Reichsverfügungsblatt der NSDAP, Ausgabe B, 11 okt. 1940. 
Men zie voor deze materie A.E. Cohen: 'Ontstaan en betekenis van 'Der Arbeitsbereich der NSDAP in 
den Niederlanden', in Studies I, p. 24CV. 

(2) Het voorafgaande is afgeleid uit een vergelijking van gegevens uit persoonsdossiers van het rijkscom- 
missariaat, Organisationsplcine, telefoonlijsten e.d. (Pras 43 en PA Pras); voorts H 1 140. Schmidts opvolger 
Ritterbusch leidde n.b. zijn functie als Generalkommissar z.b. V. af uit die van leider van het Arbeitsbereich : 
zie nr. 423, noot 1. 

(3) Circ. van Piesbergen 30 okt. 1942, Pras 1 io° iC; T 48/177363; IMT XXII, p. 566-568; zie ook 
Sijes, Arbeidsinzet, p. 150, 151. 

(4) Verfügung V 3/41, Reichsverfügungsblatt der NSDAP, Ausgabe A, 20 okt. 1941. Zie voor het begrip 
Hoheitstragerp. 18. 

(5) In Noorwegen was de rijkscommissaris Terboven zelf het hoofd van het Duitse partij-apparaat 
(daar niet Arbeitsbereich genoemd, maar Lande sgruppe der NSDAP in Nor wegen). 



92 



SCHMIDT 



Dat laatste, die gebondenheid aan 'Weisungen und Richtlinien' klonk heel wat tammer en vager 
dan de directe subordinatie, waarvan in de oprichtingsverordening sprake was geweest. 1 Bormann 
kreeg nu meer greep op de leider van de partijorganisatie in Nederland. In een Verfügung van 2 
augustus 1942, ditmaal van Hitier zelf, werd de onderschikking van de leiders der diverse Arbeits- 
bereiche (Polen, Nederland, het bezette gebied in de Sowjet-Unie) aan de leider der Parteikanzlei 
nog stringenter gemaakt; 2 vermoedelijk een openingszet van Bormann ter vergroting van zijn 
zeggenschap over de vele machtige Gauleiter in Duitsland zelf. 3 Himmler was niet de enige, die 
sterke posities in de bezette gebieden als springplank tot machtsuitbreiding in het hart van Hitiers 
rijk wilde gebruiken. 

In hoeverre deed 'München' (waar de Parteikanzlei zetelde) zijn invloed gelden? Over de relatie 
tussen Himmler en Rauter zijn wij door de hier afgedrukte correspondentie goed ingelicht, maar 
briefwisseling tussen hun rivalen, Bormann en Schmidt, is misschien wel gevoerd, maar in ieder 
geval niet bewaard gebleven. 

'Schmidt war ein Bormann-Mann ; er war das Telephon des Bormann, die Hand zu Bormann', 

beweerde Rauter na de oorlog. 4 Dat was niet helemaal onjuist, maar met deze formulering leverde 
Rauter toch voornamelijk een fraaie projectie van zijn eigen verhouding tot Himmler. Schmidt 
was niet als zijn SS-rivaal, die geen stap deed zonder er zeker van te zijn, dat hij geheel in de pas 
van zijn meester in Duitsland liep; integendeel, hij voerde een hoogst persoonlijke politiek, die 
door Bormann met stijgende reserve werd gevolgd. Daarbij oefende hij vooral in het begin van de 
bezettingstijd een sterke invloed uit op de aarzelende Seyss-Inquart. 

Onder de mannen, die met hem te maken hadden, heerste er een zekere communis opinio ten 
aanzien van de persoon van Fritz Schmidt 5 (afgescheiden van de NSB-leider Mussert, die geheel 
door hem werd ingepalmd). Onder de hoogste Duitse ambtsdragers in Nederland nam hij een 
wat aparte plaats in. Dat lag niet, zoals men zou kunnen denken, zozeer aan het verschil in nationale 
origine: Seyss-Inquart, Rauter, Wimmer en Fischböck, zij waren allen Oostenrijkers, Schmidt 
daarentegen, geboren, opgegroeid en omhooggeklommen in Westfalen, was de enige Noord-Duitser 
in dit gezelschap (dat, met een aantal lagere dignitarissen van dezelfde stam, soms spottend de 
Donauklub werd genoemd). Ook lag het niet aan het feit, dat hij de enige van hen was, die geen SS- 
rang had ; zoveel had dat bij Wimmer of Fischböck ook niet te betekenen. Schmidt onderscheidde 
zich eerder door zijn sociale afkomst en carrière. Geen officier, geen banden met de gute Gesellschaft 

(1) ln de Verfiigungenj Anordnungenj Bekanntgaben. Herausgegeben von der Partei-Kanzlei y München, 
(1943)» III» P- 198, 199» zijn de decreten K9/40 en K3/41 enigszins gewijzigd opgenomen, o.a. met weg- 
lating van de persoonsnamen. 

(2) Verfügung 8/42, Reichsverfügungsblatt der NSDAP, Ausg. A, 18 aug. 1942. 

(3) Dit wordt ook door Cohen verondersteld in Studies 1, p. 35. 

(4) Verkl. Rauter II, p. 11. 

(5) Geb. i9nov. 1903 te Eisbergen (Westfalen). Gymnasium-opleiding; van 1922 tot 1926 soldaat in de 
Reichswehr. Opleiding voor fotograaf, tot 1934 foto-handelaar. Sinds 1929 lid van de NSDAP en de SA. 
Vanaf zijn intrede in de partij bekleed met regionale partij-functies, ln 1932 Kreisleiter van Minden in 
Westfalen, in 1934 daarbij Gaupropagandaleiter en tegelijkertijd chef van het Reichspropagandaamt in de 
Gau W e st f alen-N ord. In 1938 'zur Partei-Kanzlei berufen', eerst gedetacheerd bij de Sudetenduitse 
Gauleiter Henlein, sinds het begin van de oorlog bij het Propagandaministerium van Goebbels. Op 23 mei 
1940 benoemd tot Gene ralkommis sar z.b.V. bij de rijkscommissaris van het bezette Nederland; op 7 
oktober van dat jaar tevens Leiter van het Arbeitsbereich der NSDAP in den Niederlanden. Op 26 juni 1943 
in Frankrijk door een val uit een trein om het leven gekomen (Grossd. Reichstag; P 154; PA Pras; Nieuwe 
Rotterdamsche Courant 8 juni 1940. Het volgende is, voorzover niet een precieze bronaanduiding wordt 
genoemd, gebaseerd op Verkl. Wimmer, Rauter, W. Hars ter, mevr. Seyss-Inquart- Maschka, Piesbergen). 



93 



HET RIJKSCOMMISSARIAAT 



(in Wenen altijd hoog gewaardeerd), geen academicus. Of hij zijn gymnasium-opleiding heeft 
afgemaakt, is twijfelachtig. 1 In het begin van de twintiger jaren was hij een tijdlang beroepssoldaat, 
daarna werd hij foto-handelaar, en enige jaren nadien fervent lid van de NSDAP, waarin hij snel 
carrière maakte als organisator en spreker. Kennelijk gaf hij in 1934 zijn foto-handel op, toen hij 
behalve Kreisleiter van Minden (en dus Hoheitstrager, toen al) ook hoofd van het Reichspropaganda- 
amt voor de gehele Gau Noord-Westfalen werd, en daarmee trouwens ook een partij-functie op 
propagandagebied combineerde. Zijn hoofdtaak, mag men hieruit afleiden, vond hij dus in het 
staatsapparaat, van Goebbels met name, maar hij bleef daarbij partij-man. Een paar diverse, korter 
durende functies bevestigden dit type loopbaan, bevestigden vermoedelijk bovendien zijn type: 
geen intellectueel als Seyss-Inquart, geen condottiere als Rauter, maar een typische pzrüj-apparat- 
schik. Toen hij tot Generalkommissar z.b.V. in Nederland benoemd was, kon hij moeilijk anders 
zijn dan een exponent van de partij. In meer dan één opzicht: de omhooggevallen ex-fotograaf in 
zijn partijbonzen-uniform en met zijn Hitler-snorretje was zo duidelijk de Emporkömmling uit het 
kleinburgerdom, die de brede kijk op de dingen miste 'auf Grund von Kinderstube und Studium'. 2 
Hij was en bleef 'Parteigenosse Schmidt-Münster'; de naam van de Westfaalse stad werd vaak aan 
zijn eigennaam toegevoegd om hem te onderscheiden van de vele, vele andere Schmidts, Schmitts, 
enz., enz., die door en in de nazi-partij personen van gewicht werden. Die aanduiding trof onbedoeld 
het wezen van de zaak : van welke snorkende partijrang ook voorzien, hij bleef een hoogst onge- 
tituleerde meneer Schmidt uit het kleine provincie-milieu. Maar juist zo was hij veel representa- 
tiever voor de nazi-beweging dan 'nette' lieden als Seyss-Inquart. Die keek evenals de andere 
Generalkommissar e zeker enigszins neer op de handige, welbespraakte volksjongen, die niet door 
intellectuele twijfels geplaagd scheen te worden. Anderzijds meende Seyss-Inquart, die die twijfels 
vrijwel voortdurend koesterde, juist daarom vaak op het politieke instinct van Schmidt te kunnen 
vertrouwen. 3 

Toen na enige maanden van Duitse heerschappij in Nederland de tegenstellingen tussen de NSB 
en haar radicale vleugel, die zich in de Nederlandsche SS organiseerde, duidelijker aan het licht 
traden, manifesteerden zich ook de eerste tekenen van een botsing tussen Schmidt en Rauter, die op 
Himmlers bevel de Nederlandsche SS onder zijn hoede nam. Steeds sterker begon een SS-politiek 
zich af te tekenen tegenover het streven van de NSB, gesteund door Schmidt. Was het, omdat hij 
als partij-man reeds in een zekere tegenstelling tot de SS stond, omdat hij als zodanig een grotere 
affiniteit had met de Nederlandse nazi-partij, of omdat hij in de naïeve leider van de NSB het meest 
bruikbare instrument voor eigen streven zag? 

Het een sluit het ander niet uit, en waarschijnlijk speelden alle drie factoren mee. De politiek van 
Schmidt om steun te verlenen aan Mussert, die een nationaal-socialistisch, maar zoveel mogelijk 
onafhankelijk Nederland voorstond, was niet alleen zeer voorwaardelijk en zeer kronkelig, maar in 
essentie onoprecht. Schmidt bestreed de SS-politiek, maar dacht eigenlijk nog imperialistischer dan 
de SS. Hij jongleerde met concurrerende Nederlandse rechts-radicale partijen, ja, ook met de 
Nederlandsche SS in plotseling samenspel met Rauter (dat even plotseling weer afbrak) om de 
NSB in de door hem gewenste richting te drijven. De lezer zal in deze publikatie gelegenheid te over 
krijgen om de bochten en sluipwegen, waarlangs Schmidt zijn doel trachtte te bereiken, te leren 
kennen. 

Haast onontkoombaar dringt zich de indruk op, dat Schmidt alle achterbaksheden, trucjes, 
leugens en intriges, die ook de grote staatsman niet vreemd plegen te zijn, voor het wezen van 
staatsmanskunst aanzag. De vraag is, wat hij met al zijn handigheden wilde. Daarover hield hij 
meestal zijn mond, maar in oktober 1942 liet hij tegenover een hoge regeringsambtenaar in Duits- 

(1) Gezien de vaagheid hierover in P 154 en PA Pras. 

(2) Verkl. Piesbergen, p. 9. 

(3) Als bij p. 86, noot 6. 



94 



SCHMIDT 



land toch iets los: hij steunde Mussert inderdaad, en wilde hem aan de macht hebben, maar na een 
aantal jaren onder het bewind van deze man zouden de Nederlanders wel tot het punt zijn gebracht, 
dat ze dan nog liever annexatie bij Duitsland zouden verkiezen. 1 Misschien was deze uitlating van 
Schmidt alweer een halve waarheid, of onversneden opschepperij, maar iets onthullen deze woorden 
wel degelijk. Wat Schmidt uiteindelijk wilde, was een zeer hoge positie in Hitiers rijk, daaronder 
begrepen de bezette gebieden. Of juist die gebieden; welke dat waren deed er niet zoveel toe. 
De Kreisleiter uit het Westfaalse stadje Minden zag zich al als Gauleiter in Holland, misschien 
Reichskommissar van België na vervanging van de militairen daar door een civiel bestuur. Of 
waarom geen positie, waarin hij de politieke gelijkschakeling van twee, drie, of alle Germaanse 
landen tegelijk wel even voor elkaar zou brengen? Zijn eerzucht en zijn zelfoverschatting waren 
grenzeloos, zijn fanatieke bezetenheid, gepaard met evidente onbetrouwbaarheid verwekte af- 
keurende verwondering, irritatie en misprijzen bij zijn collega's en ondergeschikten, na enige tijd 
ook bij zijn superieuren; men ging zich afvragen, of de man niet stapelgek was. 2 Het meest milde 
oordeel is ongetwijfeld dat van de Befehlshaber der Sicherheitspolizei in Nederland Harster, die 
Schmidt 'bauernschlau' noemde, een man, die zichzelf overschatte, en eigenlijk een tragische 
figuur werd. 3 

Daar kan men verschillend over denken. Zeker is, dat zijn politiek een mislukking werd, en dat 
bij al het politieke touwtrekken in Nederland de SS toch de sterkste scheen te worden. De grootse 
plannen van Schmidt met de NSB en met zichzelf liepen op niets uit. Bormann beschouwde zijn 
gedoe met steeds meer distantie. Geheel anders dus dan de wijze, waarop Himmler, voortdurend 
instructies gevend, met zijn zonder meer gehoorzamende agent Rauter omsprong. De hierboven 
gestelde vraag, in hoeverre Schmidt de politiek van zijn Duitse partij-chef volgde, werd door deze 
tenslotte beantwoord met een krachtig: in het geheel niet. Bormann liet in februari 1943 vastleggen, 
dat hij voor hetgeen Schmidt in Nederland 'als Politik bezeichnet und tut' geen enkele verantwoor- 
delijkheid wenste te dragen. 4 Dat was misschien niet helemaal waar, of waar geweest 5 ; maar Bor- 
mann wenste toen geen open conflict met Himmler. Duidelijk was het wel, ook voor Schmidt. 
Alleen de totaal verblinde Mussert bleef in hem geloven, waarschijnlijk ook de minder intelligenten 
uit diens omgeving. Verder niemand, ook Seyss-Inquart niet meer. Maar degeen, die wellicht nog 
het meest alle vertrouwen in hem en zijn politiek verloren had, was Schmidt zelf. Toen hij merkte, 
dat Bormann hem liet vallen, moet hij hevig gedeprimeerd zijn geraakt: 'Ich kann nicht weiter, ich 
bin am Ende, meine Politik ist schief gegangen,' zou hij vlak voor zijn einde tegen een andere Duitse 
bezettingsfunctionaris hebben gezegd. 6 

Op 26 juni 1943 merkte een gezelschap Duitse part ij dignitarissen, dat van een bezichtigingsreis 
naar de verdedigingswerken aan de Franse kust per trein naar Parijs terugkeerde, dat hun reisgenoot 
Schmidt, de Generalkommissar uit Nederland, ontbrak. Even later hoorde men, dat zijn lijk op het 
zojuist afgelegde traject gevonden was. Zelfmoord, een alcoholische misstap uit de trein, dan wel een 
eenvoudige struikeling uit een niet goed gesloten deur, of een door de SS gepleegde moord? Het was 



(1) Zie nr. 234, noot 2. 

(2) Zie nr. 254 en noten 9 en 10 daarbij en nr. 325. Dat Schmidt Reichskommissar van België wilde 
worden, vond zijn oorsprong weliswaar in een gerucht, dat aanvang 1943 de ronde deed (H 417 : 4588-9), 
maar vindt steun in deze documenten, en is geheel in de lijn van de persoon van Schmidt. Wat zijn geest- 
vermogens betreft, de functionaris van het Generalkommissariat z.b.V. Ispert, tevens arts, beschouwde 
hem als een schizoïed (Verkl. Ispert, p. 5). Onevenwichtig was hij stellig. 

(3) Verkl. Harster II, p. 3. 

(4) Nr.3521. 

(5) Al die jaren had Schmidt volgens zijn plaatsvervanger Eftger regelmatig contact met Bormann gehad 
over de grote lijnen van het beleid (Verkl. Eftger, p. 1). 

(6) Verkl. Ispert, p. 5. 



95 



HET RIJKSCOMMISSARIAAT 

met name Mussert, die onmiddellijk het laatste aannam. Over het algemeen lijken de feiten - vooral 
de nerveuze spanningen, waaraan Schmidt de laatste tijd zichtbaar had geleden - in de richting van 
de eerste hypothese te wijzen. Volledig opgehelderd werd de zaak nooit. 1 

Het plotselinge verscheiden van Schmidt dwong zowel Seyss-Inquart als Mussert (ieder op zijn 
eigen wijze) zich nog meer aan de groeiende macht van de SS aan te passen dan zij reeds deden. 
Schmidts opvolger Willy Ritterbusch leverde geen compensatie voor het verlies. Over hem kunnen 
wij hier kort zijn, om twee redenen : na Schmidts dood viel er ten eerste weinig 'politische Gestal- 
tung' in Nederland meer te bedrijven. Daar had de Duitse bezettingspolitiek, voor een groot deel 
bedreven door de omgekomen Generalkommissar z.b.V., in de tussentijd grondig voor gezorgd. 
Bovendien was de nieuwe machthebber, die in het eerste jaar van de bezetting Beauftragter voor 
Noord-Brabant was geweest, en daarna een tamelijk onbelangrijk baantje bij de Partei-Kanzlei 
had gehad 2 , een volstrekte nulliteit. De brave onderwijzer, zoals Rauter hem karakteriseerde 3 , 
was 'geen strijdersnatuur' volgens Mussert, van die zijde inderdaad een treffende uitspraak. 4 Nog 
treffender misschien, de samenvatting van een andere Duitse functionaris over de figuur Ritter- 
busch: 'ein müder Mann ohne Einfluss'. 6 Daaraan hoeft niets te worden toegevoegd. Voor de 
insiders leek de SS definitief het overwicht te hebben gekregen. 

Eén factor dient echter nog bij de beschrijving van het rijkscommissariaat te worden genoemd, 
namelijk de rol, die dit apparaat reeds door zijn bestaan op zichzelf speelde. Oorspronkelijk als 
tijdelijke Aufsichtsverwaltung gedacht, had het als alle grotere organisaties de neiging zichzelf te 
continueren. Nog in oktober 1940 beschouwde Seyss-Inquart het Duitse bezettingsbestuur slechts 
als een Tührungskopf 6 ', maar al gauw bleek 'Holland' voor vele Duitse ambtenaren een vakantie- 
oord, vergeleken met Polen, Rusland, de Balkan, of zelfs hun eigen land, dat steeds meer aan de 
massale bombardementen van de geallieerden werd overgeleverd. Velen wisten een baan in het 
rijkscommissariaat in Nederland te vinden, waarna zij medewerkers aantrokken, die op hun beurt 
weer andere ondergeschikten, assistenten, bureaukrachten enz. meebrachten', een neiging, die 
ambtenaren trouwens van nature schijnen te bezitten. Voor de zogeheten wet van Parkinson zou 
het rijkscommissariaat een goede illustratie zijn geweest, gezien de zelfvermenigvuldiging, die sinds 
mei 1940 plaatsgreep. De chef van de Prasidialabteilung Piesbergen meende na de oorlog, dat voor 
een behoorlijke Aufsichtsverwaltung 200 nijvere ambtenaren reeds voldoende zouden zijn geweest, 
maar een half jaar na de Duitse inval in Nederland telde het rijkscommissariaat, Rauters sector 
niet inbegrepen, reeds meer dan het vijfvoudige van dit aantal, en in mei 1943 was het personeels- 
bestand opgelopen tot omstreeks 2000. Het zij maar meteen gezegd, dat volgens enige, wat onvol- 
ledige gegevens het percentage Nederlandse personeelsleden onder deze aantallen - uiteraard in 
ondergeschikte posities werkzaam - tussen de 38 en 43 moet hebben geschommeld. 8 De gebeurte- 
nissen in september 1944, waarbij het civiele bestuur in elkaar dreigde te storten, en vele hoog- en 
laaggeplaatsten in dit bestuur naar Duitsland vluchtten, of ontslagen werden (het laatste vaak als 
gevolg van het eerste) deden het personeelsbestand tot 421 man zinken. Tegen veler verwachtingen 



(1) Zie nr. 422 en noot 3 daarbij. 

(2) Zie voor meer biografische gegevens over hem nr. 423, noot 1. 

(3) Innr.425. 

(4) Verkl. Mussert I,p. 8. 

(5) Verkl. Piesbergen, p. 9. 

(6) Zie p. 147, noot 3. 

(7) Zo ook Verkl. Piesbergen, p. 3. 

(8) A.v.,p. 3;Pras 1 10 00 . 



96 



SCHMIDT 



in verdween het rijkscommissariaat echter niet, maar veerde integendeel na september weer op en 
in februari 1945 kon Piesbergen berichten: 'Die Gefolgschaft des Reichskommissars ist seit dem 
Abbau in den Septemberwochen urn mehr als 100% gestiegen. Das Anwachsen halt an'. 1 

Die zelf-continuering van de Duitse bezettingsorganisatie, zelfs in het laatste, chaotische stadium 
van de oorlog zo opvallend aanwezig, had ook politieke oorzaken. Aanvankelijk hadden de 
Duitsers gehoopt, dat na de val van Frankrijk in de zomer van 1940 de oorlog afgelopen zou zijn. 
Engeland weigerde evenwel vrede te sluiten. De oorlog, en daarmee het bezettingsbestuur in Neder- 
land, duurde steeds langer, tenslotte vijf jaar lang. Al deze jaren weigerde Hitier radicale verande- 
ringen in de status van het bezette Nederland aan te brengen (en niet alleen van Nederland trouwens). 
Het rijkscommissariaat werd een gevestigde instelling, waarvan het voorlopige karakter steeds meer 
op de achtergrond raakte. Andere Duitse machthebbers mochten gezag en bevoegdheden van die 
instelling op ernstige wijze aantasten, aan haar raison <Têtre werd eigenlijk niet meer getwijfeld. Men 
dacht aan Duitse zijde verscheidene malen aan de vorming van een Nederlandse nazi-regering, 
maar die plannen impliceerden geenszins het verdwijnen van het bestaande Duitse bezettings- 
bestuur, evenmin als dat in Noorwegen het geval was, toen de rijkscommissaris in dat land de leider 
van de Noorse nazi-partij Quisling in februari 1942 een regering liet vormen. Met dat al bleef de 
rijkscommissaris Terboven de hoogste gezagsdrager in Noorwegen, en bepaald niet alleen in naam. 
Zelfs nam Himmler het voortbestaan van de positie van een rijkscommissaris en een Höherer SSuPF 
in Nederland in een verdere toekomst als gegeven aan, hoewel de verhouding van deze figuren tot 
de toekomstige staat (gedacht als een soort Land in een Germaans Reich) hem nog niet voor ogen 
stond. Zo dacht ook de SS-expert in nationaal-socialistische staatsinrichting Werner Best er over; 
hij kwam tot de conclusie, dat ook in de toekomst 'die Aufsichtsverwaltung ein wesentliches 
Mittel der deutschen Grossraumverwaltung sein wird.' 2 

Aldus werd door de blijvende oorlogstoestand, waarop Hitier zich ook beriep om beslissingen 
over het politieke regime in het bezette Nederland uit te stellen, het voortbestaan van het rijks- 
commissariaat verzekerd, en kreeg het zelfs uitzichten op een permanente status. De diverse en 
divergerende krachten in dit bezettingsregime nu trachtten elk door al zoveel mogelijk machts- 
posities in te nemen de komende beslissing van de Führer van te voren reeds te beïnvloeden. Hoe 
ook die beslissing zou uitvallen, één ding was voor de betrokkenen zeker: nooit meer zouden de 
Duitsers dit land opgeven, hun opperheerschappij zou gehandhaafd blijven. De vraag was slechts, 
welke vorm die opperheerschappij op den duur zou aannemen, en welke Duitsers het in Nederland 
te vertellen zouden hebben. 



(1) Pras 1 io oc en 1 io°3 C. 

(2) Nr. 96; Werner Best: Die deutschen Aufsichtsverwaltungen in Frankreich, Belgien, den Niederlanden, 
Norwegen, Danemark , und im Protektorat Böhmen und Mahren, z.pl., z.j., p. 82. 



97 



HOOFDSTUK IV 



De Höherer SS- und Polizeiführer in Nederland 



A. Rauter: persoon en functie 

Het behoeft geen betoog, dat men een zeer overdreven, eenzijdig en onvolledig beeld van Nederland 
tijdens de Duitse bezetting zou krijgen, als men slechts de beschikking had over documenten, af- 
komstig van de bezetters en hun Nederlandse handlangers. A fortiori geld dat voor documenten, 
die zoals de hier gepubliceerde vrijwel uitsluitend uit SS-bron afkomstig zijn. In het vorige hoofd- 
stuk hebben wij daarom al enige waarschuwende kanttekeningen gemaakt. Niet alleen, dat de anti- 
nazi zijde in het geheel niet aan het woord komt, ook de visie van bijvoorbeeld Schmidt of Bormann 
komt bij ontstentenis van correspondentie tussen hen slechts incidenteel en dan nog tweede-hands 
tot uitdrukking. Het is in deze uitgave in de eerste plaats Rauter, die praat, onophoudelijk praat, en 
Himmler, die daar voortdurend op reageert, antwoordt, aanwijzingen geeft. Wanneer de historicus 
slechts op dit kompas zou varen, zou hij een wel zeer scheefgetrokken beeld van de bezettings- 
geschiedenis krijgen, onvoldoende gecorrigeerd door wat Berger, Seyss-Inquart, Mussert en anderen 
in deze uitgave te berde brengen, laat staan door wat anti-nazi's te beweren hebben. Niet alleen, 
dat die geschiedenis van de bezetting dan welhaast zou lijken samen te vallen met de machinaties 
van de bezetter, men zou bovendien geneigd zijn een al te overheersende plaats in te ruimen aan de 
SS en speciaal aan de onvermoeibare rapporteur Rauter, die uiteraard bij zijn chef Himmler de in- 
druk tracht te wekken, dat hij met zijn politiek op de juiste weg is, dat hij het allemaal goed ziet, 
dat successen aan hèm zijn toe te schrijven, mislukkingen aan anderen, dat de SS, in zijn persoon, 
steeds meer greep op de situatie krijgt. Etcetera. 

Zijn brieven aan de Reichsführer-SS staan vol met het woordje 'ich\ soms iets bescheidener 'wir'. 
In het midden latend, hoe deze persoonlijke voornaamwoorden van geval tot geval geïnterpreteerd 
zijn door Himmler en door de huidige lezer geïnterpreteerd moeten worden: Rauter en zijn onder- 
geschikten, Rauter en zijn nevengeschikten, Rauter en de rijkscommissaris, Rauter en de rest van 
het Duitse bezettingsapparaat - zijn brieven, at face value genomen, zouden suggereren, dat de SS 
het vliegwiel was, dat het geheel draaiende hield, en hij, Rauter, de as, waar dat vliegwiel om heen- 
cirkelde. Zo in het geval van het England-Spiel, de jacht op Britse agenten, waaraan in werkelijkheid 
Rauter praktisch geen enkel aandeel had. 1 Zo moest Himmler ook de indruk krijgen, dat hij, Rauter, 
de motor van de jodenvervolging in Nederland was (na de oorlog trachtte hij natuurlijk zijn rol 
hierbij tot een minimum terug te brengen, daarmee een even onwaarachtig beeld leverend). Hij had 
politieke mislukkingen zien aankomen, hij waarschuwde de rijkscommissaris voor dit en voor dat; 
men luisterde gelukkig naar hèm, of, helaas, juist niet naar hem, enz. enz. Met name heeft Rauter 
zeker zijn invloed op de politieke besluitvorming van Seyss-Inquart overschat; dat de rijkscommis- 
saris met al zijn intellectualistische aarzelingen hem in sluwheid en politiek inzicht verre de baas 
was, heeft Rauter, naar de overtuiging van de bewerker, waarschijnlijk intuïtief wel aangevoeld, 
maar zichzelf nooit willen toegeven. 2 

(1) Zienr. 137. 

(2) Deze overtuiging is niet alleen gegrond op de hier afgedrukte brieven, maar ook op Verkl. Rauter; 
men vergelijke nr. 390, noot 15. 



98 



rauter: persoon en functie 



Ongetwijfeld is Rauter één van de belangrijkste figuren in de historie van de Duitse bezettings- 
politiek geweest. De wens, die de SS zeer zeker koesterde om de Höherer SSuPF iot de sleutelfiguur 
bij uitstek in de bezette gebieden te maken, bleef evenwel onvervuld. 1 Rauters ondergeschikte 
SS-Sturmbannführer Schreieder, chef van de afdeling contra-spionage van de BdS, verklaarde na de 
oorlog te geloven, dat met Himmler achter zich Rauter altijd zijn wil tegenover Seyss-Inquart kon 
doorzetten en dat hij via Himmler ook meer contact had met Hitier dan de rijkscommissaris zelf; 
Rauter was volgens Schreieder ongetwijfeld op zijn minst de tweede man in Nederland, als hij al niet 
in vele zaken de eerste was. 2 Deze visie van de politieman Schreieder op zijn vroegere chef - op welke 
motiveringen dan ook gegrond - èn de belangrijkheid, die Rauter in zijn hier gepubliceerde brieven 
zichzelf vaak toemeet, zijn echter doorgaans niet in overeenstemming met de werkelijke verhou- 
dingen. Die behoefte om zich zelf onder het vergrootglas te zetten, hoeft men niet alleen te verklaren 
uit de natuurlijke wens om een zo gunstig mogelijke indruk bij de chef te maken, maar mag men 
ook terugvoeren om de algemeen-menselijke neiging om de belangrijkheid van het eigen ik te over- 
schatten - en bij Rauter werd die neiging allerminst gecorrigeerd door een objectiverend gevoel 
voor betrekkelijkheid. Veel van hetgeen Rauter in deze stukken over de politieke machtsverhou- 
dingen en andere dingen beweert, zegt ook niet zozeer iets over die zaken als over Rauter zelf. Met 
dat al zijn de hier afgedrukte stukken van primordiaal belang voor een goed begrip van de Duitse 
bezettingspolitiek in Nederland, zij het gezien vanuit de SS-sector, en tegelijkertijd zijn zij van ont- 
hullende betekenis voor de persoon van de sleutelfiguur in deze sector: Rauter. Allicht hangt het 
een met het ander samen. 

Leven en persoon van de man, die gedurende de vijf bezettingsjaren wellicht meer dan iemand 
anders zo hardhandig ingreep in het leven van ontelbare Nederlanders, krijgen hier meer aandacht 
dan met de andere Duitse machthebbers het geval was, zij het nog steeds vrij vluchtig. Voor meer 
detaillering leze men zijn eigen biografie 3 , zijn brieven aan Himmler, het verslag van het na de 
oorlog tegen hem gevoerde proces en de gesprekken, die toen van de zijde van het Rijksinstituut 
voor Oorlogsdocumentatie met hem zijn gevoerd. 4 

Meer nog dan de rijkscommissaris werd hij in de ogen van het Nederlandse volk het symbool van 
brute en gewelddadige onderdrukking. Werd Mussert behalve gehaat ook veracht wegens zijn klein- 
burgerlijke onbenulligheid, Seyss-Inquart gewantrouwd wegens zijn sluwe ondoorzichtigheid, 
Rauter werd gehaat en gevreesd als de brute beul, de Duitse Alva. Wanneer men evenwel met deze 
Alva persoonlijk geconfronteerd werd, bleek hij tegen de verwachting in geen ontmenselijkte 
liquidatie-machine te zijn - evenmin als de Spaanse grande trouwens - maar een man, die zelfs bij 
zijn tegenstanders toch nog enige sympathie vermocht op te wekken; dat overkwam meerdere 
Nederlanders, die na de oorlog met Rauter persoonlijk in contact kwamen. 5 

Dit ondanks, of misschien ook wel door het, in vergelijk met de doorsnee-Nederlander, zo geheel 
andere type, dat Rauter representeerde: ook in tegenstelling tot zijn landgenoten Seyss-Inquart en 
Wimmer een condottiere, een verslagen, geteisterde condottiere na de oorlog dan, maar geestelijk 
ongebroken. Een 'grosse straffe Erscheinung' 6 , mager, door de Mensur gehavend gezicht met grote 
bruine ogen en een haviksneus (dinarisch type, om bij de indeling der Duitse rassen kun digen te 
blijven), leek hij een incarnatie van de meedogenloze Duitse adelaar van nazi-Duitsland - op foto's 
uit de oorlog overigens een niet zó magere adelaar, na de oorlog meer een oude gier uit de Alpen. 7 

(1) Zie ook p. 73. 

(2) Proces Rauter, p. 14. 

(3) Nr. 1 ; men lette daarbij op enige correcties in de annotatie. 

(4) Bronnen in nr. 1, noot 1. 

(5) Zie Ned. in Oorlogst. 1949, maart-nr. p. 24. 

(6) P 1:5632. 

(7) De laatste karakteristiek zo in Ned. in Oorlogst. 1949, maart-nr., p. 18. 



99 



DE HÖHERER SS- UND P OLI2EI FÜ HRE R IN NEDERLAND 



Bendehoofd, vechtersbaas; overduidelijk blijkt het uit zijn eigen levensbericht. Voor de eerste 
wereldoorlog begint de zeer jeugdige Rauter zijn studie aan de technische hogeschool te Graz 
OKorpsstudent, habe viel gefochten und so n - vandaar de A/ewjwr-schrammen stellig), tijdens die 
oorlog neemt hij tweemaal vrijwillig dienst in het Oostenrijkse leger (de tweede keer ondanks een 
niet geringe verwonding), waarbij hij het tot eerste luitenant brengt, en tussen alle krijgsbedrijven 
door een troep Albanese vrijwilligers organiseert - zijn eerste ervaring met buitenlandse vrijwilligers, 
niet zijn laatste. Men kan zich voorstellen, dat na de oorlog, wanneer Oostenrijk in een volledige 
chaos van desintegratie, revolutiepogingen, een halve burgeroorlog en economische ellende raakt, 
er van de inmiddels hervatte studie van een dergelijke figuur weinig terechtkomt. Van pogingen 
tot het afleggen van examens door Rauter vermeldt de geschiedenis nimmer iets meer, het is nu 
jaren en jarenlang weer vechten, met of zonder vuurwapens, in studenten- of burgervrijkorpsen, 
tegen de 'marxisten' op straat, tegen Joegoslavische eenheden, die Karinthië binnendringen, Polen, 
die Silezië binnenvallen, en Hongaren, die Duits-talig gebied willen bezetten, te velde - dit alles 
niet continu, maar wel zeer frequent, Rauter daarbij als van nature in een leidende rol. Hij wordt 
chef-staf van een der Heimwehr-korpscn in Oostenrijk, de Stei(e)rische Heimatschutz (waarvan 
ook Seyss-Inquart lid was), later zelfs chef-staf van de hele Heimwehr, maar dat is van minder 
belang: de Heimwehr, een losse federatie van regionale vrijkorpsen, valt al spoedig uiteen in wat 
men een fascistische vleugel zou kunnen noemen (klerikaal-autoritair en Oostenrijks-nationaal) en 
een 'groot-Duits', fel antisemitisch (beter gezegd: het meest fel antisemitisch), en al gauw uitge- 
sproken nationaal-socialistisch deel. Die laatste vleugel wordt eigenlijk alleen gevormd door nu 
juist die Steirische Heimatschutz. 2 De leider daarvan meent in 1931 een staatsgreep te moeten 
plegen. Het wordt een operette, met Rauter als veldheer aan het hoofd van zijn vrij scharen, één dag 
lang. Dan stort de Putsch roemloos in elkaar, maar de leiders, ook Rauter, houden er de glans van 
het martelaarschap van over door gevangenneming, proces - en vrijspraak. In 1933 gaat de Oosten- 
rijkse regering evenwel krachtig optreden tegen de Oostenrijkse nazi-partij (waarmee de Steirische 
Heimatschutz zich inmiddels heeft verbonden). Met duizenden andere Oostenrijkse nazi's vlucht 
Rauter naar Duitsland, waar hij onmiddellijk een baantje krijgt in de leiding van de émigré's te 
München. Het is niet verwonderlijk, dat de krijgszuchtige banneling in de SS wordt opgenomen. 
In 1938 is hij Stabsführer van de AUgemeine SS in Silezië, zijn laatste baantje voor zijn Nederlandse 
periode, en zijn meest rustige. 

Een ongedurige vechtjas, met dan reeds een turbulent bestaan achter de rug. Een guerrilla-leider, 
evenwel geen huurling. Want de vrijkorpsaanvoerder Rauter vocht niet voor geld, maar wel 
degelijk voor bepaalde idealen, d.w.z. tegen Italianen, Serven, marxisten in het algemeen en bolsje- 
wieken in het bijzonder. De laatste twee categorieën placht hij samen te vatten in het woordje 
'Kommune'; verschil bestond er voor hem nauwelijks of niet. Een motivering, waarom hij tegen al 
deze lieden in het geweer kwam, bijvoorbeeld door het noemen van de nationale of ideologische 
bedreiging van zijn Oostenrijk, zijn wereld, kwam zelfs na de oorlog niet over zijn lippen. Dat deze 
lieden bestreden dienden te worden, was ook toen nog voor hem vanzelfsprekend. 8 

Die idealen maken een nogal eenvoudige, om niet te zeggen negatieve indruk. Speelden zij 
werkelijk een belangrijke rol? Men krijgt eerder de indruk, dat deze stilzwijgend axiomatisch aan- 
genomen motiveringen dat in wezen nauwelijks deden. Vechten was voor Rauter in het algemeen 
vanzelfsprekend. Hij beschouwde zichzelf in de eerste plaats als krijgsman; toen hij in het laatste 
halve jaar van de tweede wereldoorlog naast zijn werk als Höherer SS- und Polizeiführer in Neder- 

(1) Verkl. Rauter I, p. 2. 'Korps' hier uiteraard niet als gelijkend op een Nederlands studentencorps op 
te vatten, maar als schlagende Verbindung. 

(2) Men leze voor détails, evenals trouwens voor alle concrete bijzonderheden van Rauters loopbaan, 
nr. 1 en de daarbij behorende annotatie. 

(3) Zie Verkl. Rauter I. 



100 



rauter: persoon en functie 



land militaire commando's kreeg, vond hij weer zijn werkelijke levensvervulling terug: leger- 
aanvoerder zijn, in een iets meer geformaliseerde vorm van het bendeleiderschap, dat hij sinds 191 8 
zo lang en met zoveel hartstocht vervuld had. Krijger, aanvoerder zijn, niet in de zin van de Pruisi- 
sche beroepsmilitair, maar in de zin van de Kampfer, die zich verliest in de vitalistische heroïek van 
de strijd als levensstijl; wij zullen later nog laten zien, hoe die stijl, die wijze van zijn, een wezenlijk 
element van de levenshouding der SS is geweest. 1 Kenmerkend zijn aanwijzingen van Rauter 
persoonlijk voor de SS-indoctrinatie aan een opleidingscentrum in Nederland: 

'Die Bedeutung des Frontkampfers kann nicht genug gewürdigt werden. Die Frontkampfer- 
eigenschaft ist die Voraussetzung, um den Nationalsozialismus aus dem Innersten des Herzens 
heraus überhaupt zu verstenen. Die Todesverachtung des SS- Mannes, seine Lebenshaltung und 
seine Haltung bis zur letzten Stunde, Gegenüberstellung des japanischen Kriegers in dieser 
Hinsicht.' 2 

Toen hij na de oorlog - met zijn typische persoonlijke zinsbouw - zei: 'Mir lag das Kampfen mehr 
als der HÖhere SS- und Polizeiführer' 3 , was dat nog een understatement. Een werkelijke tegen- 
stelling was het echter niet. Uit het eerste citaat blijkt, evenals uit zijn hier afgedrukte autobiografie, 
hoe de jonge Oostenrijkse vrijkorpsleider vanuit zijn levensstijl tot het nationaal-socialisme kwam, 
tot zijn nationaal-socialisme; niet meer dan logisch, dat hij al spoedig in de soldatische en fanatieke 
SS-orde zijn plaats vond. Mentaliteit en levenswijze leken hem tot SS-man te predestineren. Dat 
zou men natuurlijk van meerdere lieden kunnen zeggen, niet allemaal Duitsers of Oostenrijkers 
trouwens, zoals bijvoorbeeld de jonge Nederlander Feldmeijer, tijdens de bezetting leider van de 
Nederlandsche SS, in wiens leven het thema strijd even neurotisch centraal stond als in dat van 
Rauter. Geen wonder ook, dat Rauter hevig teleurgesteld raakte, toen Feldmeijer nog later in de 
oorlog het ascetische ^öw/^r-ideaal verzaakte door te veel aards, en tamelijk platvoers, begeren.* 
Rauter echter bleef aan de strenge SS-maatstaven voldoen: verhalen over dronkenschap, particu- 
liere roverijen, vrouwen-affaires e.d., veelvuldig curserend in het milieu, deden over hem niet de 
ronde. Naar die maatstaven beoordeelde hij ook anderen. De hoogste lof lag opgesloten in het 
woord 'sauber!' of 'hart sichselbst gegenüber!' 6 'Weien' hield een vernietigend oordeel in; tot wer- 
kelijk genuanceerde oordeelvellingen was hij niet in staat. 6 

Tot diepzinnige beschouwingen, bespiegelingen, tot reflectie en relativering van het eigen Ich, om 
maar een paar dingen te noemen (die bijvoorbeeld bij Seyss-Inquart wel degelijk aanwezig waren), 
zo mogelijk nog minder. De schlagkraftige, zelden aarzelende, zeer energieke SS- en politiechef 
deed zijn werk met geestdrift en overgave, zonder zich vragen te stellen over het hoe en waarom. 
Uit de gesprekken, die na de oorlog met hem zijn gevoerd, blijkt in het geheel niet, dat de ineen- 
storting van zijn wereld in 1945 zijn wereldbeschouwing zelf, of althans bepaalde bas is- waarden, op 
losse schroeven had gezet. Over Hit Ier en Himmler bleef hij tot zijn dood toe met vrijwel kritiekloze 
bewondering en ontzag spreken. Geen heroriëntering, ook geen bekommernis om de toekomst van 
Duitsland als geestelijke grootheid. Wat hem in die periode van zijn bestaan, toen hij in de ge- 
vangenis op zijn proces en voorts op zijn executie zat te wachten, voornamelijk interesseerde, was 
het nakaarten over het militaire verloop van de verloren oorlog, niet de diepere oorzaken, wezen of 

(1) Zie p. 207 e.v. en p. 328 e.v. 

(2) Rauter aan Brendel 1 2 juni 1944, HSSPF 2a. 

(3) Verkl. Rauter VII, p. 6. 

(4) Zie nr. 151. 

(5) Verkl. Rauter; vooral wat 'sauber!' betreft, kan men de vindplaatsen nauwelijks anders aanduiden 
dan met passim. 

(6) Zo ook de indruk van L. de Jong in Ned. in Oorlogst. 1949, maart-nr., p. 19, geheel in overeenstem- 
ming met de wijze, waarop Rauter in zijn hier afgedrukte brieven anderen beoordeelt. 



101 



DE HÖHERER SS- UND POLIZEI FÜH RER IN NEDERLAND 

gevolgen van die oorlog zelf. Zelfs zijn vrouw en kinderen lijken gevoelsmatig bij hem een secun- 
daire rol gespeeld te hebben, zijn vrouw misschien nog meer dan zijn kinderen (zijn zoons dan 
natuurlijk): 'Ich habe erst im Jahre 1937 geheiratet, vorher hatte ich ja keine Zeif 1 ; na de oorlog 
vroeg één van zijn Nederlandse gesprekspartners hem: 

'»Sie haben ja drei Kinder « vroeg ik, denkend aan de annonce waarin hij, in '43 meen ik, de 
geboorte van een derde kind aankondigde, terwijl hij er al twee had. »Fünf« zei hij. »Ich habe 
drei Söhne.« We stonden bij de deur. Er was geen spoor van emotie in zijn stem te ontdekken. ' a 

Niet alleen hieruit, maar uit alles wat de man gezegd en geschreven heeft, voor, in of na de oorlog, 
krijgt men het beeld van iemand, die emotioneel sterk onderontwikkeld is, geestelijk onvolwassen, 
nimmer losgekomen uit bepaalde zeer sterk autoritaire en paternalistische denkpatronen. Ken- 
merkend de vader-zoon verhouding, die hij tussen Hitier en Himmler meende te zien 3 ; die is er 
misschien ook wel geweest, maar in de eerste plaats mag men daarin toch een projectie zien van 
Rauters eigen relatie tot het SS-opperhocfd, de laatste dan tegenover hèm in de vader-rol. Men 
vergelijke in deze publikatie de wijze, waarop Seyss-Inquart zich tot Himmler richt, en de manier, 
waarop Rauter dat doet: de laatste als een voortvarende leerling, die als eerste het proefwerk klaar 
heeft en het resultaat met kinderlijke trots op de katheder van de meester legt met de vermelding, 
dat hij nog een paar n iet-opgegeven, extra vraagstukken heeft opgelost. Die meester-leerling- 
verhouding, of vader-zoon-relatie of hoe men het noemen wil, vindt men bij de schoolmeester- 
achtige Himmler en zijn ondergeschikten wel meer, bijv. ten opzichte van Berger, maar terwijl deze 
in zijn brieven aan de Reichsführer zulks al te duidelijk onderstreept en dan ook een uiterst onop- 
rechte indruk maakt, mag men naar onze overtuiging in het geval van Rauter van authenticiteit in 
die neurotische relatie spreken. 'Heil Hitier! Ihr gehorsamst ergebener Rauter', die eeuwige slot- 
formule bij zijn vele, vele brieven aan Himmler was niet alleen een formule, hij heeft het gemeend. 
Infantiel, verkrampt, 'weiche' gevoelens verdringend, bezeten door de wil tot heersen enerzijds, 
tot gehoorzamen anderzijds; dit alles zou ook uit zijn handschrift afgeleid kunnen worden. 4 

Bepaald niet in tegenstelling met dit alles zijn uitspraken van Rauter na de oorlog, dat hij altijd 
zoveel waardering had voor de Nederlandse verzetsbeweging. Hij zou dat trouwens ook al tijdens 
de bezetting hebben beweerd. 6 Waarschijnlijk was hij daarin ook wel oprecht - maar het is weer de 
waardering van de krijger voor de koene tegenstander, voor zijn spiegelbeeld. Dat wil zeggen, voor 
de verzetsman, zoals Rauter met zijn achtergrond van Oostenrijks rebel in de jaren twintig en dertig 
hem beschouwde. Wat die verzetslieden over het algemeen werkelijk waren en wilden, heeft hij 
nimmer begrepen, zoals hij het Nederlandse volk en de fundamentele houding van dat volk tegen- 
over de bezetter nooit heeft begrepen. Die fout had hij met meerdere Duitsers gemeen. Het ver- 
klaart voor een deel het feit, dat hij heel goed doorzag, dat de onwaardige Mussert nooit het 
Nederlandse volk achter zich zou krijgen, maar het verklaart ook het feit, dat Rauter anderzijds de 
illusie koesterde, dat de SS wèl geaccepteerd zou worden door een belangrijk deel van de Neder- 
landers - of zelfs van de verzetsbeweging. Rauter, zei zijn meÓQ-Generalkommissar Wimmer na de 
oorlog, had meer sympathie voor het Nederlandse volk dan de andere hoogste Duitse gezagsdragers 
in Nederland. 6 Het is mogelijk, zelfs waarschijnlijk: de toon, waarop hij over de Nederlanders 

(1) Verkl. Rauter I,p. 2. 

(2) Ned. in Oorlogst. 1949, maart-nr., p. 28. 

(3) Verkl. Rauter II, p. 19 en VII, p. 14. 

(4) Ned. in Oorlogst. 1949, maart-nr., p. 1 1 ; het hs. van Rauter duidelijk op foto aldaar; de desbetreffende 
tekst is afgedrukt als nr. 575. 

(5) Bijv. verkl. Rauter III, p. 6. 8 en XI, p. 10; Verkl. Ritterbusch, p. 11. 

(6) Verkl. Wimmer II, p. 16; zo ook Verkl. Piesbergen, p. 6. 



102 



rauter: persoon en functie 



spreekt, is bepaald warmer en geïnteresseerder dan die van, bijvoorbeeld weer, Seyss-Inquart. 
Desondanks, Seyss-Inquart mag misschien niet veel persoonlijke genegenheid voor het Nederlandse 
volk hebben gekoesterd, en politieke beslissingen op verkeerde premissen ten aanzien van dat volk 
hebben genomen, de rijkscommissaris heeft toch meer oog gehad voor bepaalde politieke krachten 
in Nederland dan Rauter. 

Wanneer de hier geplaatste negatieve kanttekeningen nu even weggedacht worden, zou hetgeen 
tot dusver gezegd is in principe niet eens zo heel erg veel afwijken van het beeld, dat Rauter na de 
oorlog van zichzelf trachtte te geven, en waarin hij zelf kennelijk ook wenste te geloven : een eerlijke, 
'saubere' strijder, een beetje een Draufgcinger, zeker, maar recht door zee, gedisciplineerd, ridderlijk; 
een man zonder vrees of blaam, die zijn woord gestand doet. Andere Duitsers zagen hem wellicht 
niet zó gunstig, maar min of meer toch in hetzelfde licht: 'eine ausgesprochene Kampfernatur\ 
'ein frischer, offener, gerader Kerl . . .', heftig en vaak 'tobsüchtig' weliswaar, maar toch in de grond 
fatsoenlijk, 'ein ehrlicher Polterhans,' hoewel de man, die deze karakteristiek gaf (Schmidts op- 
volger Ritterbusch) daaraan ook toevoegde: 'eigentlich ein grosses Kind'. Dat laatste oordeel 
- anders gezegd: enig inzicht in de infantiele trek in Rauters persoon - zou Seyss-Inquart volgens 
diens vrouw ook hebben gehad, daaraan echter weer toevoegend: 'mit der Grausamkeit eines 
Kindes.' 1 Hoe dan ook, onverdacht goede (en daarbij scherpzinnige) Nederlanders, die na de 
oorlog met Rauter in contact kwamen, begonnen, zoals gezegd, ondanks zichzelf een spoor van 
sympathie voor hem te krijgen; een vooraanstaand justitieel functionaris, en hij niet alleen, kreeg 
de indruk, dat van de door hem ondervraagde Duitsers alleen Rauter de waarheid sprak. 2 Een 
indruk, die men tijdens zijn proces overigens zeker niet meer had. 

Het beeld, dat uit de hierboven gereleveerde beoordelingen en indrukken oprijst, is naar onze 
stellige mening dan ook vertekend, waarbij Rauter die vertekening uiteraard stimuleerde. 'Ich bin 
mehr Kavalier und Soldat als Politiker', riep hij na de oorlog uit 3 , maar uit de vele hier afgedrukte 
brieven blijkt anders. Ongetwijfeld was hij een heftige, opbruisende natuur, een houwdegen, hard 
tegenover zichzelf en anderen, maar niet met de door hem gepretendeerde f airness en oprechtheid, 
evenmin als Christiansen. Ongetwijfeld zonder merkbare intellectuele belangstelling of gevoel voor 
de complexiteit van allerlei zaken, maar desalniettemin met bepaald meer dan middelmatige intelli- 
gentie, dat dan in tegenstelling tot Christiansen. De wijze, waarop hij zich tijdens zijn proces met 
volkenrechtelijke litteratuur bezighield en met die kennis zijn verdediging voerde, dwingt een 
zekere bewondering voor hem, volslagen leek op dit gebied, af. Men kent hem dan ook van Neder- 
landse zijde een weliswaar wat gehavend, maar 'ontegenzeggelijk scherpzinnig intellect', elders 'een 
scherpe, grimmige intelligentie' toe. 4 Zijn brieven aan Himmler weerspreken dit allerminst. Die 
intelligentie gebruikte hij, en niet zonder enig succes, in het politieke spel, dat hij tijdens de oorlog 
wel degelijk met overgave speelde. Schmidt mocht in zijn ogen een intrigant zijn - dat was Schmidt 
trouwens ook - Rauter bleek geenszins onbedreven in de politieke intrige, en hij bleek er minder 
afkerig van dan hij wel eens voorstelde. Bij bepaalde zetten, ook van hem, op het politieke schaak- 
bord schrijft hij Himmler: 'Das Ganze ist weniger nett, aber die Politik ist einmal so geartet.' 6 

Eerlijke ruwe vechtersbaas? Zijn na de oorlog met verve geëtaleerde afkeer van schmutzige Arbeit 
èn zijn eerlijkheid bleken voos, toen hij na de oorlog geconfronteerd werd met de kwestie van de 



(1) Resp. Verkl. Ispert, p. 3; Verkl. Piesbergen, p. 8; Verkl. Knolle, p. 3; Verkl. Ritterbusch, p. 11; 
Verkl. mevr. Seyss-Inquart-Maschka, p. 4. 

(2) Ned. in Oorlogst. 1949, maart-nr., p. 24. 

(3) Verkl. Rauter III, p. 12. 

(4) Proces Rauter, p. XIV; J. Presser: Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse joden- 
dom 1940-1943, 's-Gravenhage, 1965, II, p. 159; zo ook de handschriftkundige in Ned. in Oorlogst. 1949, 
maart-nr., p. 1 1. 

(5) Nr. 79. 



103 



DE HÖHERER SS- UND POLIZEIFÜ H RER IN NEDERLAND 

deportatie der joden, waarin hij, het kon niet worden ontkend, zijn aandeel gehad had. Zeker, hij 
was geen vriend van de joden, hij gaf toe meegeholpen te hebben bij het wegvoeren van de joden; 
hij herinnerde zich inderdaad, dat de joden uit Westerbork weggevoerd werden naar 

'einem grossen Lager in Schlesien. Einem Judensammellager . . . Der Name ist mir entfallen . . . 
Eh . . ., komm, wie hiess es schnell ... eh . . . so was polnisches . . . (Vraag: Vielleicht 
Auschwitz?) 'Auschwitz, ja, richtig, Auschwitz. Ja. Ja. Sind alle Juden dorthingekommen?' 1 

Dit laatste als wedervraag aan zijn ondervragers, geheel in het kader van zijn houding in deze: hij 
had niets van het lot der gedeporteerden geweten. Zelfs wanneer men aanneemt, dat hij niet van de 
aanvang af met de hele waarheid omtrent de vernietigingskampen op de hoogte was 2 , blijkt uit de 
contemporaine stukken, hoe Rauter in werkelijkheid tegenover de jodenvervolging stond, een actie, 
die niet typisch tot de bezigheden van een Kavalier und Soldat hoorde. De lengte van het volgende 
citaat uit een redevoering van Rauter moge de lezer verontschuldigen, niet alleen vanwege het licht, 
dat het op de redenaar werpt, maar ook, omdat de geestesgesteldheid typerend is voor vele van de 
jodenvervolgers: 

'Ene die Juden nicht entfernt sind, werden wir nimmer Ruhe bekommen. Mein Bestreben ist es die 
Juden so schnell wie möglich wegzubekommen. Dies ist keine schone Aufgabe, es ist schmutzige 
Arbeit. Aber es ist eine Massnahme, die geschichtlich gesehen von grosser Bedeutung sein wird. 
Es ist nicht zu ermessen, was es heisst 120.000 Juden, die nach 100 Jahren vielleicht eine Million 
stark gewesen waren, aus einem VolkskÖrper herausgemerzt zu haben. Und bei all diesen Mass- 
nahmen der germanischen SS gibt es kein persönliches Mitleid, denn hinter uns stehen die ger- 
manischen Völker. Was wir am Völkerkörper gut tun, geschieht unerbitterlich und da gibt es 
keine Weichheit und keine Schwache. Wer das nicht versteht oder voll Mitleid oder humanis- 
tischer Duselei ist, ist nicht geeignet in dieser Zeit zu führen. Vor allem ein SS-Mann muss 
schonungslos und mitleidslos durchgehen. Wir wollen nur genesen werden von dieser Qual und 
die Judenfrage soll endgültig und restlos geklart werden. Der Führer hat . . . den amerikanischen 
Juden und Freimaurern zu verstehen gegeben, dass wenn der amerikanische Plutokratismus den 
Krieg entfesselt und sich auf Europa stürzen würde, dies das Ende des europaischen Judentums 
bedeuten würde. Und so wird es auch geschehen. Es soll in Europa kein Jude mehr übrig 
bleiben . . . Ich will gerne mit meiner Seele im Himmel bussen für das was ich hier gegen die 
Juden verbrochen habe! . . . Wer die Bedeutung des Judentums als Volk und als Rasse erkannt 
hat, kann nicht anders handeln als wir.' 

Achter de voorlaatste zin in dit citaat vermeldt het verslag van deze rede tussen haakjes het woord 
'Heiterkeit', blijkbaar bij het gehoor van Duitse èn Nederlandse SS-mannen, tot wie Rauter sprak. 8 

Men moge hieruit, afgescheiden van andere conclusies, tevens afleiden, hoe het met zijn waarach- 
tigheid gesteld is. Maar ook bij minder schmutzige Arbeit is zijn weergave van gebeurtenissen vaak 
twijfelachtig, al blijft het moeilijk om juist bij iemand als Rauter de grens te trekken tussen bewust 
verdraaien der feiten en verdringing. 4 

De meningen van andere Duitsers over hem zijn hierboven aangehaald om aan te tonen, dat 
Rauter in staat was het fraaie beeld, dat hij van zichzelf had, ook nog aan anderen op te dringen. 

(1) Verkl. Rauter VI, p. 10. 

(2) Vgl. de sententie van het Bijzonder Gerechtshof op dit punt in Proces Rauter, p. 367. 

(3) Rede van 22 maart 1943, afgedrukt in Proces Rauter, p. 41-43. Men zie verder, voorzover nog nodig 
in dit opzicht, nrs. 2 1 6, 224, 235. 

(4) Zie de annotatie bij nr. 1, speciaal noten 6, 13, 37. 



104 



rauter: persoon en functie 



Niet aan iedereen. Een majoor van de Wehrmacht zag in hem een 'typischen Fleischerhund'. 
Vooringenomenheid is bij deze majoor beslist niet uitgesloten 1 , maar hetgeen hij over Rauter zegt, 
is in tegenstelling tot de al eerder genoemde beoordelingen wèl in overeenstemming met Rauter, 
zoals deze zich in het hier afgedrukte materiaal presenteert; namelijk als 'der typische SS-Mann. 
Auftragstreu, zielbewusst, aber ohne jedes Gefühl und herzlos', sluw, met voortdurend 'Hintertüren' 
in zijn doen en laten, onbetrouwbaar. Tegenover lieden, die in intellect, kunde of positie de meerdere 
van hem waren, voelde hij zich onzeker, maar zodra hij zich meester van de situatie voelde, trad hij 
brutaal op zonder een woord van tegenspraak te dulden. Dat laatste wordt bevestigd door de derde 
Befehlshaber der Sicherheitspolizei in Nederland Naumann, een figuur, die inderdaad niet tegen zijn 
HSSuPFwas opgewassen. 2 

Het zal de lezer wellicht niet verbazen te vernemen, dat in mei 1940 Seyss-Inquart weinig inge- 
nomen was met Hitiers beslissing om Rauter tot Höherer SS- und Polizei führ er te benoemen in het 
gebied, dat hij op het punt stond te gaan besturen. Na de oorlog beweerde Rauter, dat Seyss- 
Inquart aan Hitier had gevraagd een Rijksduitser te sturen; naar Rauter meende omdat Seyss- 
Inquart niet al te veel Oostenrijkers in zijn bestuursapparaat wou opnemen. Als de nieuwe land- 
voogd zo'n verzoek gedaan heeft, dan toch om andere motieven dan Rauter veronderstelde; 
Seyss-Inquart had vermoedelijk geen bezwaren tegen nog een landgenoot, maar waarschijnlijk wel 
tegen Rauter. Weliswaar kenden zij elkaar voor hun Nederlandse periode slechts oppervlakkig, 
maar uiteraard beschikte de Weense advocaat en politicus over voldoende informaties ten aanzien 
van de felle, agressieve ex- vrij korpsleider uit Stiermarken, en daarom was het, dat hij 'sich vor einer 
Zusammenarbeit mit Rauter scheute', zoals Wimmer na de oorlog zei. 3 In 1940 liet hij, voorzover 
ons bekend, daarvan naar buiten echter niets blijken. 

Immers, op Zusammenarbeit met zijn SS- en politieleider was de rijkscommissaris aangewezen. 
Dat woord, wij hebben het reeds gezien, was ook gebruikt door Hitier, toen Seyss-Inquart, Schmidt 
en Rauter vlak voor hun afreizen naar Nederland hun Führer over de hen wachtende taak hadden 
mogen aanhoren. Een expliciete onderschikking van de een aan de ander is niet overgeleverd, 
duidelijke instructies en afbakening van bevoegdheden kregen de heren waarlijk niet. Toen zijn 
bestuur eenmaal gevestigd was, gaf Seyss-Inquart aan Himmlers HSSuPF, teneinde hem in dat 
bestuur te integreren, de titel Generalkommissar'für das Sicherheitswesen* Een personele unie, zoals 
dat bij Schmidt het geval was met diens ambten als Generalkommissar z.b. V. en partij-chef, was hier 
beslist niet aanwezig. De rijkscommissaris gaf slechts de aan hem toegevoegde (zo men wil: opge- 
drongen) HSSuPF een titel, die in zijn rijkscommissariaat paste, niet een nieuw ambt. Een twee- 
zijdige functie dan, voor één ambt twee benamingen, gezien vanuit de Duitse SS- und PoIizei-scctor t 
en gezien vanuit het bezettingsbestuur in Nederland? Men zou dan ook van dit ambt met twee 
aspecten tweeërlei realisatie verwachten. Zo is het vaak voorgesteld, ook na de oorlog nog door 
Seyss-Inquart en Rauter zelf. In deze constructie zou Rauter als HSSuPF het toezicht hebben op de 
Duitse politie, de Waffen-SS e.d., als Generalkommissar für das Sicherheitswesen op de Nederlandse 
politie. 8 

Echter uit de contemporaine stukken blijkt, dat dit slechts een semantische constructie, zonder 

(1) Major H. Vogler was daarbij inlichtingen-officier van Christiansen, onderhield volgens eigen zeggen 
bovendien relaties met de oppositionele Moltke-Kreis, hetgeen hij blijkbaar met waardering voor Chris- 
tiansen (die vaak met Rauter overhoop lag), wist te combineren. Voor zijn uitspraken Verkl. Vogler, en 
Vogler aan L. de Jong 14 juni 1950. 

(2) Verkl. Naumann, p. 17. 

(3) Verkl. Rauter II, p. 2; Verkl. Wimmer I, p. 5. 

(4) Zie Seyss-Inquarts brief aan Himmler van 9 sep. 1940, waarin hij dit meedeelt: nr. 49. 

(5) IMTXVl, p. 27; Proces Christiansen, p. 26; in deze zin ook Ned. in Oorlogst. 1949, maart-nr., 
p. 15 en Kwiet, Reichskommissariat,p. 85. 



105 



DE HÖHERER SS- UND POLIZEIFÜHRER IN NEDERLAND 

verdere inhoud, is geweest. In de basis-verordening van 3 juni 1940 over de taken der General- 
kommissare heet het : 

'Der Höhere SS- und Polizeiführer : 

1) befehligt die in den besetzten niederlandischen Gebieten eingesetzten Verbande der Waffen- 
SS und die deutschen Polizeiverbande und -organe; 

2) führt die Aufsicht über die niederlandische Reichs- und Geme indepol izei und erteilt ihr die 
notwendigen Weisungen.' 

De titel Generalkommissar ontbreekt hier geheel, n.b. in een grundlegende verordening van de 
rijkscommissaris zelf 1 , evenals die aanduiding ook zeer vaak ontbreekt in officiële stukken van 
Rauter. Ook waar hij bevelen geeft aan de Nederlandse politie, noemt hij zich veelal: 'Der Höhere 
SS- und Polizeiführer beim Reichskommissar für die besetzten niederlandischen Gebiete' of een in 
onwezenlijke details afwijkende variant daarvan. 2 Zeker, af en toe wordt zijn titel van General- 
kommissar wèl vermeld, maar enig systeem in het alternerend gebruik van deze aanduidingen valt 
er niet te ontdekken, hoogstens kan men zeggen, dat Rauter de commissaris-generaal ten tonele 
voert, als het niet anders kan. Een neerslag inderdaad van de onduidelijke en verwarrende compe- 
tentie-regelingen in het Duitse bezettingsbestuur. 

Men mene niet, dat dit allemaal een uitsluitend formele kwestie is. Veel meer dan dat is het een 
weerspiegeling van de welhaast volledige verdringing van de Generalkommissar door de HSSuPF, 
en dat van het begin af aan. Het toezicht op de Nederlandse politie werd uitgeoefend door de Duitse 
politie 3 , en die Duitse politie, dat stond in ieder geval vast, had net als de Waffen-SS alleen iets te 
maken met de HSS11PF, niet met een of andere Generalkommissar voor veiligheid of wat dan ook, 
of met welke functionaris van het rijkscommissariaat dan ook. Eigenlijk ook niet met het hele 
bezettingsbestuur, inclusief het hoofd daarvan. De Duitse politie in Nederland werd niet door het 
rijkscommissariaat gefinancierd (de eenheden der Waffen-SS natuurlijk evenmin), maar door de 
Reichsinnenminister via de RFSSuChdDPol, eigenlijk dus uit de officiële kas van Himmler. 4 Alleen 
Rauter kreeg aanvankelijk een salaris van het rijkscommissariaat (en vermoedelijk ook enkele 
bureau-krachten van hem), maar sinds december 1941 werd hij gesalarieerd uit de kas van een SS- 
instantie. 6 Organisatorisch stonden alle krachten onder de HSSuPF in Nederland, Waffen-SS, 
Sipo und SD y Ordnungspolizei, geheel los van het rijkscommissariaat, zoals dat ook in andere bezette 
gebieden het geval was. In organisatieschema's, adressenlijsten e.d. van het rijkscommissariaat 
worden SS en politie, zowel de eenheden als de bureaus, nooit genoemd, soms wel de Generalkom- 
missar für das Sicherheitswesen en Höherer SSuPF met een zeer beperkt aantal bureau-krachten; 
soms ook dit niet eens. 6 

Reeds hieruit zou, wanneer andere gegevens niet ter beschikking zouden zijn, blijken, hoezeer 
het SS-complex een enclave in het bezette gebied vormde. En tevens, hoe de ambtenaren van het 
Duitse bestuur deze situatie al als een normaal gegeven beschouwden. Dat was de keerzijde van het 
persönlich und unmit telbar onderschikken der Höheren SSuPF aan de civiele gezagsdragers. Ook 
als deze formule niet officieel was vastgelegd, zoals in Nederland, waren Waffen-SS en politie 
instrumenten van de Höherer SSuPF, niet van de rijkscommissaris; zij hoorden evenmin als de 
Wehrmacht tot het bezettingsapparaat in engere zin. De lezer herinnert zich, wat Hitier al meteen 

(1) VO 4/40, § 5. Dat in § 1 bij de enumeratie der Generalkommissare wèl gesproken wordt over de com- 
missaris-generaal 'für das Sicherheitswesen' met 'Höherer SS- und Polizeiführer' tussen haakjes erachter 
(zie p. 81) heeft dan ook geen betekenis. 

(2) Bijv. in HSSPF 296 a, b; zo ook trouwens in Rauters eerste brief aan Himmler (zie nr. 31, noot a). 

(3) Ook dit was door Seyss-Inquart zelfbepaald in VO 3/40. 

(4) FOSD 2288: 4831 12,483141. 

(5) PAPras36. 

(6) VJ 60954-77; Pnis 43 ; Pras 1 10 00 ; Best, Aufsicht sverwaltungen, p. 41 ; vgl. IMT 1056-PS. 



106 



DE VVAFFEN-SS IN NEDERLAND 



had bepaald : als dat apparaat iets op politioneel gebied wilde verrichten 'kann sich der Reichs- 
kommissar deutscher Polizeiorgane bedienen', maar dat kon hij nooit rechtstreeks doen, alleen via 
een opdracht aan zijn Höherer SSuPF, Daarbij, het bewaren van orde en rust, voorzover aan Duitse 
instanties opgedragen, was taak van de Ordnungspolizei; het verzamelen van politieke inlichtingen, 
de zorg voor de politieke veiligheid en politionele repressie op dat vlak, was de normale taak van 
Sipo und SD, van die organen dus die zo'n belangrijke plaats in de SS-enclave innamen. Doordat 
de Duitse politie ook de Nederlandse politie goeddeels aan zich onderwierp, viel ook deze organi- 
satie steeds meer binnen die enclave. 1 Een belangrijk deel van de activiteiten van de bezetter, ook, 
of juist bepaalde routinezaken, voltrok zich derhalve buiten het directe gezagsapparaat van de 
hoogste bezettingsfunctionaris. 

B. De Waffen-SS in Nederland 

Welke krachten in deze enclave stonden nu de Höherer SSuPF in Nederland ter beschikking? 
Evenals in Duitsland waren dat de eenheden en de bureaus van de Waffen-SS, van de politie en van 
de politieke SS. Maar reeds op dit punt was er ook al meteen een markant verschil: behalve over de 
Duitse politie kon Rauter ook beschikken over de Nederlandse politie, zij het dan, dat die behalve 
haar nieuwe Duitse opperhoofd ook nog haar oude eigen Nederlandse autoriteiten boven zich had. 
Verder was er in de SS-Oberabschnitt Nordwest, de naam van het Nederlandse SS-territorium, geen 
Duitse Allgemeine SS. In plaats daarvan beschikte Rauter als SS-leider over die merkwaardige 
politieke formatie, de Nederlandsche SS, nominaal een afdeling van een Nederlandse nazipartij. 
Trouwens, in meer bijzonderheden van structurele aard week het machtsinstrument van de HSSuPF 
in Nederland op saillante punten af, zoals wij nog zullen zien, van de organisatie in Duitsland. 

Vanaf het begin van de bezetting had de Wehrmacht in Nederland naast zich een kleine strijd- 
macht van Waffen-SS-eenheden, waarover zij weinig of geen controle had. Reeds op 25 mei 1940, 
nog voordat het burgerlijk bestuur in Nederland was geïnstalleerd, had Himmler ervoor gezorgd, 
dat de pas benoemde Höherer SSuPF Rauter de beschikking over het nodige zou krijgen: niet alleen 
werd er een Erganzungsstelle, een wervingsbureau, en een SS- und Polizeigericht naar Den Haag 
gestuurd, maar ook zou de nieuwe HSSuPF een militaire ruggegraat krijgen in de vorm van de 
4. SS-Totenkopf-Standarte. 2 Al snel kwam daar een tweede eenheid van hetzelfde soort bij. Deze 
troepen, de 4. en //. SS-Totenkopf-Standarten - dat laatste regiment werd in november 1940 door 
de 14. SS-Totenkopf-Standarte vervangen - waren over verschillende plaatsen in Nederland ver- 
spreid, met de zwaartepunten in Den Haag en Zandvoort, aan de kust dus. Tijdelijk van juli tot 
december 1940 was ook weer de SS-Verfügungsdivision, die zo'n belangrijk aandeel had gehad in de 
overmeestering van Nederland in de meidagen van 1940, in het land. 8 Meer dan een voorbijgaande 
geografische aanwezigheid was het niet; met de verwikkelingen ter plaatse, de taak van de Höherer 
SSuPF y of de Nederlandse bevolking kreeg de divisie ditmaal niets te maken. 4 

(1) Wanneer in latere jaren van de bezetting de benoeming van officieren in de Landwacht Nederland, 
notabene in opzet een zelfbeschermingsorganisatie van de NSB, die echter semi-politionele bevoegdheden 
krijgt en daarom onder controle van Rauter komt te staan, een zaak van de Duitsers dreigt te worden, 
tracht de Reichsführer-SS, die zich immers alle benoemingen van officieren in de SS en aan de SS ge- 
lieerde organisaties voorbehoudt, dit benoemingsrecht te usurperen (zie p. 394, 395). Weer een voorbeeld 
van het feit, dat Rauters formele en feitelijke bevoegdheden altijd voortkomen uit zijn kwaliteit van 
HSSuPF; zijn titel van commissaris-generaal is altijd een loos aanhangsel geweest. 

(2) H 1180: 12196. 

(3) H 467: 4237-45; Klietmann, Waffen-SS, p. 89. 

(4) Hoewel misschien de anti-Duitse demonstraties op 'Anjerdag' (29 juni; zie hiervoor nr. 38 en de 
annotatie daarbij) niet vreemd zijn geweest aan het besluit om de divisie in Nederland te legeren; zie 
Weidinger, Div. Das Reich, II, p. 297, 316. 



107 



DE HÖHERER SS- UND POLI ZEI FÜ H RE R IN NEDERLAND 

Zulks in tegenstelling tot de genoemde SS-Totenkopf-Standarten. Immers, in beginsel hoorde dit 
soort eenheden niet eens tot de Waffen-SS, maar hadden zij, meer nog dan oorspronkelijk de 
SS-Verfügungstruppe toegedacht was, een politionele taak. Weliswaar had Himmler eind augustus 

1940 toegestemd in een tijdelijke tactische subordinatie van de twee Totenkopf-Standarten in Neder- 
land onder de legerbevelhebber aldaar in verband met een mogelijke Engelse landing op de kust 1 , 
maar het oorspronkelijke karakter van hun functie bleek weer in februari 1941, toen de 4. SS- 
Totenkopf-Standarte in samenwerking met de Ordnungspolizei de februari-staking in Amsterdam 
neersloeg. 2 Men moet een en ander niet zozeer zien als een illustratie van het feit, dat de Waffen-SS 
vaak werd gebruikt voor het pacificeren van de bezette gebieden (dat was op zichzelf wel zo), maar 
meer in het licht van de ontwikkeling van Waffen-SS, Totenkopf verbande, en zelfs Ordnungspolizei 
tot regelrecht militaire formaties met een steeds meer militaire taak. 

In april 1941 werden de Ersatzeinheiten, de reserve-eenheden, van de SS-Polizei-Division in 
Nederland gelegerd. De divisie zelf behoorde weliswaar tot de frontdivisies van de Waffen-SS, 
maar was in principe samengesteld uit manschappen van de Ordnungspolizei* De reserve-eenheden 
in Nederland werden aanvankelijk geacht bepaald niet tot de Waffen-SS te behoren: onder geen 
beding mochten zij het uniform van de Waffen-SS dragen. Hoewel zij niet tot de eigenlijke een- 
heden van de Ordnungspolizei in Nederland hoorden, schijnen zij wel hetzelfde groene politie-uni- 
form gedragen te hebben, gebruikten in ieder geval dezelfde rang-aanduidingen als bij de politie 
gebruikelijk (Hauptmann, Major, e.d.) en stonden enerzijds onder de bevelen van de Höherer 
SSuPF te Den Haag, anderzijds onder de bevelen van het Hauptamt Ordnungspolizei te Berlijn. 
Uiteraard resulteerde dit in onzekerheid over de eigenlijke status van deze troepen, die nogal on- 
duidelijk werden aangeduid als E[rsatz] SS-Pol. Schiitz. Rgt. In mei 1941 werden officieren en 
manschappen ervan in kennis gesteld, dat zij nu toch tot de Waffen-SS behoorden. Nog later, in 
maart 1942, werden de politierangen vervangen door SS- rangen (Hauptsturmführer, Sturmbann- 
führer, e.d.). Het schijnt, dat deze eenheden grotendeels in Nederland zijn gebleven onder aandui- 
dingen als SS-Panzer grenadier- Ausbildungs- und Ersatz-Bataillone (SS-Pz.Gren.Ausb.u.Ers.Btl.; de 
toevoeging Polizei ontbrak nu geheel); in een dagorder van 4 januari 1944 wordt gesproken over 
leden van de 'ehemalige' reserve-eenheden van de SS-Polizei-Division. 41 

De twee SS-Totenkopf-Standarten verdwenen tegen het begin van de Russische veldtocht medio 

1941 uit Nederland. Zoals alle andere regimenten van hun soort hadden zij al in de loop van 1940 
min of meer stilzwijgend de status van onderdelen van de Waffen-SS gekregen, en voor het begin 
van de Duitse inval in de Sowjet-Unie waren zij als SS-Infanterie-Regimenter grotendeels opge- 
nomen in de formaties van de Waffen-SS, die aan het Russische front moesten strijden. 5 

Wat er in Nederland na juni 1941 tot september 1944, toen de nadering van het front weer een 
geheel nieuwe dislokatie van Duitse strijdkrachten in Nederland met zich meebracht, aan troepen 
van de Waffen-SS overbleef, was een verzameling van diverse reserve- en opleidingseenheden, 
waaronder dus bataljons en compagnieën, die kennelijk de vroegere reserve-eenheden van de 
SS-Polizei-Division onder een andere naam waren. Daaraan moeten twee formaties worden toege- 
voegd, waarin Nederlandse vrijwilligers dienst deden, die zich niet naar het front in Rusland 
wensten te begeven: het Wachbataillon Nordwest, dat de buitenbewaking van de Duitse kampen in 
Nederland leverde, en het regiment Landstorm Nederland. De lezer zal deze formaties verderop nog 

(1) Nr. 48 ; zie de annotatie daarbij. 

(2) B.A. Sijes, De Februaristaking, 25-26 Februari 1941, 's-Gravenhage, 1954, p. 208. 

(3) Stein, Waffen-SS,?. 34. 

(4) HSSPF 327 a, b, c, d, 336 d; H 264 ; Verkl. Rauter VI, p. 1 2. 

(5) Verkl. Rauter VI, p. i3;Stein, Waffen SS,p. I03~I05;D.A. van Hilten, Van capitulatie tot capitulatie. 
Een beknopte historische en technische beschrijving van de militaire gebeurtenissen in Nederland tijden s de 
Duitse bezetting van Mei 1940 tot Mei 1945, Leiden, 1949, p. 66. 



108 



DE WAFFEN-SS IN NEDERLAND 



wel tegenkomen. Hem willen wij hier ook een opsomming besparen van de andere eenheden van de 
Waffen-SS in Nederland, alleen al vanwege de veelvuldige naamsveranderingen en verplaat- 
singen; voldoende is het te vermelden, dat tot september 1944 het geheel naar schatting gemiddeld 
uit een 10.000 man bestaan zal hebben. 1 Een (kleine) Duitse divisie dus; evenwel vormden de 
Waffen-SS-Xroepen in Nederland noch formeel, noch in gevechtskwaliteit iets, wat op een divisie 
leek. 2 

De status van sommige troepen van de Waffen-SS is hier om twee redenen wat uitvoerig be- 
handeld. Ten eerste om nu reeds de tendens te signaleren van een politioneel naar een zuiver 
militair karakter van die troepen, iets, wat men bij de Ordnungspolizei in Nederland en bij politio- 
nele hulptroepen van Nederlandse vrijwilligers in Duitse dienst weer zal aantreffen, een ontwik- 
keling, die allerminst tot Nederland was beperkt, en die minder door de eisen van de oorlog dan 
door het specifieke karakter van het nationaal-socialisme tot stand kwam. De tweede reden is, dat 
Waffen-SS en politieke SS, geheime politie, Ordnungspolizei en Nederlandse politie, hier besproken 
dienen te worden om de feitelijke positie van hun aller chef, de Höherer SSuPF in Nederland in 
zijn relaties met andere instanties beter te kunnen bepalen. 

Als overkoepelend commando-orgaan werd in januari 1941 de positie gecreëerd van de Befehls- 
haber der Waffen-SS in den N ieder landen. In een vorig hoofdstuk hebben wij reeds gezien, dat com- 
mandanten met deze benaming ondergeschikt waren aan de Höheren SSuPF, die met name het 
gebruik van de Waffen-SS-t roepen bepaalde. Wat betreft interne routinezaken, allerlei details op 
het gebied van bewapening, opleiding, uitrusting e.d. ressorteerden zij tevens onder het SS-Füh- 
rungshauptamt. Zo ook de BdW-SS in Nederland. Voorzover het de reserve-eenheden van de 
SS-Polizei-Division betrof, was hij zelfs tevens ondergeschikt aan het Haup tarnt Ordnungspolizei. 
Maar in eerste instantie, dat was ook formeel vastgelegd, was hij het uitvoerende militaire orgaan 
van de Höherer SSuPF. 3 De functie werd in de eerste anderhalf jaar waargenomen door verschei- 
dene commandanten van Waffen-SS-een heden in Nederland, die niet vermeldenswaard zijn, en 
sinds juni 1942 door de iets meer geprofileerde figuur van de Beierse voormalige politieofficier 
SS-Gruppenführer Karl Maria Demelhuber. Iets meer geprofileerd voor ons, niet alleen, omdat hij 
de post jarenlang bekleedde en er iets van wist te maken, maar ook, omdat hij althans blijk gaf 
bepaalde bevoegdheden op zijn eigen terrein voor zich op te eisen tegen de zin van zijn strenge 
Höherer SSuPF 'm. Want Rauter wenste zijn BdW-SS kort te houden. Zelfs het tactische bevel over 
het regiment Landstorm Nederland hield Rauter aan zichzelf, Demelhuber slechts een zekere 
controle op de routine-gang van zaken latend; naar Rauter zei, omdat het toezicht op de Neder- 
landse vrijwilligers in dat regiment het beste door hemzelf kon worden uitgeoefend. 4 Dat moge 
waar geweest zijn, het lijdt geen twijfel, dat hoe dan ook Rauter er alles aan gelegen was om de 
zeggenschap over de SS-troepen zoveel mogelijk zelf in handen te houden. Het lukte hem; Rauter 
bleek ten opzichte van zijn BdW-SS de sterkste van de twee. Toen Demelhuber in november 1944 
van het toneel verdween, kwam er geen plaatsvervanger. Rauter had zichzelf inmiddels van een 
zuiver militair commando verzekerd: als SS-Obergruppenfuhrer und General der Waffen-SS und der 
Polizei had hij het bevel over de Kampfgruppe Rauter, die na september 1 944 de Veluwe en de brug- 
gen over de IJssel tegen geallieerde operaties moest beschermen. De Kampfgruppe Rauter was een 
heterogene strijdmacht, waarin de belangrijkste Waffen-SS-ecnheden - onder meer de Landstorm 



(1) Deze schatting op grond van lokatie-gegevens in H 264 en HSSPF 327 g; Rauter sprak na de oorlog 
over 20.000 - 30.000 man, wellicht echter de SS-troepen, die na september 1944 in Nederland optraden, 
meerekenend (Verkl. Rauter VI, p. 12). 

(2) Zie ook nr. 531. 

(3) Nr. 55; HSSPF 327 c. 

(4) Nr.531. 



109 



DE HÖHERER SS- UND POLIZEI FÜH RE R IN NEDERLAND 

en het Wachbataillon - en een regiment Ordnungspolizei begrepen waren. In zekere zin werd Rauter 
dus, zoals hij na de oorlog ook zelf zei, net als vóór januari 1941 weer zijn eigen BdW-SS. 1 

Men hoeft in Rauters wil om zelf de volledige controle over de Waffen-SS-cmhcdcn in Nederland 
te houden, niet alleen een persoonlijk machtsmotief te zien. Rauter koesterde terecht de vrees, dat 
de Waffen-SS in zijn gebied hem zou ontglijden. Himmler had dezelfde vrees, evenzeer terecht, 
want dit zeer reële gevaar was overal in het nazi-imperium aanwezig. De Wehrmacht had ontstaan 
en groei van het SS-leger niet kunnen verhinderen. Nu probeerde zij de Waffen-SS zoveel mogelijk 
aan zich te binden. Anderzijds groeide de Waffen-SS, die zich steeds meer tot een normale strijd- 
macht ontwikkelde, en zij aan zij met Wehrmach /-divisies vocht, ook mentaal naar het leger toe, 
hoewel er altijd een duidelijk verschil is blijven bestaan. 2 Uiteraard moesten de formaties van de 
Waffen-SS in gevechtsgebieden wel onder operationeel commando van legerbevelhebbers staan : 
daar was zeker een communis opinio over onder Wehrmacht en SS. Evenzeer gold als axioma, zeker 
voor de SS, dat de Waffen-SS in gebieden, waar rust en orde heersten, niets met de Wehrmacht had 
te maken. Dat gold voor Duitsland zelf, en in principe ook voor de bezette gebieden. Maar wat, als 
men in die bezette gebieden met massaal verzet, partizanen-acties, of vijandelijke militaire operaties 
te maken kreeg? Moest dan niet de Wehrmacht het tactische bevel over de aldaar gelegerde eenheden 
van de Waffen-SS krijgen, zo ja, wanneer, en vooral, hoe? 

Dat probleem werd niet opgelost. Men kwam tot plaatselijke en incidentele compromissen: zo 
Himmlers reeds vermelde toestemming tot een tijdelijke tactische onderschikking van de twee 
SS-Totenkopf-Standarten in Nederland in augustus 1940 aan de legerbevelhebber in dat land. Zo 
zijn toestemming om alle krachten van de Höherer SSuPF m Nederland, onder diens persoonlijke 
leiding evenwel, onder de Wehrmachtbefehlshaber te plaatsen, toen deze, teneinde de februari- 
staking in 1941 te onderdrukken, de uitvoerende macht in de provincie Noord-Holland gekregen 
had. 3 Naar voorbeeld van dit soort regelingen in Nederland en Noorwegen werd in april 1941 te 
Berlijn een Allgemeine Dienstanweisung für Wehrmachtbefehlshaber opgesteld. SS- en politie- 
eenheden zouden 'bei überraschender Bedrohung von aussen nötigenfalls zur Verfügung des 
W Bfh [de Wehrmachtbefehlshaber], jedoch frühestens zu einem Zeitpunkt, wenn ein unmittelbar 
bevorstehender AngrifF eindeutig erkannt ist' staan. 4 In Frankrijk werd later iets dergelijks vast- 
gesteld, ook in geval van onlusten. 5 Zoals gezegd: het probleem werd er niet mee opgelost, en het 
was ook onoplosbaar, omdat achter deze problematiek de hele machtsstrijd tussen SS en Wehr- 
macht schuil ging. In dit opzicht vormden Rauters voortdurende conflicten met de Wehrmacht in 
Nederland alleen maar een afspiegeling van die fundamentele strijd. Men hoeft daarvoor slechts 
de hier gepubliceerde brieven van Rauter aan Himmler te lezen. Zelfs als er goede wil voorhanden 
was - die meestal bij beide partijen ontbrak - blijft het feit, dat de heren blijkbaar de directieven 
over de diverse bevoegdheden zeer slecht schenen te kennen. Dat gold voor Rauter, dat gold ook 
voor de chef-staf van de Wehrmachtbefehlshaber in Nederland, wanneer wij althans aannemen, 
dat de man oprecht was, toen hij (in 1944!) tegenover Rauter beweerde niet te weten, dat de Waffen- 
SS eigenlijk een bijzondere strijdmacht was, via Himmler direct aan Hitier ondergeschikt; hij 
meende, dat de reserve-eenheden van de Waffen-SS wel tot de Wehrmacht behoorden. 6 Wanneer die 
verbazingwekkende onkunde geveinsd was - hetgeen waarschijnlijker lijkt - is dit inderdaad een 
kras symptoom van de begerigheid van de Wehrmacht ten opzichte van de troepen der Waffen-SS. 
Men begrijpt, dat Rauter ook in geval van een militaire noodsituatie elke directe onderschikking 

(1) Verkl. Rauter VII, p. 1, 2; HSSPF 338 a; voor de Kampfgruppe Rautemr. 597, noot 3 en 5. 

(2) Zie Stein, Waffen-SS, p. 290. 

(3) Rapport van Rauter voor Christiansen 4 maart 1941, afgedrukt bij Sijes, Februaristaking, p. 207. 

(4) N103NOKW1471. 

(5) Zie p. 75. 

(6) Nr.498. 



110 



DE WAFFEN-SS IN NEDERLAND 

van de BdW-SS aan de Wehrmachtbefehlshaber langs hem, de Höherer SSuPF, heen, afwees. 1 
Himmler heeft ongetwijfeld het bijzondere karakter van de Waffen-SS willen behouden als een 
strijdmacht voor speciale doeleinden, zoals de Verfügungstruppe ook oorspronkelijk bedoeld was. 
Rauter eveneens, en naar wij mogen aannemen, de meeste Höheren SSuPF met hem. De hierboven 
gesignaleerde tendens naar een zuiver militaire functie van SS- en politietroepen konden zij - en 
wilden zij tot op zekere hoogte - niet tegengaan. Wel gebruikten zij Waffen-SS en politie voor het 
neerslaan van onlusten en verzet. Dat was hun oorspronkelijke bestemming, hun privilege, als 
bijzondere strijdmacht van de Führer. Men gaat zeker niet te ver door deze overwegingen bij Himm- 
ler te veronderstellen, en tevens de gedachte, dat deze acties een goed tegenwicht zouden vormen 
tegen de mentale en structurele groei van de Waffen-SS naar de Wehrmacht toe; bovendien waren 
zij een stimulans voor een verdere samensmelting met de politie. Wij wezen hierboven reeds op 
Himmlers toestemming om tijdens de februari-staking van 1941 SS- en politie-troepen onder het 
gezag van de Wehrmachtbefehlshaber te plaatsen, onder leiding van de HSSuPF evenwel, en 'unter 
der Voraussetzung, dass die Befehlsstabe und Krafte des Höheren SS- und Polizeiführers voll und 
ganz eingesetzt würden' 2 ; welnu, dit soort onaangename activiteiten liet de Wehrmacht gaarne van 
haar kant aan de SS over. Na medio 1941 verloor Himmler weliswaar goeddeels de operationele 
beschikking over zijn SS-Totenkopf-Standarten, maar het onderdrukkingswerk in het achterland 
kon even goed worden verricht, en naar verwachting met hetzelfde effect, door zijn politie-bataljons 
en de reserve-eenheden van de Woffen-SS-èi visies. 8 

Dat gebeurde ook bij de april-mei-stakingen van 1943 in Nederland. Rauter deelde het hele land 
in Sicherungsbereiche in, die over het algemeen parallel met de provinciegrenzen liepen, en stelde 
aan het hoofd van elk dezer districten een Kommandeur aan. De meesten waren politie-officieren, 
maar over Utrecht en Gelderland werden twee officieren van de Waffen-SS, commandanten van 
daar gelegerde Ersatz-een heden, aangesteld. Omgekeerd had de Kommandeur van het Sicherungs- 
bereich Noord-Holland, een majoor en bataljonscommandant van de Ordnungspolizei, ook eenheden 
van de Waffen-SS onder zich. 4 Ook op het slagveld kan dit samengaan van politie en Waffen-SS 
herhaaldelijk worden geconstateerd: wij noemden reeds de Kampfgruppe Rauter. 

Het lijkt op het eerste gezicht paradoxaal, dat de militarisatie van gewapende SS-een heden en 
politie niet de positie van het leger, maar die van de Höherer SS- und Polizeiführer versterkte. 
Tekenend voor de latere verhouding tussen Rauter en de Wehrmacht is het, dat hij in mei 1944 de 
Wehrmachtbefehlshaber ertoe wist te brengen om in geval van geallieerde landingen Wehrmacht- 
troepen ter beschikking te stellen van de HSSuPF voor diens semi-politionele taken in het achter- 
land. Daarbij maakte Christiansen wel de juiste opmerking, 'dass es ein erstmaliger Zustand ware, 
dass die Wehrmacht einem Höheren SS- und Polizeiführer, der im Ausnahmezustand dem WBN 
nicht persönlich unterstellt sei, militarische Krafte unterstellen warde' 8 . Nog geen maand daarvoor 
was bepaald, dat ook als de HSSuPF wèl ondergeschikt aan de Wehrmachtbefehlshaber zou zijn, 
namelijk als die in een militaire noodsituatie de uitvoerende macht zou overnemen, de politie- 
eenheden toch uitsluitend onder de HSSuPF zouden ressorteren. Zelfs zou dat het geval zijn met de 
Landstorm, die aanvankelijk wel een gering politioneel karakter had, maar die toch zeker als een 
eenheid van de Waffen-SS te beschouwen viel. 6 

Misschien moet aan deze schets van de verhouding tussen Wehrmacht en Waffen-SS nog iets 

(1) Nr.531. 

(2) Als noot 3 op p. 1 10. 

(3) Zie ook Stein, Waffen-SS, p. 102, 103. 

(4) Telex van de BdS aan de Aussenstellen 30 april 1943, en rapport van de chef der Aussenstelle Am- 
sterdam, afgedrukt bij Bouman, April-Mei- stakingen, resp. p. 329, 365 en 366. 

(5) Nr. 549- 

(6) Nr.532. 



III 



DE HÖHERER SS- UND POLIZEI FÜ H RER IN NEDERLAND 

worden toegevoegd. Het succesvol rivaliseren van Rauter met de Wehrmacht kan men niet helemaal 
los zien van een persoonlijk element: de vroegere vrijkorpsaanvoerder was nu eenmaal essentieel 
anders dan het type van de Pruisische Generalstabler van de Wehrmacht, die, de monocle in het 
rechteroog geklemd, zijn bureau-arbeid met wiskundige precisie wenste te verrichten. Bij uitstek 
was juist de Oostenrijkse nazi-revolutionair geschikt om met een samengeraapte strijdmacht van 
Waffen-SS- en politie-onderdelen troebelen neer te slaan, en acties in de sfeer van de guerrilla te 
voeren. Het leiden van de Kampfgruppe Rauter deed hij met hartstochtelijk plezier. Als iemand door 
zijn persoonlijkheid geschikt was om SS en politie samen te smeden tot een instrument in de militaire 
sfeer, en zijn troep daarbij toch een van de Wehrmacht afwijkend karakter te doen behouden, 
dan was het stellig Rauter. 

C. Sipo und SD in Nederland 

De Duitse politie manifesteerde zich in Nederland in tweeërlei gedaante: in de bureaucratie van 
Sipo und SD en in de militaire eenheden van de Ordnungspolizei. Zonder twijfel is de eerste categorie 
de meest gehate en gevreesde geweest. Men kan wel zeggen, dat bijna iedere Nederlander tijdens de 
oorlog tenminste enige malen met het gevreesde begrip SD geconfronteerd is geweest - en hoeveel 
Nederlanders zijn niet persoonlijk in onvrijwillig contact gekomen met de verafschuwde organisa- 
tie, die zich achter deze beruchte afkorting verschool? Leek te verschuilen althans, want, werden 
in Duitsland alle negatieve associaties met Himmlers geheime politie verbonden aan het begrip 
Gestapo, de Nederlander koppelde zijn beeld van de Duitse politieke politie, van arrestatie, ver- 
hoor en marteling aan de letters 4 SD\ Begrijpelijk, omdat het personeel van Sipo und SD, in de 
bezette gebieden bijna altijd geüniformeerd, op de linkermouw van het uniform de zwarte SD-ruit 
droeg. Wij hebben reeds uiteengezet, dat dit uiterlijke symbool, en het nominale SD-lidmaatschap 
van Gestapo- en Ar/pc-personeel, een mate van integratie van de drie diensttakken suggereerden, die 
er althans in Duitsland nog niet was. 1 

Die integratie, die in het Altreich op zijn best nog slechts halverwege gelukt was, dacht men niet 
zonder reden in de bezette gebieden te kunnen versnellen. Voor het eerst met de invasies in 1939 
van de Duitse legers in het restant van Tsjechoslowakije en in Polen inaugureerde het Reichssicher- 
heitshauptamt een nieuwe praktijk: in het zog van de legers verspreidden mobiele gemengde forma- 
ties van Sipo- en 5£>-personeel zich over de veroverde gebieden. Deze Einsatzgruppen, onder- 
verdeeld in Einsatzkommandos, kregen vooral later grote beruchtheid, toen zij in de eerste maanden 
van de Duitse veldtocht tegen de Sowjet-Unie zich wijdden aan de liquidatie op ongekende schaal 
van joden, communisten, partizanen, lijders aan besmettelijke ziekten, enz. enz. Een massale moord- 
partij, die in de volgende jaren overtroffen werd, toen de vergassingsinstallaties in de Duitse vernieti- 
gingskampen in Polen op volle toeren gingen draaien. Maar reeds in 1939 maakten de Einsatz- 
gruppen in Polen de massamoord tot hun dagelijkse werk, zij het op kleinere schaal dan later in 
Rusland het geval was, zij het dat de slachtoffers in Polen in die tijd veelal tot de adel, geestelijkheid 
en intelligentsia van het land behoorden. 2 



(1) Zie p. 32. Tevens fotocollectie RvO, map 56 E; Mollo, Uniforms Allg. SS, p. 29; ook Heydrich draagt 
op zijn veldgrijze uniform de S^-ruit, zie id., p. 18; IMTXX, p. 187, 203, 207-208; voorts een aantal 
persoonsgegevens uit SS-Dienstalterslisten van 1937 en 1944 en BDC-Personalakten, o.a. P 2, P 44, 
P 57» P 137; P 142: 1 1835 is een foto van een Gestapo-functionaris in SS-uniform met SX>-ruit. De plaat- 
sing van £//?0-functionarissen in een nominale SD-formatie wordt blijkbaar omstreeks 1942 opgeheven; 
sindsdien wordt het RSHA opgegeven als de SS-eenheid, bij wie zij formeel te boek staan. 

(2) Zie o.a. Czesïaw Madajczyk: Die Deutsche Besatzungspolitik in Polen ( 1939-1945), Wiesbaden, 1967, 
p. 10, 11, verder: Broszat, Polenpolitik, p. 38 e.v., en Krausnick: 'Hitier und die Morde in Polen', in 
VfZ, 1963, P- 202. 



112 



SIPO UND SD IN NEDERLAND 



Al zullen aan de woorden Einsatzgruppe en Einsatzkommando voor immer gruwelijke associaties 
verbonden blijven, toch hoefden deze begrippen in principe niet op moordcolonnes te duiden. 
Zij hadden slechts de betekenis van mobiele, als tijdelijk gedachte eenheden van Sipo en SD. Inder- 
daad werden zij doorgaans na enige maanden omgevormd in stationaire eenheden. Aan het hoofd 
van dit geheel in het bezette land kwam een Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des SD ( BdS) 
te staan, die een regionale onderverdeling doorvoerde, met als chef van iedere regionale Sipo und 
S£>-organisatie een Kommandeur der Sicherheitspolizei und des SD (KdS). 1 In de veroverde West- 
Europese gebieden penetreerde Heydrichs politiemacht en nestelde zich blijvend zonder één schot 
te lossen. Zo in Noorwegen, waar te Oslo een BdS zijn bureau vestigde; onder hem ressorteerden, 
verspreid in het land, vier Kommandeure der Sipo und des SD.* Zo in Nederland, waar onmiddellijk 
een Einsatzgruppe onopvallend en geruisloos binnendrong. De samenstellende delen van deze 
eenheid, de Einsatzkommandos, moeten zeer snel, op zijn laatst 4 juni, stationair geworden zijn, in 
vier plaatsen: Groningen, Arnhem, Amsterdam en 's Hertogenbosch. De staf van de Einsatzgruppe 
vestigde zich in Den Haag, waar de rijkscommissaris en de Höherer SSuPF zich reeds bevonden. 
Eind juni 1940 liet men dit woord vallen, en sprak men sindsdien van de Befehlshaber der Sicher- 
heitspolizei und des SD (BdS), waarmee al naar gelang van situatie en zinsverband de Befehlshaber 
zelf, het Haagse hoofdbureau, of de hele organisatie werd bedoeld. 3 De vier Einsatzkommandos, 
met ieder onder zich enige Aussendienststellen, lokale buitenposten, werden iets langer gehand- 
haafd. 

De eerste BdS in Nederland, SS-Standartenführer Hans Nockemann, moest in juli 1940 al het 
veld ruimen naar aanleiding van de Oranje-demonstraties op 29 juni, de verjaardag van Prins Bern- 
hard. Zijn opvolger, de uiterst bekwame politieman SS-Standartenführer Wilhelm Harster, bracht 
in augustus echter een verandering aan, die de organisatie op een belangrijk punt deed verschillen 
van de /fr/S-structuur in andere bezette gebieden: hij hief de Einsatzkommandos op, en organiseerde 
een nieuwe reeks van Aussenf dienst) stellen, die direct en volledig onder zijn hoofdkwartier in Den 
Haag ressorteerden. Tot september 1944 waren het er over het algemeen zes, in de steden Amster- 
dam, Rotterdam, Groningen, Arnhem, 's-Hertogenbosch en Maastricht (hoewel er tijdelijk, met 
name in 1941, ook Aussenstellen in andere plaatsen waren gevestigd). In kleinere plaatsen - de 
belangrijkste was Leeuwarden - kwamen er nu Aussenposten. 

Inderdaad, Kommandeure der Sipo und des SD, die vergeleken met de leiders van Aussenstellen 
nog een tamelijk zelfstandige positie hadden, waren er in het kleine, overzichtelijke Nederland met 
zijn goede verbindingen minder nodig dan in bijvoorbeeld Noorwegen of Frankrijk. Het ging 
Harster evenwel om een algehele centralisatie, om een zo groot mogelijke integratie van alle onder- 
delen van het ifr/S-apparaat ; dat had hij met Heydrich, die hem persoonlijk bij Seyss-Inquart intro- 
duceerde, van tevoren besproken. Een territoriale centralisatie bereikte hij zeker. 4 

Maar het was ook hun bedoeling om een functionele centralisatie tot stand te brengen, dat wil 
zeggen een grotere integratie van de verschillende Sipo- en SD-afdelingen onder hem. Het Haagse 
hoofdkwartier van de BdS was georganiseerd als een verkleinde uitgave van het Berlijnse RSHA. 
Evenals de Am ter I en // te Berlijn hielden de Abteilungen I en // te Den Haag zich bezig met de 
interne gang zan zaken. De afdeling III was, evenals Amt III van het RSHA, de eigenlijke SD in 
Nederland, een inlichtingendienst zonder executieve bevoegdheden. Dit in tegenstelling tot afdeling 

(1) In geannexeerde gebieden werd min of meer de indeling in Duitsland nagevolgd met Gestapo(leit) 
stellen, SD-Leitabschnitte, enz. : zie nr. 2, noot 5. 

(2) Doe. II 561 Noorwegen; The German Police, A 12. 

(3) Een en ander valt af te leiden uit de eerste rapporten van de Einsatzkommandos, gericht aan de Ein- 
satzgruppe. Dat de installatie van deze staf zeer onopvallend geweest moet zijn, moge volgen uit het feit, 
dat tot nu toe niemand die nomenclatuur was of is opgevallen. (HSSPF 38 c, 40 a). 

(4) HSSPF 38 c - 50 b ; Verkl. Harster I, p. 5, II, p. 7 ; zie ook nrs. 3 en 5 en de annotatie daarbij. 



113 



DE HÖHERER SS- UND POLIZEIFÜ HRER IN NEDERLAND 

IV, die de Gestapo representeerde, en V, die de Ar/po-functie waarnam. Er was ook nog een afdeling 
VI, die naar voorbeeld van Amt VI te Berlijn inlichtingen over geallieerde landen verzamelde, maar 
ook met toepassing van de nodige schaalverkleining viel deze afdeling in importantie niet te ver- 
gelijken met Schellenbergs spionage-centrum; in feite was deze Haagse VI een aanhangsel van 
afdeling III. Een Nederlandse dépendance van Amt VII - dat nogal vage, 'ideologische' bureau 
van het RSHA 1 -ontbrak geheel, evenals zelfstandige pendanten van andere instanties, waarmee 
het RSHA in de loop van de oorlog zich verrijkte. 2 

In principe was de arbeidsverdeling dus niet anders dan te Berlijn. De eigenlijke bestrijding van 
alles, wat oppositioneel tegenover de bezetter stond of geacht werd te staan, was het werk van 
Abteilung IV, van wat men dus beter Gestapo zou kunnen noemen, in tegenstelling tot het wijd 
verspreide spraakgebruik in Nederland. IV bracht de slagen aan het verzet toe, organiseerde de 
maatregelen tegen de joden, arresteerde en verhoorde verdachten, ook al was men vaak aangewezen 
op het inlichtingenmateriaal van III, of het recherche- vakmanschap van personeel van V. Het 
accent lag onmiskenbaar bij Abteilung IV. Een functionaris van de afdeling ///, een SD-man dus 
in de beperkte Duitse betekenis van het woord, kon wel in bepaalde omstandigheden tot bijvoor- 
beeld arrestatie van Nederlanders overgaan, mits hij vergezeld was van een politieman van de 
afdeling IV. Met het oog op dergelijke omstandigheden vond er in een bepaalde periode wederzijdse 
detachering plaats. De samenwerking tussen de verschillende afdelingen (het gaat hier praktisch 
alleen om de afdelingen III, IV en V) schijnt over het algemeen goed te zijn geweest, zulks in tegen- 
stelling tot de spanningen en conflicten, die in de boezem van het RSHA tussen de Amter bleven 
bestaan. 3 Verwonderlijk is dat niet bij een apparaat, dat veel kleiner was dan de reusachtige centrale 
te Berlijn, dat temidden van een vijandige bevolking moest werken, en dat - belangrijk verschil met 
de situatie in Duitsland - zonder dat men rekening hoefde te houden met allerlei autoriteiten en 
historisch gegroeide verhoudingen, onder de straffe leiding van een zeer capabel vakman van de 
grond af aan als een eenheid kon worden opgebouwd. Het is misschien wel tekenend voor een 
grotere mate van integratie dan in Duitsland het geval was, dat de betrokken Duitsers in Nederland, 
ook na de oorlog, vrijwel nooit spraken over SD, Gestapo of Kripo, maar de afdelingen van de BdS 
bijna altijd alleen met de Romeinse cijfers plachten aan te duiden. 

De genoemde Abteilungen waren weer samengesteld uit Re f er at e, die ieder een bepaald arbeidsveld 
hadden, en die vaak weer onderverdeeld waren in sub-bureaus. Vaak, niet altijd; een en ander hing 
af van de importantie van het arbeidsterrein. Op dit punt volgde de organisatie, die trouwens aan 
periodieke veranderingen en her-organisaties onderhevig was, geen rigide schema. Een duidelijk 
voorbeeld hiervan is het Referat IV B 4 (strikt genomen zou dit eigenlijk een sub-bureau moeten 
zijn), dat zich in het kader van de BdS met de jodenvervolging bezig hield: deze onderafdeling 
ressorteerde echter direct onder de BdS zelf. 4 

Zoals het hoofdkwartier van de BdS in beginsel een weerspiegeling op kleinere schaal was van 
het RSHA, zo waren de Aussenstellen georganiseerd naar het model van het Haagse hoofdkwartier. 
Geheel anders dan in Duitsland had men hier te doen met kleine, compacte eenheden, die althans 
in de periode-Harster alleen maar lokale uitvoeringsorganen waren van de BdS te Den Haag. Men 



(1) Zie daarvoor p. 35 van de inleiding en nr. 519, noot 1 . 

(2) Aan de afdeling VI was blijkens een schema van de BdS in het laatste halve jaar van de bezetting een 
functionaris verbonden, die inlichtingen over het Canadese leger verzamelde. Dit was een Wehrmacht- 
officier, die men als een pendant kan zien van het Mil. Amt (de voormalige Abwehr) van het RSHA. 

(3) Doe. II Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des SD (als bron verder aangeduid met: 'Befehlsh. 
Sipo') a 1 ; schema's van de BdS in Coll. Org. schema's. 

(4) Not. 107, B.A. Sijes: 'Adolf Eichmann und die Deportation der in den Niederlanden wohnenden 
Juden', p. 27, 74, noot 23b. 



114 



SIPO UND SD IN NEDERLAND 



kan zich voorstellen, dat Himmler en Heydrich maar al te graag de Sipo und SZ)-organisatie, zoals 
die in een bezet land als Nederland bestond, in Duitsland zelf zouden willen invoeren: geen wirwar 
van dubbele en driedubbele onderschikkingen, competentie-twisten en halfslachtige compromissen 
over de bevoegdheden tussen Amtschefs, Höheren SSuPF, Gauleiter, Inspekteure, Polizeiprasidente, 
enzovoorts, geen mengelmoes van verschillende hiërarchische onderschikkingen en verschillende 
territoria van lokale Gestapo-, Kripo- en SD-bureaus, maar één Bcfehlshaber, die inderdaad de 
bevelen gaf, en één organisatie van lokale bureaus, waar het verschil tussen functionarissen van III, 
IV of F welhaast onmerkbaar was. Geen enkele moeilijkheid met regionale civiele bestuurders, 
Duitse of Nederlandse: de eerste categorie had niets over de Duitse politie te zeggen, en de tweede nog 
minder dan niets; omgekeerd vaak genoeg. Het geheel was uitermate overzichtelijk en hanteerbaar. 

En mede daardoor kon dit apparaat, het instrument bij uitstek van de Duitse terreur en onder- 
drukking in Nederland, ook klein worden gehouden. Natuurlijk, men had altijd nog de Waffen-SS 
en de Ordmmgspolizei en ook nog de Wehrmacht achter de hand om er indien nodig massaal op los 
te slaan, maar voor de controle op een vijandig gezind miljoenen-volk beschikte de Duitse geheime 
politie in Nederland toch over een tamelijk gering aantal personeelsleden. Een lijst van het personeel 
van het hoofdbureau van de BdS te Den Haag, die de stand van zaken in 1944 weergeeft, bevat, in- 
begrepen stenotypistes en andere hulpkrachten, o.a. de vaste kern van gedetacheerde collaborateurs 
uit de Nederlandse politie - niet de losse informanten en verklikkers - 185 namen. De Aussenstelle 
te Amsterdam, die zeer groot was (onder meer door haar uitgebreide aandeel in de jodenvervolging) 
telde met inbegrip van de vaste Nederlandse medewerkers, zij het zonder het gevangenispersoneel, 
173 leden. De Aussenstelle Maastricht met al in al 34 medewerkers en medewerksters zal eerder een 
gemiddelde geweest zijn. De na-oorlogse bewering van Rauter, dat de Sipo in Nederland inclusief 
chauffeurs, typistes en Nederlandse arbeidskrachten uit een 650 a 700 man bestond, zonder deze 
categorieën uit 300 tot 350 man, is dan ook vermoedelijk niet ver bezijden de waarheid. 1 Een paar 
honderd Duitsers, plus het onvermijdelijk aanslibsel van inheemse handlangers, die hun landgenoten 
verrieden om der wille van de zilveren penningen, uit ideologische overwegingen, uit persoonlijke 
rancune of uit zeer misplaatst 'plichtsbesef' - zij slaagden er niet in het verzet algemeen te breken, 
en hun methoden hebben de opkomst van het verzet stellig gestimuleerd, maar zij slaagden er wel 
in om vijf jaar lang een atmosfeer van schrik en angst onder de onderworpen bevolking te versprei- 
den en te onderhouden. 

Toch trad er op den duur in dit straf georganiseerde apparaat - voor een groot deel de verdienste 
van de tweede BdS Hars ter - weer een zekere decentralisatie op. Maar die had een volkomen ander 
karakter dan het verbrokkelde patroon van de politie-organisatie in Duitsland. Onder de derde 
BdS Erich Naumann, die in september 1943 Harster opvolgde, maar diens gezag en capaciteiten 
miste, werden de Aussenstellen zelfstandiger. De vierde en laatste BdS, Eberhard Schöngarth, bracht 
daar geen verandering in, wellicht omdat hij vroeger als BdS in het Poolse Generalgouvernement 
gewend was aan het systeem van onder hem opererende Kommandeure der Sipo und des SD. 2 
Eerder lijkt het, alsof hij op een dergelijk meer gedecentraliseerd systeem aanstuurde. 

In werkelijkheid werd die ontwikkeling evenwel in hoofdzaak door het verloop van de oorlog 
bepaald. De maand september van 1944 vormt in de meeste opzichten de belangrijkste caesuur in 
de hele bezettingsgeschiedenis van Nederland. Zo ook in het geval van de Sipo (met welke term wij, 
voorzover uit het zinsverband niet anders blijkt, voortaan Sicherheitspolizei und SD willen samen- 
vatten). De geallieerde luchtlanding bij Arnhem en de daarmee beginnende bevrijding van het 
Nederlandse grondgebied schiepen een nieuwe situatie op bijna elk gebied. Het verkeer per rail 
werd door de spoorwegstaking lamgelegd, het wegverkeer door een steeds frequenter beschieting 
door geallieerde vliegtuigen. De verzetsorganisaties groeiden snel in ledenaantal, hun houding werd 

(1) HSSPF 292 c; Doe. II Befehlsh. Sipo, Aussenstelle Maastricht; Verkl. Rauter VII, p. 22, 

(2) Zie voor Naumann en Schöngarth nrs. 2 en 4 en de annotatie daarbij. 



115 



DE HÖHERER SS- UND P O LIZ EI FÜ H RE R IN NEDERLAND 

steeds driester. Aan de Duitse kant was al eerder in september het bezettingsbestuur in chaos en 
paniek afgegleden, waarvan het zich slechts moeizaam herstelde. Deze situatie schiep bij de Duitsers 
de wens tot onmiddellijke lokale repressie, en hierin moet men de grondoorzaak zoeken van het 
het feit, dat de BdS nu naar het schijnt zich bewust richtte op grotere zelfstandigheid en meer be- 
voegdheden voor de plaatselijke S/po-bureaus. 

De Aussenstellen werden nu weer in Einsatzkommandos veranderd, zonder dat overigens, evenals 
in de eerste maanden van de bezetting, de benaming Kommandeur opduikt. Maar die Einsatz- 
kommandos, versterkt met uit België en Frankrijk gevlucht personeel, vestigden zich nu voorname- 
lijk in het noord-oosten van het land, (onder meer Deventer, Zwolle, Almelo, Enschede en Sneek). 
Daarheen verplaatste zich ook het hoofdkwartier van de BdS, nu zoveel mogelijk tot een minimum 
gereduceerd, en over een aantal plaatsen verspreid. Verschillende Referate van het hoofdkwartier 
organiseerden zich tot zelfstandig opererende Sonderkommandos. Zowel bij het hoofdkwartier, 
aldus uit elkaar getrokken, als bij de diverse Einsatzkommandos is in dit laatste halve jaar van de 
oorlog een grote mobiliteit waarneembaar; het zou totaal zinloos zijn om de plaatsen te noemen, 
waar elke instantie zich kortere of langere tijd gevestigd had. Om een greep te doen: het belang- 
rijkste deel van de staf, reeds vanuit Den Haag naar Zeist verhuisd, vertrok in september 1944 
naar Zwolle, en in april 1945, toen de algemene noord-oostelijke vluchtrichting door de bevrijding 
van het oosten van het land in een westelijke richting werd omgebogen, weer naar Den Haag. De 
BdS zelf zetelde in deze periode achtereenvolgens te Westerbork, Zwolle en Apeldoorn. Zo kwam 
één van de Einsatzkommandos, die het merendeel van zijn manschappen inmiddels uit gevlucht 
personeel van een S^ö-instantie te Rijssel in Noord-Frankrijk had betrokken, na korte stationerin- 
gen te Deventer, Almelo, vervolgens Rotterdam, te Heerenveen terecht, vanwaar het in april 1945 
weer op Rotterdam terugtrok. De vroegere Aussenstelle Maastricht eindigde na enige omzwer- 
vingen als Einsatzkommando te Sneek. 1 

Dit alles kan voor een deel worden verklaard uit het oprukken van de geallieerden. Van Duitse 
zijde is later aangevoerd, dat deze her-organisatie voornamelijk is doorgevoerd om de aldus zelf- 
standige en meer mobiele eenheden een sterkere positie tegenover de Wehr macht te geven. 2 Ook 
deze verklaring is weinig bevredigend. Ongetwijfeld hebben deze factoren meegespeeld, doch de 
decentralisatie en de omvorming in Einsatzkommandos (men herinnert zich, dat dit woord in prin- 
cipe een mobiele eenheid aanduidde) met een grotere geografische en functionele bewegingsvrijheid 
staat ook in verband met het optreden van de Sipo in Nederland in dat laatste halve jaar. Dat op- 
treden werd nu niet alleen bepaald door het toenemende verzet in Nederland, en de toenemende 
chaos sinds september 1944, maar tevens door de radicalisering in de Duitse houding tegenover de 
bevolking van de West-Europese landen in het algemeen. Die radicalisering was al iets eerder inge- 
treden. 

De eerste vier bezettingsjaren was de Duitse repressie weliswaar beslist niet vrij van willekeur, 
maar toch daarin aan zekere beperkingen onderhevig geweest. Nederlanders, die iets tegen de be- 
zettende macht ondernamen, werden nog vaak berecht ; hoewel de basis van de Duitse rechtspleging 
in Nederland zeer kwestieus was, en de rechtspraak uiteraard doordrenkt met nazi-opvattingen, 
waren hier de traditionele normen nog niet geheel verdwenen. De berechting was in handen van 
civiele rechtbanken en rechtbanken van de Wehrmacht. Tekenend voor de verhoudingen was het, 
dat steeds meer zaken van de militaire rechter naar de civiele Duitse rechter werden overgebracht. 3 
Maar met zijn civiele rechtbanken (Lande sgericht en Obergericht) speelde Seyss-Inquart het ten- 
slotte niet klaar. Nog in januari 1942 had hij op een suggestie van Heydrich om Polizeistandgerichte 

(1) HSSPF 53 c; Doe. II Befehlsh. Sipo, Einsatzkommando Deventer; Doe. II Befehlsh. Sipo, E-kdo 
Heerenveen; Doe. II. Befehlsh. Sipo, Aussenstelle Maastricht. 

(2) HSSPF 53 c. 

(3) Not. 22, J. R. de Groot: 'Duitse strafrechtspraak in bezet Nederland'. 

Il6 



SIPO UND SD IN NEDERLAND 

op te richten geantwoord, dat hij dat voorlopig nog niet nodig achtte. 1 In de loop van dat jaar 
maakte het toenemend verzet, dat de rijkscommissaris er anders over ging denken. 

In juli 1940 was reeds bepaald, dat de rijkscommissaris sommige strafbare handelingen, die zich 
tegen leden van SS of Duitse politie richtten, onder de Sondergerichtsbarkeit van SS en politie 
kon laten berechten. 2 In januari 1943 werden per verordening 3 de Polizeistandgerichte toch inge- 
voerd; ze traden, snel en hard, voor het eerst op tijdens de april-mei-stakingen van dat jaar. Deze 
rechtbanken bestonden uit een SS-Richter en twee SS- of politie-officieren als bijzitters. Feitelijk 
waren de Polizeistandgerichte, ook wat de procedure betreft, weinig anders dan verlengstukken van 
het SS- und Polizeigericht te Den Haag, maar strikt genomen hadden ze niets met elkaar te maken: 
het SS- und Polizeigericht berechtte leden van SS en politie, ook van de Nederlandse politie, en op 
voorstel van Rauter liet Himmler bij wijze van experiment Nederlandse politiemannen als bij- 
zitters optreden - naar bleek een geslaagd experiment. 4 Dat vloeide echter allemaal voort uit het 
privilege van de SS om rechtspraak in eigen kring uit te oefenen. De Polizeistandgerichte waren 
rechtbanken van de rijkscommissaris, niet van Himmler, hoe vaag het onderscheid ook in de prak- 
tijk geweest moge zijn. De plannen van Rauter om over Nederlandse onderdanen een SS-recht- 
spraak sui generis in te voeren, zoals de Wehrmacht die al uitoefende, kwamen niet boven een 
beginstadium uit. 5 

Voor de verklaring hiervan dienen wij terug te keren naar de Sicherheitspolizei. In juli 1944 had 
Hitier bevel gegeven om de berechting van 'terroristen en saboteurs' - die categorie werd al snel 
uitgebreid tot iedereen, die als schadelijk voor de bezettingsmacht werd beschouwd - in de bezette 
gebieden onmiddellijk stop te zetten. Het lot van deze mensen, voorzover de Duitsers hen niet ter 
piaatse dienden 'niederzukamp^n', moest in handen van de Sipo worden gegeven, daar naar het 
oordeel van Hitier 'gerichtliche Todesurteile gegen Landeseinwohner der besetzten Gebiete Mar- 
tyrer schaffen.' 6 Men realisere zich : iedere niet-Duitser, die een verdachte indruk maakte, kon daar- 
mee door elke geüniformeerde Duitser worden neergeknald. Als dat niet gebeurde, kon hij worden 
opgepakt en aan de genade van de Sipo worden overgeleverd. Dat was voor Oost-Europa, voorzover 
nog in de Duitse macht, bepaald geen novum, eerder een legalisatie, indien men dat woord mag 
gebruiken, van reeds jarenlang beoefende praktijken. Voor de Scandinavische landen en Nederland 
- Frankrijk en België werden in deze tijd in snel tempo bevrijd - luidde het een nieuwe fase in, die 
tot het einde van de oorlog zou duren. 

In Nederland gaf de BdS Schöngarth op 1 1 september 1944 aan alle Aussenstellen bevel om hard 
toe te slaan. Wanneer bekend werd, dat ergens illegale vergaderingen werden gehouden of verzets- 
centra aanwezig waren, en arrestatie niet om bepaalde redenen wenselijker leek, 'so sind diese Ver- 



(1) KA Ju 1 3 c. 

(2) VO 52/40. 

(3) KO1/43. 

(4) Nrs. 200 en 481 ; Doe. II SS- und Polizeigericht X a 1. 

(5) VO 52/40 werd bij VO 50/43 van 14 mei 1943 aangevuld; de Sondergerichtsbarkeit van SS en politie 
zou ook van toepassing zijn, wanneer de te berechten daden zich richtten tegen leden van de Nederlandse 
politie, die in opdracht van de Duitse politie handelden. Op grond hiervan werd de illegale groep, die 
in maart 1943 het Amsterdamse bevolkingsregister in brand had gestoken, door het SS- und Polizeigericht 
berecht. 

(6) Een bevel van Hitier van 30 juli 1944 behelst alleen het 'niederkampfen' van op heterdaad betrapte 
terroristen en saboteurs ter plaatse, en het overgeven van anderen aan Sipo und SD (IMT 762-D). Het 
bevel tot opheffen van de Gerichtsbarkeit moet al eerder gegeven zijn, gezien een brief van Rauter aan 
Himmlers secretaris Brandt hierover van 6 juli (HSSPF 3 b). De hier geciteerde motivering van Hitier is 
te vinden in een brief van het OK W^aan het ministerie van justitie van 15 sept. 1944 (Doe. II Gerichtsbar- 
keit - opheffing 1, Bijlage III, aanvullende bevelen van het O KW in IMT 763-D t/m 766-D). 



117 



DE HÖHERER SS- UND POLIZEIFÜHRER IN NEDERLAND 

sammlungen rücksichtslos zu sprengen und die Teilnehmer niederzumachen'. Zoals men ziet, sloot 
Schöngarth ook taalkundig vrij goed aan bij het jargon van zijn Führer. De Sipo kon daarbij de 
woningen, waarin de verzetslieden zich ophielden, opblazen of uitroken, maar diende hierbij mati- 
ging te betrachten: 'Die Bevölkerung darf nicht den Eindruck der Willkür erhalten, sondern muss 
fühlen, dass die Sicherheitspolizei hart ist, aber doch diszipliniert und massvoll vorgeht.' 1 

Dit zg. Niedermachungsbefehl van Schöngarth dekte het ene aspect van het Führer befehl, maar 
wat mocht en moest de Sipo met gearresteerde verdachten doen? Dat werd in augustus 1944, volgens 
een na-oorlogse verklaring van Rauter, ook snel duidelijk. De Sipo moest de taak van de Duitse 
rechtbanken - die men toch waarlijk geen slapheid, gebrek aan energie, of het opleggen van te 
lichte straffen kon verwijten - overnemen. In de voorafgaande tijd hadden Seyss-Inquart, Rauter en 
de Wehr macht voor het geval van een geallieerde inval in Nederland, of de dreiging daarvan, ten 
koste van veel moeite en inspanning een fraai systeem voor de nood-toestand, de Ausnahmezustand, 
uitgewerkt. Als die geproclameerd werd, zouden onmiddellijk een aantal Wehrmachtgerichte en 
Standgerichte des SS- und Polizeigerichts in werking treden. 2 Twintig rechters had men hiervoor al 
uit Duitsland aangetrokken, zei Rauter na de oorlog. 3 Welnu, zij konden meteen teruggaan, want 
doordat Hitier de Gericht sbarkeit met één slag had opgeheven, kreeg de Sipo de beslissing over 
leven en dood van elke arrestant van de bezetter in handen. Zelfs de allang beproefde, bepaald niet 
zachtzinnige Polizeistandgerichte mochten niet doorwerken. 4 

De Sipo ging nu over tot wat men een soort 'administratieve rechtspraak' zou kunnen noemen: 
de leiders van de Einsatzkommandos (of, in de aanvang van deze justitiebedeling, de Aussenstellen) 
rapporteerden aan SS-Sturmbannführer Deppner, hoofd van de afdeling IV, welke gevangenen zij 
hadden gemaakt, en voor welke feiten deze mensen waren gearresteerd. Deppner stelde dan het 
'vonnis' vast, dat naar zijn inzicht ook door een Duitse rechtbank of krijgsraad geveld zou zijn. 
Het oordeel - hoe dat meestal luidde, laat zich raden - moest dan nog wel door de BdS Schöngarth 
en in laatste instantie door de HSSuPF Rauter worden bekrachtigd. Maar ook deze formaliteiten 
werden steeds soepeler gehanteerd. Deppner besliste vaak zelfstandig; zo ook de leiders van de 
Einsatzkommandos, die vaak zelf de gevangenen, die naar hun mening een doodvonnis verdiend 
hadden, eerst liquideerden, en achteraf pas bevestiging vroegen. Een en ander werd in vele gevallen 
per telefoon of telex afgehandeld. 

Daardoorheen weefde de Sipo een tweede methode, die de betrokken Duitsers na de oorlog als 
een soort tegemoetkomendheid tegenover de Nederlanders afschilderden. Men fusilleerde de in 
aanmerking komende gevangenen niet onmiddellijk, maar liet de ten dode gedoemden, de Todes- 
kandidaten, in leven teneinde hen na de volgende aanslag of sabotagedaad ter afschrikking van de 
bevolking neer te schieten, vaak op de openbare weg. Zo, redeneerden de Duitsers, had men geen 
echte represailles hoeven te nemen; de slachtoffers, die gefusilleerd werden naar aanleiding van een 
of andere verzetsdaad na hun arrestatie hadden hun leven toch al verbeurd. 6 

Men begrijpt, dat ook deze taak de zelfstandigheid van de Einsatzkommandos heeft vergroot, 
hetgeen Schöngarth öf opzettelijk, öf op zijn minst door onverschillige nalatigheid in de hand werkte. 
Hij had tenslotte enige jaren ervaring gehad in dit soort zaken, en naar men mag aannemen op veel 



(1) Doe. I Schöngarth 4 ; Doe. II Gerichtsbarkeit - opheffing 1 , Bijlage V. Evenals het woord Sipo in onze 
tekst (voorzover uit het zinsverband niet anders blijkt) staat 'Sicherheitspolizei' hier bij Schöngarth voor 
het hele itaS-apparaat, dus Sipo und SD. 

(2) Zie o.a. nr. 554. 

(3) Proces Rauter, p. 282. 

(4) HSSPF 3 b,4a. 

(5) Zo bv. Verkl. Küthe en Verkl. Wölk; Rauter en Schreieder in Proces Rauter, p. 157-160, 183. 



Il8 



SIPO UND SD IN NEDERLAND 



groter schaal, als BdS in Polen; de maatstaven, naar welke hij daar tewerk ging, hebben zijn optre- 
den in Nederland zeker beïnvloed, zoals ook Rauter later zei. 1 Was het juist, wat deze voor zijn 
Nederlandse rechters betoogde, dat hij zelf in de eerste maanden van de S/>o-terreur, van augustus 
tot november 1944 door zijn militaire bezigheden zo was uitgeschakeld, dat hij geen zeggenschap 
over zijn BdS had? 2 In deze krasse vorm valt het te betwijfelen, en, voorzover het juist is, blijft daar 
nog altijd de periode van na november 1944. Maar dat van hoog tot laag, van de BdS zelf tot aan 
subalterne functionarissen van het kleinste Einsatzkommando toe eigenmachtig gehandeld en 
gemoord werd, staat wel vast. Dat Schöngarth zelf massale moordpartijen allerminst schuwde, 
eveneens. Nadat Rauter in de nacht van 6 op 7 maart 1945 bij een aanslag zwaar gewond was ge- 
raakt, liet Schöngarth honderden Todeskandidaten fusilleren. Of en in hoeverre een bevel of een 
suggestie hiertoe van anderen, met name van Seyss-Inquart (overigens niet van Rauter zelf), is 
uitgegaan, blijft de vraag: in ieder geval stemde Schöngarth er van ganser harte mee in. 3 



Deze openlijke terreur van de Sipo in het laatste stadium van de oorlog kan echter niet als tekenend 
voor de organisatie gedurende de hele bezettingstijd gelden. Niet, dat vóór de nazomer van 1944 
door het Z?dS-ap paraat geen terreur bedreven werd, in verschillende vormen: daar was, elders in 
dit werk besproken, het aandeel van de Sipo in de zg. Silbertanne-moorden 4 , daar waren de kampen 
van de BdS in Nederland, die door hun bestaan reeds tot de terreur bijdroegen. Wij doelen hierbij 
niet op Vught, dat een concentratiekamp was naar Duits model, en onder het SS-Wirt schaf te- und 
Verwaltungshauptamt ressorteerde, evenmin op het Judendurchgangslager Westerbork, dat een geheel 
andere functie, geen terroriserende, had. Dat was wel het geval bij de Polizeigefangnis Scheveningen 
en het Polizeiliche Durchgangslager Amersfoort, inrichtingen dus van de BdS in eigen regie. Was 
Amersfoort daarmee geen concentratiekamp in de formele zin van het woord, in de praktijk waren 
de levensomstandigheden minstens zo slecht als in Vught. 

Dit alles neemt echter niet weg, dat de voornaamste taak van het ifc/S-apparaat in Nederland, over 
de gehele duur der bezetting genomen, heeft bestaan in het vergaren van alle informaties op politiek, 
economisch, sociaal en geestelijk gebied, die voor de bezetter van nut konden zijn (het SZ)-werk), 
en het bestrijden van verzet, van elke vorm van oppositie trouwens (het Gestapo-werk). Daar de 
organisatie echter ook een instrument was zowel van het RSHA als van de Höherer SSuPF, speelde 
zij ook een rol als technisch medium in de handen van de laatste als politieke figuur; zij kon worden 
aangewend tegen alle stromingen en groeperingen, die hem onwelgevallig waren, ook binnen de 
nazi-kring. Dat gebeurde dan ook. Natuurlijk kon Rauter de afdeling IV, de executieve, met haar 
gewelddadig bestrijden van elke verzetshaard, niet inzetten tegen Schmidt of tegen de NSB. Het 
inlichtingenapparaat van de BdS, het SZ)-deel in de vorm van Abteilung III, kon hij daarentegen 
heel goed tegen hen gebruiken. Het Referat III B daarvan hield zich uitgebreid bezig met politieke 
partijen, hetgeen in de praktijk in de eerste plaats neerkwam op minutieus bespioneren van de 
NSB. Zoals IV het verzet bestreed door een tijdlang Spiele met de tegenstander te spelen en de 
verzetsorganisaties te infiltreren met spionnen, eufemistisch V-Manner (Vertrauensmanner) ge- 
noemd, zo maakte ook de afdeling /// met haar onderafdelingen voor haar inlichtingenwerk gebruik 
van V-Manner en juist in het geval van de NSB was dat gemakkelijk : men beschikte immers over de 



(1) Zie nr. 4, noot 12. 

(2) Verkl. Rauter, p. 405-407. 

(3) Zie A. E. Cohen: *De verantwoordelijkheid voor de represailles wegens de z.g. aanslag op Rauter', 
in Studies I, p. 288 e.v. 

(4) Zie nr. 467, noot 4. 



119 



DE HÖHERER SS- UND POLIZEIFÜ HRER IN NEDERLAND 

Nederlandsche SS, waarvan de leden, Feldmeijer zelf incluis en vooral de begunstigende leden (die 
zeer vaak niet als zodanig bekend stonden) als informanten dienst konden doen. 1 

Men onderschatte dit deel van de taak der Duitse geheime politie in Nederland niet, kwantitatief 
noch kwalitatief: er was weinig in de NSB, ook van strikt interne en vertrouwelijke aard, weinig 
van Musserts handelingen en opvattingen, zowel op politiek als op zuiver persoonlijk vlak, weinig 
van doen en laten van hoge en lage functionarissen van de NSB, dat voor III B verborgen 
bleef. 2 

De huidige lezer zal dit aspect van het werk van Sipo und SD wellicht in het kader van de hele 
bezettingsgeschiedenis niet zo belangrijk vinden, en vermoedelijk geneigd zijn het meeste belang toe 
te kennen aan het aandeel van de Sipo in de jodenvervolging, voorts aan de bestrijding van het 
verzet, en hij zal aan het inlichtingenwerk, dat de Duitsers met frenetieke energie ten opzichte van 
de NSB (en aanvankelijk de andere niet verboden partijen) bedreven, hoogstens een belang van de 
derde orde toekennen. Voor de Duitsers heeft die volgorde van belangrijkheid waarschijnlijk 
precies omgekeerd gelegen, althans voor Seyss-Inquart, en voor Rauter, in wie politiewerk en SS- 
politiek verenigd waren. In hun visie immers (wij verwijzen hierbij naar hetgeen er in het eerste 
hoofdstuk is gezegd) waren de deportatie van de joden en de liquidatie van verzetshaarden niet veel 
meer dan het opruimen van restanten van het verleden. Het vormgeven aan de nieuwe orde, het 
tegengaan van foutieve ontwikkelingen in dit kader, in het nationaal-socialistische kamp, waar geen 
consensus over de te voeren politiek was, waar beginfouten zich later verdubbeld zouden wreken, 
was belangrijker. Daarom reeds was voor Rauter toch het politie-werk ondergeschikt aan de 
politiek van de SS. Mutatis mutandis gold dit ook voor andere Duitsers in de politieke sleutel- 
posities. Vandaar, dat in de hier gepubliceerde documenten, in Rauters brieven aan Himmler en 
diens antwoorden daarop, in de correspondentie van Seyss-Inquart, maar ook - hiermee komen 
we op de SD terug - in de door Abteilung III vergaarde informaties 3 zo bijzonder veel aandacht 
wordt besteed aan de opvattingen, gevoelens, gebeurtenissen binnen het nationaal-socialistische 
kamp en de grensgebieden daarvan. Ook in de tijd, dat de zon van het Derde Rijk naar de kim neigt, 
dat in Nederland verzetsacties en aanslagen tot de orde van de dag gaan behoren. Onevenredig veel 
aandacht, naar ons idee. Bij verplaatsing op het gezichtspunt der Duitsers, die hardnekkig in hun 
overwinning bleven geloven, verandert ons perspectief, voor een deel toch retrospectieve verwrin- 
ging, evenwel. 

Samenvattend gezegd, voor de Nederlanders is de 'SD\ het ifatö-apparaat, de gevreesde, veelwe- 
tende, plotseling toeslaande, meedogenloze politiemacht van Hitiers politiestaat geweest. De Duitse 
bezetter beschouwde het als het geëigende instrument om bepaalde politionele maatregelen met 
politieke implicaties - zo moet men bijv. de jodenvervolging van Duits standpunt zien - door te 
voeren, en verzetstendenzen te bestrijden. Maar tevens was het voor de Höherer SSuPF (en niet 
zozeer ten behoeve van de boven hem gestelde rijkscommissaris, als wel voor zijn eigen positie en 
die van de SS) een instrument, dat wapens leverde, voornamelijk uit informatie bestaande, voor de 
politieke machtsstrijd. 



(1) Zeer veel rapporten van deze aard, in tweevoud opgemaakt- voor Feldmeijer en voor UI waarin 
een opvallende overvloed van sappige détails over het privé - leven van de bespioneerde figuren, in HSSPF 
395 d, 396 a-d. Vandaar ook het vaak execrabele Duits, waar Himmler zich doorheen moest worstelen (zie 
bijv. nrs. 410 I en 417 onder punt 1). 

(2) Getuige o.a. vele hier afgedrukte documenten : men zie bijv. nrs. 173, 410, 41 1 , 413, 417 en de annotatie 
daarbij. Redevoeringen van Mussert werden door een bij de radio werkzame SS-onderofficier heimelijk 
steeds opgenomen, iets waarvan Rauter ook de rijkscommissaris niet op de hoogte wenste te stellen 
(nr.418). 

(3) Zie de periodieke overzichten vanLa^e en Stimmung in Nederland, in MadN. 



120 



DE ORDNUNGSPOLIZEI IN NEDERLAND 

D. De OrdnungspoHzei in Nederland 

Behalve de paar honderd man van de Sipo und SD had de Höherer SS- und Polizeiführer in Neder- 
land ook een paar duizend man van de OrdnungspoHzei tot zijn beschikking. Anders dan in Duits- 
land verrichtten deze lieden in Nederland niet de normale bezigheden van politieagenten. Daarvoor 
was immers de Nederlandse politie beschikbaar. Wanneer bijzondere omstandigheden hen niet 
deden ingrijpen, leken voor de gemiddelde Nederlander de mannen van de 'Grüne Polizei' - zo 
genoemd vanwege de kleur van het uniform - wellicht weinig anders te doen te hebben dan, zoals 
een bekend schrijver het uitgedrukt heeft, zich op hun dienstrijwielen gedisciplineerd en geruisloos 
'als een school zwaardvissen' door het stadsbeeld te bewegen. 1 

Wat hadden zij dan verder te doen? Een officier van de OrdnungspoHzei in Nederland omschreef 
na de oorlog de taak van het korps in dat land als het bewaren van orde en rust, het beschermen van 
vooraanstaande Duitse persoonlijkheden, van vitale bedrijven, gebouwen e.d., het verlenen van 
assistentie aan Wehrmacht of Sipo, toezicht op de Nederlandse politie, en eventueel ook militaire 
operaties tegen geregelde vijandelijke troepen. 2 Aangezien orde en rust in de traditionele betekenis 
door de Nederlandse politie gehandhaafd werden, kon dit alleen maar de betekenis hebben van 
handhaving van de orde der bezetting. Wat dit cardinale punt betreft was er geen enkel verschil 
met de Sipo. De taak van beide soorten Duitse politie bestond - want daar kwam het in rond 
Nederlands gezegd op neer - uit onderdrukking van en agressie tegen de burgerbevolking. Alleen 
hun arbeidsterreinen en wijze van optreden verschilden. De Sipo was nu eenmaal een soort poli- 
tieke recherche, weliswaar meestal geüniformeerd (in een bezet land als Nederland) en zeer in de 
militaire sfeer getrokken, maar door haar specialisatie en werkwijze toch een bureau-organisatie, 
met individueel gericht werk, met V-Manner, infiltranten in verzetsgroepen, spionage- en contra- 
spion agQ-Spiele. De t>/?ö-bataljons waren daarvoor niet geschikt en ook niet bedoeld, wel voor 
collectieve fysieke onderdrukking, neerslaan van onlusten, breken van stakingen en demonstraties, 
bewaking en transport van grote aantallen gevangenen (van joden tot dwangarbeiders), organise- 
ring van drijfjachten enz. De Orpo moest inspringen, waar de Nederlandse politie de situatie niet 
meer kon of wilde beheersen, waar onrust zich tegen de bezetter dreigde te keren (hetgeen met de 
meeste onrust tussen 1940 en 1945 dreigde te gebeuren), en wanneer de te nemen maatregelen of 
tegenmaatregelen een massale en niet gespecialiseerde inzet geboden. 'Aufflackernde Unruhen im 
Keime zu ersticken, ist Angelegenheit der deutschen Ordnungspolizei', zo formuleerde in april 1943 
de Wehrmachtbefehlshaber in Nederland het, toen hij heimelijk de schlagartige terugvoering van alle 
Nederlandse ex-militairen in krijgsgevangenschap voorbereidde. Weinig vermoedde hij, dat binnen 
een paar dagen de Duitse politie de handen vol zou hebben om een massale verzetsdemonstratie van 
de Nederlandse bevolking tegen die maatregel (wij komen er later nog op terug) de kop in te 
drukken. 3 Steeds zodra zich onrust met een politieke tint voordeed moest de Ordnungspolizei in 
beginsel allereerst de Nederlandse politie 'assisteren', hetgeen er op neerkwam, dat de Nederlandse 
agenten bijna stuk voor stuk onder toezicht van Duitse politiemannen kwamen te staan, die, 
wanneer de 'onrust' zich uitbreidde, de zaak zelf geheel in handen namen. Maar minstens even 
vaak greep de Orpo zelf direct, en hardhandig, in. 4 

Deze voorstelling is echter wat schematisch. Het zou erop lijken, alsof de Ordnungspolizei pas 
ingreep, wanneer de belangen van de bezettingsmacht duidelijk en objectief gevaar liepen. Zo 
geformuleerd lijkt het optreden van deze politiemacht inderdaad zuiver defensief. Maar dan mis- 
kent men het agressieve element, anders gezegd: hetgeen de Duitsers zelf als defensieve maat- 

(1) S. Carmiggelt, Honderd dwaasheden, 14e druk, Amsterdam, 1956, p. 35. 

(2) Doe. II Ordnungspolizei. 

(3) Rondschrijven van de WBN 26 april 1943, afgedrukt bij Bouman, April-Mei-stakingen, p. 323. 

(4) A.v., p. 259, 281 ; Sijes, Februaristaking, p. 89. 



121 



DE HÖHERER SS- UND POLIZEIFÜHRER IN NEDERLAND 

regelen beschouwden, hield, op zijn gunstigst gezegd, een onmiskenbaar agressieve component in. 
Nemen wij de februari-staking: kort samengevat komt het hierop neer, dat het provocerend op- 
treden van de WA in het centrum en de jodenbuurt van Amsterdam relletjes uitlokte, waarbij de 
Nederlandse politie de situatie niet meer in de hand hield. Daarbij verscheen de Orpo ten tonele, 
maar niet alleen om orde en rust te herstellen. Toen de bezetter als represaille voor een botsing 
tussen een Duitse politie-patrouille en een aantal lieden in een joodse ijssalon besloot meer dan 
vierhonderd joden op te pakken en weg te voeren, geschiedde de uitvoering van dit bevel door de 
Ordnungspolizei, die de order con amore uitvoerde. Het brute en sadistische optreden van de Orpo 
tegenover de opgepakte joden - men denke aan de beruchte scènes op en om het Jonas Daniël 
Meyerplein - was de aanleiding tot de door de Duitsers niet verwachte staking onder de Amster- 
damse arbeidersbevolking. Weliswaar werd die staking binnen enkele dagen genadeloos onder- 
drukt door Duitse gewapende eenheden, waaronder ook de Ordnungspolizei, maar dat doet niets 
aan het feit af, dat het ingrijpen van deze 'gewone' politie niet een gevolg was van de staking, maar 
de staking integendeel een reactie op die eerste openlijke vervolging en mishandeling van Neder- 
landse joden door de Duitsers, zichtbaar geworden in het weerzinwekkende optreden van de Orpo 
in de Amsterdamse binnenstad, zij het niet de Orpo alleen. 1 

De grote landelijke stakingen van eind april en begin mei 1943 daarentegen waren een reactie op 
de hiervoor genoemde bekendmaking van Christiansen om de leden van het voormalige Neder- 
landse leger weer in krijgsgevangenschap terug te voeren. Het optreden van de Orpo toen - in 
samenwerking met eenheden van de Waffen-SS en personeel van de Sipo, hetgeen trouwens bij 
de februari-staking ook het geval was geweest - kan men hier wel als zuivere repressie beschouwen, 
zij het alweer in brute vorm, waarbij sommige leden van de Orpo zich aan regelrechte oorlogsmis- 
daden schuldig maakten. 2 Repressie kan men echter weer moeilijk zien in het aandeel, dat de Orpo 
bij de deportatie der joden had: in 1942 en 1943 haalden de 'Grünen' regelmatig de joden uit hun 
huizen, bij honderden, bij duizenden, samen met, helaas, een niet gering aantal Nederlandse politie- 
mannen; er werd bij deze werkzaamheden gemengd geopereerd, want alleen konden de Duitsers 
het niet af, maar anderzijds dienden de 'onbetrouwbare' elementen in de Nederlandse politie in het 
oog gehouden te worden. Het was de Orpo, die de bewaking vormde van de transporten naar 
Westerbork, en - uiteraard zonder de toch altijd wat twijfelachtige Nederlandse assistentie - vandaar 
naar verder: naar Auschwitz. 3 Hier valt de functie van de Ordnungspolizei met geen mogelijkheid 
meer onder het begrip: handhaving van orde en rust, te subsumeren, nog minder dan bij de drijf- 
jachten, die de Orpo al dan niet in samenwerking met andere Duitse instanties en Nederlandse 
collaborateurs-organen hield op onderduikers in de provincie, of bij de tenuitvoerlegging van 
doodvonnissen. 

In Nederland was een wisselend aantal 0/?<?-bataljons gelegerd, aanvankelijk meest vijf, later 
vier, of zelfs drie, aangezien de Duitsers elke gewapende man elders hard nodig gingen hebben - 
een verzwakking van het potentieel, hetgeen juist met het gestadig groeien van het verzet in Neder- 
land bijzonder onaangenaam was voor de Höherer SSuPF in dat land. Doorgaans lag er steeds een 
politie-bataljon in Amsterdam, het Pol. Btl 254 (de staf had zich in het Tropenmuseum gevestigd), 
een bataljon in Den Haag (Res.Pol.Btl. 67, hoofdzakelijk uit reservisten bestaand, hetgeen in de 
aanduiding tot uiting kwam), en een bataljon in Tilburg (Res.Pol.Btl 112). Men beschouwe deze 



(1) Sijes, Februaristaking, p. 106-109. Op de foto's (fotocollectie RvO, map 57 J, een aantal afgedrukt 
in Presser, Ondergang, bij p. 88) van de razzia is duidelijk te zien, dat de geüniformeerde Duitsers, die de 
opgepakte joden maltraiteren, meest leden van de Ordnungspolizei zijn. 

(2) Zie Bouman, Apr U-Mei- stakingen, p. 268. 

(3) Presser, Ondergang, 1, p. 269, 301 ; Verkl. Rauter VI, p. 10, 11; Joep Henneböhl, Ik kon niet anders, 
Amsterdam z.j., p. 25, 26. 



122 



DE ORDNUNGSPOLIZEI IN NEDERLAND 



opgave inderdaad als een gemiddelde: tijdelijk waren er ook elders politie-bataljons gelegerd, en 
bovendien werden vaak compagnieën van een bepaald bataljon in andere plaatsen gelegerd. De 
hier genoemde bataljons werden later ook door andere vervangen: de legering bleef dezelfde. Die 
drie bataljons in Amsterdam, Den Haag en Tilburg werden in juli 1942 samengevoegd tot een 
Polizei-Regiment 3 (meestal afgekort: Pol.Regt. 3), vanaf ongeveer maart 1943 evenwel aangeduid 
als SS-Pol.Rgt, 3; de toevoeging 'SS' kan hier moeilijk een verlening wegens betoonde dapperheid 
zijn geweest. De regimentsstaf vestigde zich te Tilburg, waar het aldaar gelegerde bataljon nu 
I.jSS-Pol 3 (eerste bataljon van het derde regiment) genoemd werd. Het bataljon te Amsterdam 
was nu IL/SS-PoL 3, het Haagse III./SS-Pol. 3. 1 

Deze bataljons, ressorterend onder de Befehlshaber der Ordnungspolizei in Nederland, vormden 
samen met de eenheden der Waffen-SS (onder de Befehlshaber der Waffen-SS in Nederland) de 
kern van de troepenmacht, die de Höherer SSuPF ter beschikking stond. Wanneer de BdS en zijn 
apparaat de hersens van de Duitse politie waren, de troepen onder de BdO waren ongetwijfeld de 
vuist. Naarmate de Duitse heerschappij steeds meer onverhulde onderdrukking werd, en deporta- 
ties, massale razzia's steeds frequenter optraden, had de Höherer SSuPF die vuist meer en meer 
nodig. 

Tot de Ordnungspolizei in Nederland behoorden ook nog (afgescheiden van de tijdelijke legering 
van andere bataljons) enige andere eenheden : een brandweer-eenheid te Pernis bij Rotterdam, een 
Polizeiwaffenschule te Den Haag, en eenzelfde eenheid te Maastricht; die laatste twee eenheden 
werden ook wel eens Lehrbataillone, opleidingsbataljons, genoemd. Afgezien van de voorshands 
nog geringe politionele of militaire kwaliteiten der rekruten, hebben zij waarschijnlijk ook nimmer 
de toch al beperkte sterkte van normale politie-bataljons gehad. Zeker zijn het geen volwaardige 
bataljons geweest. Verder waren er nog wat diverse kleinere eenheden van de Orpo, zoals een 
Nachrichtenkompanie en een eenheid waterpolitie te Rotterdam. Alles tezamen telde de Orpo 
in Nederland duizenden manschappen. Na de oorlog schatte Rauter het aantal Duitse politie- 
troepen, dat hij in Nederland had, het Polizei- Regiment Todt, dat vanaf vermoedelijk maart tot 
augustus 1943 in Nederland was, meegerekend, op een 6500 man. Een opgave van de Chef der 
Ordnungspolizei Daluege van begin 1943 vermeldt voor Nederland, het regiment Todt blijkbaar niet 
meegerekend, een aantal van 3079 O/w-manschappen.* Wanneer men uitgaat van een minimale 
sterkte van drie volwaardige bataljons, regimentsstaf met de daarbij behorende compagnieën, de 
staf van de BdO zelf, en wat verspreide eenheden, komt men inderdaad al snel tot ongeveer drie- 
duizend man, beduidend meer dan de Sipo had, hetgeen gezien de verschillende functies van beide 
soorten politie ook verklaarbaar is. 

In december 1942 kreeg Rauter de opdracht een IJsselmeerflottille te formeren, iets tussen een 
marine-smaldeel en waterpolitie in, bestaande uit een dertigtal kleine, lichtbewapende patrouille- 
boten. Die eenheid, die in de volgende maanden opgesteld werd, hoorde ook nog tot de Ordnungs- 
polizei, maar het verband was losser. De Höherer SSuPF zelf was, naar het schijnt met haast vol- 
ledige uitschakeling van het Hauptamt Ordnungspolizei te Berlijn, verantwoordelijk voor de forma- 
tie; officieren en onderofficieren werden geleverd door de waterpolitie van de Orpo, maar de man- 
schappen waren grotendeels Nederlandse vrijwilligers, al dan niet uit dienst van de Waffen-SS 
teruggekeerd. Tactisch was er een zekere subordinatie aan de Marinebefehlshaber in den Nieder- 
landen, voor het overige echter aan de BdO, dus uiteindelijk aan de H SSuPF. De primaire taak 
van het smaldeel was evenwel het verhinderen van mogelijke geallieerde amphibische operaties. 3 



(1) Hiervoor en voor het volgende HSSPF 296 a, b, 298 b, c, 299 a, 302 a; The German Police, p. 20; nrs. 
451,496. 

(2) Verkl. Rauter VI, p. 11; nrs. 314, 451. 

(3) Nrs. 236, 270, 288, 293- 



123 



DE HÖHERER SS- UND POLIZEIFÜHRER IN NEDERLAND 



Die IJsselmeerflottille is eigenlijk een kras voorbeeld van de denaturatie van de Duitse politie. 
Wij zien hier, hoe de Höherer SSuPF een soort lichte SS-marine opricht met een feitelijk zuiver 
militair doel, en daarvoor naar believen personeel van de Ordnungspolizei, in dit geval de water- 
politie, gebruikt. In beginsel deed hij trouwens met de andere O/w-eenheden hetzelfde; er werd 
bovendien nauwelijks anders van hem verwacht. De Polizeiwaffenschule werd gebruikt, eerst als 
reserve, al gauw als een van de kerntroepen van de bezetting van de SS-vesting Clingendaal-Sche- 
veningen, een complex, dat uitsluitend tegen geallieerde landingstroepen gericht was, en dat onder 
bevel stond van een Waffen-SS-offvcxsr. De drie bataljons in Amsterdam, Den Haag en Tilburg 
wilde Rauter gebruiken als kern van de territoriale fFa#e/7-£S-strijdmacht, die hij uit Nederlandse 
vrijwilligers opbouwde, en die wij in een later hoofdstuk nog zullen tegenkomen. 1 De politionele 
functie dreigde meer en meer op de tweede plaats te komen. Werkelijke partizanen-eenheden waren 
er niet in Nederland, evenmin een frontlijn in de tijd voor september 1944, toen Rauter deze zaken 
regelde. Het bevestigt hetgeen wij reeds opmerkten over de militarisering, die de hele nazi-maat- 
schappij, en natuurlijk de politiemacht, kenmerkte: die militarisering was geen gevolg of althans 
geen uitsluitend gevolg van de enorme partizanenstrijd, die de Duitsers zich vooral in Oost-Europa 
op de hals haalden, maar veeleer van bepaalde grondbeginselen en een bepaalde ontwikkeling van 
en in het nationaal-socialistische Duitsland. De lezer zal nog zien, hoe deze ontwikkeling zich zelfs 
zou voortzetten in Nederlandse hulp-organisaties van de Duitsers met een politioneel karakter. Bij 
de militarisering in structuur, die al van voor de oorlog dateerde, sloot een militarisering in functie 
aan, die door het gebrek aan legerreserves slechts versneld werd. 

Hierdoor werd, zoals wij al zeiden, het onderscheid tussen de Opo-eenheden en de Waffen-SS 
steeds vager, hetgeen Himmler alleen maar welkom was. De toevoeging 'SS' aan de nomenclatuur 
van de regimenten wees ook in deze richting. De na-oorlogse apologeten van de Ordnungspolizei 
beschouwden dit als een inhoudsloze, achteraf gezien wat ongelukkige toevoeging. 2 Dat laatste zal 
het na 1945 voor de betrokkenen misschien wel geweest zijn (of, waarschijnlijker, hoogstens nu en dan 
wat vervelend) maar inhoudsloos was het zeker niet. Toegegeven - wij deden het al - de SS-Poiizei- 
Regimenter hielden hun politierangen en politie-uniform, zij bleven onderdelen van de Ordnungs- 
polizei', zeer vele manschappen, waarschijnlijk de meerderheid, waren geen lid van de SS. Naar onze 
mening evenwel zijn juist deze gegevens van formele aard, en was juist die geringe uitbreiding van de 
officiële aanduiding der politie-eenheden met de letters 'SS' wezenlijker; symptomatisch voor de 
richting, waarin de Ordnungspolizei zich bewoog. Met allerlei tentakels zat immers de hele orga- 
nisatie al aan de SS-structuur vast. 3 Himmlers streven naar volledige versmelting van SS en politie 
kreeg door de vervaging van de grens tussen Waffen-SS en Ordnungspolizei een extra impuls. 

Hoe vaag die grens was, ziet men aan de SS- en politietroepen in Nederland duidelijk gedemon- 
streerd. Hiervoor werd al vermeld 4 , hoe onzeker de Duitsers zelf waren over de status van de reserve- 
eenheden van de SS-Polizei-Division, die in Nederland gelegerd waren, en geboekt stonden als 
onderdelen van Polizei-Regimenter, of SS-Polizei-Schützen-Regimenter, of een daartussen liggende 
nomenclatuur. Zij ressorteerden dan wel onder de Befehlshaber der Waffen-SS in Nederland, dat 
nam niet weg, dat tot maart 1942 de politierangen werden gebruikt, daarna de rangen van de 
Waffen-SS, waartoe zij evenwel al eerder geacht werden te behoren. Daar waren dus ook de drie 
politie-bataljons, later dus samengevoegd tot het SS-Polizei- Regiment 3, die men dan vooral niet 
mag verwarren met de bovengenoemde Polizei-Regimenter, immers, SS-Pol.Rgt.3 behoorde tot de 
Ordnungspolizei, niet tot de Waffen-SS. Fijnere nuanceringen in de wirwar van bevelsverhoudingen, 
dubbele onderschikkingen aan BdW-SS, BdO en/of Hauptamt Ordnungspolizei of SS-Fiihrungs- 

(1) Nrs. 294 (en noot 8 daarbij), 306, 451 , 496. 

(2) lMTAff.SS-82. 

(3) Hetgeen Neufeldt e.a., Orpo, zoveel mogelijk tracht te bagatelliseren, maar moeilijk kan ontkennen. 

(4) Ziep. 108. 



124 



DE ORDNUNGSPOLIZEI IN NEDERLAND 



hauptamt zullen wij de lezer besparen; het enige, wat hierin nu echt duidelijk is, dat al deze troepen 
via welke bevelhebbers dan ook onder de Höherer SS- und Polizeiführer in Nederland ressorteerden. 
In een later hoofdstuk kan men lezen, hoe functie en status van de territoriale formatie in Nederland 
van Nederlandse vrijwilligers, de 'Landstorm Nederland', dezelfde onzekerheid veroorzaakte, 
totdat dit korps tenslotte als een Waffen-SS-eenheid werd erkend. In verband met de opleiding van 
Landstorm-vrijwilligers, maar ook door andere mutaties gingen veelvuldig officieren en manschap- 
pen van de Ordnungspolizei over naar de Waffen-SS, in mindere mate vond er ook verkeer in 
tegenovergestelde richting plaats. Sommigen waren lid van de AUgemeine SS, anderen weer niet. In 
bepaalde gevallen diende men het groene politie-uniform met de daarbij behorende rangtekenen van 
bijvoorbeeld Oberwachtmeister der Schut zpolizei, of Oberst d.P. te dragen, in andere gevallen echter 
het grijze SS-uniform met de spiegels van een SS-Unter schar führ er of een Standartenführer. Enzo- 
voorts, enzovoorts. Dat het voor de betrokken zelf allerminst duidelijk was, blijkt wel uit de vele 
directieven van hogerhand, die over dit onderwerp handelden. 1 Voor die betrokkenen had een en 
ander tenminste het voordeel, dat zij na de oorlog hun vroegere status met betrekking tot de SS 
achter een rookgordijn van onduidelijke en elkaar tegensprekende gegevens konden verhullen. 

Begrijpelijk is het, dat zulke lieden zich na 1945 van het stigma van het SS-lidmaatschap tracht- 
ten te bevrijden, en te suggereren, dat de Ordnungspolizei alleen maar een gewone, geüniformeerde 
politiemacht was. Dat evenwel was de Orpo, zoals wij aangetoond hopen te hebben, niet, althans 
niet meer. Zij had een belangrijk aandeel in de onderdrukking en ook in de criminele gewelddadig- 
heid, die van het regime uitging. Het is zeer de vraag, of in dit opzicht de Waffen-SS meer valt aan te 
rekenen dan de Ordnungspolizei en wat Nederland betreft zouden wij zelfs eerder geneigd zijn het 
omgekeerde te doen. Afgescheiden van het feit, dat een precies onderscheid tussen deze beide takken 
van het SS-complex niet te maken valt, is het nog voorhanden bronnenmateriaal onvoldoende om 
ons volledig in te lichten over de vraag, welk aandeel de Orpo heeft gehad in de oorlogsmisdaden, 
die door de Duitsers in Nederland gepleegd zijn. Hierbij zij het begrip 'oorlogsmisdaad' niet in de 
juridische betekenis van het woord verstaan; waar het om gaat, is de vraag, in hoeverre de Orpo 
betrokken was bij de terreur en de fysieke onderdrukking door de bezetter. Zeker, hier is al eerder 
het sadistische optreden vermeld van de Orpo bij het oppakken van de vierhonderd joden in 
Amsterdam in februari 1941, evenals het massale oppakken en wegvoeren van de zeer vele joden, 
die de Duitsers in de daarop volgende jaren in handen wisten te krijgen; daar zijn de oorlogsmis- 
daden, begaan tijdens de meistaking van 1943, voornamelijk bestaande in het zonder vorm van 
proces neerschieten van Nederlanders; de drijfjachten op onderduikers, waaraan men tevens de 
massale razzia's kan toevoegen van de laatste bezettingsjaren op mannen ter wil le van de Arbeits- 
einsatz in Duitsland. Afgezien van 'rechtmatige' executies had ook de Orpo een zeker aandeel in de 
terroristische fusillades van het laatste halve oorlogsjaar, hoewel de Sipo zelf in de eerste plaats voor 
de uitvoering van haar doodvonnissen schijnt te hebben willen zorgdragen. 2 Het zij gezegd, dat 
enkelen onder de Or/w-manschappen weerzin tegen deze werkzaamheden schijnen te hebben ge- 
voeld en ook openlijk uitgesproken, en dat een zéér enkele onder hen de slachtoffers zoveel mogelijk 
trachtte te helpen. 3 

Omvang en werking van de functie der Ordnungspolizei bij de Duitse activiteiten in Nederland 
laten zich evenwel niet precies vaststellen. De indruk dringt zich op (de gegevens laten een positie- 
vere uitspraak niet toe), dat de Orpo bij die terreur en onderdrukking een rol van het tweede plan 
heeft gespeeld, de rol van hulpinstrument om de doeleinden van andere instanties te verwezen- 
lijken: Wehrmacht, rijkscommissariaat, het Arbeitseinsatz-apparsiSit, en vooral de Sipo. Van deze 

(1) Bv.inHSSPF327 b,c. 

(2) Dit op grond van gegevens in diverse BOOM-dossiers. 

(3) Henneböhl, Ik kon niet anders, p. 38; KA I 3197. Het voorbehoud, dat Presser, Ondergang, II, p. 182, 
terzake maakt, zelfs ten opzichte van deze excepties, lijkt niet gerechtvaardigd. 



125 



DE HÖHERER SS- UND POLIZEIFÜHRER IN NEDERLAND 

autoriteiten gingen de impulsen uit, voor hun belangen gaf de HSSuPF de opdrachten aan de Orpo 
tot bewaken, deporteren, executeren. Een politiek instrument zoals de Sipo waren de Duitse politie- 
bataljons en de andere 0/7<?-eenheden niet; zij waren een technisch verlengstuk van de bezetter, dat 
tevens een verhoging van het Duitse militaire potentieel in Nederland inhield (binnen het SS- 
complex speelden de Or/?o-eenheden dezelfde rol van hulp-instrument ten opzichte van de Sipo). 
Een feitelijke zeggenschap over hen hadden echter noch de rijkscommissaris noch de Wehrmacht- 
befehlshaber; wanneer deze autoriteiten de Orpo wilden gebruiken, konden zij dat alleen via de 
Höherer SSuPF doen. De O/w-eenheden betekenden dus als het ware een materiële versterking 
van de positie van Rauter. Het was bovendien de Ordnungspolizei, waarmee hij controle uitoefende 
op een ander gewapend korps, dat onder zijn bevelen geplaatst was: de Nederlandse politie. 

E. De Nederlandse politie 

De Ordnungspolizei was het kanaal, waarlangs de Höherer SS- und Polizeiführer de Nederlandse 
politie zijn orders gaf, beïnvloedde, controleerde, en probeerde om te smeden naar het Duitse 
model. Dat deed hij niet alleen, omdat de inheemse politiemacht voor hem onmisbaar en onbetrouw- 
baar tegelijk was. De Nederlandse politie speelde ook een bepaalde, zij het passieve rol in de SS- 
politiek, die Rauter in zijn Oberabschnitt Nordwest bedreef. Terecht, naar onze mening, ging hij er 
van uit, dat de Nederlandse politie, indien geïnfiltreerd door de inheemse SS en vervlochten met het 
hele SS-complex, een belangrijke sleutelpositie zou zijn voor de SS bij de toekomstige staatsvorming. 

De Nederlandse politie stond, men mag wel zeggen in alle geledingen, onder toezicht van de 
Ordnungspolizei. Bij gezamenlijk optreden hielden de O/w-mannen de Nederlandse politieagenten 
in de gaten. 1 Maar de gehele Nederlandse politie stond van het laagste tot het hoogste niveau onder 
het constante en straffe toezicht van de Orpo, met uitzondering van de Nederlandse recherche, die 
aan de controle en aanwijzingen van Abteilung Kvan de BdS (de Kripo -afdeling van de Sipo dus) 
onderworpen was. 2 

Het toezicht op het hoogste niveau werd uitgeoefend door de staf van de Befehlshaber der 
Ordnungspolizei, die eerst te Den Haag en sinds mei 1943 te Nijmegen gevestigd was. 3 Die staf had 
een afdeling, die zich bezighield met de organisatie der Nederlandse politie, en een afdeling voor 
personalia van Nederlandse politiebeambten. 4 Daarnaast had de BdO bij verscheidene instanties 
verbindingsofficieren gedetacheerd. De belangrijkste waren ongetwijfeld de Verbindungsoffiziere bij 
de Nederlandse procureurs -generaal, die immers tevens fungerend directeuren van politie waren. 
Het middenniveau was vertegenwoordigd door drie verbindingsofficieren bij de Nederlandse politie- 
autoriteiten van Amsterdam, Den Haag en Rotterdam, en tenslotte was er ook nog bij elk van 
de provinciale Beauftragten des Reichskommissars een Polizei-0 ffizier geplaatst. De eerste categorie 
had de rang van majoor, de laatste die van luitenant; maar ook zonder dit gegeven zou men 
kunnen vaststellen, dat de volgorde van belangrijkheid inderdaad zo is geweest als hier geschetst: 
in een bevel van begin 1941 krijgen de verbindingsofficieren bij de procureurs-generaal voor hun 
comfortabel vervoer de beschikking over 'grosse Viersitzer', de verbindingsofficieren bij de Neder- 
landse politie in de grote steden krijgen slechts 'viersitzige Dienst kraft wagen mittlerer Motoren- 
starke', terwijl de provinciale Polizei-Offiziere zich moeten blijven voortbewegen door middel van 
de 'bisherige Dienstkraftwagen*. 5 Het Duitse gevoel voor hiërarchie in acht nemend, mag men hier 
redelijkerwijs ten eerste uit opmaken, dat de laatstgenoemde auto's van geringe omvang en trek- 

(1) Zie Sijes, Februaristaking, p. 203, 208; Bouman, April-Mei-stakingen, p. 387. 

(2) HSSPF53a. 

(3) HSSPF 298 c. 

(4) HSSPF 299 a. 

(5) A.v., Organisationsbefehl van de BdO 17 feb. 1941. 



126 



DE NEDERLANDSE POLITIE 



kracht geweest moeten zijn, en ten tweede, dat de Or/w-officieren, die bij de politie in de drie grote 
steden gedetacheerd waren, de middelste categorie dus, wel de rang van Hauptmann gehad zullen 
hebben. 

Deze volgorde van belangrijkheid blijkt niet alleen uit grootte en cylinderinhoud der gebruikte 
vervoersmiddelen, maar ook uit de Dienstanweisung y die in het genoemde bevel is opgenomen. Kort 
samengevat, komt het er op neer, dat de laagst -geplaatsten van deze verbindingsofficieren, de 
Polizei-Offiziere bij de provinciale Beauftragten, voornamelijk een observerende taak van secundair 
belang hadden. Veel verantwoordel ijker was de taak van de zo hoog genoteerde Verbindungs- 
offizier bij elk der vijf procureurs-generaal (later de gewestelijke politie-presidenten). Hij moest de 
bevelen van de Höherer SSuPF, resp. de BdO, doorgeven aan de Nederlandse politie in het ambts- 
gebied van de procureur-generaal en de uitvoering van die bevelen controleren. Hij moest trouwens 
in het algemeen de Nedeilandse politie in zijn rayon controleren en 'adviseren'. Daarbij hoorde ook 
de beoordeling - in nauwe samenwerking met de Beauftragten des Reichskommissars en Aussenstellen 
van de BdS - van alle Nederlandse politie-officieren en hogere politie-ambtenaren (behalve van de 
recherche), en van de anderen voorzover nodig. Verder had de verbindingsofficier de controle op 
de luchtbescherming, politieke optochten, inlevering van vuurwapens van de bevolking e.d. De 
Duitse politie-bataljons stonden niet onder het bevel van deze verbindingsofficieren, maar indien 
dringend nodig konden zij wel 'Einsatzanordnungen kleineren Stils' aan die bataljons geven. 1 

In wezen bleef dit systeem ook later gehandhaafd. Een Dienstanweisung van 9 november 1943 
van de BdO % voegde aan deze opdracht nog iets toe : de Verbindungsoffiziere dienden de reorganisatie 
van de Nederlandse politie 'überwachend voranzutreiben'. Er zijn redenen om aan te nemen, dat dit 
reeds lang gebeurde; die reorganisatie had trouwens in grote trekken allang haar beslag gekregen. 
Van belang was, dat de Nederlandse politie-bataljons en verdere gesloten eenheden, die in het proces 
van die reorganisatie in het leven waren geroepen, onder de bevelen van de commandanten der 
Duitse Orptf-bataljons stonden, en deze commandanten waren weer direct ondergeschikt aan de BdO, 
resp. hun regimentscommandant. Daarmee werd dus weer een bepaald deel van de Nederlandse 
politie aan het officieuze gezag van de Verbindungsoffiziere bij de procureurs-generaal onttrokken. 

Positie en taak van de drie Verbindungsoffiziere bij de Nederlandse politie in de drie grote steden, 
het middenniveau dus, blijven wat vager. Zij stonden evenals de vorige categorie direct onder de 
BdO, maar hadden blijkens de eerste hier genoemde Dienstanweisung uit 1941 wat minder bevoegd- 
heden, zij het, dat hun taak op hetzelfde neerkwam. De verbindingsofficier te Amsterdam had ook 
de politie van de stad Utrecht onder zijn hoede, die te Den Haag was ook competent voor de politie 
van de stad Groningen, en de verbindingsofficier te Rotterdam diende tevens Eindhoven voor zijn 
rekening te nemen. Aangezien dit zes van de acht plaatsen zijn, waar later de Nederlandse gemeente- 
politie in een staatspolitie werd omgezet, en deze drie verbindingsofficieren in het document als 
'Überleitungskommissare für die Schutzpolizei' worden aangeduid, zijn zij waarschijnlijk hoofza- 
kelijk belast geweest met het doordrijven van deze reorganisatie. In de Dienstanweisung van novem- 
ber 1943 komen zij ook niet meer voor. Klaarblijkelijk waren zij overbodig geworden. 3 

Het ontbreekt aan bronnenmateriaal om na te gaan, hoe dit systeem in de praktijk precies heeft 
gewerkt. Vast staat, dat Rauter door middel van de uitermate SS-horige - zij het voor de SS jammer 
genoeg ook uitermate hardhorende - secretaris-generaal van justitie Schrieke, en nog meer door 
middel van de gevolmachtigde voor de reorganisatie van de Nederlandse politie Broersen, oud- 

(1) A.v. 

(2) HSSPF 298 c. 

(3) Na de oorlog verklaarde een Orpo-majoor, dat de verbindingsofficieren, althans die te Amsterdam en 
Rotterdam, sinds 1944 als Kommandeure der Ordnungspolizei bekend stonden (Doe. II Ordnungspolizei). 
Indien zo, dan moeten zij heel wat minder bevoegdheden hebben gehad dan een KdO in een bezet gebied 
doorgaans; zijn bewering wordt bovendien nergens bevestigd. 



127 



DE HÖHERER SS- U ND POLI Z E I FÜ HRER IN NEDERLAND 

functionaris van de inlichtingendienst der NSB, maar overtuigd SS-man, zijn wil aan de Neder- 
landse politie kon opleggen. Op dat niveau hoefde hij niet bang te zijn voor weerstanden. 1 In hoe- 
verre zijn wensen werden gerealiseerd door het Nederlandse politie-apparaat als geheel, politiek 
altijd een zeer onzekere factor voor de Duitsers ondanks de infiltratie met collaborateurs, was een 
andere kwestie. Waarschijnlijk moet men het zo zien, dat Rauters bevelen voorbereid werden door 
de staf van de BdO, en de uitvoering ervan gecontroleerd, met verdere aanwijzingen in détail- 
kwesties, door de Verbindungsoffiziere, Een belangrijk bevel van Rauter van 7 oktober 1941 inzake 
de oprichting van Nederlandse politie-bataljons is gericht aan de secretaris-generaal van justitie (de 
reeds vermelde Schrieke), en ter informatie tevens aan zijn collega's van binnenlandse zaken en 
financiën, de inspecteur-generaal der Nederlandse politie, en de gevolmachtigde voor de reorganisa- 
tie der Nederlandse politie, maar dat bevel is kennelijk voorbereid en uitgewerkt door de Orpo-staf. 2 

De Nederlandse politie was niet alleen maar een technisch apparaat, dat ondergeschikt was aan 
de Höherer SSuPF, maar tegelijkertijd minder en meer dan dat: als hulpinstrument was de politie 
aan de ene kant voor hem van twijfelachtige waarde, aan de andere kant betekende het politie- 
apparaat voor hem en zijn superieur Himmler, bezeten van het idee van een versmelting van SS en 
politie, tevens een onderdeel in de Nederlandse staatsmachinerie, dat juist uitermate geëigend was 
om die staat in de zin van de SS om te bouwen. Vandaar, dat vrijwel vanaf het begin van de bezet- 
ting Rauter er alles op zette om de Nederlandse politie om te vormen naar Duits model. 

Reeds in juli 1940 werd het ambt van directeur-generaal van politie gecreëerd. Dit was nog gedaan 
door de secretaris-generaal Tenkink, die echter in maart 1941 ontslag nam en wiens plaats tenslotte 
werd ingenomen door de NSB-er en SS-sympathisant Schrieke. * Directeur-generaal van politie werd 
mr. A. Brants, voordien procureur-generaal bij het Haagse gerechtshof. Daarnaast werd een andere 
centrale functie gecreëerd in de figuur van een inspecteur-generaal der Nederlandse politie. Dit 
ambt werd aanvankelijk, tot mei 1941, bekleed door de kolonel der marechaussee A. W. de Ko- 
ningh, en nadien waargenomen door de marechaussee-overste H. W. B. Croiset van Uchelen. De 
taak van de inspecteur-generaal bestond uit de leiding van de geüniformeerde politie. Daaronder 
was weliswaar ook de gemeente-pol itie begrepen, maar voornamelijk betekende dit toch het toe- 
zicht op de korpsen marechaussee en rijksveldwacht; het eerstgenoemde wapen had nu trouwens, 
in tegenstelling tot voor de oorlog, het karakter van een burgerlijke rijkspolitie gekregen. In het 
begin van 1941 gingen de rijksveldwacht en het jaar daarop de gemeente-veldwacht geheel op in de 
marechaussee. 4 

Naast de reeds genoemden deed in juli 1941 een derde hoge functionaris zijn intrede, namelijk 
de reeds vermelde mr. L. J. Broersen als 'gevolmachtigde voor de reorganisatie der Nederlandse 
politie' bij het departement van justitie, sinds april 1942 ook bij het departement van binnenlandse 
zaken. Die formele departementale onderschikking betekende weinig of niets: de jonge, eerzuchtige 
SS-er was geheel en al de vertrouwensman van Rauter, die een hoge dunk had van zijn capaciteiten 
om het hele politie-apparaat van de grond af in de gewenste zin te reconstrueren. Eind 1941 ver- 
dween het ambt van directeur-generaal van politie weer; taak en bevoegdheden gingen op de 
gevolmachtigde over. Het ambt van inspecteur-generaal schijnt niet formeel te zijn opgeheven, 
maar vervluchtigde onafwendbaar in het niets, terwijl de werkzaamheden ook aan Broersen toe- 



(1) Zie nr. 151 : voor Schrieke noot 3, voor Broersen noot 4 bij dat stuk. 

(2) HSSPF 297 c. 

(3) DZ 18 maart 1941; CNO-SG Not. 32/II 1. Tenkink had al eerder verscheidene malen overwogen 
zijn functie neer te leggen. Tot zijn definitieve besluit kwam hij, omdat hij voorzag, dat 'Nederland, instede 
van een rechtsstaat, een machtsstaat zal worden.' (CNO-SG Not. 29/II 4). 

(4) CNO-SG Not. 30/I 9, 32/I 5,4i/1 10; Nat. DagbL 3 okt. 1940; £>Z20sept. 1940; KA II 1881; Doe. II 
Politie 7. 



128 



DE NEDERLANDSE POLITIE 



vielen. Toen de reorganisatie in 1943 afgesloten was en er een nieuw directoraat-generaal onder de 
nominale leiding van Schrieke was ingesteld, werd Broersen chef-staf van deze instelling en daarmee 
het feitelijk hoofd van de Nederlandse politie. Lang genieten van deze positie was hem evenwel niet 
beschoren, want in deze tijd begon Rauter na aanvankelijke geestdrift meer oog voor de defecten 
van zijn gunsteling te krijgen, en verving hem in september 1943 door de fanatieke SS-er Kooymans 
- overigens was dit ook geen blijvend succes, want de nieuwe chef-staf toonde nog sneller dan 
Broersen tekortkomingen, die niet met Rauters ideaal van de saubere SS-man overeenstemden. 1 

Broersen had echter in de tussenliggende jaren, vanuit het standpunt van een Höherer SSuPF in 
een bezet gebied dan gezien, bepaald verdienstelijk werk geleverd. De 'Verordening Organisatie 
Politie' van 14 december 1942 (VO 147/42), die op 1 maart 1943 in werking trad, was het eindpunt 
van een omvormingsproces, dat door de Duitsers, en natuurlijk met name door Rauter met de 
hulp van Broersen, in de jaren daarvoor stuksgewijs en onvermoeibaar was doorgedreven. Wanneer 
hier het resultaat wordt weergegeven, bedenke men, dat veel van de uiteindelijke organisatie van de 
politie al tijdens die eerste bezettingsjaren tot stand was gekomen, zoals de hierboven reeds genoem- 
de vorming van gekazerneerde politie-bataljons 2 , de oprichting van politie-opleidingsinsti tuten in 
nationaal-socialistische geest, of bijvoorbeeld het uitwieden van de 'onbetrouwbare' elementen in 
de politie en hun vervanging door toegewijde collaborateurs. 

Wat hield nu, kort samengevat, de nieuwe organisatie van de politie in, zoals in de verordening 
neergelegd? Reeds door zijn aanhef betekende dit decreet een zware inbreuk op de beginselen en de 
praktijk van het vroegere Nederlandse politie-wezen. Uitdrukkelijk wordt gesteld: 'De politie is een 
aangelegenheid van Staatszorg', of, in de als uitsluitend authentiek geldende Duitse tekst: 'Die 
Polizei ist Angelegenheit des Staates'. Dit principe wordt volledig doorgevoerd in de steden Amster- 
dam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Haarlem, Groningen, Arnhem en Eindhoven : de gemeente- 
politie in deze plaatsen wordt bij van kracht worden van de verordening staatspolitie. Niet de 
burgemeester heeft in deze steden het gezag over de politie, maar een aparte figuur als 'staatspolitie- 
gezagsdrager' met de uit Duitsland geïmporteerde titel 'politiepresident'. De politiepresidenten van 
Amsterdam, Rotterdam, Eindhoven, Arnhem en Groningen zijn tevens gewestelijk politiepresident 
van twee of meer provincies. Zo is de politiepresident van Amsterdam tevens gewestelijk politiepre- 
sident voor de provincies Noord-Holland en Utrecht, die van Rotterdam voor Zuid-Holland en 
Zeeland. In de praktijk betekende dit, dat de hoofdcommissaris van elk van de genoemde acht 
steden een nieuwe titel, namelijk die van politiepresident, kreeg en dat vijf van deze politiepresiden- 
ten daarbij het ambt van de procureur-generaal als fungerend directeur van politie onder de titel 
van gewestelijk politiepresident overnamen. 3 Blijkbaar is deze constructie door Heydrich voor- 
gesteld 4 , en inderdaad, men zou te ver gaan met de veronderstelling, dat de diepgaande omvorming 
van het Nederlandse politiewezen alléén het werk van Rauter, gesecondeerd door Broersen, is 
geweest. 

Gemeente-politie en burgemeesters verdwijnen evenwel niet spoorloos, maar behouden een 
zekere taak. In tegenstelling tot de situatie in de genoemde acht steden blijft in de kleinere steden 
en de andere gemeenten de burgemeester 'politiegezagsdrager' en kan hij als zodanig beschikken 
over een eigen gemeente-politie, of over de marechaussee. Aan deze burgemeesters, en dat is toch 
wel het principiële verschil met de vooroorlogse situatie, wordt nu het gezag over de politie opge- 

(1) Doe. II Politie; HSSPF 297 c; VJ St 5L7/42 58688-91; VJ In 135a. 

(2) Zie p. 128; hoewel het bevel van 7 okt. 1941 dateert, was die oprichting in zoverre al eerder geschied, 
dat althans het politiebataljon te Amsteidam reeds op 15 mei 1941 was geformeerd (Doe. II Politie 
Amsterdam a 3, bijlage 10). 

(3) Zie CNO-SG Not. 18/IV2. 

(4) Nr. 151 ; voor de ambtsgebieden der drie andere gewestelijke politiepresidenten zie noten 10, 12 en 13 
daarbij. 



129 



DE HÖHERER SS- UND P OLIZEIFÜHRER IN NEDERLAND 

dragen, de gemeente-pol it ie is eigenlijk alleen een verlengstuk van de staatspolitie, en staat voortaan 
sterk onder controle van het centrale staatspolitieapparaat. De marechaussee, staatspolitie dus ook, 
waarin rijks- en gemeente- veldwacht zijn opgegaan, krijgt na de reorganisatie de taak van de politie 
in het algemeen te vervullen in gemeenten met minder dan 5.000 inwoners. 1 

De verordening bepaalt verder, dat de gewestelijke polit iepresident binnen zijn ressort de staats- 
politiegezagsdragers - hetgeen wil zeggen: zichzelf en soms nog een of twee andere politiepresi- 
denten - en de marechaussee onder zich heeft, en tevens controle en zeggenschap uitoefent over de 
burgemeesters als politiegezagsdragers. Als centrale top van het hele politie-apparaat creëert de 
verordening een directoraat-generaal van politie (dat was dus eigenlijk een herschepping; maar 
natuurlijk lag dit nieuwe directoraat-generaal veel meer in de lijn van de Nieuwe Orde dan het 
vroegere). Hoogste polit ie-instantie is 'de ten aanzien van de politie-aangelegenheden bevoegde 
Secretaris-Gene raai' ; tot nader order zou dat de secretaris-generaal van justitie Schrieke zijn, die 
trouwens ook met de waarneming van de functie van directeur-generaal van politie werd belast. 
De eerste chef van de staf van de directeur-generaal was, wij vermeldden het reeds, Broersen. 

De verordening splitst ook de recherche in staats- en gemeente-recherche. De acht steden met 
staatspolitie krijgen uiteraard ook staatsrecherche. De landelijke leiding berust bij een recherche- 
centrale. Dit orgaan werd een hoofdafdeling van het directoraat-generaal van politie, waaraan 
onder andere tevens een Hoofdinspectie Brandweer en een Hoofdinspectie Luchtbescherming werden 
toegevoegd. 2 

Belangrijke veranderingen hadden zich al los van welke officiële verordening dan ook voltrokken. 
Wij noemden reeds de oprichting van gesloten en gekazerneerde eenheden, waarbij Amsterdam 
blijkbaar voorop is gegaan. Andere steden volgden spoedig. Deze eenheden, uiteraard behorende 
tot de staatspolitie, waren ondergeschikt aan de commandanten van de Duitse bataljons der 
Ordnungspolizei. Het politiebataljon te Amsterdam kwam zo te staan onder de commandant van 
het Duitse politiebataljon aldaar, ÏLjSS-Pol. 3. In 1944 lagen er twee compagnieën Nederlandse 
politie te Den Haag, en één compagnie te Rotterdam, allen gesteld onder llLjSS-PoL 3 te Den 
Haag. Tevens was er een compagnie Nederlandse politie te Eindhoven, ondergeschikt aan het 
Duitse politiebataljon (I./SS-P0I.3) te Tilburg. 8 Ook in elk van de andere steden met staatspolitie, 
Haarlem, Utrecht, Groningen en Arnhem, bevond zich op zijn laatst sinds maart 1942 zo'n compag- 
nie, zonder dat echter duidelijk is onder welke Duitse politiecommandant deze eenheden ressor- 
teerden. De meeste politiemanschappen in de genoemde steden waren echter niet bij deze semi- 
militaire eenheden ingedeeld. Het Amsterdamse politie-bataljon bijvoorbeeld telde 413 man, de 
hele staatspolitie in Amsterdam ongeveer 1700 man. 4 

Dat neemt niet weg, dat getracht werd de politie voorzover die niet tot deze bataljons of com- 
pagnieën hoorde óók te militariseren, uiterlijk en innerlijk. Reeds in april 1941 maakte men een 
aanvang met de invoering van een nieuw politie-uniform. Tegelijkertijd ging men over tot de 
introductie van militaire rangen, zoals dat al vanouds bij de Duitse geüniformeerde politie het geval 
was. Deze rangen en de daarbij behorende onderscheidingstekenen waren weliswaar ontleend aan 
het vroegere Nederlandse leger, maar de opzet was kennelijk verduitsing, hetgeen in het model van 
het uniform en de schouderstukken ook duidelijk tot uiting kwam. 5 

Militarisatie, verduitsing, beter gezegd nazificatie, en dan speciaal nazificatie in SS-zin. Want 
hier gaat het om bij deze opmerkingen over de Nederlandse politie in dit hoofdstuk over de Höherer 

(1) Doe. II Politie, Nederlandse. 

(2) A.v. 

(3) HSSPF 298 c. 

(4) VJ 56782. 

(5) KA II 1885; afbeeldingen van rangtekenen, schouderstukken, nestels e.d. in Doe. II Politie, Neder- 
landse. 



130 



DE NEDERLANDSE POLITIE 



SS- und Polizeiführer, en hier ging het hèm trouwens om. De Nederlandse politie-man was bij het 
begaan van strafbare feiten, gericht tegen de bezettingsmacht, onderworpen aan de jurisdictie van 
het SS- und Polizeigericht; Rauter interpreteerde dit zo, dat die jurisdictie ook van kracht was, als 
de politie-man een bepaalde opdracht niet uitvoerde. 1 Consequent werden dan ook Nederlandse 
politiemannen - voornamelijk diegenen, die tevens lid van de Germaansche SS waren - als bijzitters 
in deze SS-rechtbank opgenomen bij strafzaken tegen hun collega's. De chef van het SS- und 
Polizeigericht deelde later mee, dat men hier zeer goede ervaringen mee had. 2 De taakverdeling, 
zoals die werd herzien, wees in dezelfde richting. Er werd gestreefd naar een duidelijke scheiding 
tussen de 'ordepolitie', zoals de geüniformeerde politie, al dan niet in de militaire eenheden ge- 
organiseerd, voortaan werd genoemd, en de 'criminaliteitspolitie', die echter de gebruikelijke term 
'recherche' niet vermocht te verdringen. Daarnaast zou er als aparte tak een administratieve politie 
komen. De voorbeelden : Ordnungspolizei, Krinrinalpolizei, en de - minder belangrijke - Verwaltungs- 
polizei in Duitsland, zijn evident. De waarnemend hoofdcommissaris van politie te Rotterdam, 
die in april 1941 tegenover de pers deze en andere komende veranderingen aankondigde, verklaarde 
er openlijk, en wat naïef, bij, dat 'de reorganisatie van onze politie voor een groot deel geïnspireerd 
is op de wijze, waarop in Duitsland het politiewezen is ingedeeld. Er zal ook bij ons meer militarisme 
in het corps komen.' 3 

Duits was ook de centralisatie van deze gescheiden takken van het politie-apparaat, zoals de 
lecherche met haar landelijke recherche-centrale. Aan de diensttak 'ordepolitie' (niet geheel gelijk 
aan de Duitse Ordnungspolizei vooralsnog) was de moeilijkheid verbonden, dat die samengesteld 
was uit staatspolitie in de grotere steden, gemeente-pol itie in kleinere gemeenten, en marechaussee 
in de kleinste gemeenten. Dit zou uiteraard bij intercommunale acties bezwaren kunnen opleveren. 
Daarom werd de functie van 'gewestelijk politiecommandeur' gecreëerd. Deze functionaris was 
rechtstreeks ondergeschikt aan de gewestelijke politiepresident, en voerde het gezag over alle 
ordepolitie in zijn ambtsgebied: de geüniformeerde politie van staat of gemeente, marechaussee en 
waterpolitie. Het ambt werd waargenomen door de gewestelijke marechaussee-commandanten. 4 

Met een structurele herziening was de zaak natuurlijk niet rond. Er diende een nieuwe generatie 
gekweekt te worden van politiemensen, die het juiste, wijde begrip hadden van de dienst, die zij aan 
de 'volksgemeenschap' moesten verrichten. Daartoe werd een Politie-Officieren-School te Apel- 
doorn opgericht, en een Politie-Opleidings-Bataljon, in juli 1941, te Schalkhaar; de laatste eenheid 
(het woord een evidente vertaling van het Duitse Polizeilehrbataillon) gaf die plaatsnaam een be- 
ruchte klank. De ' Schal khaarders' werden bekend als de brute collaborateurs onder de politie- 
mannen. Of dit geheel terecht was, is de vraag. Een zinvolle uitspraak over 'fout' en 'goed' in de 
Nederlandse politie tijdens de bezetting valt zeker zonder nader onderzoek niet te doen, maar wel 
staat vast, dat velen in het politiekorps, die fanatiek de belangen van de bezetter behartigden, 
mannen waren, die reeds voor de oorlog een functie bij de politie hadden gekregen. Aan de andere 
kant is het aan twijfel onderhevig, of alle Schalkhaarders door het nationaal-socialisme besmet 
werden. 5 Of die nazificatie van de politie, waaraan de Duitsers zoveel belang hechtten - de politie 
was de enige gewapende Nederlandse macht! - tenslotte gelukt zou zijn, is een kwestie van specu- 
latie. Rauter maakte zich hier voorlopig niet al te veel illusies over; hij wist, dat als het erop aan 
kwam, hij niet op de politie als geheel kon rekenen. 6 

Dat kan echter wel met stelligheid worden gezegd ten aanzien van de vrijwillige hulppolitie, die bij 

(1) VO 75/42 ;nr. 200. 

(2) Nrs. 200 en 481. 

(3) KA II 1883. 

(4) Circ. Dir.-Gen. van Politie 26 maart en 30 april 1943, CNO 15 a. 

(5) Doe. II Schalkhaar; zie ook nr. 476. 

(6) Nr.467. 



131 



DE HÖHERER SS- UND P OLIZEIFÜ HRER IN NEDERLAND 

verordening van 21 mei 1942 werd opgericht. Hiervoor kon, aldus de verordening, iedere Neder- 
lander tussen 18 en 45 jaar zich aanmelden, die lichamelijk en mentaal geschikt werd geacht, en die 
naar hij schriftelijk moest verklaren, 'de nieuwe Europeesche orde voorstaat en bereid is deze naar 
zijn beste vermogen te dienen.' Bij het vervullen van hun dienst stonden de leden onder de gewone 
politiecommandanten, en hadden dan ook de rechten en plichten van de gewone politieambtenaar. 1 
De aspiranten werden pas na een tiendaagse opleiding bij een Duits politie-bataljon geselecteerd, en 
konden dan weer naar huis gaan. Na een bepaalde oproep moesten zij zich voor daadwerkelijke 
dienst melden. In diensttijd werd een politie-uniform met veldmuts en rode band om de linkerarm 
gedragen. 

De vrijwillige hulppolitie werd onder meer berucht door ruw optreden, in Amsterdam door 
geheel zelfstandig en ongevraagd aanhouden en sarren van joden e.d. Toen de resultaten van het 
Amsterdamse politie-bataljon bij de razzia's op de joden in 1942 niet aan de Duitse verwachtingen 
voldeden, besloot de bezetter begin 1943 deze activiteiten in plaats van door het politie-bataljon door 
de hulppolitie te laten verrichten. Deze voldeed blijkbaar wel meer dan voldoende. 2 Een Neder- 
landse SS-man schreef in april 1943, vanuit Amsterdam: 

'De hulppolitie, die nu gerecruteerd is uit de nationaalsocialisten, houdt zich bezig met het op- 
pakken van de joden en doet dat uitstekend, 100% beter dan de politie, die toch maar saboteert 
als het eenigszins kan.' 3 

Om deze ijverige plichtsgetrouwen bij elkaar te krijgen had men in eerste instantie een beroep op de 
WA en de Germaansche SS gedaan. In totaal kreeg men een kleine 2.000 man bijeen. Toen tegen het 
eind van het jaar een begin werd gemaakt met de formering van de Nederlandsche Landwacht, een 
zelfbeschermingsorganisatie van de NSB, die bepaalde politionele bevoegdheden zou krijgen, 
besloot men de hulppolitie daarin te laten opgaan. Medio 1944 was dit goeddeels gebeurd. 4 

Maar hulppolitie en later de Landwacht waren per slot van rekening inderdaad niet meer dan 
hulp-organen, voor een groot deel samengesteld uit het ook door Rauter geminachte plebs van de 
WA, de ongedisciplineerde 'Weer-Afdeeling' van de NSB. Dat soort lieden was zeer beperkt 
bruikbaar, zonder ervaring in politiezaken, en door hun wijze van optreden toonden zij zich 
bepaald geen handhavers van de nieuwe orde, met wie men reclame kon maken. 

Belangrijker was het een kern van professionele politiemannen te vinden, die daarbij het natio- 
naal-socialisme aanhingen. Niet het nationaal-socialisme van de NSB, maar liefst van de SS. Om 
deze reden en natuurlijk met het oog op de bij voortduring gewenste versmelting van SS en politie 
moest er een band gesmeed worden tussen de inheemse politie en de inheemse SS. In een volgend 
hoofdstuk zal men zien, hoe de laatste organisatie, eerst 'Nederlandsche SS', later 'Germaansche 
SS in Nederland' geheten, uit vijf territoriale 'standaarden' bestond. De politiemannen, die lid 
waren van de Germaansche SS werden evenwel in een aparte 'SS-poIitiestandaard' verenigd. Van 
deze eenheid is er vrij weinig bekend. De oprichting zal omstreeks eind 1942 hebben plaatsge- 
vonden 6 , het ledenaantal zal gevarieerd hebben tussen de 350 en de 500. 6 Het was kennelijk de 
bedoeling van Himmler en Rauter om het leiderschap van de Nederlandse politie en de politie- 

(1) 57/42. 

(2) Doe. II Politie - Amsterdam, en Politiebataljon Amsterdam; Presser, Ondergang, II, p. 176, 179. 

(3) K. aan M. 23 april 1943, Dagb. 755- 

(4) Doe. II Politiebataljon Amsterdam; nr. 474; HSSPF 352 g, h; Directeur-Generaal van Politie aan 
BdO 13 sep. 1944, CNO 15 b; zie ook nr. 188. 

(5) Stukken uit oktober 1942 vermelden de politiestandaard nog niet; voor het eerst gebeurt dit in 
december 1942 (HSSPF 387 a). 

(6) Ziep. 254. 



132 



DE NEDERLANDSE POLITIE 

standaard van de Germaansche SS aan elkaar te koppelen. Eerst gebeurde dat in de persoon van 
Broersen, die in 1943 als staf-chef van het directoraat-generaal van politie (dat betekende met 
iemand als Schrieke als directeur-generaal van politie in de praktijk: feitelijk hoofd van de Neder- 
landse politie) opgevolgd werd door P. Kooymans, voordien gewestelijk politiepresident van 
Noord-Brabant en Limburg. Kooymans werd daarmee ook chef van de politiestandaard, evenals 
zijn opvolger in januari 1944, de politie-o verste Y. de Boer. x 

De leden van de Nederlandse politie, die tot de SS toetraden, en dan in de SS-politiestandaard 
werden opgenomen, vormden de personeelskern, waarmee Rauter zijn hervormingsplannen 
trachtte door te drijven. Het moet overigens gezegd, dat althans wat de hogere niveaus betreft, hij 
wel wat tegenslag had in de keuze van zijn Nederlandse politiebeambten. De nationaal-socialis- 
tische beroepsmilitair S. Tulp, die sinds april 1941 hoofdcommissaris van politie te Amsterdam was, 
behoorde al tot een oudere generatie, en stierf voordat hij met de definitieve invoering van de 
reorganisatie politiepresident had kunnen worden, als erfenis slechts zijn naam latend aan de 
kazerne, waarin het Amsterdamse politiebataljon gelegerd was, en zodoende aan de manschappen 
daarvan, de 'zwarte Tulpen'. De politie-overste J. C. Krenning, die in januari 1943 waarnemend 
hoofdcommissaris werd, kreeg prompt een nerveuze ineenstorting, althans wendde voor dat te 
krijgen; naar het schijnt trachtte hij het zinkende Duitse schip - het zesde Duitse leger te Stalingrad 
had net gecapituleerd - vroegtijdig te verlaten, al had Rauter dat niet door. Hetgeen wèl het geval 
was met de Haagse politiepresident mr. P. M. C. J. Hamer - deze geen SS-man echter, wel NSB-er - 
die in oktober 1943 door Rauter van zijn functie werd ontheven. De meeste andere hogere politie- 
functionarissen, toegewijd nationaal-socialist en doorgaans lid van de SS, waren voor Rauters 
doeleinden toch ook maar beperkt bruikbaar. 2 

Werkelijk volledig geschikt voor hogere politieambten waren slechts de twee veelbelovende 
jongere SS-mannen, Broersen en Kooymans, althans, dat meende Rauter een tijdlang. Het is 
opvallend, dat Kooymans de enige stads- en gewestelijke politiepresident was, die niet onder 
toevoeging van het adjectief 'waarnemend' deze ambten kreeg. Wij hebben reeds aangeduid, dat 
Rauter evenwel later ook in deze twee teleurgesteld zou raken. Het neemt niet weg, dat, ook waar 
de resultaten vaak ver onder de verwachtingen bleven, de leden van de Nederlandsche SS binnen 
de Nederlandse politie toch de groep vormden, waarop Rauter het meest kon steunen bij zijn 
omvorming van het politie-apparaat in SS-richting. Voorzover bekend, heeft men nooit Neder- 
landse politie-mannen gedwongen lid van de Germaansche SS te worden, maar evenals in Duitsland 
trachtte men hen, die de 'juiste' instelling leken te bezitten, te overreden deze stap te doen. 3 Helaas 
bleken vele Nederlandse politiemannen, die niet tot deze SS-kern toetraden, evenzeer gewillige en 
ijverige werktuigen van de bezetter te zijn. 

De politie in Duitsland was binnen een aantal jaren na Hitiers machtsaanvaarding in 1933 door 
allerlei maatregelen op structureel en personeel gebied een onderdeel van het SS-complex geworden. 
Tot op grote hoogte liep de reorganisatie van de Nederlandse politie met die vroegere ontwikkeling 
in Duitsland parallel, en met hetzelfde uitgesproken doel. De aanleuning aan het Duitse voorbeeld 
was niet bedoeld als verduitsing of nazificatie zonder meer; het streven van Himmler en Rauter was 
erop gericht in Nederland te komen tot eenzelfde zelfstandige SS- en politie-organisatie als in 



(1) Dossier Broersen, Bijz. Rechtspleging; H. W. van Etten: De Nederlandsche SS. Opstel, in verzameling 
opstellen van Van Etten, Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, p. 19; Doe. I Wijndelts, W. A. 4; 
Doe. I Broersen; voor Kooymans en De Boer resp. nr. 151, noot 10, en nr. 342, noot 7. 

(2) Zie nrs. 342 en 467. 

(3) Doe. I Broersen. 



133 



DE HÖHERER SS- U ND POLIZEIFÜHRER IN NEDERLAND 

Duitsland. Dat men in de zo verschillende omstandigheden in het bezette gebied minder ver kon 
gaan dan in Duitsland het geval was, en dat het resultaat nog veel onvollediger dan in Duitsland was, 
doet daar niets aan af. Ook in Nederland werd de politie voor een belangrijk deel aan de gemeenten 
onttrokken en tot een staatsinstrument gemaakt; zo was in Duitsland de politie aan de autonome 
Lander, zoals Beieren, Baden e.d. onttrokken en 'verreichlichf. De parallel tekent zich af op tal van 
punten: de militarisering, het streven naar scheiding tussen 'orde-politie' en recherche - de politieke 
politie zou voorlopig uiteraard geheel Duits blijven 1 - de sterke centralisatie, de jurisdictie van het 
SS- und Polizeigericht, de indoctrinatie (die, in één zin samengevat, erop neerkwam, dat de politie 
tot wezenlijke taak had de nat ionaal-socialistische staat te beschermen), de poging tot samen- 
smelting met de inheemse SS. 

De creatie van de figuur van de politiepresident was van groot belang in dit proces. Dat betekende 
namelijk, dat de politie geheel dan wel gedeeltelijk aan de procureurs-generaal en de burgemeesters 
onttrokken werd. Kortom, dit was een begin van wat in Duitsland in de dertiger jaren ook had 
plaatsgegrepen: het losmaken van de politie uit de traditionele staatsadministratie, met dit verschil, 
dat men in Duitsland bezig was geweest de politie voor een belangrijk deel juist aan de Polizei- 
prasident te onttrekken. Bij nadere beschouwing vervluchtigt deze paradox evenwel. Immers, in 
Duitsland was de SS doende geweest voornamelijk de politieke politie, de Gestapo > aan het gezag 
van de Polizeiprasident te ontnemen. Van een Nederlandse politieke politie was er tijdens de be- 
zetting natuurlijk geen sprake. Maar bovendien: de SS was van plan om de figuur van de Polizei- 
prasident, die in Duitsland nog steeds een schakel in het traditionele staatsapparaat was, zelf daar- 
van los te maken en in het SS-kader in te bouwen. Zodra dat laatste zou zijn gebeurd, zou de 
Polizeiprasident de zeggenschap ook over de politieke politie volledig terugkrijgen. De auteur, die 
zich het meest met deze materie heeft beziggehouden, schrijft dan ook : 

'Nur solange der Polizeiprasident noch im Zusammenhang mit der staatlichen inneren Verwal- 
tung stand, wurden die politisch-polizeilichen Angelegen heiten von ihm ferngehalten. Wenn er 
dagegen spater ausschliesslich zum Befehlsbereich der SS gehören würde, sollte er die Totalitat 
polizeilicher Kompetenz zurücker halten. Seine Stellung würde dann der des SSPF entsprechen, 
wie sie im General gouvernement schon weitgehend ausgebildet war . . .' 2 

In Nederland moest om in de toekomst een aparte Nederlandse SS- en politie-organisatie te creëren, 
de figuur van de politiepresident eerst geschapen worden. De Nederlandse politiepresidenten waren 
juist over het algemeen SS-mannen, die voor het beoogde doel geschikt leken - Kooymans voorop 
- althans in de vigerende omstandigheden tamelijk geschikt (hun feilen en falen vanuit SS-stand- 
punt laten wij nu even buiten beschouwing). 

Het is duidelijk, dat Rauter beoogde in Nederland een SS- en politiestructuur te scheppen, die 
vrijwel geheel los zou komen te staan van het gewone burgerlijke bestuursapparaat. Sterker, de 
situatie in Nederland zou wel eens vooruit kunnen grijpen op de door de SS gewenste ontwikkeling in 
Duitsland, of liep daar al enigszins op vooruit. De positie van de politiepresident in Nederland was 
reeds veel onafhankelijker van het traditionele binnenlandse bestuur dan in Duitsland het geval 
was; Rauter zag de gewestelijke politiepresident al als een SS- und Polizeiführer, al zou deze ambts- 
drager om evidente redenen voorlopig niet die laatste benaming dragen. 3 De rechterhand van de 
politiepresident, de gewestelijke politiecommandeur, was trouwens ook duidelijk een parallel-figuur 
van een Kommandeur der Ordnungspolizei (KdO). Beide figuren, SSuPFtn KdO, kende men o.a. in 



(1) Nr. 151. 

(2) Buchheim, Anat. I,p. 169, 170. 

(3) Nrs. 264, 319, 342. 



134 



DE NEDERLANDSE POLITIE 

Polen al onder die naam; in Nederland waren ze er in zekere zin al feitelijk, en de SS zou deze 
structuur maar al te gaarne in Duitsland zelf introduceren. 

Er is meer. Speculeren over de wijze, waarop de Nederlandse politie zich ontwikkeld zou hebben, 
wanneer de SS langer dan de vijf bezettingsjaren zijn kans gehad zou hebben, heeft geen zin, wel 
daarentegen een blik op de voorstellingen, die de SS zich van zulk een toekomst maakte. Zo alleen 
valt te begrijpen, in welk politiek kader men de reorganisatie van de Nederlandse politie dient te 
plaatsen. De voorstellingen, die de Duitsers zich daarvan maakten, zijn weliswaar nog vaag, niet 
altijd in overeenstemming met elkaar, kortom, onrijp nog, maar er zit toch een duidelijke lijn in, 
een gerichtheid op een doel, dat twee aspecten heeft: het vestigen van een Nederlands politie- 
apparaat als onderdeel van het algehele SS-complex, op zichzelf natuurlijk reeds nastrevenswaard 
door de ermee gepaard gaande zelfvergroting en machtsuitbreiding, maar bovendien een garantie 
voor de SS, dat het Germaanse Nederland geïntegreerd zou zijn in het komende Germaanse Rijk, 
waarvan vorm en inhoud nog volkomen vaag in de nevelen der toekomst verborgen lagen. 

Zo vaag, dat de SS, dat wil hier zeggen Himmler en Rauter, er bepaald rekening mee hielden, 
dat dit Rijk toch wel een soort federatie zou kunnen zijn. Erger nog: de SS moest daarbij de zeer 
grote mogelijkheid onder ogen zien, dat dan toch de separatistische, on-Germaans denkende 
NSB-leider Mussert in een tamelijk autonoom Nederland staats- of regeringsleider zou kunnen 
worden. Dat laatste gevaar was trouwens acuut, het dreigde reeds tijdens de bezettingstijd ver- 
scheidene malen gerealiseerd te worden. Daarom was het zaak voor de SS de Nederlandse politie zo 
snel mogelijk in SS-richting te her-structureren en de belangrijke posten door SS-mannen of voor 
de SS betrouwbare lieden te doen bezetten. 1 

Men mene overigens niet, dat Mussert bij al zijn evidente gebrek aan politiek instinct dit streven 
van de SS niet opmerkte. In zijn tweede nota voor Hitier van 4 juli 1941 stelde hij zich op het stand- 
punt, dat de politie een zuiver intern Nederlandse aangelegenheid was, waarmee de Germaanse 
gedachte of de SS niets te maken had, er de opmerking aan toevoegend : 'Een Staat, aan wien de 
politie onttrokken is, dient men geen staat te noemen maar een cultuurvereeniging.' 2 In het voor- 
jaar van 1942 gaf de benoeming van Quisling in februari tot minister -president van Noorwegen 
hem weer hoop, dat hij nu ook aan de macht zou komen. Aan de andere kant besefte hij, dat hij 
moeilijk een beëdiging van de Nederlandsche SS op Hitier kon tegenhouden. Hij kon de datum van 
die plechtigheid wat uitstellen, maar dat was dan ook alles. Dat betekende, hij realiseerde het zich 
heel goed, dat hij deze formatie van zijn partij aan Himmler moest overdoen. 3 

Voldoende aansporing voor Mussert om te proberen zo snel mogelijk meer invloed op de politie 
te krijgen. Dat gold ook voor Van Geelkerken, die altijd een oog gericht hield op een mogelijke 
portefeuille van binnenlandse zaken of politie (in Musserts 'schaduw-kabinet' van februari 1943 
werd hij Gemachtigde voor Binnenlandse Zaken en Nationale Veiligheid); en ook voor de WA, 
die ambities op politie-gebied had, welke voortdurend door Rauter gefrusteerd werden. Er valt in 
de woorden en handelingen van Mussert en Van Geelkerken, zowel in 1941 als in 1942, de sug- 
gestie te bespeuren tot de ruil: de Nederlandsche SS voor Himmler, mits de politie voor de NSB. 4 
Aangezien Mussert geen reële politieke kracht achter deze suggestie kon plaatsen, was er voor de 
SS geen enkele noodzaak om op dit punt enige concessie te doen. Seyss-Inquart trachtte wel, zoals 
in het algemeen, Mussert op dit punt enigszins de hand boven het hoofd te houden, dat wil zeggen: 
indien het hem geen schade zou kunnen berokkenen, de SS wat af te remmen. Daar Seyss-Inquart 



(1) Nrs.93,96, 151. 

(2) Vijf nota's van Mussert aan Hitier over de samenwerking van Duitschland en Nederland in een bond van 
Germaansche volkeren 1940-1944, VGravenhage, 1947, p. 54. 

(3) Zie p. 288 e.v. 

(4) Zo zag ook Rauter het in 1942 : zie nr. 1 5 1 . 



135 



DE HÖHERER SS- UND P OLIZ EI FÜHR ER IN NEDERLAND 

kon weten, hoe belangrijk de politie-kwestie voor de SS was, was zijn pogen op dit gebied meer dan 
ooit zwak, onovertuigend, en verborgen in een struikgewas van voorbehouden en ondoorzichtige 
formuleringen. 1 

De SS kon daarom wat de Nederlandse politie betrof vrij ongestoord haar gang gaan. Aan de 
volstrekte vaagheid over Nederlands toekomst had de SS bepaald haar aandeel, bewust en princi- 
pieel zelfs. Desondanks, of juist daarom dienden een paar concrete zaken liefst nu reeds vastgelegd 
te worden. Een paar dingen stonden voor Himmler en Rauter vast: wanneer het toekomstige 
Germaanse rijk een federatieve vorm zou krijgen, zou de politieke politie, die er eens toch in 
Nederland moest komen, een instrument van dat rijk zijn, en bijvoorbeeld uit gemengd Duits- 
Nederlands personeel zijn samengesteld. De rest: geüniformeerde politie, recherche en marechaus- 
see, kon dan een instelling van het min of meer autonome Nederland blijven - en dan misschien 
nog niet helemaal (dit werd door Himmler al als een concessie beschouwd tegenover de toekomstige 
regering van Nederland, al dan niet van sterke NSB-signatuur). De Duitse invloed en controle 
moesten gewaarborgd blijven door een aantal Duitse politiefunctionarissen, met name door een 
Duitse Höherer SS- und Polizeiführer. Onder hem zou de leider van de Germaansche SS in Neder- 
land tevens de leider van de Nederlandse politie zijn. Voor die dubbelrol, onderdeel van de ver- 
smelting van SS en politie, was in laatste instantie (of in eerste, zo men wil) de leider van de Ger- 
maansche SS Feldmeijer voorzien. 2 

Dat laatste, de kwestie van de opperste leiding van het Nederlandse politie-apparaat, was trouwens 
al een acute kwestie. Niet, dat Rauter ontevreden was over de bestaande toestand. Er is al op 
gewezen, hoe de secretaris-generaal van justitie Schrieke, sinds de reorganisatie ook waarnemend 
directeur-generaal van politie, en formeel de hoogste Nederlandse politie-autoriteit, geheel een 
werktuig in Rauters handen was. Voor deze constatering hebben wij niet alleen Rauters woorden - 
en Schriekes daden - maar ook de uitlatingen van de man zelf. In mei 1943 gaf hij in een vergadering 
van de secretarissen-generaal een uiteenzetting over de nieuwe toestand bij de politie, waaruit zonne- 
klaar de volslagen horigheid van de opperste leiding der Nederlandse politie ten opzichte van de 
Duitsers en met name van de Höherer SSuPF bleek. Het betoog bracht zijn collega van waterstaat 
Spitzen tot de in dezelfde vergadering uitgesproken conclusie, dat Schrieke blijkbaar 'ten aanzien van 
de Politie een meer administratieve dan een dirigeerende functie heeft.' Voelde Schrieke de mis- 
prijzende klank in deze woorden? In een volgende vergadering meende hij wel op het onderwerp te 
moeten terugkomen, maar zo de bewering van Spitzen nog enige nadere adstructie behoefde, 
voerde Schrieke die zelf aan door, men kan niet anders zeggen dan met haast ontwapenende 
naïveteit, op te merken: 'Het Directoraat-Generaal van Politie is in belangrijke mate centraal door- 
zendstation geworden voor de bevelen van het bureau van den Commissaris-Generaal voor het 
Sicherheitswesen aan de Nederlandsche politie.' 3 Dat was het trouwens altijd geweest. Rauter had 
dan ook geen enkel bezwaar tegen Schrieke - behalve dan diens doofheid - op de posten van secre- 
taris-generaal van justitie en directeur-generaal van politie; toch was dat, zoals Rauter zelf zei, 
maar een tussenoplossing. 4 

Wat hij zich eigenlijk ten doel had gesteld, was een ambitieus, en loodzwaar met toekomst- 
perspectieven geladen plan: de vorming van een apart departement van politie, met Feldmeijer als 

(1) Seyss-Inquarts houding op dit punt blijkt uit de nrs. 93 en 151, en vooral, waar het om de kwestie van 
een apart departement van politie gaat, in nr. 268. Hier blijkt o.a. uit, dat het consequente streven, dat de 
SS altijd al had gehad, naar de 'Herauslösung aus der Verwaltung' van de politie (Buchheim, Anat. I, in 
diverse opstellen aldaar) door Seyss-Inquart letterlijk wordt afgewezen. 

(2) Samenvattend mag men deze voornemens zeer zeker als constante in de overwegingen van Himmler 
en Rauter in de loop der jaren beschouwen: zie nrs. 93, 96, 129, 151, 319, 342. 

(3) CNO-SGNot. 16/IV, 18/IV2. 

(4) Hiervoor en voor het volgende de in noot 2 genoemde bronnen, speciaal nr. 151. 



136 



DE REICHSSCHULEN 



secretaris-generaal. Weliswaar besefte hij, dat dit voorlopig nog wel niet haalbaar was. Zelfs een 
benoeming van Feldmeijer tot directeur-generaal van politie, die dan onder Schrieke toch de 
werkelijke politiechef zou zijn, zou naar Rauters mening nog op te veel weerstanden stuiten. Maar 
dan was er nog altijd Broersen; of Kooymans. 

Het einddoel was dus de vorming van een Nederlandse miniatuur-uitvoering van de figuur van 
de Reichsführer-SS und Chef der Deutschen Polizei. Alles vanzelfsprekend onder strenge controle 
van de Duitse Höherer SSuPF. 

Het is niet doorgegaan. Over de redenen kan men slechts gissen. In de eerste plaats zou opge- 
merkt kunnen worden, dat men in Duitsland zelf nog niet zo ver was, en voorts, dat er teveel verzet 
van de NSB 1 , van de NSDAP, en misschien ook wel van Seyss-Inquart zou zijn gekomen. Erg 
steekhoudend lijkt dit echter niet : er werden in Duitsland plannen gemaakt om een apart ministerie 
van politie te vormen, dat uiteraard door de Reichsführer-SS bezet zou worden, en een vooruit- 
lopen hierop in bezet gebied was nu juist een wezenlijk onderdeel van de SS-plannenmakerij. 2 In 
Noorwegen was het trouwens al zover - zij het dat incidentele omstandigheden een handje hadden 
geholpen: de leider van de Noorse SS, SS-standartferer Jonas Lie, was tevens minister van politie. 3 
Het lijdt geen twijfel, dat als de SS in Nederland stevig door zou zetten, juist op dit punt Seyss- 
Inquart en andere machten snel zouden hebben toegegeven. Daarentegen is misschien wel door- 
slaggevend geweest, dat Feldmeijer, Broersen, Kooymans, alle Nederlandse SS-Führer, over wie 
Rauter zich aanvankelijk zo lovend uitliet, later bepaalde trekken in hun persoonlijkheid bleken 
te hebben, die hen voor de hoogste SS-functie, of het hoogste politie-ambt, laat staan voor beide 
posten verenigd, toch minder geschikt maakten. 4 Een zekere, voorlopige stap in de richting van 
versmelting van SS- en politie-functies op hoog niveau heeft Rauter toch bereikt met de combinatie 
van het leiderschap van de SS-politiestandaard met het ambt van chef-staf van het directoraat- 
generaal van politie, van de feitelijke politiechef dus. En in ieder geval waren daar de gewestelijke 
politiepresidenten als een soort Nederlandse SS- und Polizeiführer, zij het dan nog wel zeer avant la 
lettre. Dit alles in aanmerking genomen is het niet meer dan begrijpelijk, dat Rauter de in 1943 be- 
staande situatie gaarne voor de nabije toekomst aanvaardde. 

De symbiose van SS en politie was in Nederland nog in een eerste stadium van ontwikkeling, 
maar er waren resultaten geboekt. Bovendien was de inheemse Nederlandsche SS door toedoen 
van de Höherer SS- und Polizeiführer nergens anders dan bij de politie zo goed er in geslaagd een voet 
tussen de deur te krijgen van het gebouw der Nederlandse openbare instellingen. Voor de toekomst 
van de SS-politiek hing evenwel veel af van de vraag, of de SS op andere zaken evenveel greep zou 
krijgen. 

F. De Reichsschulen 

De hiervoor besproken machtsapparaten van Rauter hadden een duidelijk repressief doel, hoewel 
er in zijn aanpak van de Nederlandse politie tevens een belangrijk politiek-creatief element school. 
Met dat laatste bedoelen wij : de politische Gestaltung, de vormgeving aan het streven naar het ge- 
stelde doel, het door de SS beheerste groot-Germaanse rijk. Anders gezegd: de nazificatie, en halve 
of hele verduitsing. Tot dat doel beschikte Rauter over de Nederlandsche SS en haar neven-organi- 
satie, die in een later hoofdstuk behandeld zullen worden. Een paar instellingen, die de ideologische 

(1) Vgl. nr. 267 onder punt 5. 

(2) Zie nr. 268 en noot 2 daarbij. 

(3) Magne Skodvin : Det Store Fremstot. Saertrykk av 'Norges Krig 1940-1945', z. pl., z.j., p. 588. 

(4) Over Feldmeijers tekortkomingen p. 306 e.v. Al voordat Broersen en Kooymans door hun gedragingen 
bij Rauter in ongenade vielen, achtte hij hen toch al niet de juiste figuren voor deze posten. Broersen was 
'in keiner Form geeignet' (nr. 342), Kooymans het type van een opgeklommen onderofficier (nr. 151). 



137 



DE HÖHERER SS- UND POLIZ EI FÜ H RE R IN NEDERLAND 

indoctrinatie van Nederlanders ten doel hadden, willen wij hier reeds noemen, omdat zij puur Duits 
waren, en in de praktijk ook onder de controle van Rauter bleken te staan: de Reichsschulen. 

In Duitsland werden sinds 1933 naast de gangbare scholen voor middelbaar onderwijs nieuwe 
schooltypen geschapen, waar de jeugd in nationaal-socialistische sfeer en levenshouding opgevoed 
moest worden. 1 Dit waren de Adolf-Hitler-Schulen en de Nationalpolitische Erziehungsanstalten 
{Napolas, soms NPEA). 2 Wat leerstof betreft was er niet veel verschil met de normale middelbare 
school in Duitsland. De kwaliteit van het onderwijs schijnt echter nogal verschillend geweest te 
zijn. De Adolf-Hitler-Schulen waren partij-scholen, die vooral op een partij-loopbaan gericht waren, 
de Napolas daarentegen staats-internaten, die evenmin als de normale middelbare school op een 
bepaalde carrière vooruitliepen. 

Wat deze opleidingsinstituten beoogden was het aankweken, uiteraard na een strenge medische, 
raskundige en geestelijke selectie, van het nieuwe leiderstype. Op deze wijze trachtte men te komen 
tot een 'Neupragung des deutschen Menschen'. Geen ouderwetse toevoer van dode leerstof, geen 
zuiver intellectuele opleiding, maar in de eerste plaats karaktervorming, opvoeding van de jonge 
mens in zijn geheel, een 'Gesamterziehung in einer festgefügten Gemeinschaft', dat was de wijze, 
waarop men tot de vorming van het in zijn nationaal-socialistische geloof onwankelbare, grote 
prestaties leverende leiderstype dacht te komen. Als voorbeelden had men Sparta, de Engelse 
public schools, de Katholieke kerk en dan natuurlijk speciaal de Jezuïeten-orde, en het Pruisische 
officierskorps voor ogen, althans de voorstellingen, die de nazi's van deze historische fenomenen 
hadden. Ook hier diende in de opvoeding grote plaats te worden ingeruimd voor tucht, soberheid, 
'Einsatzbereitschaft', gemeenschapszin, enz., enz. 

Zoals meer in de nationaal-socialistische beweging het geval was werden hier een op zichzelf 
waardeerbare wil tot vernieuwing en authentiek idealisme gericht op doeleinden, die in laatste in- 
stantie destructief van aard waren. Het gewenste leiderstype was dat van de 'politische Soldat', 
de levenswijze op de genoemde scholen militair: sport nam een belangrijke plaats in, maar centraal 
in de sport stond de 'Wehrsport'. Leraren en leerlingen waren geüniformeerd, en in militair aan- 
doende eenheden georganiseerd. De docenten waren meestal vrij jonge mensen, vaak Führer uit 
Hitlerjugend of SS, van het enthousiaste, fanatieke type, de 'vriend en kameraad'. De twee formaties 
waren beide nauw bij de scholen betrokken, waarbij de Adolf-Hitler-Schulen sterk op de HJ ge- 
oriënteerd waren, de Napolas meer en meer op de SS; uit deze scholen hoopten de formaties trou- 
wens hun 'Nachwuchs' te krijgen. Het gevolg was, dat de leerlingen aan de Nationalpolitische 
Erziehungsanstalten 'ganz im Geist der SS erzogen werden. Die Erzieher und Lehrer an den NPEA 
sind fast ausschliesslich SS-Führer und Unterführer.' 3 De aldus gekweekte elite mocht echter niet 
los van de volksgemeenschap komen te staan. Dat was in de ogen van de nationaal-socialisten de 

(1) Zie voor Hitiers eigenlijke opvatting over de jeugd p. 220. 

(2) Benevens nog een aanvankelijk sterk op de SA gerichte Oberschule te Feldafing. Na één van dit soort 
scholen doorlopen te hebben, kon de jonge nationaal-socialist zijn opleiding voltooien op de Ordens- 
burgen, een soort nazi-academies. Meestal kwam het daar niet van. Het hoogst bereikbare zou de Hohe 
Schule, ressorterend onder de partij-ideoloog Alfred Rosenberg, zijn, waar op 'universitair 1 niveau de 
allerbesten op de hoogste posten in partij en staat geprepareerd zouden worden. Deze super-academie 
bleef echter in het stadium van voorbereidingen steken. Bronnen en litteratuur voor het volgende, voor 
zover niet anders aangegeven: O. Graf zu Rantzau: Das Reichsministerium für Wissenschaft, Erziehung 
und Volksbildung. Schriften der Hochschule für Politik, Heft 38, Berlin, 1939, p. 41 e.v. ; DZ 3 juli 1942 ; 
Max Eichler: Du bist söfort im Bilde, Erfurt, 1940, p. 156-158; Rolf Eilers: Die Nationalsozialistische 
Schidpolitik, Köln und Opladen, 1963, p. 41-46; Horst Ueberhorst (Hrsg.): Elite für die Diktatur. Die 
Nationalpolitischen Erziehungsanstalten 1933-1945. Ein Dokumentarbericht, Düsseldorf, 1969, passim. 
Werner Klose: Generation im Gleichschritt, Oldenburg, 1964, p. 203-207; Harald Scholtz: NS-Auslese- 
schulen. Internat sschulen als Her r schaft smittel des Führer staates, Göttingen, 1973. 

(3) Citaat uit het Nationalsozialistische Jahrbuch 1941 bij Neusüss-Hunkel, SS, p. 78. 



138 



DE REICHSSCHULEN 



fout, die er aan het Britse public schoolsysteem kleefde, maar die zou in het Duitsland van Hitier 
niet herhaald worden, evenmin als ooit de SS een sociaal gesloten kaste mocht worden. De gewenste 
integratie met de Duitse volksgemeenschap dacht men te stimuleren door de leerlingen der Napolas 
een aantal weken per jaar in landbouw of industrie te laten werken. 

Opvallend is de snelle groei van dit type scholen. In 1933 waren er nog maar drie Napolas, niet 
toevallig gevestigd in scholen, die vroeger Pruisische kadettenscholen waren geweest. Tijdens de 
oorlog groeide het aantal tot boven de veertig. 1 

Aangezien de Nationalpolitische Erziehungsanstalten staatsscholen waren, ressorteerden zij onder 
de minister van onderwijs Rust, zij het dat de controle uitgeoefend werd door de Dienststelle van 
SS-Obergruppenführer Heissmeyer. 2 Het zou echter te ver gaan te beweren, dat deze willens of in 
staat was de scholen geheel en al aan de SS over te leveren, zoals trouwens ook in het geval van de 
Reichsschulen in Nederland geïllustreerd wordt - hetgeen hem dan ook door Berger hevig verweten 
werd. 

Reeds in 1940 had Heissmeyer met Wimmer, de Generalkommissar in Nederland für Verwaltung 
und Justiz (waar onderwijs onder ressorteerde) gesproken over de oprichting van een Napola in 
Nederland. 3 In dit stadium waren de Duitsers nog vrij bang om de Nederlanders meteen kopschuw 
te maken, hetgeen door de oprichting van een onvervalst Duits nazi-internaat als een Napola 
stellig zou gebeuren. Een typische NSB-school wensten de Duitsers evenwel ook beslist niet; het 
moest, verhuld of niet, een Duitse school worden. Dan verhuld, meende de vertegenwoordiger van 
Heissmeyer bij het rijkscommissariaat SS-Untersturmführer Jacobs; de Duitse doeleinden zouden 
het beste gediend worden door een staatsschool, die niet op een of andere wijze aan de NSB ge- 
bonden zou zijn, maar onder de gewillige secretaris-generaal van opvoeding, wetenschap en kuituur- 
bescherming van Dam zou ressorteren. De Napola te Bensberg in Duitsland zou als een soort 
moederschool fungeren en actief bij de stichting en verdere ontwikkeling meehelpen, o.a. door lang- 
durige uitwisseling van leraren en leerlingen. 4 De NSB mocht wel in zekere mate medewerking ver- 
lenen, bijvoorbeeld door het beschikbaar stellen van docenten, maar de Duitsers dienden het heft in 
handen te hebben. De school moest *ausserlich bewusst niederlandisch und dabei im Innern ganz 
eindeutig deutsch afgebaut werden.' De bedoeling was heel duidelijk een kern voor de verduitsing 
van de Nederlandse jeugd te scheppen. 

Van Dam bleek, of hij het plan nu toejuichte of niet, inderdaad gewillig genoeg. Op 12 augustus 
1941 maakte hij de oprichting bekend van de nieuwe school onder de naam van 'Nederlandsche 
Instelling voor Volksche Opvoeding', afgekort NIVO. Begin oktober begon de school haar lessen 
in een door de Wehr macht welwillend in bruikleen afgestaan gebouw, vroeger het r.k. sanatorium 
Koningsheide bij Schaarsbergen. Uit meer dan 500 aanmeldingen waren tenslotte 20 jongens als 
leerlingen aangenomen na een zware medische en raskundige keuring, waarbij ook de geschiktheid 
van de leerling voor het gestelde doel meetelde; 5 bedoeld zal wel zijn de mentale geschiktheid om 
zich aan de Duitse nazi-sfeer aan te passen, want 'er werd meer gelet op flinke lichaamshouding dan 
op verstandelijke vermogens, wat zich later zou wreken, toen het onderwijs aan de gang was.' 6 

(1) Over het juiste aantal bestaat geen overeenstemming. Ueberhorst (Elite p. 437, 438) noemt er 45 in 
het jaar 1944. 

(2) Zie p. 59. 

(3) Voor het volgende, voor zover niet anders vermeld, VJ Z 7010/41 ; veel interessante gegevens met name 
over de praktijk van het onderwijs, leerkrachten, prestaties der leerlingen e.d., in Not. 143, J. C. H. de Pater: 
'De Nivo (Nederlandse Inrichting voor Volkse Opvoeding) in bezet Nederland*. 

(4) Zie ook nr. 198 I. 

(5) Zie ook MadN 61 Cb; blijkbaar zijn er later wel weer leerlingen aangenomen uit de eerste 500 aspi- 
ranten. 

(6) De Pater in Not. 143. 



139 



DE HÖHERER SS- UND POLIZEIFÜHRER IN NEDERLAND 

Evenals de Duitse Napolas was de NIVO een internaat, evenals op de Duitse zusterscholen werden 
er vele en dure takken van sport bedreven, zoals schermen, paardrijden, zweefvliegen, zeilen 
enz. Ook hier was het de bedoeling, dat de leerlingen in de zomervakantie op het land, of in mijnen 
en fabrieken zouden werken. De ouders van de leerlingen droegen volgens goed nationaal-socia- 
listisch beginsel naar draagkracht bij ; verreweg de meeste kosten, ook voor de kleding - natuurlijk 
uniformen - geneeskundige behandeling, en zakgeld, werden door de Nederlandse staat gedragen. 1 

De nieuwe school was echter geen lang leven beschoren. De ideologische en politieke geschillen 
waren niet opgelost, integendeel, zij kwamen sinds de NIVO haar werkzaamheden was begonnen 
juist scherp tot uiting. De Duitsers hadden de indruk, dat de NSB niet van harte meewerkte, ja, de 
zaak misschien wel saboteerde. De NSB zag met lede ogen, hoe de Nederlandsche SS de NIVO 
met enthousiasme steunde. De leraren op de school waren wel Nederlanders, en vrijwel allen waren 
lid van de NSB, maar zij waren door de Duitsers uitgekozen, en een aantal van hen had ter verdere 
lering en indoctrinatie een soort stage gelopen op Duitse Napolas, waaronder de 4 moederschoor 
te Bensberg. Zij mochten volgens Jacobs nog niet helemaal vertrouwd zijn met het ware, dus Duitse, 
nationaal-socialisme, maar dat kon nog komen. De Anstaltsleiter - men weet niet, of dit nu met 
directeur of commandant vertaald moet worden - was overtuigd lid van de Nederlandsche SS, 
en dwong de leerlingen al met 'Heil' in plaats van de NSB-groet 'Hou Zee' te groeten; het leek 
inderdaad de kant uit te gaan van 'ausserlich niederlandisch und im Innern deutsch'. 

Geen wonder, dat Mussert en zijn onderwijsspecialist Van Genechten 2 zich bezorgd maakten over 
de richting, waarin de NIVO getrokken werd. De NSB wilde wel meewerken, maar dan aan een 
school, die een Nederlands en een NSB-karakter zou hebben. De Duitsers daarentegen vonden, dat 
de NIVO nog lang niet ver genoeg ging. Zij wilden, met of zonder de NSB, een echte Napola, waar 
Nederlandse en Duitse jongens samen zouden opgroeien in de sfeer van het Duitse nazisme. Dit 
zou de gewenste Germaanse verbondenheid brengen - en in de praktijk natuurlijk verduitsing van 
de Nederlandse leerlingen betekenen. 

Het conflict spitste zich toe op wat in de situatie op de nieuwe school inderdaad het meest 
wezenlijke praktische punt was: de positie van de Duitse taal in het onderwijs. Eind 1941 was 
Jacobs naar de Waffen-SS vertrokken. Hij werd opgevolgd door SS-Hauptsturmführer Wilhelm 
Kemper, Untenichtsleiter op de Napola te Bensberg. Deze meende de NIVO wel op slinkse wijze 
te kunnen verduitsen. Nodig waren vooral invoering van het Duits als tweede onderwijstaal, en 
aanstelling van een Duits schoolhoofd, ondanks het feit dat de Nederlandse Anstaltsleiter al keurig 
in de juiste ideologische pas liep. Over deze dingen had Kemper in februari 1942 een tweetal ge- 
sprekken met Van Genechten, die zich taai bleef verzetten tegen wat voor Kemper minimum-eisen 
waren. Van Genechten wenste het Duits slechts als belangrijkste vreemde taal op de school te zien. 
Kemper zag het heel anders: 'Urn das Wort des Führers bekennen zu können, muss man seine 
Sprache kennen und vor allem erleben. Man muss sie als Eigentum in sich aufgenommen haben.' 3 

Het was duidelijk voor Kemper, dat de NSB van deze opvattingen niets moest hebben. Toch gaf 
hij in een notitie van 20 februari voor Seyss-Inquart over zijn laatste gesprek met Van Genechten 
te kennen, dat er naast een echte Napola, die meteen opgericht moest worden, nog wel mogelijk- 
heden bestonden om de NIVO in het gewenste Duitse vaarwater te brengen. Seyss-Inquart maakte 
evenwel op Kempers notitie in marge de opmerking: 'Nein, wenn Napola so Nivo aflösen, Jung- 
mannen Übertritt freilassen. 1/3 der Jungmannen und Lehrer können Niederlander sein. Vor 
allem Jungmannen aus dem Reich.' 4 

Had de bezetter nog een halfjaar eerder de vrees gekoesterd, dat de oprichting van een Duitse 

(1) Zie ook Doe. II Nederlandsche Instelling voor Volksche Opvoeding. 

(2) Zie voor hem nr. 193, noot2. 

(3) VJ 249/42. 

(4) A.v. 



140 



DE REICHSSCHULEN 



Napola door de Nederlanders als een teken van Duitse annexatie-zucht zou worden opgevat, dit 
soort beduchtheden waren thans blijkbaar geheel verdwenen. Al een week eerder had de rijks- 
commissaris aan Himmler geschreven 1 , dat er nu maar meteen een Napola in Nederland moest 
komen, tenzij Van Genechten alsnog zou toegeven aan de Duitse eisen, hetgeen niet waarschijnlijk 
leek. Die Napola moest dan met uitzondering van de tweetaligheid (!) en een 'Betonung der Gegeben- 
heiten aus dem niederlandischen Raum' geheel Duits zijn; tweederde der leerlingen diende ook 
Duits te zijn. Seyss-Inquart bood tevens aan de helft van de kosten van de bouw (geschat werd het 
op een zes millioen mark) voor zijn rekening te nemen. De school zou natuurlijk niet als de NIVO 
onder de Nederlandse staat ressorteren, maar onder Heissmeyers Inspektion der Nationalpolitischen 
Anstalten* - 'ohne weiteres', schreef Seyss-Inquart. Misschien kwamen die woorden voort uit het 
feit, dat hij de storm van competentie-twisten, die hierover zou oplaaien, inderdaad niet voorzag; 
eerder valt het te verklaren uit zijn habituele onoprechtheid. 3 

Himmler was het geheel eens met Seyss-Inquart en nam zijn aanbod graag aan. Hij had trouwens 
al plannen voor het project laten maken. 4 Er leek nog slechts één vraag te zijn, namelijk waar de 
school nu zou moeten komen, en hoe zij zou heten. Ook daarover werden druk brieven gewisseld 
en plannen gesmeed. 6 Er zouden nu overigens twee scholen van dit type komen. Een jaar eerder 
hadden de Duitsers namelijk ook een NIVO voor meisjes willen oprichten. 6 Formeel was dat ook 
door Van Dam gebeurd, maar in de praktijk was het er nog niet van gekomen. Nu zou dit ook een 
soort Napola moeten worden. Die aanduiding kregen de scholen echter niet, ze zouden nu Reichs- 
schulen heten. Dat was een programmatische naam - het zouden Duitse scholen zijn, zij het gericht 
op een opvoeding in groot-Germaanse geest. 7 

Kemper, die thans ook geheel voor de gedachte aan een 'echte' en zich openlijk als zodanig 
adverterende Napola gewonnen was, slaagde er in om op i september 1942 beide Reichsschulen te 
openen, één voor jongens te Valkenburg in Zuid-Limburg, de andere voor meisjes te Heijthuizen 
bij Roermond. Dat was bepaald niet in het centrum van het land, zoals dat oorspronkelijk wel de 
bedoeling geweest was. De leerlingen werden ook niet gehuisvest in één van de kostbare barokke 
burchten, die men had ontworpen, en die bijvoorbeeld het terrein bij het paleis Soestdijk zouden 
hebben ontsierd. 8 De scholen waren ondergebracht in twee voor dit doel gevorderde kloosters - te 
Valkenburg had de SD de Jezuïeten daar anderhalf uur de tijd gegeven om hun klooster te ont- 
ruimen. 9 De jeugdige Germaanse elite werd daar toch ondergebracht in een omgeving, waarvoor 
kosten noch moeiten werden gespaard. De keuring, waarvan het raskundige deel door Rauters 
Rasse- und Siedlungsführer (RuS-Führer) Herbert Aust 10 werd uitgevoerd, was even streng als 
vroeger voor de NIVO. Van de 261 meisjes, die zich als eerste groep voor de school te Heijthuizen 
aanmeldden, werden er 40 definitief aangenomen. De twee-derde meerderheid van Duitse leerlingen, 
die door Seyss-Inquart en ook door Himmler werd nagestreefd, bereikte men evenwel niet. In 

(1) Hiervoor en voor het volgende weer VJ Z 7010/41, tenzij anders aangegeven. 

(2) Dus, strikt genomen, Heissmeyers bureau in zijn kwaliteit van ambtenaar van het Reichserziehungs- 
mimsterium, niet van SS-functionaris. Vgl. echter nr. 213. 

(3) Zie verder op p. 144. 

(4) Nr. 123. 

(5) Zie nrs. 1 3 1 , 1 36, 1 46, en de verwijzingen daarbij. 

(6) Hiervoor, behalve de reeds genoemde bronnen, ook Doe. I J. A. op ten Noort; tevens Not. 149, 
J. C. H. de Pater: 'Die Reichsschule für Madel te Heythuysen' (bij Roermond), voorzover niet anders 
aangegeven. 

(7) In maart 1942 had Himmler alle Napolas, ook die in Duitsland, ter accentuering van het Germaanse 
element in de ideologie, Reichsschule willen noemen (zie nr. 2 1 3, noot 4, en Elite, p. 1 22). 

(8) Zie VJ Erz. In - 10; nr. 131 en noot 6 daarbij. 

(9) Not. 148, J. C. H. de Pater: 'Die Reichsschule für Jungen te Valkenburg'. 

(10) Zie voor hem nr. 41, noot 7. 



141 



DE HÖHERER SS- UND POLIZEI FÜ HRER IN NEDERLAND 

oktober 1942 telde de Reichsschule te Valkenburg 66 Duitse en 57 Nederlandse jongens, maar 
gaandeweg werd die verhouding vanuit Duits standpunt gezien nog ongunstiger. Het jaar daarop 
waren de Duitse leerlingen in de minderheid: ongeveer veertig tegenover zestig Nederlandse 
leerlingen. De officiële leiding van beide scholen lag bij Kemper, die bovendien Anstaltsleiter van 
de school te Valkenburg was. Aangezien hij vooral in het eerste cursusjaar niet bij het rijkscommis- 
sariaat gemist kon worden, was de feitelijke leiding van de Reichsschule te Valkenburg in handen 
van de Unterrichtsleiter Ernst Debusmann, eveneens afkomstig van de Napola te Bensberg. Leidster 
van de Reichsschule für Madel te Heijthuizen werd een Nederlandse dame, jkvr. J. A. op ten Noort. 
Men mag bepaald wel veronderstellen, dat ook hier een Duitse de leiding zou hebben gekregen, 
ware het niet, dat Julia op ten Noort een zeer oude en goede relatie van Himmler in Nederland 
was. Zij had voor de oorlog Rost van Tonningen bij hem geïntroduceerd 1 ; uit dat feit zou men al 
op kunnen maken, dat zij einwandfrei groot-Germaans georiënteerd was. Debusmann had nogal 
wat kritiek op haar wijze van leidinggeven - omgekeerd was dat trouwens in minstens dezelfde mate 
het geval - hetgeen wellicht de reden is geweest van het feit, dat hij nimmer in de SS werd opge- 
nomen. 2 Rauter wenste de protégée van Himmler tot elke prijs de hand boven het hoofd te houden, 
ook al volgde deze dame soms eigen inzichten, die niet altijd strookten met de algemeen aanvaarde 
opvattingen op Duitse Napolas. 

Debusmann wist in ieder geval het handhaven van een strenge tucht te combineren met het op- 
wekken van enthousiasme bij de leerlingen, enthousiasme voor zijn persoon en voor het systeem. 8 
Bij de kinderen uit het typische NSB-milieu trad de daarbij behorende variant van het nationaal- 
socialisme duidelijk naar voren. Het was dan de taak van de leraren om door staag en geduldig 
voorlichten deze kinderen tot 'bewuste Germanen' op te voeden. In meerderheid was het leraren- 
korps wel Nederlands, maar behoorde vrijwel geheel tot de SS of althans tot de in SS-categorieën 
denkende groep van Nederlandse collaborateurs. Mannen als de scheikundeleraar J. P. WolfTram, 
vroeger chef-staf en plaatsvervanger van Feldmeijer, Obersturmführer bij de Waffen-SS, of de 
biologieleraar H. Hilarides, die de leerlingen ook onderwees in zweefvliegen en andere takken van 
sport, vertegenwoordigden uiterlijk en innerlijk geheel het type, dat door de SS ideaal gevonden 
werd: de docent, die tevens een draufgangerische leider, vriend en kameraad enz. was, de man, die 
op jongens tussen 10 en 18 jaar indruk kon maken. 

Het bronnenmateriaal laat vermoeden, dat de Reichsschule zeker succes had met de ideologische 
indoctrinatie, hetgeen al moge blijken uit het feit, dat begin 1943 van de 78 Nederlandse jongens 
zich meer dan 60 voor de Hitlerjugend in plaats van de Jeugdstorm van de NSB aangemeld hadden. 4 
Uiteraard moet men daarbij bedenken, dat de leerlingen per definitie afkomstig waren uit milieus, 
die niet principieel afwijzend tegenover de bezetter stonden, en dat de forse aanpak, de Duitse 
discipline, de idealistische motivatie van de meeste leraren (hoe men ook over de achtergrond van 
die idealen moge denken) voor de jongens gunstig moest afsteken bij de slappe, halve, vaak ordeloze 
sfeer van de NSB. 5 Juist daarin school het gevaar, dat van een instelling als deze Reichsschule uitging : 

'. . . die Jungen wollen Befehle hören und sie gehorsam befolgen, sie wollen zackig sein, sie hassen 
den Schlendrian ihrer bisherigen Erziehung und wollen mit Harte angefasst sein .... Wenn 
heute bereits bei den alteren Jungmannen als feste Berufswahl genannt wird: Führer bei der 

(1) Zie voor haar nr. 31, noot 6, en p. 195. 

(2) Not. I48;zieooknr. 221, noot 5. 

(3) Niet alleen een bekwaam organisator, maar ook een geboren pedagoog, noemt De Pater hem, die in 
1968 een oud-leerling van de Reichsschule sprak; deze, inmiddels wel van de nazi-indoctrinatie genezen, 
verheugde zich er zeer op binnenkort een bezoek aan Debusmann te brengen (Not. 148). 

(4) Debusmann aan Kemper 27 jan. 1 943, HSSPF 426 c. 

(5) H 127: 956-9; Doe. IJ. A. op ten Noort; diverse stukken in HSSPF 426 a- 431 i; Not. 148. 



142 



DE RE1CHSSCHULEN 



Waffen-SS, Offizier bei der Luftwafle, Ingenieur im Osten, Bauer in der Ukraine, dann zeigt es 
sich, dass die Reichsschule in der Erziehungsarbeit und damit im wesentlichsten Teil ihrer Arbeit 
auf dem richtigen Wege ist und dass hier eine Keimzelle heranwachst, die eines Tages ihren Wert 
für die Festigung des grossgermanischen Reichsgedanken erweisen wird', 

meende Debusmann reeds op 10 oktober 1942 aan Kemper te kunnen schrijven. 1 Hij verheelde ook 
geenszins de moeilijkheden. De grootste daarvan was wel, dat Duits in bijna alle vakken de onder- 
wijstaal diende te zijn, immers, principieel wenste men geen gescheiden Duitse en Nederlandse 
klassen, maar volledige vermenging van beide nationaliteiten. Uiteraard leverde dit in de praktijk 
zeer veel bezwaren op. Zo waren er wel meer obstakels op educatief en organisatorisch gebied, zeker 
ook wat de personeelsvoorziening betrof, maar met taaie volharding wist Debusmann zich er door 
heen te slaan. Het doel: de vorming van instituten, die in staat waren de Nederlandse jeugd te 
indoctrineren met het Duitse nationaal-socialisme en met de SS-sfeer, en daarmee tevens als ver- 
duitsingskernen zouden fungeren - zij het omgeven door een waas van Germaans idealisme - 
scheen te worden bereikt. Althans door de jongensschool te Valkenburg. De Reichsschule für Madel 
schijnt beduidend minder succes te hebben gehad, onder meer door de persoonlijke eigenaardig- 
heden van jkvr. op ten Noort, en de te geringe opleiding en capaciteiten van de meeste stafleden. 2 
En natuurlijk waren de resultaten van de school te Valkenburg als nazificerende en verduitsende 
factor ten opzichte van de Nederlandse jeugd kwantitatief voorlopig nog maar van zeer bescheiden 
afmetingen, zelfs in het collaboratie-milieu. In 1944 dachten de Duitsers aan de oprichting van een 
tweede Reichsschule voor jongens in de nabije toekomst (die zou dan in Apeldoorn komen), en op 
langere termijn aan een Reichsschule in elke provincie. Van dit alles kwam niets meer. Juist toen 
de school te Valkenburg goed op gang was gekomen, naderden de geallieerden in september 1944 
de Nederlandse grens. Beide Reichsschulen werden in het begin van september geëvacueerd naar 
Bensberg, en na enige tijd naar andere Napolas in Duitsland overgebracht. 3 



Mussert was steeds fel tegen de Reichsschulen gekant geweest. Vooraanstaande NSB-ers hadden 
geweigerd hun zoon of dochter naar deze instellingen te sturen, of hadden hen daar weer vandaan 
gehaald. Dat wisten de Duitsers; men krijgt de indruk, dat het hun eigenlijk niet zoveel kon schelen. 
Wanneer de Nederlanders eenmaal voor de keus zullen staan: de NSB of 'onze' instellingen, had 
Seyss-Inquart in zijn brief van 1 3 januari 1942 aan Himmler geschreven, dan komen ze naar ons toe, 
als de NSB zich al te nationalistisch tegen de Duitsers afzet. 'Dann wird der Augenblick sein, wo 
wir nicht genug Anstalten haben, um alle jungen Niederlander in der deutschen Napola unterzu- 
bringen.' 4 Kemper was van dezelfde illusies bevangen 5 ; en op andere terreinen was dat eigenlijk 
met de meeste Duitsers het geval. In het perspectief van de bezetter speelden, niet ten onrechte, de 
Reichsschulen in Nederland een belangrijke rol bij de nazificering van Nederland, en de voor- 
genomen invoeging in wat men met het 'grossgermanische Reien deutscher Nation' aanduidde. 
Hetgeen de school te Valkenburg bereikte, zal de Duitsers in die illusies versterkt hebben. 

Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst. Maar wie had de jeugd, d.w.z. wie was eigenlijk de recht- 
matige bezitter van de Reichsschulen! Na het voorafgaande zal het duidelijk zijn, dat aan deze 
vraag een zeer groot belang werd gehecht door de betrokken instanties. Daar kwam bij, dat Himm- 



(1) HSSPF426b. 

(2) Zo de conclusie van De Pater in Not. 149. 

(3) Zie ook nr. 592. 

(4) VJZ 7010/41. 

(5) Getuige zijn reeds genoemde verslag over zijn gesprekken met Van Genechten, VJ 249/42. 



143 



DE HÖHERER SS- UND POLIZEIFÜ HRER IN NEDERLAND 



Ier in september 1942 door Berger er bij de Reichserziehungsminister Rust op had laten aandringen, 
dat deze Himmler tot Generalinspektor van de Napolas zou benoemen. Rust deed uiteraard zijn best 
om deze benoeming - die op volledige overgave van dit type scholen aan de SS zou neerkomen - 
te vermijden. Himmlers frontale aanval leek te mislukken. Nu hij niet ineens alle Napolas in Duits- 
land onder zijn gezag kon brengen, viel dat - als vaker - wellicht langs de omweg door de Ger- 
maanse landen te bereiken. 

Vanaf het begin van het cursusjaar 1942- 1943 werd om de zeggenschap over de Reichsschulen in 
Nederland gestreden door een veelheid van instanties: Rust, Heissmeyer, de leider van de Napola 
te Bensberg SA-Brigadeführer Holthoff, Schmidt, Seyss-Inquart, Wimmer, Rauter, Berger, vaak 
met een heftigheid alsof dit de beslissende kwestie was in de Germaanse politiek. 1 Vanuit de boven 
aangeduide gedachten en illusies misschien niet geheel onbegrijpelijk. Nu bleek, dat Seyss-Inquart 
geen genoegen nam met de rol van geldschieter, doch dat hij de uiteindelijke zeggenschap voor zich 
opeiste uit hoofde van zijn alleenheerschappij in Nederland, die inmenging van instanties in Duits- 
land uitsloot; hij was wel zo verstandig om tegenover Himmler dit standpunt wat aan te lengen, 
en Heissmeyer enige bevoegdheden te laten. Temeer omdat tegenover de ongevaarlijke Heissmeyer 
Berger met zijn Germanische Leitstelle, die het centrale coördinatieorgaan voor de Duitse politiek 
zou moeten zijn 2 , als felle concurrent stond, gelukkig echter weer met Rauter als rivaal. Onder geen 
beding wenste Seyss-Inquart enige inmenging van Berger of diens ondergeschikten in Nederland. 

Geen wonder, dat de adjudant van Rauter noteerde: 'Die Reichsschule selber leidet in ihrer 
Führung unter dem sehr vielgestaltigen Unterstellungsverhaltnis.' 3 Himmler, die zelf ook met 
Seyss-Inquart een goede verstandhouding wenste te bewaren, vond in juni 1943 een compromis- 
formule: de twee scholen ressorteerden onder de dépendance van de Germanische Leitstelle in 
Nederland; dat wilde echter zeggen onder de Höherer SSuPF aldaar, en die was weer aan de rijks- 
commissaris verantwoording schuldig. Wimmer bleef verantwoordelijk voor het onderwijs op 
beide scholen, Heissmeyer was ook inspecteur van de Reichsschulen in Nederland, zou daarover 
aan Rust rapporteren, maar stond rechtstreeks onder Himmler. Zo was ieders gezicht gered, behalve 
misschien dat van Berger. In feite was het een overwinning voor Seyss-Inquart, zonder dat de in- 
vloed van de SS op de scholen enigszins in het gedrang kwam; 'de SS' betekende in dit verband even- 
wel Rauter, en niet Berger, wiens Germanische Leitstelle in de praktijk een rol van geen enkel belang 
ten opzichte van de Reichsschulen speelde. Minister Rust was zo niet formeel dan toch feitelijk elke 
bevoegdheid ontzegd, maar Heissmeyer had zowaar nog wel iets te vertellen, zij het uitdrukkelijk 
als SS-instantie. 4 

Het is in de ontwikkeling van deze zaak opvallend, hoe Seyss-Inquart zich eerst als belangstellende 
belangeloze afficheert, om tenslotte toch een aanspraak op werkelijke invloed te kunnen maken en 
realiseren, waartegen Himmler zich niet uitdrukkelijk wil verzetten. Natuurlijk was de omstandig- 
heid, dat binnen de SS zelf met zoveel hevigheid om de Reichsschulen werd gestreden, gunstig voor 
de rijkscommissaris ; maar toch mag men dit als symptomatisch voor het diplomatieke talent van 
Seyss-Inquart achten. Dat zoveel lieden er op gebrand waren invloed op de scholen te krijgen, is 
zelf weer tekenend voor de hoge potentiële waarde, die men aan de Reichsschulen hechtte. Helemaal 



(1) Hiervoor en voor het volgende weer VJ Z 7010/41 , tenzij anders aangegeven. 

(2) Zie voor dit bureau, een onderdeel van het SS-Hauptamt, hfdst. VI. 

(3) Dagb.57. 

(4) Zie ook p. 174. Ueberhorst (Elite, p. 137), beweert (vermoedelijk op grond van de tekst van nr. 208), 
dat Himmler aan Berger het toezicht op de Reichsschulen opdroeg; indien zo, heeft Berger dat op zijn 
laatst bij het treffen van de hier vermelde regeling verloren. Heissmeyer wist zich, zij het gedeeltelijk bij de 
gratie van Rauter en Seyss-Inquart, te handhaven. Kemper noteerde op 30 aug. 1943, dat Berger 'seine 
Vorhaben, betr. Reichsschulen, an den Inspekteur, SS-Obergruppenführer Heissmeyer, abgetreten nat.' 
(VJZ 7010/41). 



144 



DE REICHSSCHULEN 



illusoir zouden wij dat niet durven noemen; de politieke en culturele zuigkracht, die er, in een 
definitief door een zegevierend Duitsland overwonnen Nederland van twaalf, twintig van dergelijke 
instellingen zou uitgaan, dient men niet te onderschatten. Ook De Pater gaat in zijn slotconclusie 
ten aanzien van de Reichsschule te Valkenburg mee met de stelling van één der uit het klooster ver- 
dreven paters, dat de school 'een der gevaarlijkste, misschien wel de allergevaarlijkste instelling was 
geweest, die in Nederland waren opgericht door de Duitsers.' 1 Deze uitspraak lijkt wat overdreven, 
en het gevaar was stellig voornamelijk potentieel van aard, maar onmiskenbaar was het aanwezig. 
Daarbij blijkt uit niets zozeer als uit de geschiedenis van de Reichsschulen, hoe het uiteindelijke 
doel van de Duitsers neerkwam op annexatie en verduitsing. Wat Kemper tegenover Van Genechten 
uitsprak 2 , zou in het geval van een Duitse overwinning (en in dat perspectief dient men de opvat- 
tingen en de daden van de Duitsers voortdurend te beschouwen) betekend hebben, dat Duits de 
cultuurtaal zou zijn. Het Nederlands zou teruggedrongen worden naar de sfeer van het gezin, en 
van de minst ontwikkelden, en zou ongeveer de positie hebben ingenomen van het Vlaams in het 
midden van de negentiende eeuw ten opzichte van het Frans. Omgekeerd was het indringen van de 
Duitse taal één van de middelen tot indoctrinatie, tot het kritiekloos slikken van 'das Wort des 
Führers'. Het is zeker merkwaardig, dat de betrokken SS-mannen de groot-Germaanse fraseologie, 
die zij om dit alles heen weefden, zelf blijkbaar au sérieux namen, en hun pedagogische taken veelal 
met authentiek idealisme verrichtten. Het hoeft geen betoog, dat dit hun handelwijze des te gevaarlij- 
ker maakte. 



(1) Not. 148. 

(2) Ziep. 140. 



M5 



HOOFDSTUK V 



Het politieke doel van de SS 



A. De opdracht aan de Rijkscommissaris 

Wat hadden de Duitsers, en speciaal de SS, met Nederland voor? 

Het zou niet meer dan logisch zijn het antwoord op die vraag te zoeken in de opdracht, die Hitier 
na de aanstelling van een rijkscommissaris voor Nederland aan deze functionaris gegeven moet 
hebben. Dat na de verovering van het land Hitier nog allerminst een concreet doel voor ogen had, 
heeft de lezer al gezien. 1 Het leek hem toen nog raadzaam, vooral met het oog op Nederlands-Indië, 
het land 'selbstandig zu lassen, es jedoch eng an das Reich anzuschliessen' 2 , in de eerste plaats op 
economisch gebied, maar niet alleen daarop. Bij alle vaagheid was dit toch wel een heel krasse 
tegenspraak, die zich in denken en beleid van zijn ondergeschikten zou weerspiegelen. Later herzag 
Hitier zijn mening over Nederlands zelfstandigheid - waarover hieronder meer - zonder dat de 
fundamentele tegenstrijdigheden in het beleid van de bezetter daarmee werden opgeheven. 

De aanstelling van een rijkscommissaris leverde een aanwijzing in de richting van een nauwere 
binding met Duitsland, maar was evenals de tegenstrijdigheid in Hitiers plannen met Nederland 
ook een teken van zijn onzekerheid over de te voeren politiek. Onzekerheid, waarvan de voor- 
naamste component onverschilligheid was. Het kon niet anders, of de enorme vaagheid en de 
verbazingwekkende innerlijke tegenspraak in Hitiers doeleinden met Nederland en vooral zijn 
welhaast totale gebrek aan belangstelling voor het land 3 moesten van het begin af aan een vacuüm 
in het Duitse beleid veroorzaken. 

Wij willen hier niet ingaan op de precieze aard van de opdracht, die Seyss-Inquart van Hitier 
gekregen heeft; die valt slechts indirect uit andere bronnen af te leiden. 4 Als men al van een con- 
crete opdracht mag spreken : met Cohen houden wij het er voor, dat Seyss-Inquart zijn instructies 
hoogstwaarschijnlijk gekregen heeft in de vorm van één van Hitiers gebruikelijke langdurige mono- 
logen. 6 Zo'n persoonlijke toespraak heeft zonder enige twijfel de rijkscommissaris speelruimte in 
overvloed verschaft voor het ontwerpen van een eigen beleid, zij het, dat zo'n beleid natuurlijk wel 
in overeenstemming moest zijn met de teneur van Hitiers opvattingen. Waarschijnlijk vindt men 



(1) Zie p. 78. 

(2) Deze uitlating is uit Goerings omgeving afkomstig, maar kan als typerend voor Hitiers houding 
medio 1940 worden beschouwd worden (IMT 1155-PS, geciteerd bij Kwiet, Reichskommissariat, p. 93; 
daar nog meer voorbeelden van deze tegenspraak in Hitiers denken). 

(3) Cohen concludeert, dat Hitier zich om zo te zeggen met Nederland hoogstens een paar minuten per 
maand bemoeide, tevens: 'Uit niets blijkt dat hij ooit een behoorlijke gedachtenwisseling over Nederland 
gevoerd heeft* (Not. 29, A. E. Cohen: 'De instelling van het Reichskommissariat voor Nederland in het 
licht van het Noorse precedent (het dagboek van Quisling)', verslag van bespreking). 

(4) De lezer raadplege daarvoor de artikelen van J. C. H. de Pater: 'Doel van het Duitse civiele bestuur in 
Nederland', in Studies I, p. 39~47, en van A. E. Cohen : 'Opmerkingen over de notitie van dr. de Pater over 
het doel van het Duitse civiele bestuur in Nederland', in dezelfde uitgave, p. 48-58. Voorts Kwiet, 
Reichskommissariat, p. 92 e.v. 

(5) Studies l,p. 49- 



146 



DE OPDRACHT AAN DE RIJKSCOMMISSARIS 

die het zuiverst terug in het eerste rapport van Seyss-Inquart aan Hitier van juli 1940. Het ging er 
om, schreef de rijkscommissaris, 

'eine politische Willensbildung zustandezubringen, die die wirtschaftliche Bindung der Nieder- 
lande an das Reich als Ausfluss des Willens des niederlandischen Volkes erscheinen lasst.' 1 

Die 'politische Willensbildung* kon moeilijk anders zijn dan sterk nationaal-socialistisch georiën- 
teerd, of op zijn minst van een ideologische kleur, die harmonieerde met het regime in Duitsland 
(men denke aan hetgeen Seyss-Inquart met de Nederlandsche Unie beoogde, niet aan hetgeen de 
Unie werd). Maar vooral zouden wij met Cohen de nadruk willen leggen op het feit, dat voor de 
bezetter een uitdrukkelijke nazificatie-opdracht niet noodzakelijk was; dat zij Nederland in deze zin 
moesten ombuigen, sprak voor de nazi-machthebbers vanzelf. Zij hoefden zelfs niet eens onoprecht 
te zijn, wanneer zij beweerden, dat zij alleen maar ter wille van de veiligheid van het oorlogvoe- 
rende Duitse rijk controle wilden uitoefenen over het bezette gebied, en daarbij, alweer voor de 
veiligheid van Duitsland, Nederland *alleen maar' op Duitsland wilden oriënteren in plaats van, 
zoals tot nu toe, op het - uiteraard plutocratische, democratische, verjoodste - Engeland. Wimmer 
hield op 10 oktober 1940 te Berlijn een rede, eigenlijk een college voor onwetende doch leergierige 
Duitse functionarissen, over het hoe en waarom van het bezettingsbestuur in Nederland. Neder- 
land, leerde Wimmer, was een liberale democratie met alle instituties van dien. Jammer, maar men 
moest als bezetter nu eenmaal met die instellingen werken. En waarom niet trouwens: 

'Es konnte nicht darauf ankommen, den bestehenden niederlandischen Verwaltungsapparat zu 
reformieren und zu modernisiereo sondern lediglich darauf ihn unter dem Gesichtswinkel der 
Wahrung und Sicherung der Interessen des deutschen Reiches und der deutschen Wehrmacht zu 
beaufsichtigen. Darüber hinaus musste die Möglichkeit geschaffen werden, das niederlandische 
Volk aus der Verstrickung der bisherigen falschen geistigen Orientierung allmahlich heraus zu 
lösen.' 

Op dat laatste komt het natuurlijk aan. Het lijkt er op, dat Wimmer zich niet van de enorme 
tegenspraak in zijn woorden bewust was. Even verder in zijn rede had hij het over de 

'politische Totalreform dieses germanischen Volksteils, den zu fördern die erste und oberste 
Pflicht aller deutschen Dienststellen und Vertrauenstrager in den Niederlanden sein muss.' 

Kortom: het bezettingsbestuur verandert niets, houdt slechts toezicht, maar nazificeert het land 
verder alleen maar. De bezetting is tijdelijk, maar Nederland moet wel voorgoed aan Duitsland 
gekit worden. Niet alleen bezettingsautoriteiten als Seyss-Inquart 8 en Wimmer, ook Duitsers 
buiten het bezettingsbestuur in Nederland dachten langs deze tegenstrijdige lijnen. De meermalen 
genoemde Best, theoreticus van SS en bezettingsbesturen, was nog het eerlijkst, toen hij schreef: 
t »Gleichschaltung« der landeseigenen Verwaltung ist aber noch nicht - in manchen Landern wohl 
nie - die Aufgabe deutscher Aufsichtsverwaltungen.* 4 Die zich zo geweldig beperkende bezettings- 

(1) IMT997-PS. 

(2) VJ 67038, 67049; de tekst is vermoedelijk door de staatsrechtdeskundige van het rijkscommissariaat, 
Dr. Dr. Kurt RabI, opgesteld, en mag als de officiële positie van het rijkscommissariaat worden be- 
schouwd : zie Niederlande im Umbruch, p. 84. 

(3) In oktober 1940 beschouwde Seyss-Inquart het bezettingsbestuur nog als een 'FührungskopP (Seyss- 
Inquart aan Lammers 29 okt. 1940, FOSD 2752: 534831). 

(4) Cursivering in originele tekst onderstreping; Best, Aufsichtsverwaltungen, p. 81. 



147 



HET POLITIEKE DOEL VAN DE SS 



besturen waren evenwel toch voor Best een opmaat voor de 'künftige Grossraumverwaltung', die er 
eens zou komen. De woorden 'evenwel toch' zijn van ons; ook Best zag geen tegenspraak, alleen 
maar een opgaande lijn naar zijn Gwssraum. Laat staan een onoplosbare tegenstrijdigheid tussen 
een politiek, die zich beperkte tot het bewaren van orde en rust en de beveiliging van de meest 
noodzakelijke belangen van de bezettingsmacht, en een politiek, die op een of andere manier 
probeerde het bezette land politiek, economisch en cultureel naar zich toe te halen. Daarvan werden 
de Duitsers zich pas later in de oorlog pijnlijk bewust. Iets ervan merkte Rauter reeds in septem- 
ber 1941, toen hij Himmler schreef, dat 'die Interessen der Besatzungsmacht und der politische 
Gestaltungswille einander oft widersprechen.' Maar, meende Rauter, als men maar goed oplette en 
tijdig toesloeg 'kommt man ja noch so durch.' 1 Later hielp deze remedie niet veel meer; tegen 
1943 gingen de bezetters toch steeds meer van de fundamentele onverenigbaarheid hunner doelein- 
den merken. Toen was het, natuurlijk, al te laat. In 1940 echter, toen zij in Nederland hun bestuur 
gingen inrichten, meenden de Duitsers nog, dat het bewaren van orde en rust terwille van de be- 
zettingsmacht, en het leiden van het bezette land in een andere richting, een andere oriëntatie, niet 
alleen met elkaar verenigbaar waren, maar omwille van een blijvende veiligheid van Duitsland ook 
geboden waren. In dit licht is het niet eens zo geweldig belangrijk, of Hitier inderdaad Seyss-Inquart 
met zoveel woorden de opdracht heeft gegeven Nederland te nazifïceren - althans op voorzichtige 
wijze een stimulus in die richting te geven. 2 Dat de bezetter die richting uit wilde, sprak voor hem 
vanzelf. Later, zo vanaf het begin van 1941 3 , werd hij steeds explicieter. Kort samengevat en ont- 
daan van alle franje, kwamen de uitspraken van de gezaghebbende Duitsers op het volgende neer: 
Nederland moest nu maar eens nationaal-socialistisch worden, en als de Nederlanders daar zelf niet 
voor zorgden, dan wilde de bezetter wel een handje helpen. Wanneer de Nederlanders zich goede 
bekeerlingen toonden, dan zou men nog wel zien, wat er in de toekomst met Nederland zou ge- 
beuren; Nederland zou zeker nauw aan Duitsland worden gebonden, maar de Nederlanders zouden 
in dat geval heus hun eigen stem wel eens mogen laten horen. Wanneer de Nederlanders echter in 
hun stijfkoppige negativisme bleven volharden, zou men ook nog wel zien, maar dan zag het er 
somber voor hen uit. 

Wij menen, dat in deze dreigementen, die de bezetter steeds onverhulder uitsprak, het wezen van 
Hitiers opdracht aan Seyss-Inquart gelegen heeft. 

B. Het ideologische uitgangspunt. 

De vraag blijft echter, waarom de Duitsers het noodzakelijk en vanzelfsprekend achtten Nederland 
een nieuwe politieke, economische en geestelijke oriëntatie, op het nationaal-socialistische Duitsland 
namelijk, te geven. Het ligt voor de hand om te veronderstellen, dat zij er beduidend verstandiger 
aan gedaan hadden het land een militair bestuur op te leggen, dat zo min mogelijk zou ingrijpen, ja, 
zelfs optisch zo weinig mogelijk zijn aanwezigheid zou laten merken. Tenslotte kwam het Hitier 
uiteindelijk aan op blijvende veroveringen in het oosten, niet in het westen van Europa; oorlog met 
Engeland en Frankrijk was nimmer een primair doel van hem geweest, en Nederland had hij om 
puur militaire redenen aangevallen. 
Voor het feit, dat de Duitsers zich in Nederland niet tot een als tijdelijk gedachte militaire be- 

(1) Nr. 79. 

(2) Volgens een notitie van 25 mei 1940 van de ambtenaar van het Duitse Auswartige Amt Luther voor 
Ribbentrop zou Seyss-Inquart naar zijn eigen zeggen van Hitier bevel hebben gehad *zu geeigneter Zeit 
nach Möglichkeit eine nationalsozialistisch orientierte Regierung in Holland bilden zu lassen.' (FOSD 
2190: 472781). 

(3) Men zie b.v. de redevoeringen van Seyss-Inquart in: A. Seyss-Inquart: Vier Jahre in den Niederlanden, 
Gesammelte Reden, Amsterdam, 1944. 



148 



HET IDEOLOGISCH UITGANGSPUNT 

zetting wensten te beperken, menen wij drie, of eigenlijk vier, factoren te kunnen onderscheiden. 

Ten eerste was het voor de Duitsers al een psychologische onmogelijkheid om - onder het 
oppergezag van een Duits veldheer - een samenleving te laten bestaan, waarin het democratische, 
humanitaire Nederland zichzelf bleef. Het was ondenkbaar, dat in de schaduw van de Duitse bajo- 
netten de gehate machten van de westers-liberale wereld, de parlementaire instellingen en de grond- 
rechten van de mens, lees in het nazi-jargon : de Britse propaganda, de joden, de marxisten etc, etc. 
ongestoord zouden blijven voortbestaan. Omdat Denemarken in feite wel door Duitse troepen 
bezet was doch formeel een 'neutraal' land bleef, moesten de Duitsers daar een dergelijke situatie een 
tijdlang dulden. Maar vanaf het eerste moment trachtten zij de Deense orde van zaken te onder- 
mijnen; het eindigde ook hier tenslotte met de vernietiging van de legale instellingen van de Deense 
staat. Wat Nederland betreft koesterde de bezetter helemaal geen scrupules van volkenrechtelijke 
aard. 

Een tweede factor, die een wijze, terughoudende politiek verhinderde, is in dit werk al genoemd. 
In de ongecontroleerde machtsstrijd, die zich in nazi-Duitsland onder de FUhrer afspeelde tussen de 
diverse hoogwaardigheidsbekleders des rijks, en de organisaties, die zij leidden, was het voor elk 
hunner van groot belang om in de bezette gebieden zo snel mogelijk hun claims uit te zetten en 
machtsposities te vestigen. De SS had als super-organisatie de keus tussen verdere uitbreiding of 
ondergang. Dat gold ook voor andere machtsapparaten, en welbeschouwd voor Hitiers staat als 
geheel. 

Van wellicht meer belang nog was de grenzeloze hebzucht van de nazi's op zichzelf. Grenzeloos 
thans in een tevens letterlijke betekenis. Hitier en zijn trawanten, veelal uit de heffe des volks voort- 
gekomen arrivé's, misten in hun overspannen nationalisme ten enenmale de matiging, de zelfdis- 
cipline, het gevoel voor evenwicht, van een Bismarck. Politiek waren zij vraatzuchtige omnivoren, 
die alles wensten te verslinden wat eenmaal in hun handen was gevallen. De gedachte een enkel 
stukje veroverd gebied eens weer op te moeten geven was voor hen onverdraaglijk. Hitiers bevelen 
sinds het keerpunt van de oorlog om geen meter grond prijs te geven, zulks vaak in strijd met de 
meest elementaire beginselen der krijgskunde, wezen op een heftige obsessie bij de Führer in dit 
opzicht. Die obsessie deelde hij met de meeste van zijn volgelingen. Wat door Duitse wapenen 
veroverd was, wilden de nazi's in bezit houden. Indien zij nieuw-verworven gebied niet in hun rijk 
wensten op te nemen, wilden zij het op zijn minst toch voor goed als aanhangsel aan hun imperium 
vastketenen. 1 

Het waren evenwel niet alleen de mentaliteit van de Duitse nationaal -socialisten en de structuur 
van de nazi-staat, die de bezetter brachten tot het voeren van een politiek, die kort gezegd het 
vasthouden van de prooi beoogde. Met name wat Nederland betreft werd die rampzalige politiek 
mede bepaald door opvattingen en gedachtengangen van oudere datum, die een bestanddeel van de 
nationaal-socialistische ideologie waren geworden. 



In 1 871 was dan eindelijk na veel vruchteloos pogen het nationale Duitse ideaal vervuld met de 
stichting van het (tweede) Duitse keizerrijk. Diep in hun harten hadden vele Duitsers evenwel het 
gevoel, dat de grondslagen van dit rijk wat wankel waren. Het jonge rijk diende tegen de omsinge- 

(1) Er valt daarbij naast puur en ongeremd annexionisme misschien nog iets anders te bespeuren, een 
zucht om als Napoleon naar believen grenzen te trekken en nieuwe staten te creëren (zie bijv. IMT 
1155-PS; ook Paul Kluke: 'Nationalsozialistische Europaideologie', VfZ. 1955, p. 255, 256, en Lothar 
Kettenacker: Nctïionalsozialistische Volkstumspolitik im Elsass, Stuttgart, 1973, p. 104-109). Hitier mocht 
zich aan dat laatste ook wel eens overgeven, over het algemeen was hij te ongeïnteresseerd, dan wel te 
gepreoccupeerd of te realistisch om helemaal in dit soort Spielerei op te gaan (zie wat Nederland betreft 
Tischgesprache, p. 254, 255). 



149 



HET POLITIEKE DOEL VAN DE SS 



ling door snode vijanden, tegen Einkreisung, beveiligd te worden; als het moest, dan maar door 
preventieve maatregelen. Die op angsten gebaseerde agressieve overtuiging werd vaak zedelijk 
gerechtvaardigd door het rijk een missie toe te denken als centrale orde-schepper in Europa, als 
europaische Ordnungsmacht. Op deze gedachtengangen sloot de notie aan, dat het rijk in de door 
Bismarck gegeven vorm allerminst volmaakt was. Het was bij lange na nog niet dat éne, ideale 
Reich, waarin alle man van Duitse stam verenigd waren, het rijk, dat reikte 'so weit die deutsche 
Zunge klingt'. Hierbij werden de ethnografische en linguïstische grenzen van het Deutschtum door 
vele toonaangevende milieus (niet in het minst aan de Duitse universiteiten vertegenwoordigd) 
bepaald op een wijze, die niet bekrompen genoemd mag worden. De ineenstorting van het keizerrijk 
in 1918 betekende allerminst het einde van dit expansionistische nationalisme; het vond enerzijds 
zijn verdere ontwikkeling in, uiteraard, het nationaal-socialisme, maar anderzijds leefde het juist in 
zijn oudere vorm voort in milieus, waar men fervente tegenstanders van Hitier en het nationaal- 
socialisme vond. 1 

Wat nu Nederland betreft, was het spelen met de gedachte, dat Nederlanders en Vlamingen een 
soort Duitsers waren, en dat de Nederrijnse, neder-Duitse delta op een of andere manier bij Duits- 
land hoorde, al ouder dan de stichting in 1871 van het rijk zelf. Zo ook het veelvuldig roepen over 
stam- en bloedverwantschap. Hoe, wie, wat, waar, daarover bleef men meestal wel vaag. Maar meer 
dan zeventig jaar lang, vanaf de stichting van het rijk tot de ondergang ervan in 1945, bleef door 
zeer vele Duitse hoofden het denkbeeld spoken van een Duitsland als Grossraum, een groot Duits- 
land, dat de omliggende staten zou beïnvloeden, leiden, beschermen, opvoeden, om zich scharen, 
enz. Kortom, in het niet-Duits overgezet: zou verzwelgen dan wel tot protectoraat maken. Dat 
grotere Duitsland diende zich dan natuurlijk allereerst te ontfermen over hen, die op grond van hun 
taal, hun verleden en/of hun cultuur in wezen als Duits beschouwd konden worden. Men nam als 
vanzelfsprekend aan, dat deze lieden zich dolgaarne in de armen van hun Duitse Stammesbrüder 
zouden willen werpen, als zij zich eenmaal van hun, soms zeer diep verscholen liggende, Duitse 
wezen bewust zouden zijn. In aanmerking voor de broederlijke omhelzing kwamen na de Oosten- 
rijkers uiteraard vooral Duits-Zwitsers, Elzassers, Luxemburgers, met name de Vlamingen (voor- 
post tegen de Romaanse dreiging), ook de Nederlanders. 

Deze opvattingen uit de vorige eeuw, die wij hier zeer vluchtig hebben geschetst 2 , vertonen een 
duidelijke continuïteit met wat de Duitse nationaal-socialisten over Nederland dachten. Nochtans, 



(1) Dit geldt dan met name voor dat deel van de oppositie tegen Hitier, dat rond mannen als Beek, 
Goerdeler en Hassell geschaard was. Zowel in de eerste fase van de oorlog als in de periode vlak voor de 
20ste juli 1944 (de datum van de mislukte aanslag op Hitier) zeiden zij, in hun contacten met de geal- 
lieerden, na omverwerping van het naziregime een Duitsland te wensen met de oostelijke grenzen van 
19 14 (!), en met Oostenrijk en het Sudetenland erbij. M.a.w. zij wensten op territoriaal gebied toch de 
vruchten te plukken van Hitiers expansie. Goerdeler bestond het om in de herfst van 1943 er nog Elzas- 
Lotharingen bij te halen. Het wantrouwen, dat zij door deze eisen bij de geallieerden opriepen, heeft zeer 
zeker bijgedragen tot de slechte communicatie tussen oppositie en geallieerden, en wellicht ook tot het 
mislukken van het doel, dat het Duitse verzet zich gesteld heeft. (Zie o.a. Peter Hoffmann: Widerstand, 
Staatsstreichy Attentat. Der Kampf der Opposition gegen Hitier, München, 1969, p. 78, 79, 200, 201; 
Gerhard Ritter: Carl Goerdeler und die deutsche Widerstandsbewegung, Stuttgart, 1954, p. 569-571 ; 
evenzo Herman Graml: 'Die aussenpolitischen Vorstellungen des deutschen Widerstandes', in: Der 
deutsche Widerstand gegen Hitier (hrsg. v. Walter Schmitthenner und Hans Buchheim), Köln-Berlin, 
1966, p. 15-17, 22, 25-27, 33-38; Graml tracht daarbij het hier gestelde te relativeren, o.i. op weinig 
overtuigende wijze). 

(2) Zie voor meer detaillering van Duitse imperialistische tendenties t.o.v. Nederland in het pre-nazi-tijd- 
perk SchöfTer, Nat. soc> gesch., p. 119 e.v., en H. W. van Etten, De Duitsche politiek in Nederland, 
in Verzameling opstellen van Van Etten, berustend op het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, p. 8 
e.v. 



150 



HET IDEOLOGISCH UITGANGSPUNT 



hoezeer ook wortelend in die vroegere opvattingen 1 , het nationalisme van Hitier en zijn aanhang 
was niet meer dat van Bismarcks tijdgenoten, ook niet meer dat van Wilhelm II en zijn Un ter tanen. 

In die tijd dook in de Duitse visie op Nederland af en toe weliswaar reeds het woord 'ras' op - 
soms als 'stam' vermomd - maar de notie erachter was nog vaag, postulaat voor politiek denken en 
handelen was het nog niet. In het nazi-tijdperk werd evenwel het raciale beginsel centraal gesteld, 
en als uitgangspunt voor historisch en politiek denken over Nederland gebezigd. 

Het ras leverde een dynamisch beginsel, dat grote perspectieven opende. Niet alleen kreeg de al 
zo lang gepropageerde stam- en taalverwantschap der Duitsers met Nederlanders en Vlamingen een 
theoretisch fundament, en kon men nu de Scandinavische volkeren erbij betrekken (in principe de 
Engelsen ook), het raciale denken gaf politiek, geschiedenis en toekomst een extra dimensie; het 
rechtse radicalisme kreeg aldus een enorme dynamiek - en dynamiek, 'beweging', was iets, wat 
alle rechtsradicalen om derzei ver wille reeds hogelijk waardeerden. Een dynamiek, die volgens 
de Duitse nazi's (en geheel ongelijk hadden zij in dit opzicht stellig niet) het keizerlijke Duitsland 
niet gekend had, en die thans bij bewegingen als het Italiaanse fascisme, of het zogenaamde natio- 
naal-socialisme van Herr Mussert in Holland nog steeds ontbrak. 

Want juist dit dynamische ras-beginsel zagen de Duitse nat ionaal-socialisten als het wezenlijke 
onderscheid tussen hun eigen ideologie en het fascisme, tussen 'volks' en 'staats' denken. Het 
fascisme dacht 'staats' en dus statisch, het zag in de staat de hoogste categorie. Het nationaal - 
socialisme beschouwde het volk als de hoogste waarde en als belangrijkste geschiedbepalende 
kracht; het postuleerde bovendien scherp een tegenstelling tussen staat en volk. 

Het begrip 'volk' moest (uiteraard) worden opgevat als de levende 'Blutsgemeinschaft'; de staat 
was een doods omhulsel, dat vaak de natuurlijke ontplooiing van het volk in de weg stond en onder 
omstandigheden regelrecht volks- vijandig kon zijn. 

Wat betekende dat nu wat Nederland betreft? Zeer kort gezegd 2 : de Nederlandse staat was een 
kunstmatige constructie, die slechts in verwijderde relatie stond tot de völkisehe - het adjectief 
werd door de Nederlandse rechts-radicalen houterig met 'volks' vertaald 8 - realiteit. Niet alleen, 
dat geografisch en taalkundig er geen enkele werkelijk duidelijke scheiding bestond tussen Neder- 
land en het Duitse 'moederland', waarvan het trouwens tot 1648 deel had uitgemaakt (die gedachten 
had men in de vorige eeuw al in allerlei toonaarden geuit), maar raciaal -volks bestond er eveneens 
geen enkel verschil. De Nederlanders bestonden, van latere bijmengselen afgezien, uit Friezen, 
Franken en Saksen, evenals de Noordduitsers. Germanen dus, evenals de Engelsen en de Scandi- 
naviërs, maar nog meer dan die volkeren 'blutmassig' met de Duitsers verbonden. De oostelijke 
grens van Nederland kon en moest derhalve zéér worden gerelativeerd, zo niet volledig uitgewist. 

Wij zullen dit 'volkse' denken later nog nader beschouwen, zij het dan vanuit de gezichtshoek van 
bepaalde Nederlandse nationaal-socialisten. Veel verschil is er intussen niet: wat deze lieden, 
praktisch identiek met de nog te behandelen Nederlandsche SS, dachten, werd door de bezetter 
onderschreven, zo niet voorgeschreven. 



Het zijn gedachtengangen als hierboven geschetst, die de grondslagen van de politiek der Duitse 
bezetters duidelijk hebben beïnvloed, ook als zij weinig of niet bekend waren met de werken, waarin 
genoemde opvattingen waren vertolkt. Van Schmidt of Rauter mag in deze geen al te grote belezen- 

(1) In zijn Weense tijd onderging de jonge Hitier de invloed van de (rijksduitse) Al-duitsers, die het Duitse 
keizerrijk vergroot wilden zien met het Oostenrijkse keizerrijk, het Duits-sprekende deel van Zwitserland, 
voorts Nederland, België en Luxemburg (Werner Maser: Adolf Hitier. Legende, Mythos, Wirklichkeit> 
München-Esslingen, 1971)- 

(2) Men zie de in noot 2 op p. 1 50 genoemde werken, en de daar vermelde bronnen. 

(3) Zie voor het begrip 'volks* ook p. 1 87 e.v. 



151 



HET POLITIEKE DOEL VAN DE SS 



heid verwachten, zeker niet voordat zij hun functie in Nederland gingen uitoefenen; vermoedelijk 
deelden zij wel de gepopulariseerde noties van een en ander, zoals die hier en daar onder de Duitsers 
voorkwamen: de Nederlanders als een soort neder-Duitsers, die door enige historische toevallig- 
heden wat op een merkwaardig zijspoor waren geraakt, maar die taal- en raskundig toch nauw 
verwant waren aan de Duitsers - wij zouden overigens niet durven beweren, dat die noties in het 
huidige Duitsland volkomen verdwenen zijn. Bij Seyss-Inquart mag men meer reflectie en kennis 
van de litteratuur veronderstellen. 1 Naar onze mening vindt men het uitgangspunt van de Duitse 
bezettingspol itiek dan ook het meest markant terug in de gedachten van de rijkscommissaris; 
bijvoorbeeld in de rede, die hij op 12 maart 1941 hield, toen hij na de februari-staking de tijd 
gekomen achtte om onder het fluweel van de handschoen even de ijzeren vuist te laten voelen, en 
daarbij zijn authentieke visie op Nederland prijsgaf 2 : 

'Die Niederlande sind aus einem jahrhundertelangen Traum aufgeweckt worden. Die Nieder- 
lander sehen sich mit diesem Erwachen zugleich vor die eine Frage gestellt: Deutschland. 
Deutschland bedeutet für die Niederlander im allgemeinen und für die Hollander im besonderen, 
wie in einer gedankenreichen Schrift eines Hollanders 3 ausgeführt ist, die Forderung, sich mit 
den Dingen der Welt auseinanderzusetzen. Die Niederlander verspüren, dass sie nicht mehr in 
ihren stillen Garten und in ihren ruhigen, umhegten Hain zurückkommen werden.' 

Want wat was dat Nederlandse volk nu eigenlijk? De lezer, vluchtig bekend met de volkse op- 
vattingen op dit punt, kan het al raden: 

'Wir wissen, dass dieses niederlandische Volk, das seine völkische Substanz so wie ein Grossteil 
des deutschen Volkes aus den Stammen der Friesen, Niedersachsen und Franken erhalten hat, 
damals, als die erste Reichsgründung im mitteleuropaischen Raum stattfand, also im karolin- 
gischen Reich, schon in eine Gemeinsamkeit mit anderen Stammen, die heute zum deutschen 
Volk verschmolzen sind, eingeschlossen war.' 

In de periode daarna raakte Nederland 

'als Germania inferior - also Niederdeutschland - im Gemeinschaftsbereich des Ersten Reiches.' 

Daarna volgde de bij Duitsers blijkbaar onvermijdelijke historische beschouwing. Of moet men 
zeggen on-historische beschouwing? De hardnekkigheid, waarmee het middeleeuwse Heilige Room- 
se Rijk als voorloper van de nationale Hohenzollern-Hitler-imperia werd gepousseerd, en als 
legitimatie voor een greep naar Duitslands buren gebruikt, was evenals de meeste uitlatingen van 
Seyss-Inquart hier gemeengoed van het nazi-dom 4 , bij een genuanceerd denkende intellectueel 

(1) Vooal Van Etten legt grote nadruk op de invloed, die naar zijn mening auteurs als bijv. Steding op het 
denken en handelen van Seyss-Inquart en andere bezettingsfunctionarissen hebben uitgeoefend. Een 
nadere analyse van het oeuvre van deze auteurs en al hetgeen Seyss-Inquart c.s. aan uitspraken hebben 
nagelaten, zou dit kunnen toelichten; a prima vista lijken Van Ettens beweringen hierover in het algemeen 
zeer aannemelijk. Zo is de uitspraak van Seyss-Inquart, die Neuman, Seyss-Inquart, p. 248, citeert, over 
de 'Krankheit der europaischen Kultur' stellig regelrecht aan een hoofdthese van Steding ontleend. 

(2) Seyss-Inquart, Vier Jahre in den Niederlanden, p. 39 e.v. 

(3) Hoogstwaarschijnlijk Politik und Seele Hollands, verschenen in 1940, van Hendrik Krekel (zie voor 
hem nr. 473, noot 5). Zie ook voor Seyss-Inquarts gedachten over de Hollandse 'idylle', in deze duidelijk 
beinvloed door Krekel, het artikel, genoemd in noot 1 op p. 335. 

(4) Een (zeer zeldzame) kritiek hierop van nat ionaal-socialistische zijde bij D. C. Rengers Hora Siccama 
(zie Schöffer, Nat. soc. gesch., p. 253, 254). 



152 



HET IDEOLOGISCH UITGANGSPUNT 

als Seyss-Inquart toch wel opvallend. Helaas, in 1648 was Nederland losgescheurd uit het Rijk. 
'Die Randgebiete des Machtsbereiches, zu denen sich seit 1648 mit der Trennung vom Reich auch 
die Niederlande geschlagen hatten, waren ohne gemeinsamen Schwerpunkt und gingen eigenen 
Aufgaben nach.' Stellig, het opbouwen van een koloniaal imperium door Nederland was zo'n 
prestatie van een 'Randgebiet', maar 

'Die völkische Basis, die dem hollandischen und niederlandischen Volk zur Verfügung stand, 
war zu schmal, um die fernab liegenden Reichtümer aus eigener Kraft zu sichern . . . Die reiche 
wirtschaftliche Basis in der Übersee erzeugte überdies im Mutterland eine Selbstzufriedenheit, 
die schliesslich immer zum Stillstand führt.' 

Nederland was op zichzelf een stagnerend poeltje, Duitsland de grote stroom, waar Nederland 
volks gezien niet buiten kon. Wat betekende dit nu allemaal voor de toekomst? 

'Mit welchen Absichten wir Deutsche hierherkamen, ist wiederholt und genügend erklart worden,' 

beweerde de rijkscommissaris, naar wij vermoeden zonder blikken of blozen. 

'Vor allem aber wurde den Niederlandern verkündet, dass sie ihr Land und ihre Freiheit für die 
Zukunft zu sichern vermogen, wenn sie die Aufgaben, die sich aus dem gemeinsamen Schicksal 
ergeben, erfüllen werden . . . Die Freiheit der politischen Entscheidung, die damit den Nieder- 
landern gegeben ist, wird insofern Bedeutung haben, als die Haltung, die die Niederlander in 
diesem Entscheidungskampf des deutschen Volkes für die künftige Gestaltung Europas ein- 
nehmen, den Platz der Niederlander in der Zukunft massgebend bestimmen wird.' 

In Seyss-Inquarts rede bij zijn ambtsaanvaarding op 29 mei 1940 had die conditionalis al verscholen 
gelegen 1 , maar nu kwam die wat duidelijker uit de verf. Wat dat betekende, zei Seyss-Inquart 
trouwens zelf: 

'der Neuaufbau Europas hat begonnen, und jeder einzelne ist vor die Entscheidung gestellt: 
Mit uns oder gegen uns - ein Drittes gibt es nicht mehr. In Hinkunft sprechen und gelten die 
Taten.' 

Als bezetter, zei Seyss-Inquart aan het slot van zijn rede, beoordeelde hij de Nederlanders naar de 
mate, waarin zij voor orde en rust een gevaar zouden kunnen vormen. Als nat ionaal-socialist echter 
('und Nationalsozialist sein ist das Wesen jedes Deutschen') beoordeelde hij hen op hun politieke 
betrouwbaarheid, wanneer de Duitse bezetting er eenmaal niet meer zou zijn. 

'Wir wollen, dass die Niederlander selbst aus innerer Überzeugung und mit dem Einsatz ihres 
ganzen Wesens ant reten für das grosse Werk des Aufbaues unseres germanischen Gemeinschafts- 
bereiches und damit eines neuen Europa.' 

De rede van Seyss-Inquart is hier onder meer geciteerd om te illustreren, hoe in de opvattingen van 
de bezetter nazificatie de enige reële keus voor de Nederlanders was. Zouden ze de andere keus doen, 
namelijk niet het gemeenschappelijke lot aanvaarden enz., dan zwaaide er wat. Maar deze rede- 
voering uit maart 1941 laat tevens zien, hoe nazificatie van Nederland inhield, dat het land weer 
deel zou uitmaken van een Germaans 'Gemeinschaftsbereich'; Seyss-Inquart had deze fraaie term 
al gebruikt om het middeleeuwse rijk mee aan te duiden. 

(1) Zie Seyss-Inquart, Vier Jahre in den Niederlanden, p. 7-12, spec. 11. 



153 



HET POLITIEKE DOEL VAN DE SS 



Hoe verschillend de diverse politiek bedrijvende Duitse nazi-machthebbers te Berlijn en Den 
Haag ook gedacht en gehandeld hebben, het uitgangspunt, zoals hier door Seyss-Inquart in een 
bepaalde vorm onder woorden gebracht, hadden zij in principe gemeen. Er waren 'natuurlijke' 
banden van Nederland met Duitsland, waarmee de voor-oorlogse staatsrechtelijke constructie niet 
in overeenstemming was. Het land diende thans economisch, politiek en cultureel op Duitsland 
georiënteerd te worden, hetgeen nazificatie inhield. Die nazificatie nu hield niet alleen germanisatie 
in, maar was in het geval van Nederland identiek met germanisatie. 1 Wat er met termen als een 
'germanischer Gemeinschaftsbereich', laat staan een 'Germaans rijk' ook bedoeld werd, in ieder 
geval dit : Nederland zou een randgebied worden van een mogendheid, waarvan het centrum van 
plan was zijn opvattingen, zijn economie, zijn taal en cultuur, zijn heerserskaste met kracht aan de 
randgebieden op te dringen. 

C. De idee van het groot-Germaanse rijk. 

Over het principe van nazificatie en germanisatie van Nederland waren de nazi-leiders het wel eens. 
Ten aanzien van nadere concretisering en eerst recht in de politieke praktijk ontstonden er vrij snel 
verschillende opvattingen. Dat die verschillen ten nauwste samenhingen met het machtsstreven en de 
politieke concurrentiezucht van de betrokken functionarissen en machtsapparaten zal nauwelijks 
nog betoogd hoeven te worden; hoe de politieke praktijk er uitzag, zal in de volgende hoofdstukken 
en uit de hier gepubliceerde stukken nog blijken. Wenselijk lijkt het ons om hier even stil te staan bij 
de uiteindelijke vorm, waartoe de nazificatie en germanisatie van Nederland zouden moeten leiden. 

Om te beginnen zij de lezer eraan herinnerd, dat een groot aantal van de Duitse instanties, die 
zich intensief met Nederland bezighielden, hier kan worden overgeslagen, aangezien zij in het ge- 
heel geen politieke vormgeving op het oog hadden, doch alleen exploitatie van het bezette land - 
bijvoorbeeld Goering, Fischböck - of aangezien zij om wat men technische redenen zou kunnen 
noemen geïnteresseerd waren: de Wehr macht, de Organisation Todt e.d. 

Men zou haast geneigd zijn onder deze categorie de Führer zelf te rekenen, wiens starre blik 
altijd gericht was op de onmetelijke in Oost-Europa te veroveren ruimte, en die steeds sterker ge- 
preoccupeerd werd door militaire zaken. Als gezegd, zijn belangstelling voor Nederland was 
minimaal. Het makkelijkste vond hij het de zaken daar maar op hun beloop te laten. Dat bood 
bovendien het voordeel, dat hij zich op niets hoefde vast te leggen. Af en toe, bijvoorbeeld wanneer 
Mussert hem een bezoek bracht, kon hij een zekere uitspraak niet vermijden, maar de woorden, 
die hij dan aan de kwestie van Nederlands toekomst wijdde, maken niet alleen de indruk vaag 
gehouden te zijn, maar ook min of meer terloops van aard te zijn. Aangezien noch Nederland 
noch Mussert hem zeer interesseerden hoefde hij zich ook niet in te spannen om flagrant oneerlijk 
te zijn. Treffend is niet de discrepantie, maar juist de overeenkomst tussen de frases, waarmee hij 
Mussert aan het lijntje hield, en wat hij af en toe in de intieme kring van zijn medewerkers over 
Nederland te berde bracht. De merkwaardige gouvernementsstructuur van zijn rijk maakte het 
mogelijk, dat zulke incidentele, onderling natuurlijk ook vaak tegenstrijdige borrelpraat door zijn 
ondergeschikten - in dit geval met name Himmler, Bormann, en Seyss-Inquart - gretig werd 
opgevangen en tot bindend directief voor hun politiek verheven. Dat wil zeggen, dat ieder de 
woorden van de Führer in het stramien van eigen denken en streven interpreteerde. 



(i) Hoewel wij in de discussie tussen De Pater en Cohen over het doel van het Duitse civiele bestuur in 
Nederland (zie p. 146, noot 4) ons over het algemeen achter de opvattingen van laatstgenoemde auteur 
stellen, kunnen wij hem niet ondersteunen in de opvatting dat in de Duitse bezettingspolitiek - ook waar 
het Nederland betreft - 'als de essentiële tegenstelling aangewezen moet worden die tussen nazificatie en 
nazificatie plus germanisering' (Studiën I, p. 51). 



154 



DE IDEE VAN HET GROOT-GERMAANSE RIJK 



Toch valt er in Hitiers geringe denken over Nederland wel een zekere lijn te bespeuren. Al voor 
de oorlog had hij de uitdrukking 'Germaans rijk* een enkele maal laten vallen. Enige betrekking op 
Scandinavië, Nederland of Vlaanderen had dat nog niet. Het begrip 'Germaans' was in de vorige 
eeuw al een geliefkoosde term geworden om het oer-Duitse, uitermate on-Romaanse, karakter van 
zaken of personen aan te duiden. Hitier hanteerde voor 1940 het begrip eveneens om een tegen- 
stelling aan te geven tot de 'joodse*, 'christelijke' en andere vreemde invloeden, die Duitsland sinds 
onheugelijke tijden had moeten ondergaan. 1 

Het woord 'Germaans' had derhalve een racistische inhoud; het was synoniem met het goede 
bloed, met het 'nordische* ras - maar dat goede bloed vond men bepaald ook aan de andere kant 
van de Duitse noordelijke en noord-westelijke grenzen. 

Toen de Duitse troepen om redenen, die niets met bloed en afstamming te maken hadden, die 
grenzen overschreden, kon dat latente expansionisme, dat in de doctrine van het Germaanse bloed 
verscholen lag, een actueel-politiek karakter krijgen. Op de eerste dag van de overval op Noorwegen, 
9 april 1940, zei Hitier tegen zijn medewerkers, dat zoals uit het jaar 1866 het rijk van Bismarck 
ontstaan was, deze dag het begin van het groot-Germaanse rijk betekende. 2 

Nu kreeg het woord 'Germaans* dus een territoriaal, expansionistisch accent. Misschien was 
Hitier in deze geïnspireerd doordat hij enige maanden eerder een memorandum had gelezen van 
de Noorse nazi-leider Vidkun Quisling, waarin deze gedachten had ontvouwd over een groot- 
Germaanse bond. 3 Bond wel te verstaan, geen rijk. Evenals de Nederlandse nazi-leider Mussert 
wenste Quisling uiteraard nazificatie van zijn land, maar met behoud van zoveel mogelijk zelf- 
standigheid. Een losse federatie met Duitsland en andere staten, die de Nieuwe Orde in Europa 
voorstonden, was zeker aanvaardbaar; een minder losse desnoods ook nog, maar geen van de 
inheemse nazi-leiders: Quisling, Mussert, de Deen Clausen, en de Vlamingen De Clerq enElias 4 , 
wensten hun land te laten opzuigen in wat in de praktijk neer zou komen op een vergroot Duits rijk. 

Maar dat was nu juist hetgene, en vrijwel het enige, dat Hitier voor ogen stond. Na aanvankelijke 
onzekerheid en aarzeling ging de overtuiging bij hem postvatten, dat de 'Germaanse randgebieden' 
niet zelfstandig zouden kunnen blijven. Ruwe annexatie zoals meteen met Elzas-Lotharingen 
geschiedde, was in zijn visie niet nodig. De Duitse geschiedenis leverde precedenten voor een groot- 
sere aanpak: in 1871 had Pruisen Beieren en andere Duitse staten niet geannexeerd, maar alle te- 
zamen hadden zij het Duitse rijk van Bismarck gevormd, onder Pruisische leiding dan. In 1938 had 
Duitsland Oostenrijk ook niet geannexeerd, neen, samen hadden de twee landen het groot-Duitse 
rijk tot stand gebracht. Zo zouden Noorwegen, Nederland en andere Germaanse landen niet 
eenvoudigweg door het groot-Duitse rijk worden ingelijfd, maar al deze staten zouden opgaan in 
het groot-Germaanse rijk. 

Men kan Hitier niet verwijten, dat hij deze gedachten tegenover Mussert zorgvuldig verborg. 
In april 1942 vertelde Hitier aan zijn intimi, dat hij aan de Nederlandse nazi-leider - vermoedelijk 
in december 1941 5 - de (nogal rhetorische) vraag gesteld had, 

'ob er glaube, dass es ihm . . . leicht gefallen sei, seine Heimat Österreich in viele kleine Gaue 

(1) Zie Hans-Dietrich Loock: 'Zur 'Grossgermanische Politik 1 des Dritten Reiches', VfZ. 1960, p. 37, 38. 

(2) Hans-Günther Seraphim (hrsg.): Das Politische Tagebuch Alfred Rosenbergs aus den Jahren 1934! 35 
und 1939I40, Berlin-Frankfurt, 1956, p. 104. 

(3) A.v., p. 93, 94. 

(4) De leider van het Vlaamsch Nationaal Verbond (VN V, te vergelijken met de NSB) Gustaaf ('Staf) De 
Clerq, stierfin oktober 1942 en werd opgevolgd door Hendrik Elias. 

(5) Voor het volgende Tischgesprache, p. 254 (of, met niet wezenlijke afwijkingen: Table Talk, p. 401-404). 
Het bedoelde gesprek met Mussert moet wel op 12 dec. 1941 hebben plaatsgevonden. Mussert had voor- 
dien Hitier het laatst gezien in september 1940; het is hoogst onwaarschijnlijk, dat Hitier zich tegenover 
hem toen al zo geuit heeft. 



155 



HET POLITIEKE DOEL VAN DE SS 

aufzuteilen, um sie frei zu machen von separatistischen Tendenzen und sie leichter ins germa- 
nische Reich eingliedern zu können. Österreich habe ja schliesslich auch eine mehr als 50ojahrige 
eigene Geschichte, die nicht ohne wahrlich grosse Höhepunkte sei.' 

Men moest, vond Hitier, tegenover de Noren en de Nederlanders natuurlijk zeer voorzichtig te 
werk gaan. Dat bestond dan daarin, dat men hun steeds erop moest wijzen, dat Beieren zich in 1871 
niet door Pruisen wilde laten annexeren, maar wèl met Pruisen wilde opgaan in 'den grosseren 
blutsmassigen Verband Deutschland' ; hijzelf had in 1938 iets dergelijks met Oostenrijk gedaan. 

'So müsse man auch den Germanen des Nordwestens und Nordens immer wieder vor Augen 
halten, dass es sich um das germanische Reich, «das Reich» schlechthin, handle, das in Deutsch- 
land lediglich seine starkste weltanschauliche und militarische Kraftquelle habe.' 

Deze 'historische precedenten' speelden herhaaldelijk door Hit Iers hoofd, als hij het toevallig 
over Nederland (of een ander Germaans land) had, evenals een ander element: de aaneensluiting 
van alle Germanen, identiek aan de uitbouw van het Duitse rijk tot een Germaans rijk, als harde 
noodzaak tegenover de massale dreiging der bolsjewistische horden. 1 Toen Mussert een jaar later, 
op 10 december 1942, weer met Hitier sprak (dat wil zeggen voornamelijk naar een monoloog van 
Hitier over het bolsjewistische gevaar uit het oosten luisterde) en de woorden 'Germaanse staten- 
bond' liet vallen, repliceerde Hitier onmiddellijk: een statenbond was niet voldoende. Die zou bij 
de eerste de beste gelegenheid weer uit elkaar vallen. Nodig was een 

'ganz fest verfügte Konstruktion gegen die künftigen Oststürme. Die Bezeichnung dieser Kon- 
struktion sei völlig nebensachlich . . . Mussert könne ja nun nicht mehr von ihm verlangen als die 
eigene Heimat 2 ... In gleicher Weise wie der Führer seine eigene Heimat einordnete, müsse der 
Führer auch die Niederlande einordnen.' 3 

Dit, en het feit, dat Hitier alweer de annexatie van Oostenrijk er bij haalde, had Mussert wel op zijn 
minst te denken moeten geven. Ook is het in het hier aangehaalde en in andere uitspraken van Hitier 
opvallend, hoezeer 'Germaans' en 'Duits' voor hem vrijwel geheel synoniem waren, ja hoezeer 
zelfs in zijn toekomstvisie Europa niet meer was dan een Germaans imperium met rond zich ge- 
schaard een kring van vazalstaten; en het Germaanse rijk, dat was 'das Reich schlechthin'. 4 En als 
de Nederlanders niet in dat rijk wensten te worden opgenomen, dan zou men ze wel met minder 
zachte middelen weten te dwingen; de veiligheid van het rijk gebood nu eenmaal een forse ver- 
legging van de grenzen. 5 

(1) Zie Tischgesprache p. 174, 398; Table Talk, p. 327-328, 506. 

(2) Oostenrijk. 

(3) Nr.282. 

(4) Zie verder Tischgesprache, p. 144, 328, 418; tevens Loock (VfZ. 1960, p. 38, 39). Ook Noorwegen, 
waarvan de inwoners toch met geen enkele mogelijkheid als één der afgedwaalde stammen van het Duitse 
volk beschouwd konden worden, zou in Hitiers visie deel uitmaken van het (Duitse) rijk, en door Duit- 
sers worden bestuurd - zoals Voor-Indië door de Engelsen (Zie Tischgesprache, p. 358). Zie ook de 
volgende noot. 

(5) Fragment uit het dagboek van Goebbels, 30 mei 1942 (ongepubl.), geciteerd bij De Jong, Koninkrijk 5, 
p. 197-198. Het fragment heeft ook betrekking op België. De Jonghe, die hier ook op wijst, toont duidelijk 
aan, dat Hitier en de leiddinggevende Duitsers in ieder geval van plan waren na een door Duitsland ge- 
wonnen oorlog België in te lijven in het Germaans-Duitse rijk (A. de Jonghe: 'De vestiging van een 
burgerlijk bestuur in België en Noord- Frankrijk', in: Bijdragen tot de geschiedenis van de tweede wereld- 
oorlog, uitg. van het navorsings- en studiecentrum voor de geschiedenis van de tweede wereldoorlog, aug. 
1970, p. 69 e.v.). 



156 



DE IDEE VAN HET GROOT-GERMAANSE RIJK 



Wel wachtte hij zich ervoor dat laatste ooit zo tegenover Mussert te formuleren. Het hierboven 
geciteerde, dat hij tegenover de NSB-leider losliet, lengde hij aan met vriendelijke en holle frasen, 
met vaagheden en vooral met veel voorbehoud: zolang het nog oorlog was, kon en mocht hij zich 
nergens op vast leggen. Weer een jaar later, in december 1943, kreeg Mussert van Hitier in wezen 
hetzelfde te horen, zij het in een wat mildere vorm. 1 Al met al zou het duidelijk genoeg moeten zijn, 
waar het met Nederland heen zou gaan als Duitsland de oorlog zou winnen. Maar Mussert sloot 
zich blijkbaar hiervoor volkomen af 2 , en bleef de hele bezettingstijd door een tegenstelling pro- 
jecteren tussen de politiek van Hitier en Schmidt, die slechts nauwe samenwerking met een tamelijk 
zelfstandig Nederland zouden beogen, en de imperialistische annexatie-politiek van Himmler. 3 

Onnodig te zeggen, dat in werkelijkheid zulk een tegenstelling niet bestond. Niet na te gaan is, 
in hoeverre Himmler in deze materie de gedachten van zijn Führer heeft uitgewerkt, en in hoeverre 
Hitier wellicht weer door Himmler is beïnvloed. Een schaalvergroting door van het Duitse rijk een 
Germaans rijk te maken stond beiden vast voor ogen. 4 Toch ziet men bij hen verschillende accenten. 
Allereerst al doordat Himmler, geheel anders dan zijn meester, zich tot in détails in de bezettings- 
politiek ten opzichte van Nederland, Noorwegen, Denemarken en België mengde. 

Ook Himmler had aanvankelijk evenals alle nazi's, ja, evenals vermoedelijk zeer velen onder de 
Duitse bevolking, de Nederlanders en de Vlamingen als een soort neder-Duitsers beschouwd 5 ; hoe 
deze notie in een 'historisch' kader kon worden geplaatst, hebben wij aan de hand van Seyss- 
Inquarts uitlatingen al beschreven. Voor Himmler en zijn ondergeschikten was het in mei 1940 
slechts de vraag, hoe men al die Nederlanders en Vlamingen, samen *io Millionen reinen deutschen 
Volkstums' 6 , weer 'zu bewussten Germanen und Deutschen' 7 kon her-opvoeden. Het terugvoeren 
in de Duitse moederschoot van de Nederlanders, die immers altijd 'ein stammlich eigenartiger 
Bestandteil des deutschen Volkes' geweest waren en nog waren, bleef op het programma staan van 
de Duitse nazi's; ook van de SS, tot in 1945 toe. 8 

Evenwel, Himmler en die SS-functionarissen, die met Nederlanders te maken kregen - ook al 
waren het nationaal-socialistische, en zelfs vurig SS-gezinde Nederlanders - begrepen al snel, dat 
men met het propageren van groot-Duitse leuzen alle Nederlanders op de minuscule NSNAP- 
groepjes na tegen zich in het harnas zou jagen. Toen Mussert op 30 juli 1940 voor het eerst Himmler 
ontmoette, sprak de Reichsführer voorzichtig - hoe precies, is niet bekend - over een gezamenlijke 
Germaanse toekomst van Duitsland en Nederland, elk spoor van annexionistische groot-Duitse 
begeerten achterwege latend. 9 Die voorzichtigheid hanteerde hij ook, toen hij enige weken later het 
eerste contingent Nederlandse vrij willigers in de Waffen-SS toesprak. 10 Toch drukte hij zich bij deze 
gelegenheid duidelijker uit dan hij vermoedelijk in het gesprek met Mussert gedaan had; of mis- 
schien had hij in de tussentijd meer klaarheid gekregen over de formulering van het uiteindelijk 
doel. Het toekomstige rijk zou niet groot-Duits, maar groot-Germaans zijn. 

(1) Zienrs. 488 en 489 I. 

(2) Zie bijv. het verslag, dat van NSB-zijde wordt gemaakt over het bezoek van Mussert aan Hitier in 
dec. 1942, in Proces Mussert, p. 323-327; het geeft blijk van een volslagen doofheid voor hetgeen in 
Hitiers woordenvloed nu juist essentieel was. 

(3) Zie p. 238, en 239, noot 1 ; begrijpelijkerwijs bracht hij pas na de oorlog die tegenstelling scherp naar 
voren, zie Proces Mussert, p. 135 e.v. 

(4) Misschien is deze gedachte bij Himmler al incidenteel voor de oorlog opgekomen: zie Ackermann, 
Himmler ais Ideologe, p. 180. 

(5) Zie over de opvattingen onder het Duitse volk nr. 20. 

(6) Zo Berger in nr. 18. 

(7) Zo Himmler in nr. 36. 

(8) Nr. 630. 

(9) Zie p. 237. 

(10) Zienr. 47. 



157 



HET POLITIEKE DOEL VAN DE SS 

Omschakelen op de groot-Germaanse gedachte viel niet zo moeilijk, omdat de SS dat inzake 
Noorwegen en Denemarken toch al had moeten doen, en voor Duitsers waren de begrippen 
Duits, al-Duits, neder-Duits, Germaans, vaag en hoogst rekbaar, en vaak verwisselbaar. Men mene 
niet, dat het zich definitief vastleggen op de groot-Germaanse formule van Himmler alleen maar 
een kwestie van opportunistische tactiek was. De man meende het, en velen met hem. Trouwens, 
de notie van het noords-Germaanse ras voerde vanzelf tot een dynamische, 'volkse', Germaanse 
conceptie in plaats van de traditionele statische en 'staatse', al-Duitse opvattingen. De Nederlanders 
waren van hetzelfde goede bloed als de Duitsers - misschien nog wel beter, zeiden de Duitse leiders 
soms in een grootmoedige bui. 1 

Weg dus met al die achterhaalde 'staatse' ideeën, met de begrippen Duits en Nederlands, met 
inlijvingen en staatsgrenzen. De Duitse SS-leiding leek een zeer dynamische, allerminst 'staatse' 
voorstelling van het rijk te hebben. 

'Wie dieser grossgermanische Gedanke einmal staatsrechtlich konstruiert sein wird, ob es ein 
Bundesstaat oder ein Staatenreich oder sonst irgendeine rechtliche Konstruktion werden wird, 
ist uns SS-Mannern eine Frage sekundarer Ordnung, die uns gar nicht interessiert', 

zei Rauter in een interview voor de Nederlandse radio op i januari 1943. 2 En zo luidde de officiële 
doctrine, die in allerlei toonaarden, in woord en geschrift, door Nederlandse en Duitse SS-mannen, 
voortdurend voorgedragen werd. Het komende rijk was iets dynamisch, iets ongrijpbaars, iets, dat 
nimmer tot een staat mocht verstarren. Het rijk moest levend blijven, 'steeds wisselend, nooit 
verstarrend, levend in ons, onvatbaar voor vorm.' 3 De idee van het rijk, ook daar werd aanhoudend 
de nadruk op gelegd, viel niet te benaderen voor lieden, die nog in termen van staat en soevereiniteit 
bleven denken (daarmee werden niet alleen de 'anti's' bedoeld, maar ook en vooral Mussert en 
zijn aanhang). Immers, 

'Die Wirklichkeit des Reiches kann nur von der Wirklichkeit der Rasse her erfasst werden. Dieses 
Reich ist ein Reich der Rasse, und zu seinen Tragern sind alle berufen, die in ihrem Wesen durch 
das gleiche Blut bestimmt sind', 

zoals Seyss-Inquart het uitdrukte 4 , zonder nu helemaal mee te gaan met de enthousiaste juichtonen 
van hen, die het rijk reeds zagen ontstaan in de gemeenschap van Germaanse IVaffen-SS-m&nnen 
aan het front. 

Al dit soort taal, waaruit wij slechts een uiterst bescheiden bloemlezing aan de lezer voorleggen, 
klonk dynamisch genoeg. Het had bovendien het voordeel geheel unverbindlich te zijn. Het rijk? 
Vragen naar de vorm ervan toonde aan, dat de steller van de vraag nog vastkleefde aan formalisti- 
sche staatse gedachten. Bovendien was het eigenlijk wat ongepast. Hoe het komende rijk er uit 
zou zien, zou de Führer (immers ook Germaans Führer) t.z.t. wel beslissen. Werd men van SS-zijde 
een enkele maal wat concreter, dan werd verwezen naar wat wij de 1 871 -doctrine zouden kunnen 
noemen: zoals eens Bismarck niet gepoogd had Beieren bij Pruisen in te lijven, maar, integendeel, 



(1) Table Talk, p. 590-591 en 695; nr. 34; zie ook p. 230, noot 3. Het werd echter niet gewaardeerd, als 
dit laatste openlijk door een niet-Duitse Germaan - al was hij dan SS-officier - werd verkondigd: zie 
nr. 233. 

(2) HSSPF377a. 

(3) Feldmeijer op 22 juni 1943 {Storm 25 juni 1943); dergelijke formuleringen zijn voortdurend in de 
SS-propaganda te vinden. 

(4) A. Seyss-Inquart, Idee und Gestali des Reiches, z.pl., z.j., p. 9. 



158 



DE IDEE VAN HET GROOT-GERMAANSE RIJK 

enzovoorts; zoals Oostenrijk in 1938, etcetera. 1 Hoe gevaarlijk dat laatste precedent was, drong 
evenmin als tot Mussert tot de SS-enthousiasten in de Germaanse landen door. Geheel ten on- 
rechte maakten zij een scherpe scheiding tussen de SS, die dynamisch-raciaal, groot-Germaans, 
heette te zijn, en de NSDAP, die nog groot-Duits, annexionistisch was. Men zou dus kunnen 
zeggen, dat hun illusies diametraal tegenovergesteld aan die van Mussert waren. 

Dat de Duitse nazi-partij bij alle vriendelijkheid tegenover de inheemse nazi-partijen in de be- 
zette Germaanse landen annexionistische oogmerken had, was op zichzelf stellig juist. De NSDAP 
mompelde wel met de SS mee over het ras als bindende en beslissende factor, het gemeenschappelijke 
Germaanse lot van Nederland en Duitsland e.d. Officieel hield men aan de Mussert-lijn vast, en wat 
het kader van het Arbeitsbereich betreft, waarschijnlijk ook wel met min of meer overtuiging. De 
Kreisinspekteur van de NSDAP in Noord-Brabant zei op een manifestatie te Eindhoven: 

'Niederland wird ein nationalsozialistischer Staat werden, an dessen Spitze Mussert stehen wird. 
Man sagt, Mussert werde gehasst. Man solle jedoch wissen, dass Gehorsam gegen den Führer 
Zusammengehen mit Mussert bedeutet und zwar mit allen Mitteln. Wer erklart, Hitier zu stützen 
und Mussert nicht anzuerkennen, von dem muss man annehmen, dass er nur an der Wehrmacht 
Geld verdient oder auf andere Weise von der Besatzung profitiert.' 2 

Desondanks noemde men ook binnen het Arbeitsbereich in besloten kring Musserts NSB te be- 
krompen nationalistisch, te weinig rasbewust, onvoldoende Germaans-denkend, te weinig nationaal- 
socialistisch kortom. In werkelijkheid hield de NSDAP zelf nog goeddeels vast aan het traditionele 
Duitse imperialistische nationalisme. Die houding is zeker niet beperkt gebleven tot Nederland. Ook 
ten opzichte van het eens te veroveren Zwitserland streefde de partij naar annexatie van het Duits- 
sprekende deel, en leek de SS met haar plannen voor opneming van geheel Zwitserland in een 
Germaans geheel op het dynamisch-raciale standpunt te staan. 8 

De persoonlijke instelling en de persoonlijke oogmerken van Schmidt bevestigden deze houding 
van de partij. Nederland was vroeger Duits geweest, de inwoners waren toch eigenlijk nog steeds 
een beetje Duitsers, en met wat handigheid zou men de 'breuk' van 1 648 wel weer kunnen lijmen. 
Daarvoor wenste Schmidt, paradoxaal genoeg, juist gebruik te maken van de Nederlands-nationa- 
listische NSB, die zozeer aan de zelfstandigheid van de Nederlandse staat wenste vast te houden. 
Men moest het trouwens wel op de NSB houden; de andere rechts-radicale partijen, waren te 
klein. Bovendien, de NSNAP-partijtjes propageerden weliswaar precies, waar de NSDAP en 
Schmidt heimelijk naar streefden: opslorping, annexatie van Nederland in het groot-Duitse rijk, 
maar juist door die openlijke propaganda waren zij te compromittant. De Germaanse fraseologie 
werd daarom gaarne door de NSDAP gebruikt, ter plaatse in Nederland dan, omdat ook de partij 
het uitwissen van de oostelijke grens van Nederland voorstond. Nu meenden de partij-functio- 
narissen (afgescheiden van de onbetrouwbare Schmidt) ook wel min of meer wat zij hier en daar 
over 'Germaans* en 'bloed' te berde brachten. Dat nam niet weg, dat zij in tegenstelling tot de SS 
grotendeels in het 'staatse denken', lees : in het oudere nationalisme, waren blijven steken. Het werd 
de partij dan ook geregeld door de SS verweten. 

Wat waren nu de opvattingen van de rijkscommissaris? In de kern onderschreef Seyss-Inquart 
het einddoel van de SS-politiek, het groot-Germaanse rijk, wel degelijk. Zijn eigen SS-rang speelde 

(1) Zo Himmler tegenover Mussert in juli 1943 (nrs. 432 en 433); verder bijv. Storm 14 aug. 1942. SS- 
Vormingsbladen 1943, p. 323. 

(2) Via het RSHA kwam deze publieke uitspraak (terugvertaald uit de Limburger Koerier van 29 maart 
1943, vandaar het kreupele Duits) bij Himmler terecht, die meteen Bormann ervan in kennis stelde 
(H398: 4477-78). 

(3) AMT XI A 73, p. 6934-35; id. D 3, Doe. Berger nr. 19; id. B 82, NG 4751. 



159 



HET POLITIEKE DOEL VAN DE SS 



daarbij nauwelijks een rol; het zwarte uniform had hij aangetrokken om Himmler tot vriend en 
steun te krijgen, hetgeen niet wegnam, dat hij bepaalde bezwaren, nooit of zeer versluierd uitge- 
sproken, tegen de politiek van Himmler en Rauter koesterde. Toch sprak de gedachte aan een 
noords, Germaans rijk, gebouwd op raciale basis, de Oostenrijkse politicus of beter gezegd de 
intellectueel uit een Duits-talige enclave in Tsjechoslowakije, inderdaad aan. 1 Dat verhinderde hem 
geenszins om waar dat nodig was Schmidt te steunen of op hem te steunen, en Rauter af te remmen. 
Want beter dan de SS begreep hij, dat met het handjevol Nederlandse SS-fanatici geen politiek in 
Nederland viel te bedrijven. Na het mislukken van zijn experiment met de Nederlandsche Unie als 
gelijkschakelingsinstrument was Mussert in Nederland de enige politieke figuur, die bereid was 
zich aan de bezetter te onderwerpen, en die daarbij nog een redelijk aantal volgelingen meebracht. 
De NSB was wel Nederlands-nationalistisch, maar, betoogde hij voorzichtig tegenover Himmler, 
dat nationalisme zou men als tussenstadium moeten aanvaarden om de NSB-ers in de toekomst 
tot werkelijk nationaal-socialistisch, groot-Germaans besef te brengen. 2 

Betekende dit, dat Seyss-Inquart eventueel wel bereid was om Mussert tot hoofd van een Neder- 
landse regering te maken, zij het tijdens de oorlog, zij het na de oorlog in een federatief georgani- 
seerde Germaanse bondsstaat? Het heeft er in oktober 1942 naar uitgezien, maar evenzeer is het 
denkbaar, dat Seyss-Inquart toen Hitier zo heeft weten te bepraten, dat Mussert nèt geen minister- 
president werd. 3 Hoe dan ook, de rijkscommissaris bleef bij zijn politiek - evenals Hitier zelf 
trouwens 4 - om Mussert en zijn partij een geprivilegieerde positie te geven. Tegenover Himmler 
en Rauter speelde hij de rol van de overtuigde SS-politicus, die evenwel met 'bepaalde realiteiten' 
rekening moest houden - hetgeen trouwens op zichzelf ook het geval was. Achter zijn verbale rook- 
gordijnen (waar Rauter vaak niet, Himmler meestal wel doorheen zag) protegeerde hij de NSB. 5 
Haast onnodig te zeggen : tot op zekere hoogte. Mussert bleef een soort premier- in-reserve voor het 
geval, dat het toch nog tot een inheemse nazi-regering mocht komen. 

Wat het uiteindelijke doel betreft mag men Seyss-Inquart tot de SS-groep rekenen. In zijn 
regeren trachtte hij evenwel tot het einde toe, en met succes, een koers te volgen, die hem niet in 
conflicten met de SS, maar evenmin met de NSDAP en met de NSB zou brengen. En bovenal niet 
met zijn Führer. 

D. De Duitse werkelijkheid 

De Nederlandse aanhang van de SS zag in de organisatie het dynamische alternatief voor de wat 
staatse NSDAP, en eerst recht voor de zéér staatse, burgerlijke NSB. De SS, meenden de aanhangers 
hier te lande, kon dank zij haar moderne ras-beginsel de grote Germaanse 'ruimte' voor de Neder- 
landers ontsluiten en hun een levensvatbaar ideaal voor ogen houden in tegenstelling tot het be- 
krompen nationalisme van de sleetse, ridicule, politiek impotente NSB. Verderop in dit werk zullen 
wij nog genoegzaam zien, hoe de Nederlandse SS-enthousiast voor dit ideaal zich in de ogen van 
zijn Duitse meesters 'weltanschaulich und politisch' als volmaakt betrouwbaar wilde legitimeren : 
wij zien dan, om een willekeurige greep te doen, een Gronings hoogleraar streven naar vernietiging 
van 'Holland', en driedeling van Nederland teneinde de brokstukken het Germaanse rijk te 
kunnen binnenschuiven ; wij zien ook de leider van de Nederlandsche SS tenslotte komen tot een 

(1) Zie zijn: Idee und Gestalt des Reiches, z.pl., z.j. Cohen maakt een onderscheid tussen Duitsers uit het 
eigenlijke Duitsland (bijv. Fritz Schmidt) en 'grensduitsers* als Seyss-Inquart en Rauter, die door hun 
afkomst en conflicten met o.a. Slaven veel gevoeliger waren voor een Germaans ideaal {Studies I, p. 55). 

(2) Zienrs. 131 en 154; vgl. nrs. 394 en 394 1. 

(3) Zie p. 289, 290 en nr. 234, noot 2, vooral de opmerking van Bene aan het slot daarvan. 

(4) Zie nr. 394; Tischgesprache, p. 221 ; Table Talk, p. 345. 

(5) Zie bv. nr. 393 ; vgl. nr. 4 1 6, noot 7. 

160 



DE DUITSE WERKELIJKHEID 



openlijk verkondigde ontkenning van het bestaan van een Nederlands volk - maar ook van het 
Duitse volk. 

Daar wrong nu juist de schoen. Wanneer men consequent raciaal-dynamisch de zaken door- 
dacht, viel er heel veel te zeggen voor de these, dat Duitsland net zo'n 'toevallige' staat was als 
Nederland (meer nog misschien) en dat de notie van een Duits volk óók irrelevant was, omdat het 
dragende en verbindende element in de historische ontwikkeling en in de politieke toekomst het ras 
was. 

Dit soort gedachten kwam in de hoofden van Himmler en zijn Duitse ondergeschikten geen 
moment op. Onoprecht was hij in zijn streven naar een groot-Germaans rijk niet, groot-Duits 
annexionisme was hij als een onhaalbare zaak gaan beschouwen, maar in zijn hart bleef hij Neder- 
landers en Vlamingen zien als Duits-getinte Germanen, toch meer Duits van wezen dan Noren of 
Denen. 1 'Ich persönlich bin der Aufïassung, dass, theoretisch gesehen, alle Niederlander Volks- 
deutsche sind,' schreef Rauter in september 1942 aan Himmler 2 , en er is geen enkele reden om aan 
te nemen, dat Himmler dit gevoelen niet deelde, integendeel. Afgezien hiervan trouwens: Himmler 
zag zijn Germaanse rijk als een hogere trap in de historische ontwikkeling dan het Duitse rijk, 
maar, hoewel voldoende dialectisch geschoold, ten enenmale niet als een ontkenning daarvan. Het 
groot-Germaanse rijk zou een 'Germanisches Reich deutscher Nation' worden, de rijkstaal zou 
natuurlijk Duits zijn, hetgeen de landstalen helemaal niet uitsloot, en de rijksvlag kon toch alleen 
maar de hakenkruisvlag zijn. Zo dacht Himmler er al in 1940 over, en zo zei hij het ook in 1943 
tegen Mussert. 3 In dit Germaanse geheel zouden de verschillende volkeren hun plaats krijgen naar 
gelang hun prestaties. Gelijkberechtiging, geen abstracte gelijkmakerij als bij bolsjewieken en 
liberalen gebruikelijk. Natuurlijk zou het Duitse volk met zijn 90 millioen een zeer preponderante 
plaats innemen en de 'Führungsanspruch' moeten hebben en houden, dat was logisch. 

Schaalvergroting van het Duitse rijk, zeiden wij reeds. En hoezeer in Himmiers gedachten de 
begrippen Duits en Germaans in elkaar overvloeiden (in tegenstelling tot zijn Nederlandse of 
of Noorse SS-mannen!), hoezeer ook bij hem ideologie en machtsstreven met elkaar verstrengeld 
waren, blijkt uit de rede, die hij op 14 oktober 1943 hield te Bad Schachen voor hoge politie-functio- 
narissen, een exclusief Duits gehoor, dat hem vertrouwd was: 

'Für uns bedeutet das Ende dieses Krieges den freien Weg nach dem Osten, die Schaffung des 
Germanischen Reiches und auf diese oder jene Art - wie im Einzelnen, können wir noch nicht 
sagen - das Herein holen von 30 Mill ionen Menschen unseres Blutes, so dass wir noch zu unseren 
Lebzeiten ein Volk von 120 Millionen Germanen werden. Das bedeutet, dass wir dieeinzige und 
bestimmende Macht Europas sind.' 4 

Welke andere klank had het woordje 'wir' hier dan die van zéér Duitse Germanen? Welke andere 
betekenis had hier 'Europa' - een begrip, dat de Duitsers naarmate de oorlog slechter voor hen 
verliep, steeds meer in hun propaganda gingen invlechten - dan van een Raum, waarin het aldus 
vergrote Duitse rijk de leidende Ordnungsmacht zou zijn, om het in nazi-eufemismen uit te drukken? 

Dan nog, dat Germaanse besef was geen levende kracht in het Duitse volk. Al gebruikte Hitier 
het woord 'Germaans' enige malen als doorzichtige sluier voor ongeremd machtsstreven, enige 
betekenis kreeg het daardoor niet voor hem. Stellig was Himmler, die altijd al tot wanhoop van 
ondergeschikten en spot van rivalen de nationaal-socialistische leer zeer serieus nam, waarachtiger 
in het prediken van het Germaanse ideaal; vermoedelijk ook als hij beweerde dat de taak om het 

(1) Zie nrs. 53 en 54. 

(2) Nr.218. 

(3) Zie p. 235 en nrs. 432 en 433. 

(4) N26/1L70. 

IÓI 



HET POLITIEKE DOEL VAN DE SS 



Duitse volk in deze zin op te voeden zijn verantwoordelijkheid was, maar wat hij hierover zei kon 
alleen maar het feit bevestigen, dat onder het Duitse volk het Germaanse besef nagenoeg niet 
leefde. 1 Evenmin als onder de Duitse SS trouwens. Het is ondertussen mogelijk, zelfs waarschijnlijk, 
dat de Duitsers in die eenheden van de Waffen-SS, waarin betrekkelijk grote groepen Noren, Denen, 
Nederlanders enz. opgenomen waren, door een mengsel van propaganda en gezamenlijk Fronter- 
lebnis iets van dat besef gekregen hebben 2 , maar men zal in het hoofdstuk over de Nederlandse 
vrijwilligers in de Waffen-SS ook weer zien, hoe uiterst betrekkelijk dat gevoel van Germaanse 
saamhorigheid was. 

De mogelijkheid van het vormen van grotere verbanden, van federatie-vorming, van opgaan in 
een groter geheel, moet uit een in brede lagen van de betrokken volkeren levend gevoel voor de 
noodzaak ervan ontstaan. Terecht merkt Van Etten op, dat een dergelijk gevoel zowel bij Duitsers 
als bij de Germaanse volkeren ontbrak. 'Voor het besef van de Duitschers was niet het Germaan- 
sche rijk de inzet van het bloedig oorlogsspel. Die inzet was de consolideering van Hitler's schep- 
ping, het Groot-Duitsche rijk en deszelfs machtsontplooiing.' 3 Niet het vage, groot-Germaanse, 
'levende' rijk van de toekomst, dat niet tot een staat mocht 'verstarren'; gedeeltelijk was dat mis- 
schien de inzet voor Himmler, voor Riedweg, een beetje voor Rauter, voor het kleine groepje 
Nederlandse SS-mannen, en ook in dat milieu verre van algemeen; gezien de hoogst abstracte aard 
van een en ander niet onbegrijpelijk. Het is veelzeggend, dat zelfs de betrokken Duitsers, die na de 
oorlog de dood vonden, zoals Seyss-Inquart en Rauter met hun laatste gedachten alleen bij Duits- 
land verwijlden. 4 Zij, die bleven leven, spraken slechts over Europa en beweerden, dat zij daar 
altijd over gesproken hadden. Geen van hen hield vast aan het groot-Germaanse rijk als politiek 
ideaal. Het leek, alsof dat ideaal nimmer had bestaan. 

Moet dan al die troebele nonsens over Rijk en Ras nu au sérieux worden genomen? Stellig wel, 
voorzover die gedachten door de SS tot basis van een politiek werden gemaakt. Het feit, dat in de 
geschiedenis van de mensheid de stuwende ideologieën voornamelijk uit onhoudbare nonsens be- 
staan, heeft nimmer iets afgedaan aan het fanatisme, waarmee de aanhangers de werkelijkheid 
naar hun waandenkbeelden hebben getracht om te vormen. De verschillende interpretaties van de 
gezamenlijk beleden onzin hebben daarbij hun eigen belang en hun eigen geschiedvormende kracht. 
Te zeggen, dat die opvattingen slechts loze leuzen zijn, die de ware strategische, economische, 
territoriale of persoonlijke aspecten van een strijd om de macht bedekken, is al te simpel. Voor de 
niet-nazi lijken de divergenties tussen Musserts Germaanse statenbond, het groot-Duitse rijk van 
Schmidt en Himmlers groot-Germaanse rijk ongetwijfeld even gering als de verschillen tussen de 
opvattingen van Luther, Zwingli en Rome over het Avondmaal voor de Japanner van de zestiende 
eeuw. Het zou echter beslist onjuist zijn de denkbeelden, waarin de religieuze onenigheden van die 
eeuw werden uitgedrukt slechts als frasen te zien, waarin de katholieke of de protestantse voor- 
mannen zelf niet geloofden en waarmee zij slechts machtspolitieke motieven verhulden. Het is een 
algemeen menselijke neiging eigenbelang en eigen machtspositie te identificeren met een ideaal. 
Men mag zelfs zeggen, dat de strijd voor bepaalde denkbeelden de noodzaak van machtsuitoefening 
met zich meebrengt. Het denkbeeld, zegt Djilas, is de kiem van de macht, het denkbeeld stuwt tot 
de daad. 5 Of de betreffende ideeën voor de buitenstaander onzinnig, moreel verwerpelijk of irrelevant 
zijn, is daarbij van geen belang. En wanneer de nazi's (Nederlandse en Duitse) tegenover de buiten- 



(1) Ziebv. nrs. 432 en 433. 

(2) In de Waffen-SS meer dan elders in de SS volgens een na-oorlogse verklaring van L. G. Wybrands 
Marcussen in zijn Doc.-dossier. 

(3) Van Etten, Duitsche politiek, p. 28. 

(4) Vgl. Seyss-Inquarts uitspraak te Neurenberg op p. 86. 

(5) Milovan Djilas: De onvolmaakte maatschappij, Amsterdam, z.j. p. 159. 



162 



DE DUITSE WERKELIJKHEID 



wereld het onderlinge verschil in hun ideologische opvattingen aanduidden als 'onbelangrijke 
nuances' hadden zij zuiver ideologisch gezien stellig gelijk, meer nog dan zij zelf beweerden. Maar 
ten eerste waren hun uitlatingen hoogst onwaarachtig. Zelf achtten zij hun ideologische geschillen 
wel degelijk van wezenlijk belang. En dat waren die ook, allereerst al in het perspectief van een door 
Duitsland gewonnen oorlog, waarin de betrokkenen nu eenmaal de zaken lange tijd zagen. Maar 
tevens zijn die geschillen van belang als historische krachten, die in hoge mate van invloed waren 
op het politieke denken en handelen van de Duitse bezetter in Nederland. 



163 



HOOFDSTUK VI 



De Germanische Leitstelle 



A. Coördinatie van de Germaanse politiek 

Op 5 november 1941 schreef Berger aan Himmler over de te voeren Germaanse politiek: 

'Wesentlich war ursprünglich : Freiwillige zu erhalten. Um diese aber zu bekommen, war es sehr 
bald notwendig, sich politisch einzumischen.' 1 

Dat was stellig juist. De Germaanse vrijwilligers, en trouwens ook de leden van de jonge en nog 
onervaren politieke SS-formaties in de Germaanse landen, konden leiding niet ontberen. Niet 
op militair, niet op ideologisch en niet op politiek gebied. Zij moesten op een of andere manier 
opgevangen en gesteund worden. Tevens moest men vermijden, dat allerlei SS-instanties tegen elkaar 
in gingen werken. Te meer, daar men te maken had met bezette landen, vijandige bevolkingen, en 
machtige bestuurders, civiele landvoogden dan wel Wehrmacht-gemraals, die de SS met wan- 
trouwen bekeken, en het edele streven vaak weinig begrepen, en nog vaker tegenwerkten. 

Coördinatie, en dan centraal, te Berlijn, was geboden. Welnu, in het SS-Hauptamt was tegen het 
eind van 1940 een obscuur bureau ontstaan onder de naam Germanische Freimlligen-Leitstelle 
(het woord 'Freiwilligeri* verdween later), sinds april 1941 geleid door de energieke Zwitser SS- 
Sturmbannführer Dr. Franz Ried weg. 2 Vermoedelijk was dit bureau opgericht om iets aan de 
ideologische begeleiding van de Germaanse vrijwilligers in de Waffen-SS te doen, maar er zat meer 
in. Waarom zou dit niet het algemene coördinatie-orgaan voor de SS-politiek kunnen zijn? 

Wanneer Berger tegenover zijn Reichsführer sprak over het verwerven van politieke steunpunten 
voor de SS, bleek dat in de praktijk altijd neer te komen op de pogingen van de onvermoeibare 
intrigant om zichzelf en zijn SS-Hauptamt een machtspositie te verschaffen, desnoods tegen andere 
SS-belangen in. Zo ook met deze Germaanse affaire. Vermoedelijk was dit niet van het prilste begin 
af aan bewuste opzet, en ging de opportunistische Berger mogelijkheden beseffen, waar die min of 
meer toevallig schenen te ontstaan. Mogelijkheden om nog meer bij Himmler in het gevlei te komen 
door de SS sterker te maken tegen andere machten in het Derde Rijk in, en daarmee binnen het SS- 
apparaat een gooi naar het politieke leiderschap te doen. 

Aanvankelijk hield de taak van de Germanische Leitstelle, als Amt VI een onderdeel van het 
SS-Hauptamt, slechts de coördinatie van de ideologische vorming der Germaanse vrijwilligers in, 
maar reeds toen werd een groter politiek doel in uitzicht gesteld : 

(1) Nr. 86. 

(2) Franz Riedweg, geb. 10 april 1907 te Luzern. Zwitsers arts, voor de oorlog lid van extreem-rechtse 
Zwitserse politieke groeperingen. Gehuwd met de dochter van Generalfeldmarschall von Blomberg. Sinds 
1938 woonachtig in Duitsland, arts bij de SS-Verfügungstruppe. Enige tijd op het RSHA werkzaam; 
van april 1941 tot nov. 1943 leider (Stabsführer) van de Germanische Leitstelle. Daarna militaire dienst in 
het III. (germ.) SS-Pz. Korps (N 30/1 IS 1000, IS 3650, IS 4124; Verkl. Riedweg, spec. p. 1, 2, 4, 5, 20; 
AMT XI D 3, Doe. Berger 20; N 6b VN 4.) 



164 



COÖRDINATIE VAN DE GERMAANSE POLITIEK 

'Das Amt soll spater zu einem Amt für volksgermanische Führung ausgebaut werden . . . Das 
Amt ist als Leitstelle für die aus den germanischen europaischen Landern stammenden Frei- 
willigen der Waffen-SS gedacht. Es soll keine unmittelbare politische Beeinflussung im engeren 
Sinne stattfinderi, vielmehr sollen die grossen Gedanken der gemeinsamen germanischen Kultur 
(Vorgeschichte, Volkskunde und verwandte Zweige) gefördert und gepflegt werden; ferner ist 
beabsichtigt, nach Rückkehr dieser Frei willigen in ihr Heimatland dort Pflegestatten zu errichten, 
von denen aus die Gedanken weitergetragen werden sollen. Als Endziel ist dann die volksger- 
manische Führung gedacht.* 1 

Dat was allemaal in overeenstemming met Himmlers denkbeelden van het najaar van 1940 en het 
voorjaar van 1941 over de primair politieke rol, die de Germaanse vrijwilligers zouden spelen als 
ferment voor de verspreiding van een politieke en culturele sfeer, die de bezette Germaanse landen 
tot het nationaal-socialisme (en de SS) zouden brengen. 2 Met de Tagespolitik zou men zich niet 
bemoeien. Die liet men over aan de civiele en militaire landvoogden; het ging slechts om politieke 
vorming op lange termijn. Toch zat in de laatste zin van het citaat reeds de politieke Fuhrungs- 
anspruch van de SS, haar streven naar de politieke hegemonie, besloten. 

Bijna een jaar later, in maart 1942, legde Himmler de taken van Amt VI vast. 3 De nadruk op de 
Germaanse vrijwilligers voor de Waffen-SS was nu al niet meer zo eenzijdig. Het kwam erop neer, 
dat de Germanische Leitstelle de werving in de Germaanse landen voor de gewapende formaties 
van SS en politie tot taak had, maar ook het toezicht op en de ondersteuning van de inheemse 
politieke SS-formaties in die landen, en voorts het manipuleren van inheemse nationaal-socialis- 
tische jongeren-organisaties (in Nederland dus in de eerste plaats de Jeugdstorm en het Studenten- 
front van de NSB) in de richting van de SS. De politieke mogelijkheden kwamen al wat uit de verf. 

Hoe Amt VI precies in elkaar zat, hoeft ons hier niet bezig te houden; de instelling maakte alle 
reorganisatie-rages, die de SS geregeld teisterden, mee. Eén van die rages dient hier wel te worden 
vermeld, omdat wat de Germanische Leitstelle betreft daaraan niet alleen bureaucratische, maar ook 
politieke redenen ten grondslag lagen. In 1943 werd bijna elk Hauptamt in Amtsgruppen onderver- 
deeld, die ieder weer uit een aantal Amter bestonden met alle inflatie van functies en rangen van dien. 
De Germanische Leitstelle werd nu Amtsgruppe D van het SS-Hauptamt, voortaan officieel aange- 
duid als Germanische- und Fr eiwilligen Leitstelle. 

Vanwaar deze verandering? De behoefte aan vrijwilligers voor de Waffen-SS werd voortdurend 
groter. Walen en Fransen zou men met veel goede wil - waartoe de SS-leiding na het keren van de 
krijgskans steeds meer bereid bleek - tot Germanen kunnen rekenen. Met de Bosniërs, Krim- 
Tataren, Georgiers, e.d., die de SS na de catastrofe van Stalingrad begin 1943 in toenemende mate 
aanwierf, kon men dat beslist niet. Vandaar, dat de SS begon over te schakelen naar 'Europese' 
leuzen. 

De propaganda voor het anti-bolsjewistische 'Europa', waarop na de oorlog de apologeten van 
het nationaal-socialisme met zoveel enthousiasme zouden terugvallen, was tijdens de oorlog kort 
gezegd een volstrekt holle zaak. Intern bleef men het Germaanse rijk als einddoel aangeven - daarin 
werd hier en daar in de SS tenminste oprecht geloofd. De kern van Amtsgruppe D was en bleef 
dan ook de Germanische Leitstelle als Amt II; vaak, en dit gebruik zal hier worden nagevolgd, werd 
deze benaming voor de hele Amtsgruppe gebruikt. Daarnaast bedreven nog een Amt I: Planung en 

(1) Ried weg op 3 apr. 1941 tegenover een medewerker van Ahnenerbe, die de tekst dezelfde dag nog op 
schrift stelde; Riedweg sprak wel degelijk namens Himmler (H 1006: 7156). 

(2) Zie p. 230 e.v. Vandaar dat Amt P7 toen nog Germanische Freiwilligen-Leitstelle heette; niet toevallig 
verdween het woord 'Freiwilligen' toen de doelstellingen zich verwijdden. Wij zullen hier verder de kortere 
aanduiding gebruiken. 

(3) Nr. 125, een concept; zie echter noot 1 daarbij. 



165 



DE G ER MANISCHE LEITSTELLE 

een Amt III: Freimlligen Leitstelle Ost voor de vrijwilligers uit de Sowjet-Unie vage activiteiten 1 ; er 
zijn redenen om aan te nemen, dat een niet gering aantal afdelingen van Amtsgruppe D, voorna- 
melijk van deze twee nieuwe hoofdafdelingen, het niet eens tot een werkruimte met bijbehorend 
kantoormeubilair heeft gebracht, en dat het nut van een aantal andere voornamelijk in werkver- 
schaffing aan minder valide SS-officieren heeft gelegen. 2 

Tot die categorie mag men de leider van de Germanische Leitstelle, Riedweg, zeker niet rekenen. 
Vanaf het begin wijdde hij zich met voortvarendheid aan zijn taak. Onmiddellijk organiseerde hij 
cursussen voor Duitsers en Germanen (hieronder dus de Germaanse niet-Duitsers te verstaan), 
sinds einde oktober 1943 als zg. Politische Führerlehrgange gehouden in een voormalig krankzin- 
nigengesticht te Hildesheim, thans Haus Germanien genoemd. Het was bedoeld als vormingscen- 
trum voor de Führerschaft van de verschillende politieke Germaanse SS-formaties. De stof bestond 
uit overmatig veel geschiedenis (Duitse, Germaanse, Europese, uiteraard door nazi-bril bekeken), 
biologie (d.w.z. 'Vererbungslehre' en 'Rassenkunde' e.d.), politieke weekoverzichten, en zaken als 
'Grundzüge der Führungskunst'. Doel was 'Die Idee des germanisches 'Reiches' als politisches 
Programm der heutigen Generation zu formulieren'. 3 Haus Germanien was dus het politieke pen- 
dant van de SS-Junkerschule te Bad Tölz, die overigens ook een dergelijke politiek-ideologische rol 
werd toegedacht. De honderden Waffen-SS- vrijwilligers uit de Germaanse landen, die tijdens de 
oorlog te Bad Tölz de officiersopleiding volgden, kregen daarbij de Weltanschauung van de SS 
opgedrongen, niet zonder resultaat naar het schijnt. Later werden ook niet -Germaanse vrijwilligers 
aan de Junkerschule te Bad Tölz - de andere te Brunswijk was en bleef exclusief Duits - toegelaten. 
Dat nam niet weg, dat de ideologie, waarmee althans de Germaanse aspirant-officieren werden 
geïndoctrineerd, en waarvoor de Germanische Leitstelle de richtlijnen verstrekte, ook in 1943 en 
1944 geheel en al op het Germaanse rijk was gericht; van de 'Europese gedachte', die de oud-SS- 
ers na de oorlog beweerden uitgedragen te hebben, geen spoor, noch op de SS- Junkerschule, 
noch bij SS-Obergruppenführer Steiner, die vanuit zijn hoofdkwartier van het ///. germ. SS-Panzer- 
Korps met actieve belangstelling de vorming 'eines germanischen politisch-soldatischen Führer- 
korps' gadesloeg; ook voor hem sprak het vanzelf, dat de jonge militaire elite, die te Bad Tölz werd 
gekweekt, later in hun eigen land ook de politieke elite zouden vormen. Vandaar, dat de aspirant- 
officieren op hun afsluitend examen tussen de gebruikelijke militaire opgaven door vragen te 
beantwoorden kregen als 'Was versteht man unter Germanisierung des Christentums und worin 
aussert sie sich ' of 'Inwiefern ist die Reformation eine germanische Erscheinung?' denktijd voor elke 
vraag 20 minuten. Op deze wijze zouden militaire en politieke opleiding elkaar aanvullen. 4 

Belangrijker nog voor de indoctrinatie van buitenlanders met geest en ideologie van de SS waren 
de opleidingscentra, die het SS-Hauptamt elders stichtte: de semi-militaire school voor Germaanse 
vrijwilligers bij Sennheim in de Elzas, het Panoramaheim te Stuttgart voor Zwitserse vrijwilligers, 
en de typisch politieke SS-scholen te Ellecom voor de Nederlandsche SS (in huize 'Avegoor'), te 
Schooten bij Antwerpen voor de Vlaamse SS, en te Kongsvinger bij Oslo voor de Noorse SS. 
Op die laatste scholen ontbrak het semi-militaire element trouwens allerminst - Sennheim en Ave- 
goor zal de lezer verder in dit werk nog wel tegenkomen. 

Riedweg organiseerde ook conferenties voor lieden, die in de SS een leidende of journalistieke 

(1) Volgens Jürgen Thorwald: Wen sie verderben wollen, Stuttgart, 1952, was de Freimlligen Leitstelle 
Ost gevormd door SS-Sturmbannführer Dr. F. R. Arlt. Deze was één van de promotors van de zg. 
Wlassow-koers : het vormen van een anti-communistisch leger uit Sowjet-vrijwilligers onder leiding van de 
indertijd krijgsgevangen gemaakte Sowjet-generaal Wlassow. 

(2) AMT XI B 88, NO 346; id. A 79, P- 775 1 e.v.; N 28/1 NO 740, NO 142. 

(3) Programma van eerste cursus in Haus Germanien 23 okt. 1943, HSSPF 20 b; The Allgemeine 55, 
K 7; N 30/1 NO 346, IS 4808; H 1 114: 77I7-I8. 

(4) CDI 93 ; N 28/1 NO 143 ; Doe. I H. C. van 't Hof. 



166 



DE ANORDNUNG 54/42 



positie hadden. 1 Voorts liet hij naast de SS-Leithefte, die het SS-Hauptamt ter vorming van de 
Duitse SS-man maandelijks placht uit te geven, een nieuwe vormingsserie onder de titel Germa- 
nische Leithefte verschijnen. De twee rijkelijk geïllustreerde periodieken verschilden weinig; voor- 
namelijk bevatten zij SS-romantiek op het peil van het damesblad; vermengd met theorie-lesjes 
over rassenkunde op vergelijkbaar niveau: de stille, eenvoudige doch plichtsgetrouwe helden van de 
Waffen-SS, de stille, noeste, plichtsgetrouwe Frederik de Grote, het zuivere, eenvoudige leven van 
met de bodem verbonden ridders en boerenleiders uit vroeger tijden tussen minstens even eenvou- 
dige beschouwingen over de leer van Mendel, eugenetica, etc, etc. De argeloze lezer van deze 
litteratuur, die onvermijdelijk tot de conclusie moet komen, dat het SS-Hauptamt zich hierbij tot 
de hogere klassen der lagere school richtte, vergist zich: de genoemde bladen waren bedoeld voor de 
rank and file van politieke en Waffen-SS. Deze geestelijke vorming was geheel in Himmlers stijl, 
die ook hier het détail niet schuwde, en correcties placht aan te brengen in de teksten voor deze 
bladen. 2 In de Germanische Leithefte lag een veel zwaarder accent op het gemeenschappelijke 
Germaanse ras en de Germaanse cultuur; de bladen waren bedoeld om de hele SS, Duits en niet- 
Duits, Germaans besef bij te brengen. Men wist, dat bij de Duitse SS daar nogal wat aan ontbrak. 

Van Berger is dit mogelijk alleen maar meepraten met zijn chef geweest. Wilde Himmler met zijn 
bizarre romantiek een Germaans rijk, nu goed, Berger zou zijn vormingsspecialisten op het 
SS-Hauptamt wel de gewenste ideologie op maat laten snijden. Er is echter reden om aan te nemen, 
dat Ried weg de Germaanse opvatting over de nieuwe orde in Europa even serieus nam als Himmler, 
en daarin nog wat verder ging. Te ver trouwens. In een rede voor de aspirant-officieren te Bad Tölz 
zou hij de onderdrukkingspolitiek van de NSDAP aan de kaak gesteld, en daartegenover zijn 
Germaanse idealen geplaatst hebben, weshalve hij onmiddellijk naar het front moest vertrekken. 8 

Openlijk wenste Himmler immers bepaald geen conflict met Bormann. Maar het feit, dat zij 
elkaar met 'Du' aanspraken en tot laat in de oorlog een althans uiterlijk goede verstandhouding 
wisten te bewaren, sloot allerminst uit, dat Himmler allang bezig was in de Ko//^/«m-politiek de 
ene machtspositie na de andere te veroveren. 4 Gaandeweg mochten Berger en Riedweg de Ger- 
manische Leitstelle opvatten als het politieke orgaan van de SS bij uitstek; maar de enige, die van 
Hitier de nodige bevoegdheden kon ontwringen tegen de NSDAP, de Wehrmacht of wie dan ook in, 
bleef de Reichsfiihrer-SS Himmler. 

B. De Anordnung 54)42 

De grootste formele overwinning behaalde Himmler ongetwijfeld op 12 augustus 1942, toen zijn 
meest gevaarlijke concurrent inzake de Germaanse politiek, de leider van de Parteikanzlei Martin 
Bormann, een Anordnung met het volgnummer 54/42 ondertekende, waarvan de eerste bepaling 
luidde: 



(1) Zie de deelnemerslijst voor een dergelijke Tagung, die eind april 1942 te Maagdenburg plaatsvond: 
aanwezig waren o.a. Berger, Schneider, de hoofdredacteur van Das Schwarze Korps, Gunter d'Alquen, 
de Duitse adviseur van de Nederlandsche SS Richard Jungclaus, Feldmeijer, de Vlaamse SS-exponent 
J. van der Wiele, Sievers, Nico de Haas (H 821, waarbij men tevens een aardig inzicht in de gang van zaken 
bij een dergelijke bijeenkomst krijgt. Voor januari 1942 was er een Tagung in Den Haag gepland; H 917: 
5742). 

(2) Ackermann, Himmler als Ideologe t p. 14. 

(3) AMT XI D 3, doe. Berger 20; Verkl. Riedweg, p. 20. 

(4) Na de oorlog verklaarde Schmidts opvolger als Generalkommissar z.b. V. in Nederland Ritterbusch 
dat toen hij op de Parteikanzlei te München werkzaam was (van okt. 1941 tot juli 1943) hij o.a. de positie, 
van Himmler als RKFdV bestudeerde; dit hoogstwaarschijnlijk om Bormann van materiaal tegen 
Himmler te voorzien (Doe. I Ritterbusch 4, 5). 



167 



DE GERMANISCHE LEITSTELLE 

*Der Führer hat bestimmt : 

i.) Für Verhandlungen mit allen germanisch-völkischen Gruppen in Danemark, Norwegen, 
Belgien und den Niederlanden ist im Bereich der NSDAP., ihrer Gliederungen und ange- 
schlossenen Verbande ausschliesslich der Reichsführer-SS zustandig.' 1 

In dit decreet van de partij werd reeds aangekondigd, dat een pendant ervan voor de staat ssector 
zou worden afgekondigd. Een half jaar later gebeurde dat ook. 2 Weliswaar werd bepaald, dat deze 
verordeningen niet de competenties van de Arbeitsbereiche of de rijkscommissarissen 3 aantastten, 
maar desondanks werd nu formeel vastgelegd, dat Himmler het monopolie had van de controle 
over de politieke collaborateurs in de Germaanse landen - want dat werd met 'germanisch-völki- 
schen Gruppen' bedoeld. Of, nog korter gezegd, Himmler zou voortaan de politiek in de Germaanse 
landen gaan bepalen. 

Zo werd het door de SS opgevat, met grote vreugde, en evenzo door de politieke rivalen van de 
SS, met alle schrik en ontsteltenis van dien. 4 Nu zou later wel blijken, dat in de praktijk er niet zo 
geweldig veel veranderde, maar de reacties waren er niet minder heftig om. Dat is alleszins be- 
grijpelijk, temeer, daar ook voor hoge gezagsdragers de Anordnung 54/42 geheel onverwacht kwam. 

In zekere zin komt deze uiterst belangrijke verordening voor de huidige onderzoeker even 
onverwacht. Van de voorgeschiedenis is eigenlijk niets bekend. Misschien moet men een verband 
zoeken met een Verfügung, die Hitier tien dagen eerder had ondertekend. 5 Daarbij kreeg Bormann 
een stevige controle op de Arbeitsbereiche der NSDAP - wat Nederland betreft dus op Schmidt - 
wellicht als springplank voor een grotere macht over de vele Gauleiter in Duitsland zelf. Was deze 
mach tsaan was voor Borman reden om nu ook maar een brok macht toe te werpen aan Himmler? 6 
Wellicht wilde hij Himmler als bondgenoot inschakelen tegen de falanx van zijn jaloerse rivalen als 
Goering, Goebbels et alii. Het is een hypothese, die steun zou kunnen vinden in de na-oorlogse 
verklaring van Berger, dat Bormann met deze stap Himmler voor zich wilde winnen. Maar dit alles 
is niet meer dan speculatie. Iets concreets herinnerde Berger zich niet, evenmin als alle andere be- 
trokken figuren, die de oorlog overleefden. 7 De directe voorgeschiedenis van de Anordnung 54I42 
blijft in het duister gehuld. 

Daarmee is niet gezegd, dat het onverwachte decreet van Hitier en Bormann historisch gezien 
in de lucht hangt. Integendeel, het is een duidelijke en logische stap in de ontwikkeling van Himmlers 
macht. Typerend is het daarbij, dat een formele toekenning van bevoegdheden plaatsvindt wanneer 
die bevoegdheden in werkelijkheid allang geüsurpeerd zijn, of dat achteraf uit een formele opdracht 
veel meer feitelijke bevoegdheden gehaald worden dan die eigenlijk bevat: typerend voor Himmler, 
en niet minder voor de nat ionaal-socialistische regeerpraktijk in het algemeen. In dit soort politieke 
en administratieve technieken was Himmler een meester. Geholpen werd hij daarbij door het feit, 
dat door de specifieke aard van zijn organisatie de steeds intensievere bemoeienis van de SS met 
zaken van ras, Volkstum, en de pan-Germaanse gedachte niet onlogisch in het nazi-milieu werd 
gevonden, en ook bij Hitier zelf weinig of geen weerstand ondervond. 



(1) Nr. 209 1; zie voor vindplaatsen ook noot 1 daarbij. 

(2) Nr.318. 

(3) C.q. daarmee gelijk te stellen instanties; wat de staatssector betrof, alle instanties van het Duitse rijk 
in de bezette Germaanse landen. 

(4) Zie nrs. 216, 228, 258. 

(5) Verfügung 8/42 van 2 aug. 1942, in Verfügungen der Partei-Kanzlei III, p. 197, 198, ook afgedrukt in 
Reichsverfügungsblatt der NSDAP 18 aug. 1942, Ausgabe A, nr. 34/42, p. 97; tevens H 79: 3. zie p. 93. 

(6) Deze veronderstelling is geopperd door Cohen {Studies I, p. 35). 

(7) Zie Verkl. Berger (tegenover Swart) p. 5; Verkl. Berger (tegenover Cohen) p. 3; Verkl. Stutterheim, 
Riedweg. 



168 



DE ANORDNUNG 54/42 



Om het begin van de ontwikkeling naar het decreet van 12 augustus 1942 te traceren, moet men 
teruggaan naar de periode onmiddellijk na het uitbreken van de tweede wereldoorlog. De vernieti- 
ging van de Poolse staat gaf het Duitse nazi-dom de gelegenheid de denkbeelden over het ver- 
leggen van de grens tussen Deutschtum en de inferieure Slavische volkeren ongestoord en op 
massale schaal te verwezenlijken. Bij verordening van Hitier van 7 oktober 1939 werd aan Himmler 
de 'Festigung deutschen Volkstums' opgedragen. 1 Dat hield in hoofdzaak het koloniseren en ger- 
maniseren van grote delen van het overwonnen Polen in, en de massale migratie van Volksduitsers 
naar en uit Duitsland; het mes sneed aan twee kanten, wanneer men Volksduitsers uit vreemde 
landen weghaalde om met hen de veroverde gebieden te germaniseren. In dat stadium was het 
overigens nog lang geen uitgemaakte zaak, dat alle zaken, die met Volkstum te maken hadden, tot 
de competentie van de Reichsführer-SS hoorden. Hitier had al dit geschuif met bevolkingen aan de 
Volksdeutsche Mittelstelle, toen nog vrij onafhankelijk van de SS, willen opdragen, maar Himmler 
haastte zich naar zijn Führer toe om hem ervan te overtuigen, dat dit soort zaken uit het oogpunt van 
efficiency toch het best door de SS konden worden behartigd. 2 

Het lukte hem. Er lukte hem zelfs meer. De Volksdeutsche Mittelstelle werd in de SS-organisatie 
geïntegreerd, en kreeg de status van een Hauptamt in de Reichsfuhrung van de SS. Himmler ging zich 
voortaan Reichskommissar für die Festigung deutschen Volkstums {RKFdV) noemen. Die titel 
Reichskommissar was in het decreet helemaal niet genoemd, maar het betekende evenals bijv. 
Bevollmachtigter of Beauftragter, dat de houder zijn zin tegen alle bestaande regelingen in door kon 
drijven (natuurlijk niet zonder de uiteindelijke goedkeuring van Hit Ier) en (zoals in dit geval) 
meestal bovendien, dat hij bijna elke instantie van staat of partij voor de doorvoering van zijn 
opdracht mocht inschakelen. Himmler liet deze mogelijkheden niet onbenut. Vanuit deze positie 
werkte hij zich op tot de specialist en monopoliehouder van alles, wat in het nazi-rijk met Volkstum 
had te maken; gezien de ideologie van de nazi's en hun interpretatie van dit woord betekende dat 
een zeer grote aanspraak op politieke macht. In een Anordnung van 26 februari 1941 bleek in de 
titel van Reichskommissar (strikt genomen op zichzelf al een usurpatie) nu officieel de gehele 
verantwoordelijkheid voor alle 'Grenz- und Volkstumsfragen' verdisconteerd te zijn, en daarmee 
was Himmler 

'auch innerhalb der Partei der verantwortliche Sachbearbeiter für dieses Aufgabengebiet.' 8 

Het woord Deutsch bij Volkstum was intussen geruisloos verdwenen. Himmler kon dus voortaan 
niet alleen alle zaken betreffende het uitroeien, decimeren of deporteren van niet-Duitse bevol- 
kingsgroepen ten behoeve van verduitsing van hun woongebieden en dergelijke voor zich claimen, 
hij was nu ook de verantwoordelijke 'Sachbearbeiter* - wat dat woord ook mocht beduiden - voor 
bijvoorbeeld Germaanse kwesties, of eventueel ook niet-Germaanse ; een limiet was niet gesteld. 

In november 1941 richtte hij een Biiro für Volkstumsfragen der NSDAP op. De werkzaamheden 
van dat bureau lagen in handen van ervoor in aanmerking komende organen van de Reichsführer-SS 
en Reichskommissar für die Festigung deutschen Volkstums ; de vier afdelingen van het bureau, en 
dat is hier van belang, werden geleid door vier SS-Führer 9 die afkomstig waren uit de VoMi, het 
RSHA, RuSHA en het Stabshauptamt van de RKFdV*; de eerste drie instanties plachten geregeld 
bepaalde werkzaamheden in het kader van de RKFdV te verrichten. 

(1) Ziep. 60, 61. 

(2) Gutachten I, p. 239-279; Robert Lewis Koehl: RKFDV. German resettlement and population policy 
1939-1945- A history of the Reich Commission for the strengthening of Germandom, Cambridge (Mass.), 
1957, P- 49-51. 

(3) Anordnung 7 / 41, in Verf ügungen der Partei-Kanzleill y p. 159. 

(4) N 33/3 NO 4237. 



169 



DE GERMANISCHE LEITSTELLE 



Het derde markeringspunt in dit proces is een Verfügung van Hitier van 12 maart 1942, waarbij 
Himmler voor zijn Volkstums-arbeid een eigen Hauptamt in de Reichsleitung van de NSDAP kreeg 
toegewezen. Dat was de concrete inhoud van deze laatste verordening. Minstens even belangrijk 
vanwege de implicaties is echter het eerste lid, waarin naar de twee hiervoor genoemde decreten 
wordt terugverwezen; reden, waarom het in zijn geheel hier wordt weergegeven: 

4 Ich [Hitier] habe mit meinem Erlass vom 7.10.1939 den Reichsführer SS Heinrich Himmler als 
Reichskommissar für die Festigung des deutschen Volkstums und damit als meinen verantwort- 
lichen Sachbearbeiter für alle Volkstumsfragen eingesetzt. Gemass Anordnung A 7/41 vom 
26.2. 1941 ist der Reichsführer SS Heinrich Himmler als Beauftragter der NSDAP. für alle Volks- 
tumsfragen, auch deren verantwortlicher Sachbearbeiter.' 1 

De titel Reichskommissar was een zelfbenoeming van Himmler geweest, maar evenzeer de titel 
Beauftragter, die in het decreet van 26 februari 1941 eveneens niet te vinden is. Het waren usurpaties 
die Hitier achteraf bij de laatste hier geciteerde Verfügung legaliseerde - voorzover dat woord in 
nazi-Duitsland enige betekenis had. 

Het nieuwe Hauptamt für Volkstumsfragen, dat Himmler nu ging leiden - hoogstwaarschijnlijk 
in feite een voortzetting van het al eerder bestaande Büro für Volkstumsfragen - was formeel een 
Hauptamt van de partij, niet van de SS. Was de oprichting ervan, en in het algemeen Himmlers 
benoeming tot gemachtigde van de NSDAP voor Volkstum-zaken, een buiging voor de partij? Bij 
een dergelijke veronderstelling verliest men dan uit het oog 2 , dat deze partij-functie van Himmler 
gegroeid was uit de symbiose van RFSS, RKFdV, en de persoon van Himmler. 3 In ieder geval ging 
de winst niet naar de partij, maar naar de SS. 

De betrokken functionarissen zagen het ook zo. Voor velen binnen en buiten de SS was Hitiers 
Anordnung wel onverwacht, maar niet onlogisch: 'eine Anerkennung für die geleistete Arbeit', zei 
Berger een paar maanden later. 4 

Wie zou verwachten, dat het Hauptamt für Volkstumsfragen nu ook de taken van het hoofd 
ervan, de PW&s/wwis-gevolmachtigde van de partij Heinrich Himmler, ter hand zou nemen, kwam 
bedrogen uit. Het Hauptamt onder leiding van SS-Brigadeführer Cassel hield zich in de praktijk 
voornamelijk bezig met het afweren van de tegenaanvallen der NSDAP. Een slepende Papierkrieg 
tussen ondergeschikte instanties van Bormann en Himmler ging zich ontwikkelen, waarbij als zo 
vaak deze twee voornaamste antagonisten zelf hoogst minzaam tegenover elkaar bleven. Het was 
echter niet het partij-bureau van Cassel, maar de Ger manische Leitstelle, die Himmler tot 'Zentral- 
stelle der germanischen Volkstumsarbeit der Partei' had bestemd. 5 Dit bureau zou dus de centrale 
worden, niet alleen van de SS, maar ook van partij en staat 6 , waar - op grond van instructies van 
Hitier en Himmler natuurlijk - de politiek op lange termijn uitgestippeld zou worden, die van het 
Duitse rijk een Germaans rijk zou maken. Men doet Berger bepaald geen onrecht, wanneer men 
als heimelijke verwachting bij hem veronderstelt, dat dit hem de tweede man na Himmler in de SS, 



(1) Verfügung 2/42, Reichsverfügungsblatt der NSDAP 16 maart 1942, Ausg. A, nr. 11/42, p. 27; ook 
afgedrukt in Org. buch der NSDAP 1943, p. 317, 318, en Verfügungen der Partei-Kanzlei II, p. 160, 161. 

(2) Zoals dat o.i. bij Buchheim, Gutachten I, p. 269, het geval is. 

(3) Onder meer spreekt dit uit de formulering van de Verfügung van 1 2 maart 1942. De Stabsleiter van het 
Hauptamt für Volkstumsfragen, de SS-Brigadeführer Erich Cassel, was afkomstig uit het RuSHA, een 
nauw met de RKFdV gelieerde organisatie (P 19). 

(4) Nr. 246. 

(5) Nr. 169. 

(6) Ziep. 168. 



170 



DE ANORDNUNG 54/42 

en wellicht de derde man in een door Duitsland beheerst 'Germaans' Europa zou maken. De opzet 
van de Germanische Leitstelle was pretentieus genoeg. 

De SS kreeg evenwel daarbij de uiterst waardevolle steun van Franz Xaver Schwarz, Reichsschatz- 
meister der NSDAP, in 1933 reeds honorair SS-Obergruppenführer, in 1942 de enige, aan wie de pas 
gecreëerde, hoogste SS-rang van SS-Oberst-Gruppenführer honorair werd verleend. 1 Daar was 
zeker reden toe. Schwarz had zich bereid verklaard alle 'germanische Arbeit' te financieren; daar- 
onder verstond hij niet alleen wat de SS op dit gebied deed, maar ook de politieke activiteiten, die 
van Berlijn uit door de NSDAP en haar neven-organisaties in de Germaanse landen werden verricht. 
Daarbij stelde hij zich op het standpunt, dat de financiering van dit alles via de Germanische Leit- 
stelle diende te verlopen. 2 

Sterker, hij slaagde in de loop der jaren er in een aantal projecten aan financiering door rijks- 
commissarissen en dergelijke instanties te onttrekken, en centraal via de Germanische Leitstelle te 
financieren. Vooral in Vlaanderen was het succes groot: de financiering van de SS-groepering in dat 
land, georganiseerd in de Deutsch-Vlamische Arbeitsgemeinschaft (De Vlag), wist hij van de Volks- 
bund für das Deutschtum im Ausland (VDA, een op de partij georiënteerde instelling) naar de Ger- 
manische Leitstelle over te hevelen ; de door Berger voor 1944 aangevraagde bedragen voor De Vlag, 
beduidend hoger dan het vorige jaar, keurde Schwarz bijna geheel goed. 8 Voor de financiering van 
al die 'Germanische Arbeit' gaf hij een volmacht aan een ondergeschikte functionaris, die de wat 
merkwaardige aanduiding Beauftragter des Reichsschatzmeisters in Volkstumsfragen kreeg. 4 De 
enorme bedragen, die Schwarz voor de Volkstumsarbeit ter beschikking stelde, moest hij voor een 
groot deel eerst zelfvan het Reich ontvangen. 6 De Duitse minister van financiën mocht grotendeels 
het geld fourneren, Schwarz bepaalde, wie het geld mocht uitgeven, en dat was zeer duidelijk de 
SS. Zijn motieven zijn wat ondoorzichtig, en ook niet zo relevant*; in ieder geval bleek hij een 
waardevolle bondgenoot van de SS, en speciaal van Berger. 

Anderzijds ontmoette Bergers streven binnen de SS zelf ernstige weerstanden. Men dient daarbij 
te bedenken, dat voor de meeste SS-functionarissen buiten het SS-Hauptamt de Germanische Leit- 
stelle een tamelijk obscuur orgaan was, waarvan zij tenauwernood hadden gehoord. Daarbij hadden 
zij vaak weinig of geen belangstelling in Germaanse aangelegenheden. Wanneer er op dat gebied ge- 
coördineerd moest worden, welnu, best; naar het lijkt liet dat vele SS-functionarissen tamelijk 
onverschillig. Hun belangstelling vlamde pas weer op, wanneer Berger inbreuken op hun gezag en 
bevoegdheden dreigde te maken. 

Dat bleek duidelijk op 8 oktober 1942, toen de eerste zitting plaatsvond van de 

'auf Grund des Führererlasses A 54/42 vom 12.8.42 neu gebildeten Arbeitsgemeinschaft für den 
germanischen Raum . . . , die aus einem SS- und einem Partei-Ausschuss besteht.' 7 

Die 'Partei-Ausschuss' kwam nimmer tot stand. Kennelijk wilde de partij een ostentatieve erken- 
ning van de Germanische Leitstelle als algemeen coördinatie-orgaan inzake de Germaanse politiek 
van alle Duitse instanties vermijden. 



(1) Er waren verder nog slechts drie (niet-honoraire) SS-Oberst-Gruppenführer: Sepp Dietrich, Paul 
Hausser, Kurt Daluege {SS-Dienstaltersliste 1944). 

(2) Nrs. 71, 114, 118. 

(3) Zie nr. 528, noot 2; H 11 14: 7759. 

(4) Zie voor hem nr. 1 14, noten 1 en 2. 

(5) H 51 : 175-6. 

(6) Zie zijn opmerkingen tegen Berger in nr. 7 1 ; een erg oprechte indruk maken ze niet. 

(7) Maandveislag der Germanische Leitstelle 20 nov. 1942, CDI 74 H. 



171 



DE GER MANISCHE LEITSTELLE 



Het was uitsluitend een SS-gezelschap, dat op 8 oktober bijeenkwam, in totaal vijftien vertegen- 
woordigers - vaak de leidende functionarissen zelf - van vrijwel alle belangrijke SS-instanties; zo 
was het RSHA vertegenwoordigd door Ohlendorf, de chef van de Sï)-binnenland, en door Schellen- 
berg, de chef van de SD-buitenland. 1 Berger hield een lange inleiding over het Germaanse werk. 
Inmenging in de zaken van andere Hauptamter was niet de bedoeling, wel was coördinatie nood- 
zakelijk. Daarom zouden de vertegenwoordigers van de verschillende Hauptamter in de Germaanse 
landen onder de leiders van de plaatselijke bureaus aldaar van de Germanische Leitstelle ressorteren. 
Bij deze mededeling, die op het eind van de conferentie terloops werd gedaan, werden Waffen-SS 
en Sipo und SD wijselijk uitgezonderd. 2 Het Rasse- und Siedlungshauptamt bleek echter alert te zijn 
en protesteerde onmiddellijk: men wilde wel met de Germanische Leitstelle samenwerken, maar de 
vertegenwoordiger van het RuSHA in elk der Germaanse landen stond onder de Höherer SSuPF 
in dat land, en onder niemand anders. 3 

Hier was inderdaad een essentieel punt in het geding. Tot op grote hoogte was de realisatie van 
de ambitieuze plannen van Berger en Riedweg afhankelijk van de vraag, hoe de plaatselijke 
dépendances van Amt VI, de Germanische Leitstellen in de Germaanse landen, zich zouden ont- 
wikkelen. De politieke invloed van de Höherer SS- und Polizeiführer zou belangrijk dalen, als een 
groot gedeelte van zijn staf, met name de politieke functionarissen, onder het bevel van het SS- 
Hauptamt zou komen te staan; laat staan, wanneer de Höheren SSuPF wat de relevante kwesties 
betrof zelf ondergeschikt aan Berger zouden zijn. 4 

Het viel dan ook te voorspellen, dat de hele plannenmakerij met de Germanische Leitstelle, zoals 
Berger zich dat te Berlijn uitdacht, bij een energieke Höherer SS- und Polizeiführer op heftige tegen- 
stand zou stuiten. Het zal de lezer niet verbazen, dat dit bij Rauter inderdaad het geval was. 

C. De Germanische Leitstelle in Nederland 

Berger wenste, dat de Germanische Leitstelle in een land als Nederland een overkoepelend orgaan 
zou zijn, waarin de SS-instanties, die verbonden waren aan de Höherer SS- und Polizeiführer 5 in 
dat land, voortaan als onderafdelingen zouden fungeren. Natuurlijk gold dit niet voor Waffen-SS 
en politie, maar wel voor bijvoorbeeld de Rasse- und Siedlungsführer, of voor de Reichsschulen. 
Voorts zou de Germanische Leitstelle in Nederland controle en leiding moeten uitoefenen ten op- 
zichte van de Nederlandsche SS en de neven-organisaties daarvan, maar ook diende het bureau 
zich volgens Himmlers opdracht van 15 maart 1942 6 te richten op de Nachwuchs, dat wilde zeggen 
de Jeugdstorm van de NSB, de Hitlerjugend van de NSDAP, het studentenfront van de NSB en 
dergelijke. Het was van belang om de financiering van die instellingen in handen te krijgen; die was 
slechts een middel tot het verkrijgen van invloed, het welhaast ongemerkt, maar niet minder doel- 
bewust sturen van al deze organisaties in de gewenste richting. De Germanische Leitstelle moest niet 
zozeer openlijk leiding geven - dat zou in veel gevallen alleen maar irritatie en verzet oproepen - 
als wel begeleiding, politiek, ideologisch en cultureel, zonder in de détails van de Tagespolitik te 
vervallen. In principe was die begeleiding op de hele nat ionaal-socialistische beweging in Nederland 
gericht, en eigenlijk op het hele Nederlandse volk. 

Berger kon in Nederland bij een reeds bestaande situatie aanknopen. Van augustus 1940 tot 

(1) H79I49. 

(2) Het is meer dan aannemelijk, dat ook de Ordnungspolizei uitgezonderd was. 

(3) Nr. 237, nr. 246 en noot 4 daarbij. 

(4) Zie nr. 125; vgl. nr. 169 onder punt 3. 

(5) Of strikt formeel genomen: aan de HSSuPF Nordwest, soms aan hem als Führer van de Oberab- 
schnitt Nordwest. 

(6) Nr. 1 25, d.w.z. de definitieve tekst van 1 5 maart (zie noot 1 bij dit stuk). 



172 



DE GERMANISCHE LEITSTELLE IN NEDERLAND 

april 1942 was SS-Standartenführer, later SS-Oberführer Richard Jungclaus 1 aan de staf van 
Rauter toegevoegd als adviseur voor de Nederlandsche SS. Uit zijn bureau, een paar maanden voor 
zijn vertrek naar Vlaanderen als Führer van de SS-Abschnitt aldaar nog Dienststelle SS-Oberführer 
Jungclaus genoemd, ontwikkelde zich de Aussenstelle in Nederland van de Ger manische Leit stelle. 
In feite was het bureau van Jungclaus dat tegen het eind van 1941 al. Jungclaus gaf toen geld uit 
aan politieke activiteiten onder auspiciën van het SS-Hauptamt, waartegen Rauter heftig protes- 
teerde : dit soort zaken moesten door de HSSuPF, niet door het SS-Hauptamt, althans niet zonder 
zijn voorkennis en instemming, worden opgeknapt. 2 

Met Himmlers opdracht aan de Germanische Leit stelle werd dit echter gerealiseerd. Het lijkt er 
op, dat Himmler in 1942 het streven van Berger wel min of meer steunde 3 , maar het jaar daarna 
gaf al duidelijk te zien, dat hij de uitvoering van zijn Germaanse politiek toch in de eerste plaats 
aan zijn Höherer SSuPF toevertrouwde. Verschillende zaken kunnen daarbij een rol hebben ge- 
speeld: misschien begon Himmler een al te grote machtsaanwas van Berger ongewenst te vinden. 
Zeker is, dat Rauter onder geen beding iets, wat op een legatie van Berger in zijn territoir leek, 
wenste te dulden. Ook Seyss-Inquart was zeer weinig gebrand op inmenging van het SS-Hauptamt 
in de bezettingspolitiek, zoals reeds in het geval van de Reichsschulen is gebleken; op een gegeven 
moment zou hij zelfs Riedweg bij een van diens bezoeken aan Nederland 'er uit hebben gesmeten'. 4 
Wat hij in het algemeen ook van de SS gedacht moge hebben, het is duidelijk, dat Seyss-Inquart de 
SS-politiek liever zag vertegenwoordigd en uitgevoerd door de Höherer SSuPF f die nog in een 
zekere ondergeschikte relatie tot hem stond, dan door een vanuit het centrum van rijk en SS 
regerende Hauptamt-chef van Himmler. Himmler heeft dit ongetwijfeld begrepen en wenste zeker 
de rijkscommissaris niet te bruskeren. Bovendien, Rauter deed zijn werk in Nederland goed, ook 
het politieke; welbeschouwd was vanuit het standpunt van Himmler meer er tegen dan er voor te 
zeggen om Berger, die op allerlei gebied bij velen zo'n wrevel wekte, zich massief en plomp door de 
porceleinkast van de bezettingspolitiek te laten bewegen. 

Het gevolg was, dat Rauter volledige greep op de politiek en de organisatie van de SS in Neder- 
land behield, ja, die greep nog kon versterken. De Rasse- und Siedlungsführer Herbert Aust bleef 
direct onder de HSSuPF ressorteren ; zijn Hauptamt-oheï te Berlijn had dat uitdrukkelijk geëist. 6 
Zo ook de Fürsorgeführer der Waffen-SS, de officier, die sociaal en financieel voor de gezinnen van 
de vrijwilligers in de Waffen-SS moest zorgen. Voorts dacht niemand eraan om het SS- und Polizei- 
gericht in Nederland op een of andere manier aan de Germanische Leit stelle te binden. Van een paar 

(1) Geb. 17 maart 1905 te Freiburg. Werkzaam in de textielhandel. Sinds 1930 lid van NSDAP en SA, 
in 193 1 overgegaan naar de SS, waar hij als commandant van eenheden der Allgemeine SS en adjudant 
van de chef van het SS-Hauptamt carrière maakt. In 1937 tot SS-Standartenführer bevorderd. Hij komt 
vermoedelijk in mei 1940 als officier bij een Totenkopf-Standarte in Nederland terecht en werkt van 
augustus 1940 tot april 1942 in Rauters staf als Berater van de Nederlandsche SS, met een onderbreking 
door frontdienst in 1941 in de divisie *Wiking\ Daarna krijgt hij ongeveer hetzelfde werk in Vlaanderen 
als leider van de SS-Abschnitt Flandem. Wanneer medio 1944 in België het militaire bewind door een 
rijkscommissariaat wordt vervangen, wordt Jungclaus op 1 aug. Höherer SSuPF in de rang van Gruppen- 
führer, en veertien dagen later ook nog Wehrmachtbefehlshaber. Al kort daarop ontslagen, naar het 
schijnt niet in de eerste plaats omdat de snelle bevrijding van België door de geallieerde troepen zijn 
functies overbodig maakte, maar omdat hij niet geheel voldeed. In een lagere rang overgeplaatst naar een 
strijdende eenheid, en in Slowakije gesneuveld (P 35; Doe. I Jungclaus; de SS-Dienstaltersliste 1944 
vermeldt hem als toegevoegd aan de HSSuPF Ostland; W. C. M. Meyers: 'De Vlaamse Landsleiding', 
in Bijdragen tot de geschiedenis van de tweede wereldoorlog okt. 1972, p. 40, noot 68). 

(2) Nrs. 97, 98; diverse stukken in HSSPF 15 b. 

(3) Aanwijzingen hiervoor leveren bijv. de nrs. 125, 135, 169, 182, 208. 

(4) N 29/2 VN 4; volgens Riedweg wenste Seyss-Inquart hem niet te ontvangen (Verkl. Riedweg, p. 5). 
Beiden zeiden, dat de tegenstelling in ieder geval van politieke, niet van persoonlijke aard was. 

(5) Zie p. 172, en nr. 199, noot 3. 



173 



DE GERMANISCHE LEITSTELLE 



instellingen was de status onzeker (behalve dan het feit, dat Rauter in Nederland de hoogste 
bewindhebber was): het Lebensbornheim (om zo te zeggen de SS-kraam kliniek) te Nijmegen 1 , het 
SS-Mannschaftshaus (een centrum voor SS-studenten te Leiden), en de twee Reichsschulen te Valken- 
burg en Heijthuizen. Over de eerste twee instellingen wond men zich niet erg op, hetgeen gezien hun 
geringe belang begrijpelijk is; het SS-Mannschaftshaus, waarover het commissariaat-generaal voor 
Verwaltung und Justiz ook een zekere zeggenschap had, telde naar onze schatting nog geen tien 
studenten. Des te meer spektakel was er gemaakt, zoals men in een vorig hoofdstuk heeft kunnen 
zien, over de Reichsschulen. Seyss-Inquart had in een brief aan Rauter van 17 mei 1943 zelfs gedreigd 
zich geheel uit dit project terug te trekken, als de Germanische Leitstelle op enigerlei wijze directe 
bevoegdheden over de twee scholen zou krijgen; voor hem ongewoon scherpe taal. 2 De zeggenschap 
van het bureau bleek zich in de praktijk te beperken tot de verrichtingen van een Verwaltungsführer, 
die bovendien de financiële controle met het rijkscommissariaat moest delen, zolang de Reichs- 
schatzmeister der NSDAP Schwarz de financiering nog niet geheel had overgenomen. 8 

Zelfs de onderschikking van organen in Nederland, die tot het rayon van het SS-Hauptamt 
behoorden, lukte niet. Van de SS-Schule Avegoor te Ellecom, die elders nog besproken zal worden, 
is de formele positie ook onzeker, maar het is uiterst waarschijnlijk, dat het hoofd daarvan zijn 
bevelen regelrecht van Rauter kreeg; mogelijk heeft de Germanische Leitstelle ook hier een onbe- 
duidende flnancieel-technische rol gespeeld. Het was bovendien de bedoeling, dat het reeds lang 
bestaande rekruteringsbureau van de Waffen-SS in Nederland, de Erganzungsstelle Nordwest, in 
de plaatselijke Germanische Leitstelle zou opgaan, maar het kwam, en dan pas in oktober 1943, 
slechts tot een soort personele unie, doordat het hoofd van het Ersatzkommando N ieder lande (zoals 
de Erganzungsstelle Nordwest toen genoemd werd), SS-Sturmbannführer Gerhard RouenhofT, ook 
chef van de Germanische Leitstelle in Nederland werd. Hoewel beide instellingen in Den Haag 
gevestigd waren, bleven zij ruimtelijk ver van elkaar gescheiden, en hielden bv. hun eigen compta- 
bele. De bemoeienissen van de Germanische Leitstelle schijnen zich beperkt te hebben tot financie- 
ring van bepaalde wervingsacties van het Ersatzkommando* 

Afgescheiden van het SS-Gdstehaus te Den Haag, een volslagen onbenullige inrichting, was de 
enige instantie, bij wie een duidelijke onderschikking aan de Germanische Leitstelle te Den Haag 
valt waar te nemen, de vertegenwoordiger van Ahnenerbe in Nederland, die leiding moest geven aan 
de Volksche Werkgemeenschap, een cultuur-politieke mantelorganisatie van de Nederlandsche SS, 
die later uitvoerig zal worden behandeld. Inderdaad was deze functie van de SS wel degelijk van 
groot belang, maar ook hier was het niet de Germanische Leitstelle, die de instructies gaf (zelfs niet 
het hoofdbureau te Berlijn) maar de Höherer SSuPF* 

Het zal uit het voorafgaande duidelijk zijn, dat er geen sprake was van enige greep op de Neder- 
landsche SS, laat staan op Jeugdstorm of Hitlerjugend. Ook hier mocht de Germanische Leitstelle 
geld geven en een financiële controle uitoefenen, die geen politieke betekenis had, aangezien elk 
beslissingsrecht bij Rauter lag: de politiek-ideologische begeleiding beperkte zich tot incidenteel 
en unxerbindlich geklets. 6 

(1) Zie nr. 439, noot 7. 

(2) VJZ 7010/41. 

(3) Zie hiervoor, p. 144. 

(4) Nrs. 473 en 528. Het optimisme, dat Berger in het laatste stuk over de ontwikkeling van de Ger- 
manische Leitstelle toont, is kennelijk pour besoin de la cause tegenover de grote geldschieter Schwarz. 

(5) Ook wanneer men met de Nederlandse SS-ofliïcier van D., die aan de Germanische Leitstelle was 
verbonden, aanneemt, dat het SS-Mannschaftshaus en de SS-school te Ellecom ondergeschikt aan de 
Germanische Leitstelle waren (Doe. II Germanische Leitstelle), verandert het totaalbeeld geenszins. 

(6) Bv. in het geval van het blad Storm van de Nederlandsche SS, dat onderhevig was aan de vage super- 
visie van een Duitse SS-Führer van de Germanische Leitstelle', bij verschil van mening kon elk der beide 
partijen zich op Rauter beroepen (Doe. II Germanische Leitstelle). 



174 



DE GERMANISCHE LEITSTELLE IN NEDERLAND 

Kortom, het kwam neer op hetgeen een functionaris van de Germanische Leitstelle in zijn jaar- 
verslag over 1943 formuleerde: 

'Der Aufgabenbereich der Germ. Leitstelle umfasste im Berichtsjahr im wesentlichen nur die 
zusammenarbeitende Kontrolle - wenn ich es so nennen darf - der Germanischen SS, da auf- 
grund besonderen Befehle dem SS-Ogruf. Rauter die Hauptinstitutionen der SS in den Nieder- 
landen direkt unterstellt waren.' 1 

Die formulering, vooral de 'zusammenarbeitende Kontrolle', was inderdaad een eufemisme, zoals 
de schrijver zelf aanduidde. 

Het heeft derhalve weinig zin de onderafdelingen en het personeel van de Germanische Leitstelle 
in Nederland de revue te laten passeren. Wellicht moet wel als bijkomende factor bij de mislukking 
van dit orgaan het wat ongelukkige personeelsbeleid genoemd worden. De opvolger van Jungclaus 
SS-Obersturmbannführer Wilhelm Montel, en zijn voornaamste medewerker, SS-Obersturmfiihrer 
Wilhelm Hildebrand, chef van de afdeling Schulung, meenden tegenover de Nederlanders, die met 
hen in aanraking kwamen en bijna allen zeer SS-gezind waren, en die zij nu juist met zachte doch 
vaste hand naar het groot-Germaanse rijk moesten leiden, met de bekende tact en soepelheid van 
de Pruisische onderofficier te moeten optreden. Rauter zag zich zelfs genoodzaakt hun iedere be- 
moeienis te verbieden met het eigenlijke werk van de Volksche Werkgemeenschap 2 , notabene de 
organisatie, die nog het meest met de Germanische Leitstelle te maken had. Het zal wel een raadsel 
blijven, wie indertijd voor het leiderschap van de Germanische Leitstelle in Nederland een man als 
Montel heeft uitgekozen; deze bekrompen, imperialistisch denkende nazi-arrivé zonder enige notie 
van politiek 8 was daar allerminst geschikt voor. Als Herrenvolk-manieren echter ergens fataal waren, 
dan zeker bij mannen op dergelijke posten. Waarschijnlijk wegens stijgende onenigheid met Rauter 
verdween Montel in oktober 1943 4 naar het front, waarheen Hildebrand hem al een paar maanden 
eerder wegens het verduisteren van meubels voorgegaan was. Hetzelfde lot trof enige andere offi- 
cieren van de Germanische Leitstelle, waarna de door hen geleide afdelingen blijkbaar praktisch 
ophielden te bestaan. 5 Ook de vertegenwoordiger van Ahnenerbe (die bij de Nederlandse SS-leden 
niet in de smaak viel) moest in het najaar van 1944 verdwijnen, zonder dat er een opvolger werd 
benoemd; Rauter wilde toen elk spoor van Ahnenerbe in Nederland laten verdwijnen. 9 Wanneer 
men nu de indruk krijgt, dat Amt VI te Berlijn naar Nederland vrijwel alleen incompetente ruzie- 
schoppers zond 7 , dient men te bedenken, dat Rauter een lastig heer was, die voortdurend in ruzies 
verwikkeld was met ondergeschikten of lieden van gelijke status (en zelden met zijn meerderen). 

Toen Rauter later evenwel merkte, dat hij van de Germanische Leitstelle in Den Haag weinig te 
vrezen had, veranderde zijn reserve in een positieve benadering, zelfs in enthousiasme. Toen in mei 
1943 zich een crisis in de NSB aankondigde, de positie van Schmidt steeds wankeler werd en de SS 
de overhand leek te krijgen, zag Rauter in de Germanische Leitstelle in Nederland een belangrijk 
instrument om de SS-politiek te verwezenlijken. In plaats van de waardeloze Montel had hij al een 
heel andere figuur op het oog: de Beauftragte des Reichskommissars voor de provincie Noord- 
Brabant Thiel, een partij-man weliswaar, die echter zijn rang van SS-Standartenführer niet alleen 

(1) HSSPFi 5 a. 

(2) Nr. 174. 

(3) Zo de in noot 5 op p. 174 vermelde Nederlandse SS-Führer in Doe. II Germanische Leitstelle. 

(4) Hij werd opgevolgd door Rouenhoff (zie p. 174 en nr. 190, noot 9), die in maart 1944 werd vervangen 
door SS-Standartenführer Heinrich Thole (P 55, P 63). 

(5) P 49; Doe. II Germanische Leitstelle; Van Etten, Ned. SS, p. 79. 

(6) P 100; nr. 636. De reden is niet erg duidelijk. 

(7) Zo ook min of meer de na-oorlogse visie van Seyss-Inquart (N 29/2 VN 4). 



175 



DE GERMANISCHE LEITSTELLE 



als een honoraire decoratie beschouwde, maar bereid en in staat was om aan de realisatie van de 
SS-idealen mee te werken. Himmler en ook Seyss-Inquart stelden zich achter deze benoeming, die 
voorlopig nog niet geëffectueerd kon worden, aangezien Thiel tijdelijk onder de wapenen was. 1 
Nadat op 26 juni 1943 Schmidt om het leven was gekomen, sprak Rauter tegenover Seyss-Inquart 
zelfs zijn wens uit, dat Thiel Generalkommissar z.b. V. zou worden. 2 

Noch het een, noch het ander werd evenwel werkelijkheid, en dat was, voorzover wij kunnen 
vaststellen, meteen het einde van Rauters belangstelling voor de Ger manische Leit stelle, en tevens 
van de kans voor dit orgaan om uit zijn betrekkelijke obscuriteit tevoorschijn te komen en werkelijk 
een politieke rol te gaan spelen. 3 Maar in de tussentijd had Rauter volledige greep gekregen op alle 
SS-instanties in Nederland, ook op die organen, die eigenlijk toch dépendances van het SS-Haupt- 
amt waren als de SS-school Avegoor - en tevens op de Germanische Leit stelle zelf. 4 

Niet dat dit laatste iets te betekenen had. De Germanische Leit stelle bleef een derde-rangsbureau, 
dat na een zekere inflatie tenslotte weer ineenschrompelde. Het hoofdbureau te Berlijn vertoonde 
alleen de inflatie, niet de ineenschrompel ing, maar de volstrekte machteloosheid van zijn dépen- 
dances in de Germaanse landen verhinderde een toename van reële bevoegdheden. Zelfs in Hitiers 
Duitsland zijn er niet veel organisaties geweest, die zo weinig van hun potenties en pretenties 
hebben kunnen realiseren. Wij menen, dat wat Nederland betreft dit niet veroorzaakt is door de 
tegenwerking van de 'natuurlijke' concurrent, de NSDAP, of de NSB, maar door de tegenstand 
van de rijkscommissaris en de Höherer SSuPF. Het was de laatste, die de SS-politiek in bezet 
Nederland ten uitvoer bracht. Daarbij steunde hij op een in Nederland opgebouwd filiaal van de 
SS, bestaande uit een aantal zeer radicale Nederlandse nazi's. Om inzicht te verschaffen in de rol, 
welke deze politieke groepering heeft gespeeld, is het allereerst noodzakelijk om voorgeschiedenis 
en achtergrond van deze Nederlandsche SS te schetsen. 



(1) Nrs. 293 en 400; voor Thiel ook nr. 63, noot 8. 

(2) Nr.425. 

(3) Van Etten beweert, dat de Germanische Leitstelle in Nederland was wat de stafleiding van de Neder- 
landsche SS niet was: een politieke centrale (Ned. SS, p. 72). Het laatste is zeker juist, de eerste uitspraak 
des te merkwaardiger, omdat hetgeen Van Etten er over zegt, duidelijk het tegendeel bewijst. 

(4) Dit is ook de na de oorlog getrokken conclusie van de Nederlandse SS-officier van D. (Doe. II 
Germanische Leitstelle). 



176 



HOOFDSTUK VII 



Prehistorie der Nederlandsche SS: de voor-oorlogse radicalen 



A. De volkse tendens in de NSB 

Hier en daar heeft de lezer in de vorige hoofdstukken al iets vernomen van het bestaan van een 
inheemse, Nederlandse SS-organisatie tijdens de oorlog. Dergelijke organisaties in de zin van de 
politieke, Allgemeine SS, waren er in die tijd ook in de andere, door de Duitsers Germaans geachte 
landen: Noorwegen, Denemarken, en Vlaanderen. 1 Al dan niet gelieerd aan de inheemse nationaal- 
socialistische partijen, waren zij een verlengstuk van de SS in Duitsland, en dat wilden zij ook zijn. 
De Nederlandsche SS, hoewel verbonden aan de NSB en uitsluitend uit Nederlanders bestaande, 
vormde hier allerminst een uitzondering op. Desondanks dringt zich de vraag op, of deze organisatie 
in vorm, wezen en doel zo typisch Duits, toch niet op een of andere wijze aanknopingspunten had 
in het voor-oorlogse Nederland. 

Dat deze aanknopingspunten nooit in de brede lagen van de Nederlandse politieke en geestelijke 
structuur gevonden zullen worden, doch alleen in de nazi-rommelkamer van de Nederlandse maat- 
schappij, spreekt vanzelf. Op het eerste gezicht schijnt het echter merkwaardig, dat zij ook daar 
ontbreken, waar men ze allereerst zou verwachten : bij de fanatieke, compromisloze Nederlandse 
nazi's en wowW-èe-Duitsers, leden van de politieke splinters, die zichzelf aanduidden als Nationaal- 
Socialistische Nederlandsche Arbeiderspartij of met soortgelijke klanken. 

Ideologisch vormden zij de beste grondstof voor een SS: meedogenloos en consequent anti- 
semitisme, rassenleer, blind en exclusief geloof in de Führer Adolf Hitier en diens nationaal-socia- 
lisme, aanvaarding van de hakenkruisvlag en het nauwelijks gewijzigde, zij het meestal slecht ver- 
taalde A^S^^P-programma - alle elementen om hen tot de SS te predisponeren, waren aanwezig. 
Tijdens de bezetting vonden inderdaad velen van hen de weg naar de SS, vooral toen ondanks hun 
slaafse onderworpenheid aan de bezetter deze hun partijtjes botweg verbood of ophief. De SS was 
de enige organisatie, waarin zij zich thuis konden voelen, veel meer dan in de NSB. De Duitse 
bezettingsautoriteiten stimuleerden daarbij (weliswaar op grond van verschillende motiveringen) 
hun opgaan in de NSB en de daarmee gelieerde Nederlandsche SS, teneinde de leiding van de NSB 
onder druk te zetten en naar grotere radicaliteit en dienstbaarheid aan Duitse belangen op te 
zwepen. 2 

In deze zich nationaal-socialistisch noemende splinterpartijtjes, die tegen elkaar opboden om 
'plus nazis que le Führer' te zijn, vindt men echter de historische opmaat tot de Nederlandsche SS 
niet. Dit mag in de eerste plaats gelegen hebben aan hun minieme leden-aantal en overtuigingskracht. 



(1) Léon Degrelle, de leider van Rex, de voornaamste Waalse collaboratie-partij, 'ontdekte' in het begin 
van 1943 de 'Germaanse oorsprong' van de Walen, enige maanden later gevolgd door Himmler (Knoebel, 
SS in Belgium, p. 325, 326, 333, 334). De motieven van Degrelle waren van tactisch-politieke aard, die van 
Himmler niet veel meer; hij wenste toen in te gaan op het aanbod van Degrelle om het Waalse Wehrmacht- 
legioen in de Waffen-SS over te nemen. Het kwam niet tot de oprichting van een Waalse politieke SS. 

(2) Zienrs. 79, 98, 101. 



177 



PREHISTORIE DER NEDERL ANDSCHE SS : DE VOOR-OORLOGSE RADICALEN 



De grootste groepering, de NSNAP van dr. E. H. ridder van Rappard 1 , telde voor de oorlog een 
duizendtal leden, waarvan dan nog een zeer belangrijk deel gevormd werd door de z.g. grens- 
Nederlanders die in westelijk Duitsland werkten en woonden. Dit was ook het geval met de con- 
currenten, onderlinge meningsverschillen werden niet zelden in Duitse kroegen, en vaak met 
de vuist of met het mes, beslecht. 2 Men krijgt trouwens de indruk, dat de belangrijkste activiteiten 
van deze nat ionaal-socialisten par excellence hebben bestaan in het onderling ruziemaken, rebel- 
leren, royeren, fuseren, afsplitsen, opnieuw ruziemaken, enz. da capo al fine, een normaal gedrags- 
patroon overigens in de zwart-bonte wereld van het Nederlandse rechts-radicalisme. Alleen al van 
de zich NSNAP noemende groeperingen zijn er in de loop der tijden al tenminste zeven geweest - 
het juiste aantal zal wel nimmer door de historicus, mocht hij zich al tot dit soort geschiedvorsing 
voelen aangetrokken, worden achterhaald. 

In navolging van het imperatieve Duitse voorbeeld richtten deze partijtjes wel soms een eigen SA 
op, maar aan een SS kwam men blijkbaar niet toe - misschien door gebrek aan verdere tijd en energie, 
en voldoend ledenaantal. Het niveau van leiders en leden was bedenkelijk laag 3 , en het is zeer de 
vraag, of in deze kringen het specifieke karakter van de SS wel werd beseft. 

De ideologische diepgang was evenredig aan het algemene niveau: iedere NSNAP pretendeerde 
de enige vertolkster in Nederland te zijn van het enige zuivere nationaal-socialisme, namelijk dat 
van Adolf Hitier - althans wat men daaruit meende op te maken. Het sloot wel elke pretentie uit 
naar het Nationale Leiderschap, zoals de leider van de NSB Mussert, of bijvoorbeeld de leider van 
het fascistische Zwart Front, Arnold Meyer, dat ambieerden; de NSNAP-leiders voelden zich 
zelf-benoemde stedehouders van hun afgod in Berlijn. De concurrenten werden verketterd op de 
bij sectariërs gebruikelijke wijze, maar één werden zij allen weer in de luid gepropageerde afkeer 
van de NSB, die volgens het oordeel dezer radicalen weinig of niets met het echte nationaal-socia- 
lisme had te maken, en alleen maar een fascist isch-burgerlijke kliek was, bovendien zwaar gepene- 
treerd door joden en vrijmetselaars. 

Maar het ideologische kernpunt van het latere geschil tussen NSB en SS, nl. de vraag naar wezen 
en positie van het Nederlandse volk, en zijn verhouding tot de 'Germaanse broedervolkeren' (lees: 

(1) Zie voor hem nr. 41, noot 12. Hij wordt beschreven als een bescheiden, zachtaardige persoonlijkheid, 
type van een kamergeleerde. Hoe dit ook zij, hij was in ieder geval een man, die door de doelstellingen 
van zijn partij, nog wel de meest succesvolle van dat soort, een eeuwig kansloze moest blijven. Nog meer 
geldt dit voor majoor C. J. A. Kruyt, leider van een andere NSNAP, van wie het niet verwonderlijk is, 
dat hij tenslotte elk spoor van gezag bij zijn volgelingen verloor, maar wel, dat hij blijkbaar ooit sporen 
daarvan had vertoond. 

(2) Zo werd Adalbert Smit (de enige NSNAP-stichter, die zichzelf niet ten onrechte de eerste nationaal- 
socialist in Nederland noemde) in november 1933 in de buurt van Düsseldorf zwaar gewond door mes- 
steken, toegebracht door leden van de NSNAP-Kruyt. (L. F. de Jong, Overzicht I, p. 179). 

(3) Na enige bestudering van de leiders en inspirators der NSNAP-groeperingen baart het nauwelijks 
nog opzien in dit milieu een duidelijk godsdienstwaanzinnige megalomaan aan te treffen, die als 'Luctor 
de Vuurhiërarch', ook wel 'Leeraar voor het Gouden Arische Tijdperk', een aantal moeilijk te vatten 
'Godenappèls' tot de wereld richtte, waarmee hij onder meer Stalin trachtte te winnen voor de 'Heilige 
Arische Alleance' (Doe. I. Luctorisme). Zijn rol in het radicale Nederlandse nationaal-socialisme mag 
echter nauwelijks groter worden geacht dan zijn invloed op de buitenlandse politiek der Sowjet-Unie. 
Meer representatief voor de sfeer in het milieu is het plotseling verdwijnen van de 'Rijksleider' van één 
dezer partijtjes A. F. Schouten. Richtten op 24 maart 1934 enige medewerkers van hem nog een oproep 
tot de leden 'vooral nu in gesloten gelederen achter onzen Leider Kam. Schouten te blijven staan', vijf 
dagen later moest men de leden mededelen 'dat onze leider kameraad Anthon F. Schouten sinds bijna een 
maand op reis is, zonder mededeling waarheen, zich niet meer in verbinding stelt met zijn eigen partij, 
uit het rijksheem zijn persoonlijke goederen heeft laten weghalen en ons slechts als aandenken de schulden 
heeft achtergelaten.' (Doe. II 577A Schouten). Men mene niet, dat een gebeurtenis als deze een unicum in 
de geschiedenis van het Nederlandse rechts-radicalisme is geweest. 



178 



DE VOLKSE TENDENS IN DE NSB 



Duitsland), bleef voor de oorlog onduidelijk, zelfs bij deze lieden, die zich tijdens de bezetting 
adepten van het pure Duitse annexionisme zouden tonen: waar de Nederlandsche SS het opgaan 
in een te vormen Germaans rijk predikte, toonden de NSNAP-ers zich die periode voorstanders 
van een regelrechte annexatie door Groot-Duitsland. Voor de oorlog echter stelde alleen de NSNAP 
van Van Rappard zich duidelijk op het standpunt, dat de Nederlanders eigenlijk een soort Duitsers 
waren, die de weg 'terug' naar het Duitse rijk moesten vinden. De anderen schermden wel met de 
begrippen 'volksch', 'Nederduitsch', en vooral met 'Germaanscn'; één dezer radicale nazi-partijen 
meende haar periodiek zelfs De Germaan te moeten noemen met een merkwaardige blindheid 
voor de associaties, die deze naam bij de gemiddelde Nederlander moest oproepen. Kennelijk was 
echter het begrip 'Germaans* ook hier niet zozeer territoriaal gedacht, maar racistisch en cultureel, 
als tegenstelling tot die elementen in de Nederlandse maatschappij, die men als verjoodst, verfranst, 
van het volk vervreemd e.d. aanzag. Zo konden dezelfde lieden, die het tijdschrift De Germaan 
trachtten te verspreiden, als punt i van hun partij-programma de vestiging voorstaan van 'een 
nationaal -socialistischen, germaanschen, Dietschen Volksstaat, van den Dollard tot aan Duinkerken, 
geheten Dietschland' 1 , daarmee elementen samenvattend, die de Duitse bezetter later niet alleen 
onverenigbaar, maar ook volslagen onaanvaardbaar zou achten : een Germaans-gerichte ideologie 
zou hij accepteren als teken van goede wil en onderschikking aan het Duitse nazi-dom, een Dietse 
of groot-Nederlandse terminologie echter als uiting van een onafhankelijkheidsstreven, dat in 
oppositie tot het Derde Rijk stond. Maar tegen die tijd waren de radicale Nederlandse nazi's elk 
spoor van Diets verlangen al kwijt. Dat de Duitsers zowel voor als tijdens de oorlog tegenover de 
NSNAP-groepen met grote reserve bleven staan, en hen tenslotte ten gunste van de NSB liquideer- 
den, lag niet aan de gangbare NSNAP-ideologie, die op enkele warrigheden na slaafs de Duitse 
partij-lijn volgde 2 , maar aan hun minimale bestaan. 

Verder ingaan op het theoretische gebral van deze politieke rebellenclubs zou niet alleen irrele- 
vant zijn, maar zou allicht deze groeperingen een importantie lijken te geven, die ze ten enenmale 
misten. Dit geldt echter niet voor de NSB, de enige onder de fascistische en nationaal-socialistische 
partijen, die het in ledenaantal en stemmenaanhang verder bracht dan een microbe-achtig bestaan. 3 

De Nationaal-Socialistische Beweging was eind 193 1 te Utrecht opgericht door ir. A. A. Mussert 4 
en C. van Geelkerken 5 , zichzelf de 'stamboeknummers' 1 en 2 gevend van de nieuwe partij. Dat 

(1) Doc.Il576NSNAP- 4 Naci\ 

(2) Uit de statuten van één dezer groeperingen: 'Art. 2. Beginselen, a) programma N.S.D.A.P. zonder 
verder commentaar, b) Adolf Hitier opperste leider ook van de Nationaal Socialisten in Nederland, c) 
symbool hakenkruis, d) groet Heil Hitier!* (Doe. II NSNAP - Westmark). 

(3) Misschien met uitzondering van het Verbond voor Nationaal Herstel, dat in 1933 een zetel in de 
Tweede Kamer verwierf. Dit Verbond, uiterst conservatief en bepaald anti-democratisch, kan men echter 
niet fascistisch in eigenlijke zin noemen, Iaat staan nationaal-socialistisch. 

(4) Wat Mussert betreft menen wij met weinig gegevens te kunnen volstaan: Anton Adriaan Mussert 
werd op 1 1 mei 1894 te Werkendam geboren, studeerde aan de Technische Hogeschool te Delft; sinds het 
cum laude behalen in 1918 van zijn ingenieursdiploma werkzaam eerst bij de rijkswaterstaat, na enige 
jaren bij de provinciale waterstaat van Utrecht. In 1927 hoofdingenieur. Van 1925 tot 1927 secretaris 
van het Nationaal Comité van Actie tegen het Belgisch verdrag. Sinds december 1931 leider van de NSB. 
Eind 1945 door het Bijzonder Gerechtshof te Den Haag ter dood veroordeeld. Door de Bijzondere Raad 
van Cassatie werd dit vonnis bevestigd; Mussert werd gefusilleerd op 7 mei 1946. (Doe. I Mussert; 
Proces Mussert) p. XI, XII; zie voor meer gegevens en een schets van zijn persoonlijkheid De Jong, 
Koninkrijk 1, p. 278-291). 

(5) Cornelis van Geelkerken, geb. 19 maart 1901 te Sint Jans Molenbeek (Brussel). Groeide op in 
gereformeerd, uit Nederland afkomstig, gezin. In 19 1 7 klerk aan de provinciale griffie van Utrecht. Lid 
van enige vroeg-fascistische partijtjes, richtte met Mussert in december 193 1 de NSB op. Plaatsvervangend 
leider van de NSB (toen Rost van Tonningen later deze titel ook kreeg, bleef hij echter de werkelijke 
plaatsvervanger van Mussert). Oprichter en leider van de Nationale Jeugdstorm (de jeugd-organisatie van 



179 



PREHISTORIE DER NEDERL ANDSCHE SS : DE VOOR-OORLOGSE RADICALEN 



woord werd overigens opzettelijk vermeden: de nieuwe politieke groepering met haar afkeer van 
de gevestigde democratische orde en de tientallen politieke partijen van dien wilde uitdrukkelijk niet 
de zoveelste politieke partij zijn, maar een 'beweging', die snel, dynamisch en meeslepend het 
Nederlandse volk naar een nieuw hoogtepunt zou voeren. Intern praatte men ook altijd over 'de 
Beweging', met een hoofdletter 1 , en zo bleef men er altijd over praten, ook toen tegen het bittere 
einde de NSB een verstard kadaver was geworden, en de enige beweging, die er toen nog viel waar 
te nemen, die van volledig uit elkaar vallen was, en stamboeknummer I krachtens zijn absoluut 
Leiderschap stamboeknummer 2 uit de Beweging wierp. Maar dat was helemaal op het eind van 
de bezetting, in 1945. Daarvan hadden zij natuurlijk nog geen flauw vermoeden, toen zij in 1932 - 
want toen kwam de NSB uiteraard pas goed op gang - aan het organiseren en propageren togen 
met een idealisme, dat Mussert in tegenstelling tot Van Geelkerken tot op zekere hoogte altijd zou 
behouden, en een energie, die bij hem in tegenstelling tot zijn secondant snel zou afnemen. 

Wij menen hier voorbij te mogen gaan aan de oorzaken van het feit, dat de kleur- en fantasieloze 
burgerman Mussert met zijn zoveelste nazi-partij vrij snel een opmerkelijk succes boekte. Bij de 
verkiezingen voor de Provinciale Staten in 1935 had de NSB bijna 8% van de stemmen behaald; 
het was een onaangename verrassing voor de Nederlandse democratie. Twee jaar later, bij de 
Kamerverkiezingen, verwachtte de NSB nog veel meer succes ; evenwel, niet de verwachte tien of 
twintig zwarthemden konden in 1937 hun zetel in de Tweede Kamer innemen, doch slechts vier, op 
grond van de ruim vier procent - om precies te zijn 4,22% - die de NSB nu slechts had kunnen krij- 
gen. Bij de statenverkiezingen in 1939 was het beeld voor de NSB nog iets droever geworden: het 
stempercentage was nu 3,89. De partij kon zich troosten met de gedachte, dat er een zekere stabili- 
satie was bereikt. Ook in het leden-aantal was tussen de verkiezingen van 1935 en 1937 de kentering 
ingetreden: in 1936 had men de top bereikt met 55.000 leden. Daarna kwam de teruggang tot de 
Duitse inval. In maart 1940 waren er nog een kleine 33.000 leden. 2 Al met al werd en bleef de NSB 
toch een au sérieux te nemen factor in het Nederlandse politieke bestel. 

Nu hoeft hier de voor-oorlogse geschiedenis van de NSB niet behandeld te worden; alleen bij 
die factoren, die voor ontstaan en ontwikkeling van de Nederlandsche SS van belang zijn, willen 
wij hier even stilstaan. Het merkwaardige is namelijk, dat de voorlopers van de SS gezocht moeten 
worden in deze minst nazi-achtige beweging van alle zich nationaal-socialistisch noemende partijen. 
Uiterlijk kopieerde de NSB veel van de vormen en gebruiken in de Duitse nazi-wereld. Innerlijk 
waren er echter nog altijd niet onbelangrijke verschillen met de NSDAP. Men zou zich kunnen af- 
vragen, of het omgekeerde de NSB op den duur niet meer succes had kunnen bezorgen. De over- 
grote meerderheid van het Nederlandse volk zag alleen 'het Duitse gedoe', de uniformen, de laarzen, 
de groet, de - meestal onbeholpen - pogingen om de stijl van de NSDAP te evenaren, met het 

de NSB) onder de titel 'Hoofdstormer'. In februari 1943 Gemachtigde van den Leider voor Binnen- 
landsche Zaken en Nationale Veiligheid, in november van dat jaar hoofd van de Landwacht onder de 
titel Inspecteur-Generaal. Over het algemeen volgde Van Geelkerken de politieke koers van Mussert 
en trachtte hij eveneens zich tegen de groeiende invloed van de SS te verzetten, maar zijn beleid was 
soepeler, en meer gericht op het behouden van de gunst der Duitsers, inclusief de SS. In het laatste halve 
jaar van de bezetting namen de spanningen met Mussert echter toe, hetgeen omtrent de jaarwisseling 
1944/45 leidde tot een openlijke breuk. Van Geelkerken werd door Mussert uit zijn functies ontzet, en 
tenslotte zelfs als lid van de NSB geroyeerd. Door de steun van de SS wist hij toen echter het commando 
over de Landwacht te behouden. Na de oorlog veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf. In 1959 
vrijgelaten. (Doe. I Van Geelkerken; KB I 2465). 

(1) Een algemeen verschijnsel trouwens in het fascistische milieu, waar dynamiek zo hoog werd aange- 
slagen; zo werd bv. in the British Union of Fascists ook altijd over 'the Movement' gesproken, en bij tijd en 
wijle deden dat ook andere fascistische partijen. Fascisme was volgens Mussolini trouwens eigenlijk 
identiek met actie, met beweging {European Fascism, edited by S. J. Woolf, London, 1968, p. 43, 44). 

(2) Vijf nota s van Mussert, p. 41 ; NSB 292/1571. 

180 



DE VOLKSE TENDENS IN DE NSB 



gevolg, dat tot in uiterst rechtse kringen toe men Mussert en zijn aanhangers steeds meer ging be- 
schouwen als betaalde zetbazen van de Duitse nazi's. In deze vorm ten onrechte. De Duitsers daar- 
entegen werden aan het begin van de bezetting, maar ook daarvoor door Van Rappard, Kruyt, en 
dergelijke lieden voortdurend opmerkzaam gemaakt op de ideologische tekortkomingen van de 
'jodenknecht' Mussert en de 'fascistische' 1 NSB. 

Inderdaad, ondanks de naam vertoonde de NSB in haar eerste beginselprogramma vrijwel niets, 
dat specifiek nationaal-socialistisch was: rassenleer, bloed-en-bodem, onderschikking van staat 
aan volk, het anti-religieuze moment, dit alles ontbrak aanvankelijk bij Mussert en de zijnen, en 
slechts langzaam zouden zij naar het Duitse nationaal-socialisme opschuiven - volgens de radicale 
nazi's en de Duitsers altijd te langzaam en altijd onvoldoende. 2 

Criterium bij uitstek voor de ware gezindheid was voor de ware nationaal-socialist het anti- 
semitisme. Mussert wilde daar in het begin niets van weten, maar moest onder de druk van de 
radicalisatie in de NSB hier steeds meer aan toegeven. Na jarenlang half-onwillig tegenstribbelen 
verklaarde hij op 22 oktober 1938 de NSB voor joden gesloten. 3 Een paar weken later, in de nacht 
van 9 op 10 november, barstte in Duitsland en het ingelijfde Oostenrijk de 'spontane volkswoede' 
tegen de joden uit onder regie van de nazi-leiders. Synagogen gingen in vlammen op, joodse winkels 
werden geplunderd, een aantal joden vermoord. Deze stuitende pogrom, berucht geworden als de 
Reichskristallnacht, lag geheel in de lijn van de felle nazi's, maar Mussert plaatste er in het NSB- 
weekblad Volk en Vaderland enige afkeurende opmerkingen over. 4 Onmiddellijk hierop lanceerde 
hij een plan tot 'oplossing van het joodse vraagstuk'. De essentie was de stichting van een joods 
nationaal tehuis in Brits- en Frans-Guyana en Suriname. In hoeverre Mussert inderdaad oprecht 
gedacht heeft iets 'op te lossen' en in hoeverre dit alleen een politieke stunt was, kan hier onbe- 
sproken blijven. 6 Wanneer men er rekening mee houdt, dat vele volgelingen van Mussert al een 
stuk verder op de radicale weg waren voortgeschreden dan hij zelf, kan men deze stappen van de 
Leider als tekenend beschouwen voor de voor-oorlogse radicalisatie in en van de NSB, met name 
voor het evolueren naar een rassenstandpunt. 

Voor deze radicalisatie, die dus zijn meest duidelijke uiting vond in het groeiende antisemitisme, 
zijn verschillende oorzaken aan te wijzen, waarvan hier de volgende mogen worden genoemd. De 
NSB had zich in volstrekte oppositie geplaatst tegenover het parlementair-democratische systeem, 
waarop, het kan niet worden ontkend, inderdaad een en ander viel aan te merken. De verrassende 
verkiezingsuitslag van 1935 had evenwel het democratisch- voelen de deel van de Nederlandse 
samenleving wakker geschud, en dit deel bleek ondanks de economische crisis, de werkloosheid, 

(1) Men lette erop, dat, evenals in de huidige tijd, het woord 'fascistisch' een niets-zeggend scheldwoord 
kon zijn, in de mond van overtuigde nazi's echter als een indicatie van halfheid in de rechts-radicale leer, 
burgerlijkheid, te grote tolerantie tegenover joden en democraten, onbegrip voor de rassenleer, enz. 

(2) Zie bv. nrs. 41, 56 I, en 394 I. Voor de evolutie van de NSB naar een meer authentieke nationaal- 
socialistische ideologie, uitgedrukt in de beginselprogramma's, zie A. A. de Jonge : Crisis en critiek der 
democratie. Anti-democratische stromingen en de daarin levende denkbeelden over de staat in Nederland 
tussen de wereldoorlogen, (diss. gem. univ. Amsterdam), Assen, 1968, p. 208-240. 

(3) De (weinige) joden, die op dat moment nog lid waren, konden dat blijven. In het najaar van 1940 
moest Mussert hen onder zware Duitse druk toch uit de NSB verwijderen; zie nr. 56 1, noot 3. De Duitsers 
bleven altijd de verdenking koesteren, dat Musserts antisemitische frasen min of meer onderdeel van een 
plichtmatig ritueel waren, en men krijgt inderdaad de indruk, dat Mussert zich op dit punt ietwat schuldig 
voelde, niet omdat hij teveel, maar omdat hij te weinig antisemiet was. 

(4) KoKai8nov. 1938. 

(5) In 1940 schreef hij zelf in een nota voor de Duitse bezettingsautoriteiten, dat de joden diep veront- 
waardigd waren 'over dit plan tot deportatie naar Cayenne zoals zij dit niet geheel ten onrechte noemen' 
{Vijf nota's van Mussert, p. 126). Mussert wenste zich toen echter nazistischer en antisemitischer voor te 
doen dan hij in werkelijkheid was. 

I8l 



PREHISTORIE DER NEDERL ANDSCHE SS : DE VOOR-OORLOGSE RADICALEN 

het weinig inspirerende regeringsbeleid, sterker te zijn dan de links- en rechts-extreme oppositie, 
sterker ook, dan deze oppositie had vermoed. 

De afweer tegen totalitaire tendenzen was al eerder begonnen, maar ging nu algemene vormen 
aannemen. Reeds in december 1933 was door de regering de NSB voor ambtenaren verboden, en 
dit verbod werd in de loop der jaren gevolgd door secundaire maatregelen van dezelfde strekking. 1 
De andere politieke partijen gingen tot het tegenoffensief over; allereerst de linkse partijen, niet 
veel later ook de anderen. Speciale actie-groepen, waarin verschillende politieke richtingen, over 
het algemeen variërend van liberaal tot communistisch, waren vertegenwoordigd, het gepronon- 
ceerd linkse 'Comité voor Waakzaamheid van anti-fascistische intellectueelen' en het meer ge- 
matigde 'Eenheid door Democratie' voerden een krachtige en niet on-succesvolle tegen-propaganda. 
De vakbonden sloten NSB-leden uit. Van groot belang was de houding van de kerken : een vasten- 
mandement in februari 1934 en nog meer een herderlijke brief in mei 1936 van de Nederlandse 
bisschoppen maakten het voor katholieken steeds moeilijker lid van de NSB te worden of te blijven. 
De generale synode van de gereformeerde kerken verklaarde in oktober 1936, dat de leden van hun 
kerken geen lid van de NSB konden zijn. 2 

Het algemene politieke klimaat werd steeds ongunstiger voor de NSB, en daar droeg zij zelf schuld 
aan: de oorlog, die Italië in 1935 begon tegen Abessynië maakte de onverhoeds aanvallende, militair 
volkomen superieure agressor buitengewoon impopulair in Nederland, maar Mussert verklaarde 
zich ondanks vele waarschuwingen van bevriende zijde op 12 oktober 1935 in een rede op de NSB- 
Landdag te Loosduinen solidair met 'alle nationaal-socialistische en fascistische krachten in alle 
landen en volkeren van ons werelddeel'. 3 

De NSB had zich hiermee voor het eerst duidelijk begeven in de positie van politiek zaakgelastigde 
van het Duitse nationaal-socialisme en het Italiaanse fascisme. De gevolgen bleven niet uit: zelfs 
vele NSB-ers werden door deze koers afgestoten. 'Voor vele leden der Beweging is het niet gemakke- 
lijk geweest deze bewuste stellingname van den Leider te begrijpen . . . Hun heengaan mocht een 
verlies beteekenen in aantal en in strijdmiddelen, het werd weldra een groote winst aan zuiverheid, 
aan levensaanvaarding en offerbereidheid.' 4 

Het was inderdaad een vicieuze cirkel, waarin de NSB geraakte. Het toenemende antisemitisme 
in de NSB, het aanleunen tegen Duitsland en Italië, die een steeds dreigender agressieve houding 
vertoonden, de toenemende fanatisering van de mentaliteit in de partij, deden de reactie van regering, 
politieke partijen, maatschappelijke organisaties en publieke opinie steeds scherper worden, en 
omgekeerd. De teleurstellende vier procent der stemmen, die de NSB bij de verkiezingen in 1937 
vergaarde, was een aanwijzing van de voortschrijdende polarisering van politieke emoties, en 
tegelijkertijd stimulans voor verdere polarisatie. Het hierboven weergegeven citaat geeft, vertaald in 



(1) O.a. de wet op de weerkorpsen, waarbij in de eerste plaats de WA zou worden opgeheven. Mussert 
voorkwam dit door in december 1935 zelf de WA te ontbinden {Nationaal- Socialistisch Jaarboek 1942 
(red. Jan de Haas), Utrecht, 1942, p. 229). Van belang was ook het verbod in 1939 voor politieke partijen 
om afdelingen in het buitenland te hebben. Het betekende de opheffing van de afdeling Duitsland van de 
NSB. Deze afdeling onder Julius Herdtmann werd echter onder een andere naam voortgezet; de hierbij 
behorende weer-formatie zou met betrekking tot de Duitse inval in Nederland nog een uiterst landsver- 
raderlijke rol spelen (zie nr. 18, noot 5). 

(2) Corresp. Rost, p. 36, 37; L. J. Rogier: Katholieke herleving. Geschiedenis van katholiek Nederland 
sinds 1853, 's-Gravenhage, z.j., p. 587-588; Th. Delieman: Opdat wij niet vergeten. De bijdragen van de 
Gereformeerde Kerken, van haar voorgangers en leden, in het verzet tegen het nationaal-socialisme en de Duitse 
tyrannie, Kampen, 1950, p. 59-62. De hervormde kerk als geheel kwam niet tot een duidelijke uitspraak. 

(3) Voor Volk en Vaderland. Tien jaren strijd van de Nationaal-Socialistische Beweging der Nederlanden 
1931 - 14 december - 1941. Samengesteld onder leiding van C. van Geelkerken, 2e druk, z.pl., 1943» P- 94- 

(4) A.v.,p.95. 



182 



DE VOLKSE TENDENS IN DE NSB 



minder pathetische termen, de sfeer in de NSB sinds die jaren juist weer. Sinds de oprichting van de 
partij was er een enorm verloop van leden geweest. Nu is er nog steeds wetenschappelijk gesproken 
weinig bekend over de achtergronden van leden-aanwas en -afval in de NSB \ maar wel kan hier- 
over het volgende worden gezegd. Naarmate de NSB ideologisch en politiek, in stijl en geest zich 
meer en meer naar het Duitse voorbeeld richtte, vielen zeer velen af, die zich vroeger uit wrevel over 
de gang van zaken in Nederland tot de NSB hadden gewend, maar die nu door de machtstoename 
van Duitsland en de steeds veelvuldiger verhalen over Gestapo en concentratiekampen zich niet 
meer in de Beweging thuisvoelden. 2 Ook motieven van meer opportunistische aard speelden een 
rol: de maatschappelijke tegendruk was zo groot, dat vele NSB-ers er de voorkeur aan gaven de 
partij te verlaten, teneinde weer door hun omgeving economisch, sociaal of religieus geaccepteerd 
te worden. Velen, die lid bleven, verborgen hun NSB-er zijn zoveel mogelijk voor hun vrienden, hun 
zakenrelaties of klantenkring - zij voelden zich bedreigd door 'broodroof', zoals de staande uit- 
drukking in het milieu luidde - of zelfs voor hun familieleden. 

Wat er in de NSB overbleef, was de 'kern van getrouwen', veelal verbitterd, teleurgesteld en gefa- 
natiseerd door de tegenslagen, door het wantrouwen en de spot van hun dagelijkse omgeving. Men 
zou kunnen zeggen, dat wie niet gefrustreerd in de NSB kwam, het daarin wel werd, ook al door de 
voortdurende interne spanningen en ruzies. 3 De NSB-ers voelden zich steeds meer in oppositie en 
verweer, niet alleen tegen de Nederlandse staat, maar tegen de hele Nederlandse samenleving, die 
hen niet kon en niet wilde begrijpen. Zij vormden niet meereen partij, die stormenderhand de harten 
van het volk veroverde en tot een massabeweging zou uitgroeien, maar een kleine troep, die het 
exclusieve recht genoot om te begrijpen, waar de toekomst van het Nederlandse volk lag - en de 
ondankbare maar eervolle taak had daar wat aan te doen. Zij vormden nu die kleine uitgelezen 
schare van voortrekkers, die hun verblinde volk daarheen zouden leiden, waar het niet naar toe 
wilde, maar moest gaan, onder straffe leiding voor eigen bestwil. Dat dit volk 'met blindheid gesla- 
gen en bedrogen' was lag aan de bekende oorzaken : het verrottingsproces, in gang gezet door de 
democratie, de maconnieke machten, de verjoodste pers, enz. enz. 4 

Zo had voor de oorlog al de NSB zichzelf niet alleen politiek, maar ook geestelijk geïsoleerd van 
de rest van de bevolking. Dit isolatie-proces was verweven met het radicalisatie-proces. Zeker 
hebben ook persoonlijke en toevallige omstandigheden een rol gespeeld. In 1936 trad Rost van 
Tonningen toe tot de NSB en kreeg vrijwel meteen de leiding in handen van de net opgerichte NSB- 
krant Het Nationale Dagblad. Via de kolommen van dit blad, en ook anderszins heeft de felle, zeer 
anti-joodse Rost (over wie hieronder meer), die zijn overtuiging had opgedaan in het extremistische 
Oostenrijkse nazi-milieu, zeker meer dan wie ook bijgedragen tot de radicalisering in en van de 
NSB, maar men moet zijn invloed niet overschatten. Die is vermoedelijk belangrijker geweest voor 
de politieke en de ideologische koers van de NSB dan van andere figuren, maar het neemt niet weg, 
dat het antisemitisme de partij al in onrustbarende mate gepenetreerd was vóór zijn toetreding. 

De ontwikkeling naar een radicaler fascisme, naar het eigenlijke nationaal-socialisme, moet wellicht 
als onvermijdelijk worden gezien. De NSB was in de eerste jaren van haar bestaan zeer duidelijk 
in haar negatieve stellingen - tegen de werkloosheid, tegen de slapheid, tegen de gezagsondermijning, 

1) Dit is ook de mening van G. A. Kooy in zijn boek: Het échec van een 'volkse' beweging. Nazificatie en 
denazificatie in Nederland 1931-1945, Assen, 1964, p. 11, 12. Het werk is een casestudy van het probleem 
in de gemeente Winterswijk, met beschouwingen over de situatie in heel Nederland. Wat dit laatste 
betreft, richt Kooy zijn aandacht echter bijna uitsluitend op de kiezers van de NSB, niet de leden. 

(2) Vgl.a.v.,p. 5. 

(3) Men zie bijvoorbeeld bij wijze van losse greep portefeuilles 174, 175, 180, 187, 188 van het NSB- 
archief, dat trouwens in zijn geheel een voortdurende documentatie van het hier gestelde is. 

(4) Voor Volk en Vaderland* o.a. p. 37. Het hele boek is een weerslag van deze mentaliteit, deels verbeten, 
deels huilerig, vol zelfbeklag en zelfbedrog. 



183 



PREHISTORIE DER NEDERL AND S C HE SS : DE VOOR-OOR LOGSE RADICALEN 

tegen het communisme, tegen het pacifisme, etcetera in een eindeloze opsomming - maar waarvoor 
zij nu wèl stond, bleef vaag. Dit negativisme was aanvankelijk de kracht van de NSB: het bezorgde 
haar zowel leden als kiezers van zeer uiteenlopende sociale, regionale, en geestelijke herkomst. Het 
werd op den duur haar zwakte: de eensgezinde schare van kameraden bleek in werkelijkheid een 
zeer heterogene verzameling te zijn, die eensgezind was in de afwijzing van het democratische bestel, 
maar verdeeld en onmachtig bij het stellen van een duidelijk alternatief. Verschillende figuren en 
groepen dokterden jarenlang aan de theorie, zonder dat dit amateur-werk ooit goed uit de verf kwam. 
Nu is dit weliswaar in het algemeen een typisch verschijnsel geweest voor het fascisme, dat zich door 
haar irrationele wezen slecht leende voor een duidelijke en afgeronde maatschappijleer. Speciaal 
gold dit voor de NSB, waarvan een groot aantal leden - eigenlijk inclusief de leider - weinig of geen 
ideologische achtergrond hadden. Het vacuüm kon dan ook makkelijk worden opgevuld met de 
gedachtenwereld van het exemplaire, meer uitgesproken en meer extreme, Duitse nationaal-socialis- 
me. 1 Anciënniteit, omvang en succes van de Duitse zuster-beweging maakten daarvoor de gemoe- 
deren in de NSB zeer ontvankelijk. 

Ook op het gebied van de ideologische theorie valt er op zijn minst een immanente tendens naar 
extremer standpunten waar te nemen. Dit geldt althans voor het enige wezenlijke onderdeel van de 
NSB-ideologie, dat positief van inhoud was (het woord positief hier gebruikt in de neutrale beteke- 
nis), het nationalisme. De tendens naar radicalisatie ontbreekt geheel in het z.g. socialisme van de 
NSB, en dat is niet verwonderlijk. Het sociale programma van de NSB was evenals van meerdere 
(niet alle) fascistische bewegingen van hoogstens secundaire betekenis, f n tegenstelling tot het Duitse 
nationaal-socialisme hadden radicale socialistische tendenzen vrijwel geheel ontbroken. Wat er 
was, bleek wel zeer schraal, vaag en tegenstrijdig, in overeenstemming met de heterogene sociale 
samenstelling van de NSB, maar toch - ook dit misschien wel in overeenstemming met het karakter 
van de NSB - eerder aantrekkelijk voor kleine en middelgrote ondernemers dan voor groot- 
industriëlen enerzijds, of arbeiders anderzijds. In de kern viel het sociaal-economische programma 
van de NSB terug te brengen tot de simpele maxime, dat indien het de werkgever voor de wind 
ging, het de arbeiders door het verhoogde nationale inkomen ook beter zou gaan. 2 De rest was niet 
veel meer dan opvulwerk, fraseologie als 'solidariteit tusschen alle klassen van de bevolking', 
'rationeele voorziening in redelijke behoeften', 'arbeidseer' e.d. 3 De toekomstige staat zou een 
corporatieve staat zijn, maar de toelichting in 1932 op het eerste programma was op dit punt uiterst 
minimaal. De corporaties zouden 'een zeer groote rol spelen. Het zou te ver voeren, om nu dieper op 
dit punt in te gaan.' 4 

Gedurende de hele geschiedenis van de NSB voerde het blijkbaar te ver. Dit 'socialisme' van de 
NSB zou nader uitgewerkt moeten worden door een Raad voor Volkshuishouding van de NSB. 
Toen evenwel Rost een concreet plan voor vergroting van de welvaart en opheffing van de werkloos- 
heid introduceerde, werd dit heftig aangevallen door de leider van de Raad, de fabrikant W. O. A. 



(1) Vgl. De Jonge, Crisis der democratie, p. 210, 221. Deze schrijver probeert aan te tonen, dat Nolte's 
stelling: het fascisme valt te onderscheiden in drie fasen, waarvan de eerdere steeds tendeert naar de latere, 
ook voor Nederland opgaat (id., p. 16, 17; Ernst Nolte : Der Faschismus in seiner Epoche, München, 1963 ; 
p. 16, 1 7). Dit punt zou echter nog nader onderzocht moeten worden. 

(2) Uitspraak van Woudenberg, de vakverenigingsman van de NSB, in zijn na-oorlogse memoires (deel II, 
p. 42 in Doe. I Woudenberg; hierna aan te duiden als Mem.) 

(3) Zie de diverse programma's met toelichting van de NSB, tevens De bronnen van het Nederlandsche 
nationaal-socialisme, Utrecht, z.j. (geschreven in 1937); de genoemde schraalheid is ook zeer evident in: 
Het socialisme van de N.S.B. Een documentatie over het tijdvak 1931 - zomer 1940. Verzameld door L. 
Lindeman, Utrecht, 1941. 

(4) Nationaal-Socialistische Beweging in Nederland. Programma met toelichting (1 en 2), Utrecht, z.j., 
(1932), p. 27. 



184 



DE VOLKSE TENDENS IN DE NSB 



Koster en een ander lid. 1 Veel meer dan schema's ontwerpen, waarvan de inhoud allesbehalve 
revolutionair was, heeft deze Raad niet gepresteerd, laat staan een theorie van het NSB-socialisme 
geleverd. 2 Mogelijkheden tot dynamiek op dit terrein had de NSB kennelijk niet. 

Anders lag het met het nationalisme van de NSB. Er zit een merkwaardige dialectiek in de ont- 
wikkeling van deze nationaal- voelenden /?öfreA:c^«ce naar een uitgestoten troep landverraders -een 
ontwikkeling, die zich in bijna alle door de Duitsers bezette gebieden heeft voorgedaan. Maar een 
nog merkwaardiger dialectiek deed zich binnen die groep voor: juist zij, die zich het eerst en het 
meest verdiepten in het begrip 'het Nederlandse volk' en een theoretische achtergrond voor hun 
nationalisme zochten - de 'volksen', kern van de latere Nederlandsche SS - zouden tenslotte, op 
het eind van de oorlog, terechtkomen op een uitgangspunt, dat een theoretische negatie van het 
bestaan van een Nederlands volk inhield. 8 Al eerder waren zij trouwens door diezelfde landsverra- 
derlij ke NSB-ers op hun beurt voor verraders van de natie uitgemaakt. Het samengaan met de 
gehate bezetter en de slaafse houding tegenover de Duitse onderdrukker hebben veelal de mening 
post doen vatten, dat de NSB-ers wel nationalistische frases in de mond hadden, maar totaal geen 
nationaal gevoel bezaten, en nooit hadden bezeten. Dit is echter een verkeerde conclusie. Juist de 
overgang van een nationale oriëntatie naar het nationalisme deed de NSB-er, voor, bij, of na zijn 
intrede in de partij, een weg inslaan, waarvan hij de bochten, de gevaren, en de uiteindelijke richting 
niet kende. De NSB-er was overtuigd van de oprechtheid van zijn nationaal gevoel - sterker, hij 
meende, dat alleen in zijn partij dat nationale gevoel werkelijk tot zijn recht kwam. Tijdens de Duitse 
bezetting werd de Nederlandse SS-man, als hij zich tenminste rekenschap van dit soort problemen 
gaf, zich bewust van deze dialectiek: hij voelde zich over de aanvankelijke Nederlands-nationalisti- 
sche idealen heengegroeid naar een weidser ideaal: het Germaanse rijk. De Mussert-getrouwe 
NSB-er heeft vaak wel iets gevoeld van de tegenstrijdigheid tussen het door hem gepropageerde 
nationalisme en de onderworpenheid aan de Duitse indringer, maar durfde niet de keuze scherp zich 
voor ogen te stellen, laat staan te doen: óf het loslaten van elk nationaal-Nederlands gevoel in ruil 
voor een andere conceptie, ofwel zijn nat ionaal-socialistische geloof laten varen en principieel 
tegen de bezetter stelling nemen. Slechts weinigen deden het laatste 4 ; wie voor het eerste opteerde, 
kwam in de SS terecht. Dit maakte de NSB halfslachtig en werkte verlammend op de partij, het gaf 
daarentegen de SS de glans van consequentie en dynamiek. 

Keren wij van het einde terug naar het beginpunt van deze ontwikkeling. Dat het nationalisme 
van de Nederlandse rechtsradicalen tenslotte in zijn tegendeel dreigde om te slaan, lijkt alleszins 
merkwaardig. Er zit in deze ontwikkeling evenwel een logische lijn, die wij hieronder hopen te ver- 
klaren. De meeste NSB-ers zijn weliswaar nooit veel verder gekomen dan de mening, dat het 
Nederlandse volk weer bewust van eigen specifieke waarde moest worden, en dat Mussert de aange- 

(1) Corresp. Rost y p. 6l. 

(2) Doe. I Woudenberg, Mem. II, p. 41-43. 

(3) Sinds september 1944 kwamen de SS- Vormingsbladen, het indoctrinatiemaandblad voor de Neder- 
landse SS-man, uit in een omslag met het hakenkruis en de spreuk: 'Eén Volk, Eén Rijk, Eén Führer\ 
dit alles dan niet Duits, maar Germaans gedacht; weliswaar realiseerde de SS-theoreticus zich daarbij, 
dat de Germaanse volkeren nog niet tot één volk versmolten waren (SS- Vormingsbladen nov. 1944, p. 
335). De chef van de Nederlandsche SS Feldmeijer was volgens Van Etten, Tegenstelling NSB-SS, p. 18, 
19, tot de uiterste consequentie gekomen: het Nederlandse volk, vluchtig en betreurenswaardig product 
van de leerplichtwet, bestond in feite niet, evenmin als een Noors of Duits volk: de SS-man had princi- 
pieel alleen over het Germaanse volk te spreken. Vgl. p. 160, 161. 

(4) Van de prominente NSB-ers geen; de enige, die deze gedragswijze benaderde, was het Tweede 
Kamerlid mr. A. J. van Vessem. Hevig geschokt door de Duitse inval kondigde hij Mussert op 15 mei 
1940 aan, dat hij zich geheel uit de politiek terugtrok, hetgeen hij ondanks verleidelijke aanbiedingen 
ook gedurende de gehele bezetting volhield. Zich geheel losmaken van de NSB kon hij echter niet (Doe. I 
Van Vessem). 



185 



PREHISTORIE DER NEDERLANDSCHE SS : DE VOOR -OORLOGSE RADICALEN 

wezen man was om het dit bewustzijn te geven. Voorzover er over de inhoud van het begrip 'Neder- 
landse volk' getheoretiseerd werd, postuleerde de NSB reeds kort na haar ontstaan, dat dit begrip 
allen omvatte, die de Nederlandse taal spraken: op grond van die taal omvatte de pan-Nederlandse, 
'Dietse' volksgemeenschap derhalve ook Vlaanderen en in mindere mate ook Zuid-Afrika. Maar 
een programma-punt van de eerste orde werd deze Dietse of groot-Nederlandse gedachte niet. 
Het NSB-programma, dat bij de stichting van de partij eind 1931 was opgesteld, vermeldde slechts 
als punt 2 : 

'De verhouding tot de deelen van den Dietschen stam buiten het Rijksverband dient zooveel 
mogelijk te benaderen de verhouding tusschen de deelen van het Rijk onderling.' 1 

Wel bleek uit de latere officiële uiteenzettingen van de NSB, dat Nederlanders en Vlamingen tot 
één Nederlands of Diets volk geacht werden te behoren, maar een duidelijke eis tot staatkundig sa- 
mengaan liet de NSB voor de oorlog niet horen. Integendeel, de beginselverklaring van I936,dez.g. 
'brochure No. V', sprak wel van verwantschapsgevoelens en 'warme belangstelling' voor de ver- 
meende 'steeds krachtiger opleving van het Dietsche stambewustzijn', maar voegde daaraan toe: 

'Voorshands hebben wij in de huidige ontreddering in de eerste plaats te streven naar den herop- 
bouw van Rijks-Nederland.' 2 

Onder het laatste werd dan de Nederlandse staat verstaan. Deze Dietse gedachte werd allengs wel 
meer populair binnen de NSB, en sinds mei 1940 in toenemende mate bij die NSB-ers, die tegenover 
het imperialisme van de Duitse nazi's een min of meer onafhankelijk, zij het nationaal-socialistisch 
Nederland trachtten te stellen. Met Vlaanderen erbij zou dit Nederland een sterkere positie tegen- 
over de Duitsers hebben, en de NSB-leiding, Mussert en Van Geelkerken voorop, was zo sluw om 
af en toe dit Dietse verlangen op grond van het 'volkse' principe, dat de Duitsers zeiden aan te han- 
gen, ter sprake te brengen, en zo naïef om in de aanvangsperiode van de bezetting te hopen, dat 
nazi-Duitsland op zijn kosten het verslagen Nederland met de helft zou vergroten. 

Dit Dietse streven was echter nimmer, en zeker voor de oorlog niet, de ideologische drijfkracht 
van de NSB, zoals dat wel het geval was bij extreem-rechtse Vlaamse politieke partijen. Het was het 
zelfs niet in het katholiek en Brabants georiënteerde Zwart Front, wellicht de enige puur-fascistische 
beweging, die in Nederland een zekere mate van opgang heeft gehad (vergeleken met de andere 
fascistische moleculen dan: bij de verkiezingen in 1937 kreeg Zwart Front 8.178 stemmen - 0,2% 
van het totaal- waarvan de helft in de kieskring Tilburg). 3 De ware 'Dietser' zat althans tot 1934 
in het eveneens katholiek georiënteerde, maar van oorsprong Vlaamse 'Verdinaso' ('Verbond van 
Dietsche Nationaal-Solidaristen'). 4 Wanneer de fanatieke groot-Nederlanders Zwart Front èn de 
NSB verweten, dat zij het Dietse ideaal slechts een ondergeschikte plaats inruimden 5 , was dat 
inderdaad juist. 

(1) NSB-programma 1932, p. 4, 21. 

(2) Brochure No. V. Staatkundige richtlijnen der Nationaal- Socialistische Beweging in Nederland, Utrecht, 
z.j.(i936),P-30. 

(3) L. M. H. Joosten: Katholieken en fascisme in Nederland 1920-1940, Hilversum- Antwerpen, 1964, 
p. 304-306. 

(4) Zie hiervoor nr. 137, noot 5. 

(5) Deze formulering is van de bewerker. Uiteraard werd door deze lieden een krachtiger woordgebruik 
gebezigd en van verraden, verkwanselen e.d. gesproken. Nadat sinds 1934 het Verdinaso een nieuwe 
politieke koers, die naar een soort van Benelux tendeerde, insloeg, konden de aangevallenen nu op hun 
beurt die partij van verraad etc. betichten. Zie bv. het maandblad Dietbrand, jg. 1936, p. 394-397; 
Joosten, Katholieken en fascisme, p. 276, 277. 



186 



DE VOLKSE TENDENS IN DE NSB 



Dit moge verscheidene gronden hebben gehad. De diepere oorzaak kan evenwel gezocht worden 
in het feit, dat de groot-Nederlandse gedachte buiten het fascistische milieu bijzonder weinig aan- 
sloeg, en daarbinnen ook nog maar gedeeltelijk. Men heeft gezien, hoe het Duitse nationaal-socia- 
lisme de begrippen Volk en völkisch primair stelde, en daarin het wezenlijke onderscheid tussen 
zichzelf en het 'staatse' fascisme zag. 1 Voor deze theoretische tegenstelling waren er in de Duitse 
geschiedenis en de Duitse politieke situatie, in het Duitse nationalistische gevoel, genoeg aankno- 
pingspunten: Oostenrijk, het Sudetenland, de volksdeutsche minderheden in de Oost-Europese 
landen. Iets dergelijks gold, in andere verhoudingen uiteraard, voor het Vlaamse nationalisme. 
Maar een 'volks' principe vond in de Nederlandse geschiedenis, politieke situatie, en nationaal 
bewustzijn een weinig vruchtbare bodem. 

Wat hield dit begrip 'volks' voor Nederland in? Een semantische analyse van dit belangrijke 
sleutelwoord in de rechts-radicale terminologie is er nog niet. In het algemeen gezegd verstond ook 
de Nederlandse fascist of nationaal-socialist het woord Volks' als adjectief bij het begrip 'volk' en 
in tegenstelling tot de staat. Maar vaak was het een mode-woord, waarmee de gemiddelde NSB-er 
een vage territoriale, groot-Nederlandse associatie had, en waaraan hij geen al te vèr-gaande conse- 
quenties verbond. 

De meeste NSB-ers, Mussert voorop, hadden weinig gevoel en belangstelling voor de theorie 
van hun leer. Het Nederlandse volk? Ja, strikt genomen waren dat allen, die Nederlands spraken, 
dus allen, die woonden in het gebied, dat zich uitstrekte 'van de Eems tot Duinkerken'. 2 Gezien de 
politieke situatie, dat wil zeggen het bestaan van de staten Nederland en België, vond de NSB het 
echter niet nodig om hier al te veel werk van te maken. De 'heropbouw van Rijks-Nederland' bleef 
op de eerste plaats staan. 

Theoretisch voortborduren over de begrippen 'volk' en 'volks' voerde echter wel verder, zij het 
regelrecht in een moeizame en loodzware problematiek. Al te veel theoretici telde NSB toch al niet, 
en het zeer selecte aantal, dat zich in deze vraagstukken stortte, het zal de lezer weinig verbazen, 
kwam er niet goed uit. Wel zagen zij al snel, dat de taal als criterium niet voldeed; er waren andere 
factoren, die de zaak compliceerden. Wat, als men de ideologische trouvaille van de Duitse geloofs- 
genoten, het ras, als dominante volks-vormende factor in de plaats van de taal stelde? Dat opende 
zeker perspectieven. In ieder geval bleek er dan geen enkele steekhoudende reden te zijn om het 
gezichtsveld beperkt te houden tussen Eems en Duinkerken. Zelfs de begrenzing naar het zuiden 
werd dan problematisch : Walen en Noord-Fransen konden dan beschouwd worden als geromani- 
seerde Germanen (zij werden in 1943 inderdaad als zodanig door de SS erkend 3 ). Zeker gold dit 
voor de begrenzing naar het oosten, waar de speurders naar volks- en ras-entiteiten alleen maar een 
kronkelige staatkundige lijn zagen - de historische importantie van die 'toevallige' lijn waren zij, 
geobsedeerd door afstammingscategorieën, geneigd te verwaarlozen - maar geen geografische grens, 



(1) Zie p. 151; voor de verschillen tussen autoritair conservatisme, fascisme en nationaal-socialisme de 
reeds genoemde werken van Nolte en De Jonge. Hier zijn niet in de eerste plaats deze verschillen van 
belang, maar wel de wijze, waarop de Nederlandse rechts-radicalen (waaronder wij autoritair-conser- 
vatieven, fascisten en nazi's verstaan) zelf deze verschillen opvatten. Men zie o.a. Wim Zaal: De Her- 
stellers. Lotgevallen van de Nederlandse fascisten, Utrecht, 1966, p. 94 ev., die bij zijn bespreking van het 
onderscheid tussen fascisme en nationaal-socialisme in werkelijkheid - onbewust, naar wij aannemen - 
niet dit onderscheid, maar de typische visie van de gemiddelde Nederlandse fascist daarop geeft. Veel in 
deze visie is ook typerend voor de gedachtengang van zeer vele NSB-ers, die inderdaad meer fascistisch dan 
nationaal-socialistisch dachten, voorzover zij dan over diepergaande staatkundige problemen nadachten. 

(2) Geliefkoosde uitdrukking in het milieu, o.a. in de reeds aangehaalde NSB-brochure uit 1937: De 
bronnen van het Nederlandsche Nationaal-Socialisme, Utrecht, z.j., p. 17. 

(3) Zie p. 177, noot 1. Op wetenschappelijk terrein was dit al voorbereid, o.a. door de Duitse historicus 
Franz Petri (zie Schöffer, Nat. soc. gesch.,p. 155,156, 243-247). 



187 



PREHISTORIE DER NEDE RL ANDSC HE SS : DE VOOR-OOR LOGSE RADICALEN 

geen culturele grens, geen eigenlijke taalgrens, en zeker geen rassengrens. Integendeel, dialecten, 
gewoonten, gebruiken, architectuur, volkskunst, folklore etc. bleken aan weerskanten van de staat- 
kundige grens in elkaar over te vloeien. Het wees allemaal op een gemeenschappelijke, Noords- 
Germaanse ras-oorsprong en dus op de noodzaak van een nauwer politiek samengaan. 

Degenen, die zo dachten, hanteerden het woord 'volks' evenwel liever in niet-territoriale zin, wel 
nog steeds onverminderd in tegenstelling tot het begrip staat, maar in de eerste plaats in tegen- 
stelling tot, ja, tot wat? Het enige exacte, maar weinig zinvolle antwoord zou moeten luiden: tot 
wat tegengesteld aan volks was. Dat behoeft uiteraard, en dringend, toelichting: Tegenover volks, 
adjectief van volk, stond wat niet des volks was, des eigenen volks dan, dus vreemd. On-Nederlands 
dus, zal de lezer misschien geneigd zijn te denken, daarbij de toen heersende opvatting delend van 
de meeste NSB-leden, de Leider inbegrepen. Betekende dit, dat hetgeen aan gene zijde van de 
oostelijke grens van Nederland werd aangetroffen, toch weer als vreemd werd ervaren? Allerminst. 
Wie zo dacht, had er volgens de volkse denkers in de partij nu juist helemaal niets van begrepen. 
Volks was hetgeen voortsproot uit eigen aard, uit eigen bloed. Wat Nederland betreft dus het 
noords-Germaanse bloed. Vreemd was hetgeen andere rassen hadden voortgebracht (Romaans, 
joods enz.) De staatsgrens in het oosten was dus wel degelijk een toevallige, en in wezen irreële lijn. 
Voor de lezer, wie het nog niet helemaal duidelijk is, is het misschien troostrijk te weten, dat de 
aanhangers der theorie zelf ook niet in staat waren het buitengemeen vage begrip 'volks' redelijk te 
omschrijven. Aangezien wij niet pretenderen het zelf beter te kunnen halen wij hier aan hetgeen 
later de theoreticus van de Nederlandsche SS Nachenius erover schreef : 

'De inhoud van dat woordje was voor ons volkomen klaar en duidelijk. Zoals gezegd, wij zouden 
het niet kunnen deflnieeren en het was bij alle duidelijkheid toch ook veelomvattend en vaag in 
zijn begrenzing. [!] Maar dat is niets bijzonders of ongewoons in Germaansche talen. 
Deze inhoud was voor velen even nieuw als het woord zelf, want die hield verband met 'bloed 
en bodem', dus met ras, met nationaal-socialistische begrippen en voorstellingen. Volksch waren 
die dingen die verband hielden met onzen aard, die geen mode of aangeleerde uiterlijkheden be- 
troffen, maar waarden die met den erfelijken aanleg in verband stonden. Wat echt volksch was, 
was vrij van Zuidelijke invloeden, om niet te spreken van Afrikaansche of Aziatische nabootsing. 
Volksch scheidde dus het vreemde van het eigene . . .' 

Het 'fascistische staatsche denken' vatte het begrip 'volksch' op als: 'behoorende tot het Neder- 
landsche volk', zeer ten onrechte: 

'Wie nu uit het 'staatsche denken' komt, ziet in het volk de menschen die binnen de staatsgrenzen 
wonen; wie uit het 'volksche denken' komt, ziet eerst naar bloed en bodem. 
Daardoor ziet het volksche denken de eenheid van heel dat kustgebied in N.W. Europa, dat door 
eenzelfde type van het Noordras is bewoond, waar bloed en bodem zoo eender zijn, dat de volk- 
sche waarden nagenoeg gelijk zijn, en de staatsgrenzen slechts scheiden, wat volksch gezien 
bijeenhoort.' 1 

(i) SS- Vormingsbladen 1943, p. 290-291. In de in p. 187, noot 2 aangehaalde brochure van de NSB 
wordt gesproken (eveneens op p. 17) over het Nederlandse volk als behorend 'tot de Germaansche tak 
van het Noordras, het ras, dat de wereld tot op den huidigen dag leidt door zijn scheppende kracht, zijn 
stoutmoedigheid, zijn doorzettingsvermogen.' Dit was hetgeen de Duitsers zouden noemen een 'Bekennt- 
nis zur Rasse'; nieuw voor een officieel geschrift van de NSB, en voor de schrijver, Mussert. Misschien 
zou men beter over een 'Lippenbekenntnis zur Rasse' kunnen spreken, want het trekken van de ideolo- 
gische consequenties vermeed hij geheel, zo hij ze al zag. Over de opneming van dit soort passages in de 
brochure p. 217 en noot 1 daarbij. 



188 



DE VOLKSE TENDENS IN DE NSB 



Men vergeve ons dit lange citaat. Hoewel in 1943 geschreven, geeft dit de tendens in een bepaalde 
kring van de NSB voor de oorlog veel duidelijker weer dan uitspraken uit die tijd zelf, dank zij hun 
veelomvattende vaagheid, die wij met deze denker maar als gebruikelijk in de Germaanse talen 
zullen veronderstellen. Verderop zullen nog enige specifiek volkse denkbeelden nader worden om- 
schreven, maar volkomen klaar en duidelijk zal het nu al wel zijn, dat Volks' nagenoeg parallel liep 
met de begrippen bloed en bodem, nog klaarder en duidelijker gezegd: ras. 

Eveneens duidelijk, waar deze begrippen vandaan kwamen. In de periode van ongeveer 1935 tot 
1940 konden de Duitse nazi-ideeën, wij zeiden het al, in de NSB doordringen dank zij het ideologi- 
sche vacuüm, dat in de partij, en ook in de gedachtenwereld van de leider, heerste. Misschien mag 
men zich er eerder over verwonderen, dat de Nederlandse nationaal-socialisten, althans de zich zo 
noemende NSB-ers, aanvankelijk nog tamelijk veel weerstanden tegen deze begrippen toonden, dan 
dat zij die weerstanden (restanten wellicht van de a-racistische Nederlandse denktradities) meer 
en meer opgaven. Fervente preoccupatie met bloed en bodem, Noordras en speciaal Germanen- 
dom, accentuering van het gemeenschappelijke, dat volkeren als het Nederlandse en bijvoorbeeld 
het Duitse (!) bond, bleef het kenmerk van een klein aantal lieden, al spoedig bekend als de Volkse' 
richting in de NSB. 1 

Gezien het overheersende negativisme in de NSB en het ontbreken van een duidelijke, positieve 
ideologie, is het helemaal niet verwonderlijk in de partij allerlei lieden aan te treffen, die in hun 
politieke voorstellingen bijna alle kleuren van het anti-democratisch-rechtse spectrum vertonen, 
van rechts-autoritair tot en met duidelijk Volks'-nationaal-socialistisch. De overgang is vloeiend, 
en men moet zich de volkse vleugel (de aanhalingstekens bij het adjectief zullen wij voortaan maar 
weglaten) ook niet als een georganiseerde groep voorstellen. Ook hier moeten weer allerlei kleur- 
schakeringen worden aangebracht, tussen minder of meer volks-gezinden of -geïnteresseerden. 2 En 
nogmaals: wat was volks? Men kon zich ook zo noemen, en onder dit etiket bijvoorbeeld wat (even) 
vage groot-Nederlandse gevoelens opbergen, tot gramschap van de 'echte' volksen, die het woord 
niet van zijn pan-Germaanse, raciale inhoud wilden laten beroven. 

Wanneer men er niet tegen opziet de werkelijkheid lichtelijk geweld aan te doen, en ter wille van 
de duidelijkheid verder wil schematiseren, kan men de volksen, de onvervalste dan, in twee, of 
eigenlijk zelfs drie, categorieën onderbrengen: een uitsluitend politiek gerichte groep, bestaande uit 
de NSB-functionaris Rost van Tonningen en enige aanhangers van hem, en voorts een wat grotere 
groepering, die pretendeerde cultureel-wetenschappelijk te werk te gaan, doch waaruit zich vlak 
voor de oorlog een begin van politieke organisatie ontwikkelde in de vorm van de zg. Mussert- 
Garde. 8 Hieruit zou in september 1940 de Nederlandsche SS ontstaan. Hoe dat precies is gebeurd, 
is voornamelijk een kwestie van reconstructie en interpretatie van de historicus, aangezien van de 
volkse vleugel der NSB en de voorgeschiedenis van de oprichting van de Nederlandsche SS eigen- 
lijk bijzonder weinig bekend is. De schaarste aan bronnenmateriaal is niet zo verwonderlijk; de 
politieke implicaties waren zelfs voor de belangrijkste voormannen van de volkse groep vaag en 
variabel, en ze wensten ook binnen de NSB zeker niet daarmee te koop te lopen. Bepaald materiaal 
werd uit angst voor maatregelen van de Nederlandse overheid voor of tijdens de mei-dagen van 



(1) Een goed inzicht in de rechts-radicale theorieën over volk, ras, natie e.d., en de ontwikkeling daarvan 
in NSB en Nederlandsche SS, en tevens over de verhoudingen in en tussen deze organisaties, vindt men 
in de verzameling opstellen, na de oorlog op het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie geschreven 
door H. W. van Etten (zie voor hem nr. 398, noot 1). Van Etten behoorde voor de oorlog tot de volkse 
groep in de NSB. Zijn na-oorlogse verhandelingen zijn nogal wijdlopig, maar met grote kennis van zaken 
over de behandelde stof geschreven. 

(2) Zo ook Woudenberg in zijn memoires (Doe. I Woudenberg, Mem. II, p. 40). 

(3) Deze drie-deling wordt ook gemaakt door Van Etten. 



189 



PREHISTORIE DER NEDERL ANDSCHE SS : DE VOOR-OORLOGSE RADICALEN 

1940 vernietigd. 1 Vlak na de Duitse inval werd er meer gericht op een SS aangestuurd, maar toen 
waren er andere redenen voor de betrokkenen om van de dessous van de zaak weinig sporen op 
papier achter te laten. De belangrijkste factor is toch wel geweest, dat bepaalde verschijnselen in de 
voor-oorlogse NSB achteraf wel als een evolutie in de SS-richting mogen worden geïnterpreteerd, 
maar dat van degenen, die hierbij betrokken waren, vermoedelijk maar twee of drie figuren bewust 
in de Duitse SS een navolgenswaard voorbeeld hebben gezien. 
Tot deze figuren hoorde in ieder geval Rost van Tonningen. 

B. Rost van Tonningen 

fc Die N.S.B. dagegen war und ist auch heute noch ein Gemisch von einerseits bürgerlich-fascis- 
tisch-christlichen Strömungen, andererseits ein völkischer Nationalsozialistischer Kern . . . Die 
Nationalsozialistische Idee in ihrer reinen Form lebt eigentlich nur bei der Führung der Kruyt 
und van Rappard Bewegungen', 

Deze ideologische onvoldoende kreeg de NSB uitgedeeld door een zeer prominent partij-lid, dat 
binnen korte tijd zelfs plaatsvervangend leider van de partij (zij het slechts de tweede van dat soort, 
naast Van Geelkerken) zou worden. Rost van Tonningen formuleerde deze opvallende kritiek 
weliswaar pas na de Duitse inval in Nederland, in een brief van 24 augustus 1940 aan de rijks- 
commissaris Seyss-Inquart 2 , maar het lijdt geen twijfel, dat hij allang voor de oorlog - toen ook al 
een vooraanstaande positie in Musserts partij bekledend - zich veel meer dan met zijn partijgenoten 
verwant voelde met de NSNAP-concurrenten, waarmee de NSB toen reeds op voet van oorlog stond. 

Helemaal ongelijk had hij zeker niet. De volkse vleugel in de NSB kwam ideologisch, of misschien 
kan men beter zeggen, fraseologisch, heel dicht in de buurt van de NSNAP-denkbeelden, zij het, 
dat de volksen zich wel distantieerden van de onmogelijke opvatting van Van Rappard c.s. over 
het 'Duitse' karakter van het Nederlandse volk. Maar die volkse kern was niet zo kernachtig, 
voorlopig niet meer dan een vrij losse verzameling van gelijkgestemde individuen. Rost was daarbij 
helemaal niet de aangewezen aanvoerder van deze lieden, zoals hij later de Duitsers gaarne wilde 
doen geloven 3 , en de hierboven genoemde groep-Rost bestond eigenlijk alleen uit hemzelf en enige 
secondanten van geringere importantie (al dan niet bewust 'volks'). Direct valt het ontstaan van de 
Nederlandsche SS niet op hem terug te voeren. Maar wel was hij het, die zich door het echte, ware, 
Duitse nationaal-socialisme liet inspireren, hij was het, die - daarin lag nu juist zijn betekenis - 
door zijn denkbeelden, optreden en stijl de NSB verder radicaliseerde en meehielp een bepaald 
extreem nazi-klimaat in de partij te scheppen. 

Hij was geen NSB-er van het eerste uur. 4 Toen de NSB in 1935 haar grote verkiezingstriomf 
vierde, bewoog Rost zich nog als vertegenwoordiger van de Volkenbond, die het financieel-econo- 



(1) Vgl. hetgeen E. Fraenkel-Verkade over de Mussert-Garde zegt in Corresp. Rost, p. 70. 

(2) Corresp. Rost, nr. 80. 

(3) Zie het citaat op p. 196. 

(4) Het volgende, in deze noot en de verdere tekst, over Rost is voornamelijk ontleend aan de inleiding 
van E. Fraenkel-Verkade bij Corresp. Rost. Bij bepaalde passages wordt in andere noten de pagina of het 
document-nummer in Corresp. Rost aangegeven, evenals de andere bronnen, die de bewerker ten aanzien 
van Rost heeft gebruikt. Meinoud Marinus Rost van Tonningen werd op 19 febr. 1894 te Soerabaja 
geboren als jongste zoon van een hoog KNIL-officier. Van 19 14 tot 19 19 vrijwillig in militaire dienst; 
b^gon in deze periode reeds de rechtenstudie te Leiden; behaalde in 1921 de meesterstitel. Functie bij de 
Volkenbond, o.a. te Wenen (zie voor precisering van Rosts internationale functies Corresp. Rost, p. 851). 
Van 1928 tot 1931 werkzaam bij een bankiersfirma. Van 1931 tot september 1936 vertegenwoordiger 
van de Volkenbond te Wenen ter controle van de Oostenrijkse financiën (zie hiervoor ook nr. 1, noot 29). 



190 



ROST VAN TONNINGEN 



mische beleid van Oostenrijk moest controleren, partijloos en politiek zelf nog tamelijk richting- 
loos in de society van Wenen. Hij gebruikte zijn positie tevens om als vertrouwensman van de 
Oostenrijkse kanselier Dollfuss op te treden. In die tijd, dat wil zeggen in de eerste helft van 1934, 
moet zijn bekering tot het nationaal-socialisme hebben plaatsgevonden. Toen eind juli Dollfuss 
door Oostenrijkse nazi's vermoord werd, bekoelde zijn enthousiasme voor Hitiers heilsleer geens- 
zins. 'De ommekeer was echter zo radicaal, dat het zelfs blijkbaar geen rol meer speelde, dat het 
zijn nieuwe geloofsgenoten waren, die de kort tevoren door hem nog zo bewonderde 'kleine kanse- 
lier* om het leven brachten.' 1 

Dit nieuwe geloof was echter niet de overtuiging van de gemiddelde NSB-er, maar, wij wezen er 
reeds op, het nationaal-socialisme van het fanatieke, diep-bruine soort, meer Oostenrijks nog dan 
Duits, fel antisemitisch en anti-klerikaal. Wat wij hierboven van hem citeerden, illustreert goed, 
hoe hij politiek en mentaal veel meer thuishoorde in een van de NSNA P-groeperingen dan in de 
'burgerlijke', 'fascistische' NSB. Maar deze intelligente, energieke en uiterst eerzuchtige man, die 
door zijn positie in Wenen veel ervaring in buitenlandse (en, wat Oostenrijk betreft, tevens binnen- 
landse!) politiek opgedaan had, zag uiteraard heel goed in, dat alleen in de NSB kansen lagen. Dat 
hij in deze partij meteen een hoofdrol heeft willen spelen, en liefst de kleinburgerlijke onderwijzers- 
zoon, die daarvan nu toevallig de leider was, overvleugelen - het lijdt geen twijfel. 

Mussert zag dat nog niet in. Integendeel, hij meende zeker aanvankelijk, dat een figuur als Rost 
met zijn naam, zijn kennis van financieel-economische kwesties, en zijn internationale ervaring en 
relaties een aanwinst voor de Beweging zou zijn. 'Ik haalde daarmee het Paard van Troje binnen,' 
verklaarde hij na de oorlog 2 , maar in 1936 onderkende hij nog geen gevaren. Gebrek aan mensen- 
kennis was trouwens een hoofddeugd van de NSB-leider, die tot zijn dood toe in de edele bedoe- 
lingen van Hitier bleef geloven, 

'want mensen, die zo goed alles doorzien, die deugen niet. Ik kan beter honderdmaal bedrogen 
worden dan eenmaal te bedriegen. Ik heb inderdaad een zekere naïviteit, maar geloof, dat dat 
goed is. Men wordt er niet beter van, als men al dat bedrog en zo, zo gauw ziet.' 3 



Sinds aug. 1936 lid van de NSB, van november van dat jaar tot nov. 1940 hoofdredacteur van Het 
Nationale Dagblad. Sinds 1937 lid van de Tweede Kamer voor de NSB. Op 3 mei 1940 door de Neder- 
landse regering geïnterneerd, tijdens de oorlogshandelingen weggevoerd, te Calais door Duitse troepen 
bevrijd. Van juli 1940 tot juli 1941 commissaris voor de marxistische partijen; in deze functie moest hij 
trachten de Nederlandse arbeidersbeweging voor de nieuwe orde te winnen, althans gelijk te schakelen. 
Sinds 22 sept. 1940 tweede plaatsvervangend leider van de NSB (de eerste was Van Geelkerken), van okt. 
1940 tot eind maart 1941 tevens vormingsleider van de NSB, dank zij Duitse pressie op Mussert. De 
laatste functie moest hij verwisselen voor enige andere van minder belang. In die tijd door Seyss-Inquart 
benoemd tot president van de Nederlandsche Bank, een maand later tot secretaris-generaal voor bijzondere 
economische zaken en waarnemend secretaris-generaal van financiën. Hij had toen echter de glans van de 
veelbelovende nazi-politicus, waarop de Duitsers in 1940 zoveel hoop gevestigd hadden, allang verloren, 
hoewel hij tot het einde toe het persoonlijk vertrouwen van Himmler wist te behouden. Wel bekleedde hij nog 
andere functies in partij, staat en maatschappij, o.a. was hij sinds juli 1942 president van de Nederlandsche 
Oostcompagnie. Medio 1944 opleiding bij de Landstorm Nederland afgesloten met een bevordering tot 
Untersturmfiihrer d. R. der Waffen-SS. Eind 1944 door Mussert ontslagen als plaatsvervangend leider van 
de NSB. In maart 1945 naar het front in Nederland, in mei krijgsgevangen. Op 6 juni 1945 in de gevangenis 
te Scheveningen om het leven gekomen onder niet geheel opgehelderde omstandigheden; vermoedelijk 
door zelfmoord (zie ook: Ned. in Oorlogst, sept. 1947, P- 145-160). 

(1) E. Fraenkel-Verkade in Corresp. Rost, p. 25; daar tevens enige aanduidingen van de oorzaken van 
zijn bekering. 

(2) Verkl. Mussert II, p. 1. 

(3) A.v.,II,p.4. 



191 



PREHISTORIE DER NEDERL ANDSCHE SS: DE VOOR-OORLOGSE RADICALEN 

Zo is het te begrijpen, dat Mussert lange tijd Rost ook niet heeft willen zien, zoals die was: een 
heerszuchtige, driftige en bovendien onbetrouwbare intrigant, zij het niet onbekwaam; een 'be- 
gerige . , . onevenwichtige fanaticus', luidt het oordeel elders. 1 Rost kwam de NSB binnen en kreeg 
de positie, die Mussert en hij van tevoren met elkaar hadden afgesproken. Hij werd de hoofd- 
redacteur van het blad, dat naast het weekblad Volk en Vaderland nu dagelijks de overtuiging van 
het NSB-publiek moest schragen: Hei Nationale Dagblad, waarvan het eerste nummer op 2 novem- 
ber 1936 verscheen. De verkiezingen in 1937 brachten hem bovendien in de Tweede Kamer, waar 
hij met H. J. Woudenberg, G. Dieters, en M. V. E. H. J. M. graaf de Marchant et d'Ansembourg 
de NSB vertegenwoordigde. Mussert en Van Geelkerken hadden het (na de verkiezingsnederlaag 
niet onverstandig) raadzaam geoordeeld niet zelf in het parlement een zetel in te nemen. 

Meer nog dan zijn drie mede-fractieleden excelleerde Rost in het voeren van een uiterst negatieve, 
demagogische oppositie, gericht op het applaus van alle ontevredenen en verbitterden in den lande. 
Zijn optreden in de Kamer was daarmee een verlengstuk van de artikelen in Het Nationale Dagblad; 
als hoofdredacteur en kamerlid speelde hij meer en meer de rol van aanklager van het democratisch- 
parlementaire systeem, dat in NSB-ogen weliswaar voos en ten dode gedoemd was, maar waarvan 
de huichelachtigheid en de essentiële oneerlijkheid voortdurend aan de kaak gesteld dienden te 
worden. Dit naar voorbeeld van de Duitse nazi's vóór 1933, met name Goebbels 2 , en natuurlijk bij 
voorkeur door het uitbuiten van echte of vermeende schandalen. Dat hoefde overigens echte ver- 
ontwaardiging over misstanden en onrecht niet uit te sluiten, zoals bij de zaak-Oss. 3 Deze gerucht- 
makende, inderdaad weinig fraaie en voorts slepende affaire mag gelden als het hoogtepunt van de 
anti-regeringscampagne van de NSB in de laatste vooroorlogse jaren. Het was tevens in vele op- 
zichten een persoonlijke zaak van Rost, die meer dan wie ook in de NSB er een grote propaganda- 
stunt voor de NSB van wilde maken met opzienbarende politieke processen e.d. Dat laatste lukte 
niet al te best, maar wel slaagde Rost er in de zaak in de Tweede Kamer zo te behandelen, dat hij 
eerst voor één dag van de zitting werd uitgesloten; in een later stadium raakte hij zelfs in een com- 
plete vechtpartij met andere kamerleden betrokken, een unicum in de Nederlandse parlementaire 
geschiedenis. Het negatieve effect van dit soort oppositie op de publieke opinie heeft de NSB, heeft 
in ieder geval Rost sterk onderschat. Binnen de partij werd Rost natuurlijk de martelaar-getuige, 
die door de democratische heren de mond werd gesnoerd. 4 

Evenwel, zijn openbaar optreden was dat van de NSB, die hij representeerde, rumoeriger en 
brutaler dan men gewoon was van de andere NSB-leiders, maar een nieuw politiek of ideologisch 
moment hield dat op zichzelf niet in. Het belangrijkste gevolg was misschien, dat deze houding 
van Rost hem de naam bezorgde van onverzoenlijk bestrijder van het vigerende politieke stelsel. 
In dit opzicht overschaduwde hij de andere NSB-leiders. Het betekende, dat Rost de man werd voor 
de meest intransigente en fanatieke NSB-ers, en dat zou niet helemaal zonder gevolgen blijven. 

Het Nationale Dagblad was zeker een goed aanknopingspunt; het blad werd in Leiden gedrukt, 
enigszins uit de buurt dus van Utrecht, waar het hoofdbureau van de NSB - in overeenstemming 
met de fascistisch-militaire stijl het 'Hoofdkwartier' genoemd - was gevestigd. Buiten de hoofd- 
redacteur waren nog andere geprononceerd volksgezinden aan het blad verbonden : de latere SS- 
uitgever R. van Houten als directeur, opgevolgd in 1937 door E. J. Roskam, de latere Boerenleider, 



(1) L. de Jong in Ned. in Oorlogst, sept. 1947, p. 145. 

(2) Rost heeft zeker bij zijn politieke strijdwijze Goebbels en consorten bewust voor ogen gehad: zie bv. 
het begin van Corresp. Rost, nr. 46a. 

(3) Voor een uiteenzetting van de zaak-Oss zie Corresp. Rost, p. 47-49. Woudenberg toonde zich ook na 
de oorlog positief overtuigd van de oprechtheid van Rost, die er natuurlijk wel politieke munt uit wilde 
slaan (Doe. I Woudenberg, Mem. I, p. 38). 

(4) Nat. Dagbl. 22 juni 1938 en 2 maart 1939. 



192 



ROST VAN TONNINGEN 



die trouwens al vóór de komst van Rost in de NSB als eerste het bloed-en-bodem evangelie was 
begonnen te prediken 1 , en zijn wat mistige theorieën nu in de krant verkondigde. Als directeur 
werd evenwel ook Roskam echter door de NSB-leiding ontslagen, in de eerste plaats vanwege zijn 
beheer, maar wantrouwen van 'Utrecht' tegenover de volksgezinden speelde daarbij vermoedelijk 
tevens een rol. 2 Mr. H. Reydon, die trouwens al sinds 1933 in contact stond met Roskam, was een 
tijdlang waarnemend hoofdredacteur. 3 Nico de Haas, die in de oorlog jarenlang het blad Storm-SS 
zou redigeren, was als redacteur aan de krant verbonden. We zullen deze figuren nog tegenkomen 
bij de bespreking van de andere volkse voormannen. 

Nu moet men Het Nationale Dagblad niet zien als een openlijke spreekbuis van de volksen; 
toen Rost later in een brief aan Seyss-Inquart bij de voor-oorlogse kern 'die Gruppen der von mir 
geführten Tageszeitung' rekende 4 , suggereerde hij meer dan er in werkelijkheid geweest was. 

Wel penetreerden enige volkse elementen de kolommen. Het eerste nummer, van 2 november 
1936, opende met een beginselverklaring, waarin het woord 'ras' enige malen opdook, en de 
boerenstand als zuiverste vertegenwoordigster van het 'oereigene karakter' van de Nederlandse stam 
werd genoemd. De idealisering van de boer als bewaarder van het volkseigene was inderdaad een 
typisch kenmerk van volks denken: Roskam plaatste warrige hoofdartikelen met deze en soort- 
gelijke strekking, doorspekt met zinsneden, ontleend aan zijn religieus-gereformeerde voorstel- 
lingen 5 , die in de z.g. Politieke Raad van de NSB - een nogal informeel gremium van hoogge- 
plaatste NSB-functionarissen - af en toe onderwerp van gesprek waren: bijna iedereen vond het 
zonder meer kolder, een niet onjuiste kwalificatie. Alleen Rost, die in het algemeen een wat gefor- 
ceerd enthousiasme meende te moeten koesteren voor het gewone, eenvoudige volk van boeren 
en arbeiders met hun 'gezonde oerkracht', vond het nodig om in de Politieke Raad Roskam te 
verdedigen, omdat hij meende in diens stijl iets uitzonderlijk volks te zien. 6 

Er verscheen wel meer in Het Nationale Dagblad, dat in die richting wees: artikelen over genea- 
logie, over de 'Germaansche voorvaderen', over 'Rassenhygiëne en Nationaal-Socialisme' 7 , maar 
deze artikelen waren gering in aantal, en de volkse tendens erin was meestal vaag. De streekroman- 
achtige illustraties, die geregeld onder de kop 'Van Volk en Bodem' in het blad verschenen, kunnen 
moeilijk als een krachtige stimulans voor het 'volksch ontwaken' van de gemiddelde lezer be- 
schouwd worden. Wel nam het antisemitisch gestook in Het Nationale Dagblad voortdurend in 
scherpte toe, maar dat was in minstens dezelfde mate het geval met het weekblad Volk en Vaderland, 
dat stevig in de greep van het Mussert-getrouwe, niet-volkse 'Hoofdkwartier' bleef. Het aantal 
artikelen met een min of meer volkse strekking woog bij lange na niet op tegen het gebruikelijke 
journalistieke voer, dat de lezer voorgeschoteld kreeg en dat de gemiddelde NSB-er ook het meest 
na aan het hart lag, zoals de defensie van Nederlands-Indië, de crisis-wetgeving van de regering 
e.d. En dit kon moeilijk ook anders. De krant van Rost - want zo ging men Het Nationale Dagblad 
steeds meer zien - vertoonde wel in stijgende mate de agressiviteit van een strijdblad, maar bleef in 
eerste instantie toch een dagblad, dat bedoeld was om feitelijke informatie te geven. Als het blad 
al de rechts-radicale lezerskring in volkse zin heeft beïnvloed, dan toch bepaald minder dan andere, 
hierna te noemen periodieken. 

Desondanks begon 'Utrecht' een klimmend wantrouwen te koesteren tegen de energieke en 

(1) Zie p. 198. 

(2) Zie Corresp. Rost, nr. 43, noot 2, en nr. 45. 

(3) Doe. I Reydon 

(4) Corresp. Rost, nr. 80. 

(5) Zie bv. Nat. Dagbl. 21 sept. 1937. 

(6) Doe. I Woudenberg, Mem. II, p. 1 1. 

(7) Vooral dit laatste, van de hand van de arts J. E. van Renesse, later SS-er, is duidelijk racistisch in 
SS-zin (Nat. Dagbl. 1 1 sept. 1937)- 



193 



PREHISTORIE DER NEDERL ANDSCHE SS : DE VOOR-OORLOGSE RADICALEN 

radicale, heftige en eigenzinnige Rost. Persoonlijke en politieke motieven zijn hier praktisch niet te 
scheiden: ook onder de volksgezinden had Rost zijn vijanden, en zeker in de NSB-top, waar hij de 
oudere rechten van een aantal NSB-prominenten onder de voet dreigde te lopen. 1 Dat Rost trachtte 
de Leider voorbij te streven, dat hij onafhankelijk van Mussert relaties met hooggeplaatste Duitsers 
onderhield, het waren argumenten, die vaak bij Mussert naar voren werden geschoven door Van 
Geelkerken, d'Ansembourg, Koster, uit persoonlijke jaloezie en ressentiment. De houding van 
Mussert tegenover Rost werd weifelend en angstig. Rosts vijanden hadden blijkbaar af en toe succes 
met hun influisteringen bij de Leider, die begin 1938 in de Politieke Raad 'heftig' uitviel tegen Rost. 
Deze poogde dan moeizaam weer het verloren terrein te herwinnen, eveneens niet zonder resul- 
taat. 2 Pas in de oorlog leerde Mussert hem zien als de belangrijkste handlanger van de SS, als 
'Himmler's koekoek in Mussert's nest'. 8 

Men mag echter de gedragingen van Rost tijdens de bezetting niet zonder meer in de vooroorlogse 
periode terugprojecteren, evenmin trouwens als het gedrag van Mussert of van wie dan ook. Een 
groot deel van de publieke opinie in Nederland was er al voor mei 1940 van overtuigd, dat op zijn 
minst de NSB door de Duitsers werd gefinancierd, en dat Mussert geregeld nauwkeurige instruc- 
ties uit Berlijn ontving. 4 Deze vermoedens lokte de NSB zelf uit door de vrijwillig gekozen rol van 
onbezoldigd reclame-agent voor het Derde Rijk - evenwel, in werkelijkheid was het contact tussen 
de NSB-leiding en de Duitse nazi-regering van geringe betekenis; reële samenwerking was er niet. 5 
Maar binnen de NSB, althans binnen het 'Hoofdkwartier', waarde ook voor de oorlog al de ver- 
raad-legende rond : hier was het Rost, die 'verraad' zou plegen, aan de Leider dan wel te verstaan ; 
na de oorlog waren Mussert en andere NSB-ers er van overtuigd, dat Rost door de SS als infiltrant 
de NSB was binnengezonden. Zelfs in de huidige wetenschappelijke litteratuur komt men deze 
onhoudbare stelling nog wel tegen. 6 

En toch zat er ideologisch gezien een kern van waarheid in. De leidende figuren kregen terecht het 
boze vermoeden - Mussert natuurlijk het laatst - dat Rost een eigen, op het radicale Duitse nazi-dom 
geïnspireerde politiek volgde, en daarvoor zijn persoonlijke connecties èn de NSB-contacten, die 
trouwens niet of moeilijk te onderscheiden waren, gebruikte. Gelijktijdig, in de zomer van 1936, 
onderhandelde hij met Mussert over toetreding tot de NSB, en met zijn Duitse relaties over een 
bezoek aan Hitier. Toen hij tenslotte op 20 augustus door de Führer ontvangen werd, was dat een 
volstrekt persoonlijke zaak, waar de NSB geheel buiten stond, maar wel begon Rost daar met zijn 
pogingen Mussert bij Hitier te introduceren 7 ; drie maanden later lukte dat ook. Geen wonder, dat 

(1) Zijn persoon alleen al moet grote weerstanden hebben opgeroepen; E. Fraenkel-Verkade zegt zelfs, 
dat Rost onder zijn politieke tegenstanders weinig zo felle vijanden had als onder zijn NSB-kameraden 
(Corresp. Rost, p. 57). 

(2) Corresp. Rost, nrs. 43, 45, 47; tekenend ook Musserts na-oorlogse uitspraak: 'Maar het was zo, dat 
als men met hem sprak, men zich afvroeg: Wie is nu de schurk, hij of ik?' (Verkl. Mussert II, p. 1). 

(3) Titel van een na-oorlogse verhandeling over Rost van de ex-NSB-journalist Jan de Haas (berustend 
op het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie). 

(4) Zie b.v. de politieke prenten van tegenstanders, met merkwaardige eerlijkheid of onnozelheid gere- 
produceerd in Voor Volk en Vaderland, p. 222. 

(5) Zie L. de Jong: De Duitse Vijfde Colonne in de tweede wereldoorlog, Arnhem-Amsterdam, 1953, p. 249. 

(6) De Jonge, Crisis der democratie, p. 229, zegt: 'Met Rost van Tonningen deed niet zozeer de 'werke- 
lijke nazi' zijn intrede in de NSB-leiding als wel de Duitse agent; hij was een intiem vriend van de SS-leider 
Himmler en andere Duitse politici en trad in overleg met hen toe tot de NSB.' Deze voorstelling van 
zaken, geheel in overeenstemming met Verkl. Mussert I, p. 3 en de in noot 3 genoemde bron, is echter 
volslagen onjuist. In de pericde, dat Rost besloot tot de NSB toe te treden, had hij nog helemaal geen 
contact met Himmler of de SS. 

(7) Corresp. Rost nr. 29. In 1938 bracht Rost een ontmoeting tussen Mussert en Himmler teweeg; een 
succes werd het niet, hetgeen misschien ook wel de bedoeling was (Corresp. Rost, nrs. 237, 248). 



194 



ROST VAN TONNINGEN 



Rost in 1937 d'Ansembourg als de contactman van de NSB met de Duitse nazi's wist te verdringen. 
Sinds dat jaar was hij ook regelmatig de gast van de Reichsführer-SS, die aanzienlijk meer tijd aan 
hem besteedde en in de oorlog verder zou besteden dan de immer drukbezette, met andere zaken 
gepreoccupeerde, in wezen in Nederlandse zaken ongeïnteresseerde Führer. Rost was bij Himmler 
geïntroduceerd door jkvr. Julia op ten Noort 1 , één van de merkwaardigste figuren in het wereldje 
van het Nederlandse nationaal-socialisme. Zelf had zij slechts enkele jaren eerder de hoogste SS- 
leiding leren kennen, en door haar raakte Rost niet alleen met Himmler op vriendschappelijke 
voet, maar ook met een aantal hoge SS- Führer, zoals Himmlers Chef des Persönlichen Stabes Karl 
Wolff, zijn manager voor financiële zaken Fritz Kranefuss, en anderen. Samen bleven Rost en 
'Juul' op ten Noort de twee vertrouwde Nederlandse relaties van Himmler; haar had de SS-leider - 
voorzover dat bij hem mogelijk was - zijn algehele vertrouwen en sympathie geschonken, misschien 
meer nog dan aan Rost, die weliswaar 'Himmler's oudste Nederlandse vertrouwensman' 2 
werd en ook wel zou blijven, maar die later, vooral in de tweede helft van de oorlog, veel van zijn 
politieke waarde voor de SS zou verliezen. 

Omgekeerd: Rost had voor de oorlog nog wel andere belangrijke relaties in het Derde Rijk, 
vooral bij het Auswartige Amt. En men mag aannemen, dat hij gepoogd heeft de machthebbers in 
Hitiers Duitsland de indruk te geven, dat hij, de snelle, intelligente en felle Rost van Tonningen, 
veel meer dan een figuur als Mussert geschikt was om als leider van het Nederlandse nationaal- 
socialisme op te treden. 

Met of zonder hulp van Duitse bajonetten? Men mag eveneens gevoegelijk aannemen, dat Rost de 
mogelijkheid van een Duitse inval overwogen moet hebben, evenals Mussert trouwens. Dat hij de 
Duitsers aangespoord heeft, of gesterkt in hun voornemen Nederland binnen te vallen - daarvoor 
is geen enkele aanwijzing; integendeel, hij en 'Juul' schijnen in het voorjaar van 1940 getracht te 
hebben Himmler erop te wijzen, dat een Duitse aanval op Nederland alleen maar nadelen bracht, 
in de eerste plaats voor de NSB zelf. 3 Dat Rost beschikbaar was, als die inval eenmaal had plaats- 
gevonden, daaraan hoefde geen Duitser te twijfelen. Evenwel, het beeld, dat Rost voor de oorlog 
van zichzelf creëerde als de aangewezen figuur om de Nederlandse nazi-beweging te leiden, schijnt 
slechts door de SS geaccepteerd te zijn. De andere Duitse instanties hebben wellicht beter dan 
Himmler, beter dan Rost zelf, gezien, dat de NSB, hoezeer onvoldoende nazistisch in Duitse ogen, 
nu eenmaal de enige rechts-radicale partij in Nederland was, die een zekere betekenis had ver- 
worven, en dat dit niet gebeurd was ondanks, maar eerder dank zij de weinig geprononceerde bur- 
german Mussert. 

Natuurlijk kunnen hierbij ook andere motieven en persoonlijke, min of meer toevallige omstan- 
digheden ook een rol hebben gespeeld. Zo zal het voor menige Duitse functionaris vaak onduidelijk 
zijn gebleven, wanneer en in hoeverre Rost als representant van de NSB in Duitsland kwam (bv. 
als gast op de Parteitage te Neurenberg), of a titre personnel. Bovendien kunnen Auswartige s Amt, 
Propagandaministerium of welke andere Duitse instantie dan ook, waarmee Rost in contact stond, 
heel goed bepaalde reserves tegen hem hebben gekregen juist door zijn groeiende vertrouwens- 
positie bij Himmler. 

De vraag, wat deze voor-oorlogse contacten van Rost hebben betekend voor de latere vorming 
van de Nederlandsche SS, kan moeilijk worden beantwoord door het ontbreken van contemporain 
bronnenmateriaal. Men moet hier afgaan op latere uitingen van de betrokkenen en andere indirecte 
aanwijzingen, die echter zeer weinig concreet uitsluitsel geven. Het feit, dat zeer kort na de Duitse 
inval in Nederland Seyss-Inquart en Himmler met Rost politieke projecten voor de nazificering van 



(1) Zie voor meer gegevens over haar nr. 3 1 , noot 6. 

(2) De uitdrukking is van Rost zelf ; zie Corresp. Rost, p. 37. 

(3) Zie Corresp. Rost, p. 39. 



195 



PREHISTORIE DER NEDERL ANDSCHE SS : DE VOOR-OORLOGSE RADICALEN 

Nederland opstelden, waarbij zeker de oprichting van een Nederlandse SS werd genoemd (wij 
komen hier nog op terug), wijst erop, dat Rost hun op dat moment de aangewezen man leek, en dat 
de SS hem toen als een uiterst belangrijk schaakstuk in haar spel zag. Men had hem voor de oorlog 
immers al als een echte, onvervalste nazi leren kennen, en zonder twijfel had hij toen al blijk ge- 
geven van sympathie en bewondering voor de SS, zonder twijfel trok, behalve de geprononceerde 
ideologie, het 'idealistische', het militaire en het élite-karakter van deze organisatie - duidelijk 
afstekend tegen de rowdy-sfeer in SA en WA - de officierszoon uit goede familie aan. Deze aantrek- 
kingskracht kon alleen maar versterkt worden door zijn persoonlijk contact met de hoogste SS- 
leiders, die hij van de salonfahige kant leerde kennen als beschaafde, nette, tevens jeugdige en actieve 
mannen, nog niet gebrandmerkt door hun aandeel in latere massamoorden: de chef-staf van 
Himmlers bureau Karl Wolff, de Silezische SS-Oberabschnittsführer Udo von Woyrsch, VoMi- 
leider Werner Lorenz, Fritz Kranefuss, allen oude relaties van Julia op ten Noort 1 , qua type en 
milieu geheel bij Rost aansluitend. Het is heel goed denkbaar, dat hij gedacht heeft aan de mogelijk- 
heid van iets dergelijks als een SS in Nederland bij, in, naast de NSB. Men kan zich voorstellen, dat 
hij hierover met Himmler of diens ondergeschikten gesproken heeft en Rost heeft kennelijk een 
zeker aandeel gehad in de oprichting van de z.g. Mussert-Garde in 1939, die wij hieronder nog 
zullen tegenkomen. 2 Maar een openlijke oprichting van een SS in Nederland moet men toen toch 
wel als een politieke onmogelijkheid hebben gezien. Dit zou de NSB, die het al moeilijk genoeg had, 
mateloos compromitteren. 

Verdere speculaties over de vraag, in hoeverre dit soort plannen door hem met de SS zijn be- 
sproken, en of die überhaupt verder zijn gekomen dan het stadium van tot niets verplichtend ge- 
fantaseer, zijn tamelijk zinloos. Zeker is, dat voor de oorlog reeds Rost door de SS-leiding als een 
belangrijke sleutel-figuur werd gezien, als een SS-Potenz, en dat hij dat na de Duitse inval geruime 
tijd bleef. Zelf presenteerde hij zich later als de grondlegger van de Nederlandsche SS, en be- 
klaagde hij zich tegenover zijn Duitse vrienden over de politieke intriges van andere Duitsers of 
Nederlanders, die hem van 'zijn* Nederlandse SS-mannen trachtten te scheiden. 

'Ich sage ausdrücklich meine S.S.-Manner, denn ich nehme für mich in Anspruch durch den 
Jahrenlangen Kampf für die völkische Idee und der Gross-Germanischen Gedanken die Grund- 
lagen für die niederlandische S.S. in meiner Heimat gelegt zu haben.' 8 

Dit citaat ging mank aan een teveel aan hoofdletters, en dat niet alleen in orthografische zin. Het 
was een vertekening van de werkelijkheid, zoals dat ook het geval was met Rosts voortdurende 
propaganda voor zichzelf als de enige ware nationaal-socialist in de NSB, de ridder zonder vrees of 
blaam, die voortdurend moest strijden tegen slapheid en halfheid, tegen 'burgerlijk-fascistische' en 
'ondermijnende* krachten in Musserts beweging, de man, die geroepen en in staat was om de NSB 
naar het ware nationaal-socialisme van Adolf Hitier mee te slepen. Geroepen voelde hij zich onge- 
twijfeld wel, maar in staat om dit grootse werk te volbrengen was hij zonder steun van buiten zeker 
niet. Toen korte tijd na de Duitse inval de nieuwe heerser in Nederland, rijkscommissaris Seyss- 
Inquart, een eerste rapport naar Berlijn zond over land, volk, en onder meer de politieke mogelijk- 
heden in de nieuwe satrapie, schreef hij over Rost : 



(1) Zie nr. 31, noten 1 en 6. 

(2) Men moet Rosts aandeel in de oprichting van de Mussert-Garde niet overschatten; vgl. Corresp. 
Rost, p. 67. Voor de mededeling van de bewerkster van deze publikatie, dat Rost en Himmler in elk geval 
in 1939 over de oprichting van een Nederlandsche SS hebben gesproken, en dat de Mussert-Garde hiervan 
het voorlopige resultaat was (Corresp. Rost, p. 39), heeft de bewerker geen aanwijzingen kunnen vinden. 

(3) Rost aan de SS-Oberführer Jungclaus 24 nov. 1941 , Corresp. Rost, nr. 256. 



196 



DER VADEREN ERFDEEL 

'Ideologisch voll entsprechend, auf die germanische Idee und den Nationalsozialismus ausge- 
richtet, ein temperament- und wirkungsvoller Sprecher mit sehr viel Betatigungsdrang, findet 
seine Starke nicht in sich, sondern trachtet Unterstützung und Halt von dritten Personen zu 
bekommen.' 1 

Die 'dritten Personen' waren de Duitse bezetters, maar zelfs met hun weliswaar voorwaardelijke 
hulp zou Rost er nooit in slagen de leidende figuur in een door hem genazificeerd Nederland te 
worden. Het heeft hem niet aan de goede wil ontbroken. Maar ondanks de steun van Himmler, 
die in het begin van de bezetting zeer krachtig was, en nooit helemaal zou verdwijnen, bleek de 
veelbelovende SS-Potenz niet het gehoopte succes te hebben. Zelfs binnen de SS zou Rost mislukken : 
rivalen streefden hem voorbij, de Nederlandsche SS (die nooit zijn persoonlijk machtsinstrument is 
geweest) ontglipte hem geheel, en de in het vooruitzicht gestelde hoge SS-rang zou hij nooit krijgen. 
Sterker: een veronderstelde on-Europese 'vlek' in zijn stamboom werd aangegrepen om hem het 
zwarte uniform helemaal te onthouden. 2 Zichzelf als vader van de Nederlandsche SS beschouwend, 
werd hij tijdens de bezetting door de Duitse peetvaders snel teruggedrongen naar de positie van een 
toeziend voogd. Daar waren goede politieke redenen voor; dat zijn vaderschap betwistbaar was, 
speelde daarbij nauwelijks een rol. 

C. Der Vaderen Erfdeel 

Op grond van het voorafgaande mag men dus betwijfelen, of Rost van Tonningen de grondslag 
van de Nederlandsche SS heeft gelegd. Zeker was hij niet degeen, die voor het eerst volkse ideeën in 
de NSB introduceerde. 

Terloops werd hiervoor reeds aangeduid, hoe de radicalisatie in de NSB, het duidelijkst tot uiting 
komend in het groeiende antisemitisme, al vóór de komst van Rost in de partij inzette. Men kan de 
tweede helft van 1935 en het eerste halfjaar van 1936 beschouwen als de kritische periode, waarin al 
onmiskenbaar volkse aanknopingspunten te vinden zijn. 'Oude' NSB-ers als Roskam en Reydon 
begonnen in volkse richting te theoretiseren, hetgeen onder meer tot uiting kwam in het NSB- 
maandblad Nieuw Nederland. De oude fascist Verviers verdween begin 1936 uit de redactie om 
plaats te maken voor Roskam en de vroegere Vlaamse activist Van Genechten. Dit drukte het blad, 
dat in zijn soort overigens op een redelijk hoog peil stond, enigszins in volkse richting: Van Ge- 
nechten zou later tijdens de oorlog een felle tegenstander van de SS-richting worden, maar ook in 
zijn artikelen waren volkse ondertonen niet afwezig, en deze waren in de bijdragen van andere 
medewerkers nog sterker. Van belang is hier te signaleren, dat deze eerste symptomen van een 
volkse oriëntering waarneembaar zijn vóór de intrede van Rost in de Partij. 8 

Een aanhanger van Rost erkende na de oorlog, dat inderdaad de ideologische kentering al eerder 
was opgetreden 4 , en een andere figuur uit de voor-oorlogse volkse groep meende zelfs de eigenlijke 
geboorte-datum van de SS in Nederland te kunnen vaststellen, namelijk die twaalfde oktober 1935 
in de grote vergadertent te Loosduinen, waar de NSB haar vierde Landdag hield, en Mussert zijn 



(1) IMT997-PS. 

(2) Zie Rost aan Rauter 26 mei 1943, in Ned. vertaling afgedrukt in Ned. in Oorlogst. 1947, p. 156. 

(3) Zie de artikelen van Roskam, Van Genechten, Bontkes, in Nieuw Nederland 1935/1936, nrs. 7-12 en 
verder hieronder. De Jonge stelt enigszins overdreven, maar in wezen niet onjuist: 'Kortom: Rost van 
Tonningen bewerkte niet de radicalisatie van de NSB, maar hij kwam die beweging binnen, omdat zij in 
belangrijke mate al geradicaliseerd was!' (De Jonge, Crisis der democratie, p. 230). 

(4) Doe. I. Woudenberg, Mem. II, p. n. 



197 



PREHISTORIE DER NEDERLANDSCHE SS : DE VOOR-OORLOGSE RADICALEN 

reeds genoemde rede naar aanleiding van het Abessijnse conflict hield. 1 Voordat de Leider als 
apotheose van de avond optrad, spraken volgens nationaal-socialistisch ritueel eerst de mindere 
goden: d'Ansembourg, wiens toespraak door de historicus verwaarloosd mag worden, en voor hem 
nog Roskam. 2 Deze hield voor de verzamelde massa een redevoering (die nog niet ten volle de 
lachwekkendheid van zijn latere publieke uitingen had bereikt, maar toch al karakteristiek genoeg 
voor de man was), waarin een aantal volkse elementen duidelijk naar voren kwamen: het ras, de 
Germaanse voorvaderen, de verankering aan de bodem, trouw en eer, de spontaan uit het volk naar 
voren tredende leider, en vooral - uitingen, die typisch volks, SS avant la let t re, maar tevens de 
typische neurotische stokpaarden van Roskam waren - het ressentiment tegen 'Holland', dat altijd 
de Friezen en Saksen in Nederland had onderdrukt en het ressentiment tegen de stad : de boeren 
waren het begin en het einde der samenleving. 

'Op het hoerendom moet onze staat rusten als op een onwankelbaar fundament, omdat de kracht 
van een volk niet zit in de cultuur der stad, maar in de wilskracht - in de taaie wilskracht van het 
land* 

en meer van dat soort uitspraken, sommige nog krasser trouwens; voorts heel duidelijk: 

'Daarom zullen wij in de eerste plaats geheel ons volk weer terugleiden naar de natuur.' 3 

Naar de indruk, die dit op de NSB-menigte gemaakt heeft, kunnen wij slechts gissen. Men mag aan- 
nemen, dat de gemiddelde bezoeker in de tent te Loosduinen niet bewust heeft opgemerkt, dat hier 
andere grondtonen doorklonken dan bij zijn vertrouwde redenaars Mussert en Van Geelkerken. Dat 
het platteland in zijn redevoering centraal stond, verbaasde niemand van de erkende kampioen van 
hoerendom en middenstand, en bovendien, de NSB-leiding (met uitzondering van Rost zoals 
gezegd) nam de latere Boerenleider met zijn bloed en bodem en aanverwante doordraverijen ('ik 
ben een sakser en daar ben ik trots op') niet au sérieux : 

'Hy vond weinig byval, men lachtte meestal goedmoedig om zijn redeneringen. Zyn NSB col- 
lega's stuurden hem in 1935 als St. Nicolaassurprise een bloempot met aarde, waarop een plak 
bloedworst was gelegd als bespottelyke materialisatie van zyn hooggestemde gedachtenwereld. 
Mussert, die veel met Roskam op had, d.w.z. dat hy hem persoonlyk graag mocht, verdedigde 
hem vergoelykend.' 4 

In Roskams publieke optreden mocht de onbedoeld komische noot dan niet ontbreken - en zijn 
rede te Loosduinen te beschouwen als het geboorte-uur van de SS in Nederland is wel wat over- 
trokken - hij was toch de eerste, die voor een groot publiek iets onder woorden bracht, wat men een 

(1) Van Etten, Ned. SS, p. 2. 

(2) Evert Jan Roskam, geboren 22 januari 1892 te Barneveld, boerenzoon; gereformeerd. Had eerst een 
levensmid delen bedrijf, maar ging door de economische crisis failliet. Werd in 1933 lid van de NSB, 
ageerde fel ten behoeve van boeren en middenstanders. In 1938 hoofd van Afdeling VII: Agrarische 
Zaken, van de NSB, oprichter en leider van het Boerenfront, later genoemd het Agrarisch Front, van de 
NSB. Hij beheerde korte tijd de Nenasu, de NSB-uitgeverij. In juli 1941 lid van de Nederlandsche SS. 
In oktober van dat jaar benoemde Seyss-Inquart hem tot hoofd van de pas opgerichte Nederlandsche 
Landstand met de titel : Boerenleider. Roskam wist zijn volledige onbekwaamheid te ontplooien in deze 
positie, die hij in sept. 1943 tengevolge van malversaties moest opgeven (Doe. I E. J. Roskam). 

(3) VoVa i9okt. 1935. 

(4) Doe. I Woudenberg, Mem. I, p. 17. 



198 



DER VADEREN ERFDEEL 



volkse beschouwingswijze zou kunnen noemen. En Roskam mocht dan uniek in zijn soort zijn, 
hij was het niet in deze opvattingen. 

Hiermee zijn wij gekomen bij de tweede - zo men wil de eerste - categorie binnen de NSB, die als 
voorloper van de Nederlandsche SS kan gelden, en die wij hierboven aangeduid hebben als een 
groep met cultureel-wetenschappelijke pretenties. Politiek bedrijven binnen of buiten de NSB in 
de zin van Rosts activiteiten, laat staan de echte Tagespolitik, was niet de bedoeling. De interesse 
van deze lieden ging uit naar het verleden, naar wat zij meenden te zijn de oergronden van het 
volksbestaan: de ras-samenstelling van het Nederlandse volk, de Germaanse voorvaderen, de 
oorspronkelijke cultuur van het volk, die in direct verband stond met de ras-componenten van het 
volk. De cultuur was namelijk de uitingsvorm van de eigen aard van het volk, waarvan de niet- 
variabele elementen de ras-componenten en de geo-biologische situatie, kortom : bloed en bodem, 
waren. Deze cultuur was dan ook in de eigenlijke zin des woords volkscultuur; maar in de loop der 
eeuwen was die oorspronkelijke, wezensechte cultuur verbasterd, voornamelijk door de vorming 
van de steden, die per definitie cosmopolitisch gericht waren. Daardoor waren wezensvreemde 
elementen in ras en cultuur gepenetreerd, met name Romaanse en joodse elementen. Dit proces 
deed de steden van het land vervreemden, de hogere standen van de rest van het volk, en tenslotte 
voor een groot deel het volk van zichzelf. Men moest dus weer de oorspronkelijke cultuur her- 
ontdekken, door de korst van vreemde bestanddelen heenstoten om het eigene weer te leren zien. 
Daardoor zou men zich weer bewust worden van de eigen aard, van eigen cultuur en ras. Als dit 
Volksch ontwaken' onverhoopt niet zou plaatsvinden, zou het verbasteringsproces, dat al beang- 
stigend ver was voortgeschreden, tenslotte leiden tot de volkomen geestelijke en fysieke zelfver- 
vreemding van het volk en daardoor tot de ondergang. 

Vandaar de hartstochtelijke interesse van de ware volks-denkende NSB-er voor alles, dat nog 
zichtbaar of opspeurbaar was van de oorspronkelijke onverbasterde cultuur als concretisering van 
de volksziel. Het is duidelijk, dat de sporen daarvan niet zozeer in de stad als op het land te retrace- 
ren zouden zijn, niet bij de heersende bovenlaag, maar veel meer in de onderste lagen van het volk, 
en steeds meer naarmate men in de geschiedenis terugging. Het volkse denken bracht dan ook een 
verhevigde belangstelling met zich mee voor de oudste geschiedenis, voor archeologie, folklore, 
volkskunst en aanverwante zaken. De oorspronkelijke eigen aard van het volk en de samenstellende 
factoren van bloed en bodem uitten zich naar het bevinden van de volkse speurders soms verrassend 
scherp in oude overleveringen, tradities, legenden, sprookjes, eeuwenoude gebruiken, gewoonten, 
zegswijzen en gedachten gangen, en ook in meer concretere uitingen van de volksaard: Saksische 
boerderijen, runentekens, Germaanse grafheuvels, West-Friese geveltjes, maar ook in woord- 
afleidingen, Middeleeuwse kunst (hoe primitiever, hoe volkser), oud-Nederlandse voornamen, enz. 
enz. Kennis van de voorvaderen verleende een nieuwe dimensie aan het huidige bestaan, ook 
individueel; belangstelling voor de eigen 'sibbe' kon men bevredigen door middel van de sibbekunde, 
of om in geromaniseerde termen te spreken de genealogie (dit bleek echter voor rasbewuste speur- 
ders af en toe een riskant bedrijf te zijn). 

Nu waren er wel meer lieden, die zich op deze terreinen bewogen, daaronder een niet te onder- 
schatten aantal amateurs, maar, dat was de volksdenkende zich scherp bewust, deze mensen, die 
bovendien geen of de verkeerde politieke overtuiging hadden, deden dit uit een soort hobby-zucht, 
zoals men ook postzegels kan verzamelen of geïnteresseerd zijn in oude stoomlocomotieven. Voor 
de volks-denkende was dit alles echter geen Spielerei, of wetenschapsbeoefening om der zelfs wille, 
maar een zoeken naar de ware volksaard, naar de bronnen van zijn bestaan : hij zag in tegenstelling 
tot de amateur de achtergrond van al deze dingen, het verband met het ras, en met de evolutie, of 
beter gezegd, de degeneratie van zijn volk. Iets anders was natuurlijk om juist door de belangstelling 
voor Hunebedden, oud-Germaanse mythologie, vrouwtjes van Stavoren of volksdansen die hobby- 
beoefenende schare langzaam tot een zeker inzicht in de achtergronden te brengen en zo ook bij hen 
een Volks ontwaken' te stimuleren. 



199 



PREHISTORIE DER NEDERL ANDSCHE SS I DE VOOR -OORLOGSE RADICALEN 

De groepering binnen de NSB, die deze gedachten aanhing, zou tijdens de Duitse bezetting de 
kern van de Nederlandsche SS vormen. Bij Het Nationale Dagblad ontmoetten wij reeds Roskam, 
de latere SS-uitgever Reinier van Houten, Nico de Haas, die Stonn-SS zou creëren (Reydon zou 
geen leidersrol in de SS spelen). Tot de volkse groep hoorden ook Feldmeijer - over wie straks meer - 
later stichter en leider van de Nederlandsche SS, en diens vriend W. J. Heubel, in de SS zijn adju- 
dant. Van J. C. Nachenius, tijdens de bezetting de erkende theoreticus van de Nederlandsche SS, 
heeft de lezer al enige ideeën leren kennen. H. W. van Etten zou na Nico de Haas hoofdredacteur 
van Storm worden. C. L. ten Cate werd de chef-genealoog van de Nederlandsche SS. Ir. H. J. van 
Houten, broer van Reinier, ir. W. F. van Heemskerck Düker, C. J. H. Bierman en enkele anderen, 
die deel uitmaakten van de volks-culturele groepering, zouden posities van meer secundaire 
betekenis in de SS innemen. 1 De latere secretaris-generaal van volksvoorlichting en kunsten, voor- 
ganger van Reydon, de filosoof Dr. T. Goedewaagen (toen nog geen lid van de NSB) behoorde 
ook tot deze groep. Zelfs Van Geelkerken kon een tijdlang tot de volksgezinden worden gerekend. 2 
Hij verliet het pad, dat naar de SS zou leiden, echter snel, misschien uit gebrek aan interesse, mis- 
schien ook omdat hij zich niet buiten de NSB-leiding en buiten Musserts gunst wou plaatsen. Tijdens 
de bezetting achtte Mussert zijn plaatsvervanger een betrouwbaar medestrijder tegen de SS-richting, 
totdat deze op het einde van de oorlog langs geheel andere wegen toch in de armen van de SS 
terechtgekomen bleek te zijn. 

Het meest merkwaardig was de figuur, was ook de positie van de man, die het ongekroonde, 
maar tevens onbetwiste leiderschap van de volks-culturele groep had: de Hilversumse tapijten- 
fabrikant F. E. Farwerck, oud-propagandaleider van de NSB, sinds begin 1936 organisatieleider. 3 
Zijn werk in de partij deed hij uitstekend, wellicht een beetje te perfect. Naast zijn werk voor zijn 
zaak en voor de NSB vond hij tijd om zich diepgaand bezig te houden met allerlei andere dingen, 
waaronder archeologie, folklore, en aanverwante zaken, die hij in een strak nationaal-socialistisch 
perspectief plaatste. Wanneer Roskam beschouwd mag worden als de eerste, die luide het volkse 
denken in de NSB propageerde, Farwerck was zonder twijfel de instigator en activator van het 

(1) Natuurlijk omvatte de volkse groep nog wel meer lieden, de meesten zijn echter het vermelden 
nauwelijks of niet waard. Men zie voor nog enige andere namen nr. 579; ook het lijstje, dat Schöffer, 
Nat. soc. gesch. y in de noten op p. 26-28 geeft van Nederlandse nationaal-socialistische theoretici, sibbe- 
en heemkundigen, Germanisten, archeologen e.d. Schöffer heeft echter de hele periode tot 1945 in het oog, 
en maakt hierbij geen onderscheid tussen volks en niet-volks, c.q. tussen SS en niet-SS. Desondanks 
kunnen de meesten - uitgezonderd de zuivere theoretici misschien - zonder veel bezwaar bij de volkse 
denkers gerekend worden, hetgeen na het voorafgaande de lezer weinig zal verbazen. 

Sommigen van deze 'denkers', zoals de NSNAPer Keuchenius, stonden voor de oorlog buiten de NSB 
en buiten de volkse kring - al waren er vaak hartelijke persoonlijke betrekkingen - en hebben op de 
ontwikkeling van de volkse vleugel in de partij en daarmee op de latere Nederlandsche SS weinig of geen 
invloed uitgeoefend, reden, waarom zij hier niet zijn vermeld. 

(2) Doe. I Woudenberg, Mem. II, p. 40; zie ook het orgaan van de volkse groep Volksche Wacht, dat pas 
in het eerste nummer na de Duitse inval in Nederland de namen van de medewerkers publiceerde; daartoe 
behoorden de meesten van de hierboven genoemden, o.a. Van Geelkerken. 

(3) Frans Eduard Farwerck, geb. 4 maart 1889 te Amsterdam, directeur van een tapijtenfabriek. Sinds 
1932 lid van de NSB, van 1933 tot eind 1935 propagandaleider, en van begin 1936 tot augustus 1940 
organisatieleider. Hij was tot 1935 tevens vrijmetselaar in een zeer hoge graad; daarom werd hij, hoewel 
juist hij de volkse gedachte in de NSB introduceerde, in de NSB en later door de Duitsers zeer gewan- 
trouwd. In 1940 moest Mussert hem om die reden onder Duitse pressie als organisatieleider ontslaan. 
Hij trad nadien niet meer op de voorgrond. (Doe. I Farwerck). Voorzover niet anders vermeld, berust 
hetgeen hier over hem wordt medegedeeld, op na-oorlogse verklaringen van hemzelf en anderen in deze 
bron, Doe. I Nachenius, Doe. I. Woudenberg, Mem., en op Van Etten. Er zijn bepaalde frappante 
overeenkomsten in de visie op Farwerck in de uitspraken van onderling toch zeer verschillende figuren 
uit zijn omgeving. 



200 



DER VADEREN ERFDEEL 



speuren naar het volks verleden. Hoe groot en baanbrekend zijn aandeel in dit geheel was, zal wel 
nooit meer precies achterhaald kunnen worden. De man hield ervan zich op de achtergrond te 
houden. Het strookte met zijn aard; zijn omgeving vond hem onpeilbaar, een raadselachtige sfinx. 
De uiterlijke verschijning van de ietwat geheimzinnig-doende man met zijn mefistofelische baardje 1 
werkte daaraan mee, en zeker voor zijn volks georiënteerde omgeving -door hem in die richting 
geleid! - het feit, dat hij vrijmetselaar in een zeer hoge graad was of was geweest. Maar kennelijk 
was dit feit voor de volks-voelenden voor de oorlog toch weer niet van zo'n groot belang, dat men 
zijn positie in de NSB of zelfs zijn feitelijke leiderschap over de volkse groep probeerde aan te tasten. 
Dat veranderde pas maanden na de Duitse inval in Nederland, toen de Duitsers te kennen gaven, 
dat hij op grond van zijn lidmaatschap van de loge, en dat nog in een dergelijke hoge graad, noch 
in de volkse groep, noch in de leiding van de NSB gehandhaafd kon worden. 2 

Men kan zich afvragen, of de Duitsers in 1940 oprecht waren of dat zij Farwercks vrijmetselarij 
alleen als voorwendsel gebruikten om hem te elimineren. De Gestapo beweerde in 1935 al, dat 
Farwerck vrijmetselaar was en bleef, en hield dit tegenover ontkennende berichten van het Duitse 
gezantschap te Den Haag vol. 3 Maar misschien was dit in 1940 nog niet goed tot de leidende figuren 
van het Duitse bezettingsbestuur doorgedrongen en werd hun oprechte verontwaardiging over dit 
ontstellende feit door anderen - met name Rost - om wezenlijk andere redenen opgestookt. Mis- 
schien moet de oorzaak mede gezocht worden in Musserts persoonlijke binding aan Farwerck. Deze 
bleef ondanks zijn volkse impulsen en zijn groeiende kritische instelling tegenover de gang van 
zaken in de NSB voor en tijdens de oorlog steeds een zeer goed vriend van de NSB-leider, en een 
verbeten vijand van Rost van Tonningen. Dat was omgekeerd natuurlijk ook het geval; volgens een 
na-oorlogse verklaring van Van Etten gebruikte Rost al in die jaren om zijn tegenstander mee aan 
te duiden de term 'macon', hetgeen voor nazi's nu eenmaal een sterk peoratief was. Farwerck had 
het over Rost als de 'indo' 4 , eveneens geen compliment in die kringen. 

Uitingen van een machtsstrijd om het leiderschap over de volkse richting? Het is niet waar- 
schijnlijk. Eerder moet men denken aan een persoonlijke en wederzijdse antipathie bij deze zo vol- 
komen tegengestelde persoonlijkheden. 5 Beiden waren bovendien op verschillende gebieden werk- 
zaam. Rost was zuiver politiek geïnteresseerd, en had niet de kennis om zich op Farwercks semi- 
cultureel-wetenschappelijke terrein te begeven, als hij er al de wil toe had, hetgeen uit niets blijkt. 
Farwerck miste ten enenmale de aspiraties en de ambities voor een officieel politiek leiderschap. 

In juni 1936 - er zij alweer op gewezen : voor dat Rost in de NSB belandde - verscheen het eerste 
nummer van De WolfsangeL De naam van dit maandblad was ontleend aan een oud Germaans 
magisch teken, dat men hier en daar nog op oude boerderijen en huizen kan aantreffen. De redactie 
entameerde al gauw een soort wedstrijd onder de lezers om op omzwervingen door stad en land 
zoveel mogelijk wolfsangels te ontdekken. Ofschoon het blad voornamelijk artikelen over runen- 
tekens, opgravingen, oude gebruiksvoorwerpen e.d. bevatte, liet het toch over het eigen karakter 
weinig twijfel bestaan door zich Strijdblad voor Nederlandsch volksbewustzijn te noemen. De ge- 
noemde redactie, die de lezer voor het opsporen van oud-Germaanse symbolen wenste te activeren, 
bestond eerst alleen uit de persoon van Mr. H. Reydon. 6 

(1) Zie foto's van hem in de fotocollectie van het RvO. 

(2) Zie ook nr. 42. 

(3) FOSD 7725 : 551874, 551889, 551958. 

(4) Van Etten, Tegenstelling NSB-SS, p. 7. 

(5) Zo ook E. Fraenkel- Verkade in Corresp. Rost, p. 58. 

(6) Hermannus Reydon, geb. 6 december 1896 te Amsterdam; verwierf na een driejarige studie te Utrecht 
de meesterstitel. Sinds 1932 lid van de NSB, al gauw geheel voor de partij op regionaal gebied werkzaam. 
Redacteur van Volk en Vaderland; van 1938 tot december 1940 plaatsvervangend hoofdredacteur van 
Het Nationale Dagblad. Bekleedde sindsdien allerlei andere functies, o.a. als hoofd van de afdeling 
Theoretische Vorming der NSB, en functies in Agrarisch Front en Landstand. Op 28 januari 1943 



201 



PREHISTORIE DER N ED ERL ANDSC HE SS : DE VOOR-OORLOGSE RADICALEN 

Was de uitgave van het blad een volkomen persoonlijk initiatief van deze felle figuur, die in de 
oorlog als vooraanstaand en gevaarlijk collaborateur door het verzet uit de weg werd geruimd? 
Wij weten het niet, maar in ieder geval werd het blad al een jaar later de officiële uitgave van de 
stichting, waarin de Farwerck-groep zich toen juist had georganiseerd. 

Deze stichting kreeg bij de oprichting de wat zwaarwichtige naam 'Der Vaderen Erfdeel', kenne- 
lijk geïnspireerd door het Duitse voorbeeld Ahnenerbe. Tekenend voor de persoonlijke verhoudingen 
was het, dat als officiële stichter van Der Vaderen Erfdeel Nachenius vermeld werd. Het bestuur 
was en bleef samengesteld uit hem, Feldmeijer en H. J. van Houten. Farwerck werd praktisch nooit 
genoemd, maar de insiders wisten, dat hij de werkelijke leidsman was. De stichting, een soort 
institutionalisering van de volkse groep, werd min of meer als een verlengstuk van Farwerck be- 
schouwd. Toen in 1940 de Duitsers hem de woestijn inzonden, werd Der Vaderen Erfdeel in over- 
eenstemming met de wensen van de Duitse SS omgezet in een nieuwe stichting, de 'Volksche Werk- 
gemeenschap' ; zonder de dominerende rol van Farwerck zou dit absoluut overbodig zijn geweest. 1 

Het doel van Der Vaderen Erfdeel was blijkens de oprichtingsakte van 9 juli 1937 'het verzamelen 
van gegevens over de cultureele uitingen onzer voorvaderen, het aanmoedigen van de studie daarvan 
en het bekend maken van de resultaten, een en ander in den ruimsten zin.' Uit een toelichting bleek, 
dat het hier geen a-politieke tijdsbesteding om der zelfs wille betrof, maar dat schifting van het 
'volksvreemde en het volkseigene' een der hoofddoelen was. Men diende zich bewust te zijn van de 
samenhang tussen ras en cultuur, hetgeen echter enige kennis van de erfelijkheidsleer en de rassen- 
kunde wel noodzakelijk maakte. Het gold hier voornamelijk - uiteraard - het Noordras, waarvan 
de Germaanse cultuur één der voortbrengselen was 'waaraan onze Dietsche weer als een zijtak is 
uitgegroeid.' Het volkse bewustzijn moest weer worden gewekt. Volksvreemd was in de eerste plaats 
de Romaanse invloed. 'Wij erkennen daarbij, dat de kuituur der Nederlanden een eigen karakter 
heeft gekregen, maar dat dit karakter in grond en wezen Germaansch is.' 2 

De lezer ziet: de kern van de SS-gedachte was aanwezig* In de ideologische uiteenzettingen van 
de NSB-leiding of de redevoeringen van Mussert, zeker in de voor-oorlogse, zal men hier en daar 
wel de woorden 'Germaans' en 'ras' aantreffen, maar dan als randversiering, nimmer als kern van 
de zaak. 3 Hoe bedenkelijk on-Nederlands, potentieel Duits waren de implicaties van de formulering, 
die Der Vaderen Erfdeel gebruikte: het Germanendom was primair, de Nederlandse cultuur een 
zijtak. Wat dan wel als hoofdtak beschouwd moest worden, laat zich raden. Men stelde niet voorop, 
dat er een eigen Nederlandse cultuur was - en welk verband tussen cultuur, ras en volk er volgens 
de volkse groep bestond, weten wij nu al - neen, men erkende het, men gaf het toe, maar, 'maar' 
het publiek diende goed te onthouden, dat Nederlands in wezen betekende: Germaans. Wat dat 
ook mocht betekenen. Wat dat de facto zou betekenen, zou tijdens de bezetting zelfs aan NSB-ers 
duidelijk worden: Duits, met een niet of nauwelijks bespeurbaar bijmengseltje. 

benoemd tot opvolger van Goedewaagen als secretaris-generaal voor volksvoorlichting en kunsten, op 
1 februari 1943 benoemd tot Musserts gemachtigde voor volksvoorlichting. Vermoedelijk lid van de 
Germaansche SS (zo volgens Rauter in nr. 305) of begunstigend lid ; van zijn formele relatie tot de SS is 
verder niets bekend, hoewel Reydon voor de oorlog ontegenzeggelijk tot de volkse vleugel, speciaal de 
Farwerck-groepering, behoord had, en tijdens de oorlog stellig de SS-richting toegedaan was. Op 9 februari 
1943 werd te Voorschoten een aanslag op hem en zijn vrouw gepleegd; zijn vrouw overleed onmiddellijk, 
Reydon zelf pas op 24 augustus 1943. (VoVa 5 febr. 1943, 27 aug. 1943; inlichtingen van de gemeentese- 
cretarie te Voorschoten ; zie ook nr. 328). 

(1) Doe. II Der Vaderen Erfdeel 1 ; Schneider aan H. J. van Houten 8 okt. 1940, HSSPF 16 a; nrs. 42, 43, 
51. Het is kenmerkend, dat Roskam, ook bij de stichting betrokken, na de oorlog zich Farwerck als 
voorzitter meende te herinneren, en dat in 1940 de SS betreurde de naam 'Der Vaderen Erfdeel' te moeten 
laten vallen, omdat die nu eenmaal te veel met de persoon van Farwerck was verbonden. 

(2) Doe. II Der Vaderen Erfdeel 1, 2. 

(3) Men vergelijke de reeds geciteerde passage in noot 1 op p. 188. 



202 



DER VADEREN ERFDEEL 



Dit alles werd grotendeels langs de omweg der archeologische wetenswaardigheden en belang- 
wekkende folklore, soms ook vrij openlijk en direct gepropageerd en nader uitgewerkt in het maand- 
blad De Wolfsangel, dat sinds mei 1938 ook Der Vaderen Erfdeel ging heten en in juli 1939 nog eens 
van naam veranderde, en sindsdien als Volksche Wacht verscheen ('teneinde duidelijker te doen 
uitkomen, dat wij een wacht wenschen te betrekken, niet bij het verleden, maar bij het eigen volk, 
in verleden, heden en toekomst.') Als zodanig werd het blad in het najaar van 1940 overgenomen 
door de Volksche Werkgemeenschap, met andere woorden, voortgezet door de zich in de Neder- 
landsche SS constituerende volkse groep minus Farwerck. 

Wij zagen reeds, dat het blad al meteen bij het verschijnen van het eerste nummer zijn karakter 
liet blijken. De verhalen, foto's en tekeningen van wat wij nu maar gemakshalve de potten en pannen 
zullen noemen, hoe technisch en a-politiek zij afzonderlijk beschouwd er vaak ook uitzagen, waren 
allen bedoeld ter indoctrinatie. Indoctrinatie van de lezer in de zin van de geciteerde stichtingsakte 
met toelichting van Der Vaderen Erfdeel, kortom, de potscherven en oude geveltjes moesten de 
lezer bewust van zijn bloed en zijn bodem maken. In de loop der jaren tot aan de Duitse inval werd 
het racistische element steeds duidelijker en openlijker gepropageerd (en na de inval uiteraard in 
dezelfde opgaande lijn voortgezet). Dit zowel in de 'positieve' germanomane zin, als in negatieve zin 
door het bewust cultiveren van racistische gevoelens bij de lezer tegenover allen, die niet tot het 
'Noordras' of het optimale Germaanse bloed behoorden. Soms werden de potten en pannen in één 
adem met plat racisme gecombineerd. In een artikel over 'volkseigen' voornamen ('Adolf - edel - 
wolf' etc.) heet het: 

'Bij ons is nog altijd, evenals bij onze voorvaderen, de gedachte levend, dat de naam een beeld 
geeft van de eigenschappen van den drager. Wij lachen immers ook, als een spichtig, bleek 
Jodenjongetje 'Siegfried' blijkt te heeten! Dit duidt op een zekeren samenhang, een band tusschen 
naam en drager van den naam.' 1 

Dit soort platvloers antisemitisme trof men evenwel meestal aan in de kolommen van Het Nationale 
Dagbladen zeker ook in Volk en Vaderland, maar behoorde over het algemeen niet tot de gebruike- 
lijke beïnvloedingsmethoden van het orgaan van de volkse groep. Het racisme werd hierin meestal 
op meer neutrale toon ingevoerd, als verantwoorde popularisatie van wetenschappelijke resultaten. 
Als zodanig golden de inzichten van de Duitse nazi-anthropologen, voorop de hoogleraar Hans 
Günther. 2 Deze benadering treft men ook bij de SS aan. Hoewel het zeker niet zo is, dat SA, 
Streicher, of in Nederland WA en Volk en Vaderland het monopolie van brutaal en vulgair anti- 
semitisme bezaten - men denke slechts aan de figuur van Rost - en de gereserveerde distantie van 
dit plebejische gedoe een wezenskenmerk van de SS was, valt bij de laatste, zowel de Duitse als later 
ook de Nederlandsche SS, toch een zekere tendens waar te nemen naar een pseudo-objecti verend 
en pseudo-wetenschappelijk rassenstandpunt. 8 Voor de lezer, die geen eigen opvatting had, was de 
schijn van gedistantieerde objectiviteit, die de volksen (en de SS) zich aanmaten, des te gevaarlijker: 
andere rassen werden immers niet als inferieur beschouwd, alleen maar als andersgeaard : 

'Bij menschenrassen is het echter niet juist, van meer of minder edel te spreken. Ieder ras kan in 
zijn eigen aanleg, binnen eigen grenzen veredeld worden, maar ons ontbreekt de maatstaf om te 
bepalen of het eene ras op zichzelf edeler is dan het andere.' 4 

(1) Der Vaderen Erfdeel Wintermaand (dec.) 1938, p. 85. 

(2) Zie voor enkele denkbeelden van hem nr. 18, noot 3. 

(3) Zie ook Höhne, Orden, p. 299 e.v. 

(4) Der Vaderen Erfdeel Oogstmaand (aug.) 1938, p. 19. De gecursiveerde woorden zijn in de oor- 
spronkelijke tekst vetgedrukt. 



203 



PREHISTORIE DER NEDERL ANDSCHE SS : DE VOO R-OORLOGSE RADICALEN 

Dit voorbeeld van duidelijke ontkenning van een raskundige waarde-scala zou met een aantal 
andere vermeerderd kunnen worden, ook uit publikaties van de SS in oorlogstijd, toen deze organi- 
satie al bezig was andersgeaarde, wellicht even edele rassen te verdelgen. Wanneer de SS in vergelij- 
king met andere nazi-groepen al een meer gedistantieerde en koelere houding had tegenover de 
'volksvreemde' elementen, maakte dat, zoals ten overvloede is gebleken, hun wezenlijke instelling 
en handelwijze niet humaner, eerder het tegendeel ervan. Men zou kunnen zeggen: de emotionele 
antisemiet schold, de SS handelde. 

Er mochten dan ook in de schriftelijke uitingen van de volksgezinden verscheidene platonische 
erkenningen voorkomen van de eigen, niet te meten of te vergelijken waarden van anderssoortige 
rassen, in feite was voor hen - en herhaaldelijke krachtige ontkenningen als hierboven geciteerd 
wijzen daar alleen maar op - slechts het zogeheten Noordras, en dan eigenlijk alleen de Germaanse 
tak daarvan, werkelijk waardevol. Die waarden dreigden verloren te gaan door culturele en bio- 
logische infiltratie, hetgeen niet alleen verkeerd, maar objectief gezien misdadig was. Sterker: een 
criminele heiligschennis: 

'Door heel de geschiedenis van het Noordras loopt als een gouden draad het bewustzijn, dat het 
een taak en een plicht is, het ras hoog te houden, dat het een zich vergrijpen aan de heilige orde is, 
wanneer dit wordt vergeten.' 1 

Verdere citaten van soortgelijke strekking mogen de lezer bespaard blijven. Duidelijk uit dit alles 
is, dat reeds vanaf de oprichting van stichting en blad de rassenleer het begin- en eindpunt van de 
volkse groep was. Het zal de lezer ook niet verwonderen, dat dezelfde of nauwverwante gedachten- 
gangen, die wij in de redevoering van Roskam zijn tegengekomen, en die typisch voor de SS (de 
Duitse en later de Nederlandse) en veel minder typisch voor de NSB waren, gemeengoed van de hele 
volkse groep waren, zoals het boerendom als meest zuivere bewaarder van het Germaanse erfgoed : 
'Edel is, wie leeft als de boer. . . eigen bloed en bodem ongerept bewarend om aan het nageslacht 
te kunnen doorgeven wat hij van het voorgeslacht ontving.' 2 

En in verband hiermee, meer typerend voor de Nederlandse variant van de volkse ideologie, de 
afkeer van het 'enge, klein-Hollandse' nationale gevoel, dat verankerd was in de van het volk ver- 
vreemde, voornamelijk in het westen des lands zetelende hogere standen, die 

'het Hollandsche staatsnationalisme bij de aan hun leiding toegewezen bevolking ingang trachten 
te doen vinden. Dit nationalisme komt voor de provinciebevolking dus van boven af. 
Deze bevolking echter is van Germaanschen bloede; zij is niet van volk en bodem losgeraakt en 
staat dus naar haar aard wantrouwig tegenover hetgeen van boven af en bovendien ook nog uit 
Holland komt.' 3 

Dit alles in steeds sterker mate tussen en in de folkloristische, heem- en sibbekundige, etymologische 
en archeologische bijdragen ('Wanneer men van Amersfoort komende naar Bunschoten gaat, kan 
men dezen steen zien in het 5e stuk land rechts van den weg voorbij het bruggetje, dat men langs 
komt'). 

Dezelfde geluiden weerklonken elders, met name in Nieuw Nederland, zij het gedempter. Dit 
NSB-maandblad 'voor economie, staatkunde en cultuur' bewoog zich in de eerste plaats op een 
ander en breder, en vooral veel actueler terrein, het presenteerde zich intellectueler en genuanceer- 



(1) A.v. Hooimaand (juli) 1938, p. 18. 

(2) De Wolfsangel Hooimaand (juli) 1937, p. 7- 

(3) Volksche Wacht Herfstmaand (sept.) 1939, p. 7. 



204 



DER VADEREN ERFDEEL 



der 1 en bovendien was het in tegenstelling tot De Wolfsangel en de opvolgers daarvan beslist geen 
gemonopoliseerde spreekbuis van de volkse vleugel, ook niet na de reeds genoemde redactiewisseling 
in het begin van 1936. Maar sindsdien werden er wel geregeld bijdragen geplaatst met kennelijk 
volkse elementen erin, en trouwens ook artikelen, die in hun geheel van een volks standpunt uit- 
gingen, meestal geschreven door de volksgezinden, die de lezer al eerder is tegengekomen : Roskam, 
Reydon, Feldmeijer, Nachenius, of enkele meelopers in de volkse vleugel van de NSB, die verder 
van weinig belang en nog geringere belangwekkendheid zijn, zoals de journalist W. G. KierdorfT 
(overigens gehuwd met een half-joodse vrouw), de uitermate racistische geschiedenisleraar F. J. Los 
en de landbouwer T. E. Bontkes. 2 

Er zouden nog wel een paar namen te noemen zijn, en ideeën, die al deze figuren, ieder op de hun 
eigen wijze, naar voren brachten : de in domineestaai vervatte saksomanie van Roskam, het geschrijf 
van Nachenius, dat men nog het beste kan karakteriseren als een soort theologie van de Germaanse 
ziel, en dergelijke, maar men belandt dan in een niet wezenlijke detaillering. Wel dient hier gesigna- 
leerd te worden, dat bepaalde gedachtengangen, die men uitsluitend bij de Duitse SS, en dan pas in 
oorlogstijd, zou verwachten, hier en daar toch al in het voor-oorlogse Nederlandse nazi-milieu 
aanwezig blijken te zijn. De genoemde historicus Los verklaarde het bolsjewisme uit de rasmenging, 
die in Rusland had plaatsgevonden en die o.a. resulteerde in de bolsjewistische 'ondermensen', 
inferieur en niet tot constructieve activiteit in staat. Overigens had Los deze gedachte niet van de 
Duitse nazi's overgenomen, maar zoals hij zelf erkende van de Amerikaanse auteur Stoddard. De 
mentaliteit, van waaruit na juni 1941 de Duitsers hun grootscheepse pogingen tot liquidatie van de 
'bolsjewistische ondermensen' ondernamen, vond zo reeds voor de oorlog zijn neerslag in, wij 
herhalen dit als een zakelijk feit, het op redelijk hoog peil staande maandblad van de NSB. 8 

Verdere splinters en brokstukken van de volkse ideologie in litteraire neerslag menen wij buiten 
beschouwing te kunnen laten. Opmerkelijk is het, dat in al die vooroorlogse jaren maar één openlijke 
beschouwing over de volkse gedachte als zodanig verschenen is, namelijk in datzelfde blad Nieuw 
Nederland onder de titel 'Het 'volksche element* in het Nationaal Socialisme* van de hand van een 
zekere F. van Schoping. Een pseudoniem, waarachter - hoe typerend weer voor hem - Farwerck zich 
meende te moeten verbergen. 4 Kort samengevat komt Farwercks beschouwing hierop neer: het volk 
is een organische eenheid, waarvan de ras-component uiterst belangrijk is. Sinds de opkomst van de 
steden drongen daarin echter steeds meer vreemdelingen, soms verwant naar ras, maar vaak ook 
van vreemd ras, binnen, en daarmee ras- en volksvreemde levensopvattingen. Daardoor werd het 
rasbewustzijn verdrongen. Desastreus waren de gevolgen van de industrialisatie: 

'Vooral deze laatste, die van den arbeider een machine maakte, die hem geheel losweekte van den 
door hem bewoonden grond, door hem in huurkazernes op te sluiten, heeft in velen het begrip 
een levend bestanddeel in het 'organisme volk' te zijn, gedoofd. De anti-volksche sociaal- 



(1) En was dat vaak ook: zie bv. de goede, en verhoudingsgewijs verrassend objectieve artikelen over de 
Spaanse en Oostenrijkse kwesties in Nieuw Nederlandse okt. 1936, p. 317 e.v., en juni 1937, p. 957e.v. 

(2) Gegevens over deze lieden in hun resp. dossiers in Doe. I ; over Los een enkele opmerking bij Schöffer, 
p. 162, 163. De Jonge, Crisis der democratie, p. 241-249, 252-253, noemt een aantal artikelen, o.a. van de 
latere SS-er H. de Vries, volks, die dat echter niet of slechts ten dele zijn. Wanneer NS B-auteurs jongleren 
met het woord 'volk* of zelfs 'volks* wil dat nog niet zeggen dat zij de volkse gedachte aanhangen. 
De staatsrechtexpert J. H. Carp, die De Jonge in dit verband noemt, behoorde in geen geval tot de volks- 
georiënteerden. 

(3) Nieuw Nederland maart 1937, p. 721-726. 

(4) A.v. maart 1937, p. 684-703, ook onder hetzelfde pseudoniem in brochure-vorm bij de Nenasu- 
uitgeverij te Leiden zonder opgave van jaar uitgegeven. Na de oorlog verklaarde Farwerck, dat hij de 
schrijver was (Doe. I Farwerck). 



205 



PREHISTORIE DER NEDERLANDSCHE SS : DE VOOR-OORLOGSE RADICALEN 

democratie met haar uiterste consequentie, het communisme, tieren in onze steden het weligst 
en hebben met hun onvolksche en internationale waandenkbeelden hier het meeste succes gehad.' 

De tweede grote negatieve factor, hiermee trouwens nauw samenhangend, was de historische 
geestelijke ontwikkeling, die uitmondde in de rationalistische ideeën van de Franse revolutie. Deze 
revolutie resulteerde weer in de typisch I9e-eeuwse geesteshouding, zich uitend in atheïsme, mate- 
rialisme en individualisme. In plaats van een natuurlijke, functionele en organische plaats aan alle 
samenstellende delen van het geheel toe te kennen, werden door een abstracte gelijkheidstheorie alle 
verschillen tussen individuen, seksen, sociale groepen, volkeren en rassen weggewerkt. Indien men 
echter behalve het milieu ook de erfelijkheid als bepalende factor aanvaardt, blijken die verschillen 
niet te loochenen te zijn: 

Tegelijk met het feit der erfelijkheid staan wij echter temidden van het rassenvraagstuk, want 
een ras is juist een zich binnen een bepaalde groep voortplantende gemeenschap, waarbij het 
wezen, de geaardheid der voorvaderen als één groot geheel van geestelijken en lichamelijken aan- 
leg van geslacht tot geslacht wordt doorgegeven.' 

Wanneer men bovendien de ratio niet een ailes-overheersende, maar de haar toekomende plaats 
geeft, ziet men meteen de functie van deze verschillen : 

'Samen met het intellect, maar dan als gehoorzame dienaar en niet als alleenheerscher, kunnen 
ons gevoel en onze intuïtie ons brengen tot begrip, tot inzicht, d.w.z. tot een innerlijk ervaren en 
geestelijk aanschouwen der diepere levensvraagstukken. Zij kunnen ons voeren van kennis tot 
wijsheid en ons bewust doen worden van den innerlijken samenhang en onderlinge verbondenheid 
van alle deelen der schepping. 

Het is deze geesteshouding, die ons o.a. de rassen als organische eenheden in het groote or- 
ganisme der schepping doet zien en doet aanvaarden . , .' 

waarop even later de bekende knieval voor de eigen kwaliteiten van andere rassen volgt: 'Eén met 
ons ras zullen wij daarin ons hoogste ideaal zien, zonder dat dit een verachting van of haat voor 
andere rassen insluit. Iemand, die fier op zijn eigen ras is, heeft er geen behoefte aan dergelijke 
gevoelens ten opzichte van andere rassen te koesteren.' Die geesteshouding, althans het gevoel van 
organische ras- en volksverbondenheid hadden de oude Germanen nog. Deze levensbasis werd 
echter aangetast door het Christendom en in het zog daarvan door de scholastiek, mitsgaders later 
door de renaissance, enz. Welnu, wanneer het besef van de eigen waarden van ras en volk verloren 
gaat, dan komt de ondergang. Dat was gebeurd met de Germaanse Vandalen, die omstreeks 500 
n.Chr. in de Middellandse zee-steden hun karakter van natuur- verbonden bóeren-krijgers verloren 
hadden, en dit dreigde nu met het Germaanse Nederlandse volk, met trouwens alle Germaanse 
volkeren, te gebeuren tenzij het volk zich weer van zijn afstamming en eigen volkse waarden bewust 
werd. 

Farwerck gaf met dit essay inderdaad een duidelijke weergave van het volkse standpunt, zo 
representatief voor het denken van zijn omgeving zelfs, dat het artikel minder karakteristiek is voor 
de schrijver zelf dan de bijdragen van zijn volgelingen - vooral die van Roskam en Nachenius - 
die meteen herkenbaar zijn aan eigen stijl en stokpaarden. 

Voor een kernachtige samenvatting van de volkse theorie zou Farwercks artikel eigenlijk af- 
doende zijn. Maar toch zou er dan iets ontbreken; iets, dat niet ligt op het gebied van een rationeel 
aandoende politieke theorie, maar op het irrationele vlak. Hoe belangrijk juist het irrationele 
element in het nationaal -socialisme is, weet de lezer nu wel. Het blijkt ook wel uit het hier aange- 
haalde artikel (inzicht door 'innerlijk ervaren en geestelijk aanschouwen der diepere levensvraag- 



206 



DER VADEREN ERFDEEL 



stukken'), maar de auteur was zelf toch nog een te verstandelijk type om al te veel toe te geven aan 
zijn eigen postulaten. Het is veel meer in en tussen al het getheoretiseer van zijn aanhangers, dat 
men een element aantreft, een impuls is misschien beter gezegd, dat geheel en al aan de ratio voor- 
bijgaat. Die impuls is niet alleen typisch, maar ook wezenlijk voor de SS-geest. Het is de stijl en 
de levenshouding van de strijder, die ongerekend de uitslag de strijd tot de laatste ademtocht voort- 
zet. Ongerekend het doel zelfs: want, het doel ligt in wezen in de strijd zelf. Het is de Germaanse 
heros, die verbeten met zijn zwaard om zich heen maait tot in de Götterdammerung toe. 

Om dit element nader aan te duiden, moeten wij even naar Duitsland terug, al was het alleen 
maar omdat de Nederlandse taal te kort schiet om het gevulgariseerde Nietzschiaans- Wagneriaanse 
vocabulaire en de daarbij gepaard gaande levenshouding weer te geven. Terecht noemt Buchheim 
in zijn schets van de genese der SS-mentaliteit 1 Ernst Jünger: deze was geen nazi of zelfs wel 
anti-nazi, hetgeen niet verhinderde, dat hij op de hem eigen fatale wijze een SS-generatie heeft 
helpen vormen en misvormen: 

'Nicht wofür wir kampfen, ist das Wesentliche, sondern wie wir kampfen.' 

Het zou als motto voor de gehele SS kunnen dienen. Het was dan ook als allesbepalend criterium 
geciteerd door Jüngers leerling Werner Best, geschrift vervalser, SS-denker, later SS-Obergruppen- 
führer, één van de vijf, zes leidende /?57//i-functionarissen en nog later Hitiers satraap in Dene- 
marken (en nog veel later, in de onheroïsche doch welvarende West-Duitse bondsrepubliek, advi- 
seur van het Stinnes-concern), met de toevoeging van eigen hand: 

'Dagegen ist die Bejahung des Kampfes auf verlorenem Posten für eine verlorene Sache das 
Kriterium der neueren Haltung: auf den guten Kampf kommt es an, nicht auf die gute Sache 
und auf den Erfolg.' 2 

Een andere verhandeling dan deze zou nodig zijn om aan te geven, hoe de wortels van dit nood- 
lottig denkproces, beter gezegd, van deze catastrofale Götterdammerung-houd'mg liggen in de 
Romantiek, die merkwaardige en fascinerende opstand tegen de koude rede. Het trekken van 
directe lijnen van Wagner en Nietzsche naar Hitier moge een hachelijke zaak zijn, het ontkennen 
van ieder verband tussen hun geesteshouding is dat wellicht nog meer. 3 Al is de claim, die de 
nationaal-socialisten op de genoemde componist en diens vriend-vijand de wijsgeer legden, in 
zijn geheel onhoudbaar, in hun tijd en hun geestelijke milieu dient men toch wel de aanvang te 
zoeken van een levenshouding, die in de twintigste eeuw kon perverteren tot de anti-menselijke 
opvattingen van Jünger, van Best, en van die andere SS-officier-auteur, die zich volledig verloor 
in de esthetiek van de oorlog, in Rusland zou sneuvelen, en zijn naam laten aan een Waffen-SS-een- 
heid van SS-journalisten: Kurt Eggers 4 : 

'Krieger aber sind keine kalten Rechner, sie wagen nicht um eines Preises sondern um ihrer 
Sehnsucht willen . . . Ein Volk ist das, was seine Seele will! Die Gestalter des Willens aber sind 

(1) Buchheim, Anat. I, p. 276 e.v. 

(2) A.v., p. 282. Buchheim beschouwt terecht deze houding - die door Best 'heroïscher Realismus' wordt 
genoemd, en die natuurlijk geen bewust gemeengoed van alle SS-ers is geweest - als een van de meest 
essentiële elementen van de SS-mentaliteit, en geeft hiervan een boeiende analyse met alle dialectische 
verwikkelingen van dien: zo verklaart hij, hoe de volslagen autonome Kampfer van Jünger en Best in de 
SS juist de volslagen bedingungslos gehorchende fanaticus wordt. 

(3) Zie de twee laatste hoofdstukken in H. G. Schenk: The Mind of the European Romantics. An Essay 
in Cultural History, London, 1966. 

(4) Zie voor Eggers ook nr. 63, noot 24. 



207 



PREHISTORIE DER NEDERLANDSCHE SS I DE VOOR-OOR LOG SE RADICALEN 

die Krieger . . . Kriegertum ist der Lebensstand der Starken, die sich dem Wagnis verschrieben 
haben. Es ist das Immerbereitsein zum Kampfe um die lauternde und starkermachende Er- 
kenntnis, die Mobilmachung gegen die Widrigkeit des Schicksals, das standige Unterwaffen- 
stehen', 

om maar enige van zijn vele, al te vele, gespatieerd afgedrukte tirades in goed-Nietzschiaanse stijl 
weer te geven. 1 

Terug naar Nederland; zulke extreme formules vindt men bij de volks-denkende Nederlanders 
niet - men probere eens het bovenstaande in het Nederlands te vertalen - maar de geest, die uit 
dit soort heroïek spreekt, vindt men, zij het voor de oorlog nog verspreid en tamelijk incidenteel, 
bij hen toch al wel. Hoe fraai sloot dit niet aan bij de edele noords-Germaanse voorvaderen, 
die tenslotte het onderspit hadden moeten delven tevens de Romaans-joods-christelijke vloedgolf! 
Men had slechts te denken aan de heroïsche en volkomen ondergang (zulks kennelijk in tegen- 
stelling tot de afgang der verwekelijkte Vandalen) der Oostgoten, die tot de laatste man gestreden 
hadden op de hellingen van de Vesuvius. En in deze eeuw dreigde wat er nog van het Germanendom 
over was, alsnog onder de voet gelopen te worden. Geen wonder, dat dit alles appelleerde aan de 
weinig talrijke nazaten van de oude Germanen, die zich bewust van hun bloed waren geworden, 
deze 'strijders voor de volkseigen cultuur en strijders tegen al, wat die cultuur belaagt', en die 
zich ook vaak 'auf verlorenem Posten' gevoeld moeten hebben. Misschien was de dreigende onder- 
gang van Noordras en Noordrascultuur, waarvoor zij voortdurend hun verblinde volksgenoten 
trachtten te waarschuwen, wel onafwendbaar, maar dat zou hen niet van de strijd afhouden, inte- 
gendeel: zij zouden strijden als de bewonderde Germaanse voorvaderen, die 

'wisten wat dat was : de eer boven het leven te achten, den ondergang als hooggetijde des levens 
te beleven ... 2 

De cursivering is van ons. Hoe betrekkelijk zeldzaam dergelijke uitingen in het voor-oorlogse 
geschrijf der Nederlandse nationaal-socialisten ook zijn, er dient toch een speciale aandacht op 
gevestigd te worden. Juist omdat het zo bijzonder weinig representatief voor de geest in de NSB 
als geheel is. De 'ondergang als hooggetijde des levens', niets was verder verwijderd van de be- 
doelingen en de mentaliteit van de NSB-er, zowel leider als volgeling: men probere zich een derge- 
lijke frase eens voor te stellen uit de mond van Mussert, of een d'Ansembourg. Maar deze houding, 
essentieel voor de SS, zou ook kenmerkend worden voor de geest in de Nederlandsche SS - althans, 
de geest, die de leiding ingang trachtte te doen vinden, en het is dit element, dat wij verderop nog 
eens in de voor-oorlogse volkse kring zullen tegenkomen. 

Dat wil niet zeggen, dat de volksgezinden nu reeds volledig de SS-gedachte hadden aanvaard, 
zoals die tijdens de oorlog in Nederland werd gepropageerd, en op één noemer samengevat het 
postulaat van het éne Germaanse rijk stelde. In de allereerste plaats was de Duitse SS voor de oorlog 
nog niet zover, en bovendien zou deze SS-gedachte, d.w.z, de Nederlandse (dan wel Noorse, Deense 
of Vlaamse) variant ervan zelf in de jaren tussen 1940 en 1945 een zekere ontwikkeling doormaken 
met als logisch eindpunt Feldmeijers slagzin over één Rijk, één (Germaans) volk, één Führer. 
Maar dit was toch nog steeds wel erg extreem voor de meeste Nederlandse SS-ers, die sinds 1940 
al enige geestelijke inspanning zouden moeten verrichten om alleen al het éne Germaanse rijk 
te kunnen aanvaarden. 

Hoezeer de volkse groep op het gebied der rassenleer al voor 1940 keurig in de pas bij de Duitse 
kopgroep liep, en geestelijke aanpassing zocht bij de andere stamverwante Germaanse volkeren, 

(1) KurtEggers: Von der Freiheit des Kriegers, Berlijn, I94i,p. 15-18. 

(2) Der Vaderen Erfdeel Bloeimaand (mei) 1939, p. 163; id. Herfstmaand (sept.) 1938, p. 34. 



208 



DER VADEREN ERFDEEL 



een Germaans rijk was een staatkundig postulaat, dat in de voor-oorlogse verhoudingen onmo- 
gelijk en ondenkbaar was, ook binnen de NSB. Zelfs bij de volksgezinden zal men tevergeefs zoeken 
naar een duidelijke openlijke uiting van de wens tot een nauwere staatkundige band met dat 
grootste en zeer centraal gelegen Germaanse volk, dat bovendien als enige de tekenen des tijds 
had begrepen en volks ontwaakt was. Gedachten in deze richting moeten weliswaar incidenteel 
bij de volksgezinden geleefd hebben, zo niet bewust, dan onbewust, getuige deze erkenning van 
een fraaie Fehlleistung: 

'In het vorige nummer had een artikel tot opschrift Deutsche booschuren. De meeste lezers 
zullen begrepen hebben, dat hier Drentsche had moeten staan'. 1 

Maar als politiek programmapunt een nauwere Germaanse aaneensluiting te stellen ging teveel 
in de richting van de NSNAP-kameraden, die in het algemeen zeer geestverwant aan de volksen 
in de NSB waren, maar daarbij toch te extreem, schreeuwerig en compromitterend. Van concrete 
verklaringen in hun geest hielden de volksen in de NSB zich verre, of beter gezegd: waren er zelf 
nog verre van. 

De NSB als geheel was er zeker nog niet rijp voor, laat staan voor meer. Op de schriftelijke 
suggestie van een kennelijk weinig onderlegde, gemiddelde NSB-er, dat Duitsland maar de hege- 
monie in Europa moest verwerven, antwoordde de chef Algemeene Zaken van het NSB-hoofd- 
kwartier op 13 januari 1939, dat de NSB het pan-Germaanse streven van het Duitse nationaal- 
socialisme niet goedkeurde. 2 Een pan-Germaans rijk viel natuurlijk helemaal buiten iedere dis- 
cussie. Het is niet uitgesloten, dat in een paar Duitse en een enkel Nederlands hoofd iets dergelijks 
heeft rondgespookt; misschien hebben Himmler en Rost hier wel eens vaag over gefantaseerd, 
maar meer dan de uitwisseling van wat losse en tot niets verplichtende gedachten kan het nooit 
geweest zijn. 

De volksgezinden maakten weltanschaulkh dus al aardig vorderingen, maar op meer staat- 
kundig gebied waren zij op zijn best nog maar halverwege, en hingen nog ideeën aan, die zij later 
zouden bestrijden. Nu kon het niemand van enig waarnemingsvermogen ontgaan, dat er in Duits- 
land al sinds de tijd van Bismarck af en toe bedenkelijk annexionistische tendensen ten opzichte 
van Nederland te bespeuren waren, op politiek, economisch en cultureel terrein. Vaak was een en 
ander gelardeerd met de termen Germaans, Duits, Nederduits, die altijd vaag en verschuifbaar 
bleven. Deze tendensen werden er niet minder op sinds de verschijning van het nazi-regime. In- 
tegendeel, het nationaal-socialisme gaf een nieuwe stimulans en een ideologisch fundament aan 
de altijd wat kannibalistische belangstelling, die er voor Nederland in sommige Duitse kringen 
bestond. Irriterend moesten uitlatingen en activiteiten van Duitsers werken, die enigszins wezen 
in de richting, waar ook de NSNAP het zocht: de Nederlanders waren in oorsprong Duitsers, 
sinds eeuwen, helaas! afgedwaald, een beetje vreemde Duitsers, Nederduitsers dan, maar toch in 
wezen Duits-Germaans van bloed en afkomst enz. Ook bij de volksgezinden in de NSB waren 
er (nog) weerstanden tegen 'de voorstelling, waar wij Nederlanders ons wel eens aan ergeren, als 
ware ons Deltaland een aanhangsel van Duitschland, ook op kultureel gebied . . . ' 8 

Deze Nederlandse volksgezinden hadden nog niet zo lang geleden, in de NSB of in een fascistische 
voorloper daarvan, de idee van het Nederlandse volk leren kennen. Mussert en de meeste volge- 
lingen lieten het bij veelvuldig getuigen van dit tamelijk recente nationalisme, maar zij, de volksen, 

(1) Volksche Wacht Lentemaand (maart) 1940; p. 8; 'Deutsche* vetgedrukt in de oorspr. tekst. Voor de 
lezer, die denkt, dat er nog meer drukfouten in het spel zijn: 'booschuren' zijn blijkens dat vorige nummer 
winterstallen voor het vee. 

(2) NSB 39 c. 

(3) Der Vaderen Erfdeel Bloeimaand (mei) 1938, p. 2. 



209 



PREHISTORIE DER NEDERL ANDSCHE SS I DE VOOR-OORLOGSE RADICALEN 



trachtten juist een ideologisch fundament voor die idéé néerlandaise te vinden. Geen wonder, dat 
deze delvers in de problematiek van natie, volk, cultuur, taal en ras in het eerste voor-oorlogse 
stadium tot een groot-Nederlandse conceptie kwamen. Volks was voor hen ook groot-Neder- 
lands, Diets dus. Let wel: ook. De trage NSB-massa, die de verdere implicaties van hun theorieën 
niet wilde of kon zien, konden zij alléén op dit punt met zich meetrekken. Al eerder zagen wij, 
hoe het vage begrip 'volks' allengs een modewoord in rechts-radicale kringen werd; in de gemakke- 
lijk te vatten zin van groot-Nederlands, werd het met weglating van de rastheoretische onder- 
tonen, in de eigenlijk ige-eeuwse betekenis dus, gretig geaccepteerd door Mussert (die in feite 
ook een 19e eeuws nationalist was) en door zijn trouwe volgelingen. 1 De authentieke volksgezinden 
bleven echter de revolutionaire voorhoede. Toen zij tijdens de bezetting, grotendeels allen lid van 
de SS geworden, snel van volks-Diets naar volks-Germaans evolueerden, werden Mussert en de 
NSB als geheel toen pas werkelijk Diets, en herinnerden vaak hun plotseling zo radicaal-Germaans 
denkende partijgenoten met leedvermaak aan hun vroegere groot-Nederlandse opvattingen. 

Deze latere ommezwaai van de volkse vleugel was in bepaalde mate weliswaar een bliksemsnel 
gedachtenlezen van wat er in de Duitse hoofden omging - en wat daar in omging, was voor deze 
lieden nu eenmaal massgebend - maar zeker ook een logische consequentie van de waarlijk volkse 
opvatting over het Nederlandse volk, waarvan het Germaanse ras-element de kern was. In het 
reeds geciteerde artikel van Schoping-Farwerck deed de auteur een gooi naar een begripsbepaling 
van het volk: 

'Het is een eenheid, gegrond op ras, taal, rechtsbegrippen, godsdienstige gevoelens, zeden en 
gewoonten en op het bewustzijn der samenstellende enkelingen een volk te zijn. Tezamen met 
de Vlamingen, vormen wij een dergelijke organische eenheid, het Nederlandsche volk.' 2 

Maar ondanks de lichte nagalm van Renan in deze woorden liet de schrijver er verder weinig 
twijfel aan bestaan, dat de meest bepalende substantie van het Nederlandse volk toch wel het 
Germaanse element, gevormd door Friezen, Franken en Saksen was. 

Andere volks-georiënteerde lieden ontwikkelden min of meer dezelfde gedachten, meestal met 
wat meer nadruk op die Friezen, Franken en Saksen. Zo ook de ex- Vlaamse activist Van Genechten, 
die deze opvatting wat aanvulde, en duidelijk en scherp stelde. Maar voor de consequenties schrok 
hij terug. Zelfs politieke desiderata durfde hij niet aan zijn Dietse overtuiging te verbinden, zulks 
geheel in overeenstemming met de neutralist ische koers van de NSB, die 'weigert zich in te mengen 
in de aangelegenheden van een anderen staat.' 3 Hij zou, het is al gezegd, in de oorlog zich als een 
felle nazi ontpoppen, maar ook als een even felle tegenstander van de Germaanse rijksgedachte 
der SS, van erfgoed en erfgenaam van de volkse groep. 

Inderdaad, deze weg zouden de volksgezinden moeten inslaan. Nog meer nadruk op Franken, 
Friezen en Saksen (de laatste twee volgens Roskam en enige Noordelijke extremisten 'onderdrukt' 
door Holland), en men was ideologisch rijp voor een sterke relativering van dat groot-Nederlandse 
volk. Friezen en Saksen vooral hadden trouwens ook hun stambroeders aan de andere kant van de 
grens met Duitsland zitten. Nog meer nadruk op dit feit en op de alle Germanen verbindende 
elementen, en de gedachte van een staatkundige vorm, waarin alle Germaanse volkeren zich zouden 
kunnen bundelen, zulks ten koste van een Dietse staat, was in de kiem aanwezig. 

(1) Vgl. De Jonge, Crisis der democratie, p. 228, 229 ; hoewel deze schrijver enigszins de dupe is geworden 
van de door hemzelf geconstateerde vaagheid van het begrip 'volks' in NSB-kring, zegt hij terecht, dat 
Mussert in wezen het nationaliteitsbeginsel van de vorige eeuw aanhing, en dat de volkse stroming juist 
een verminderde belangstelling voor concrete staatkundige problemen had. 

(2) Nieuw Nederland maart 1937, p. 684-685. 

(3) A.v. augustus 1937, p. 108. 



210 



DER VADEREN ERFDEEL 



Zo radicaal waren de volksen voor de oorlog over het algemeen dus nog niet. Een dergelijke 
gedachte als hierboven geschetst werd in een artikel onder de kop: 'Critiek der Dietsche Beweging' 
in twee bladen, waaronder de Volksche Wacht, verkondigd, maar onmiddellijk en fel afgewezen, 
ook door de volksen. 1 

In hoeverre deze hele gedachtenwereld van de groepering van Der Vaderen Erfdeel Duitse 
import was, of toch ook autonome elementen bevatte en een zelfstandige ontwikkeling doormaakte, 
is een vraag, waarop wij hier niet dieper kunnen ingaan; dat, indien mogelijk, zou door een ver- 
gelijkende studie tussen de publikaties van de volkse groep en de Duitse productie op dit gebied 
moeten worden opgehelderd. Voorshands lijkt de bewering niet te gewaagd, dat die Duitse invloed, 
heel zacht gezegd, een factor van groot gewicht is geweest. Verbazingwekkend is dat niet: de 
begrippen 'volks', 'bloed en bodem', 'Germaans' waren zelf Duits van herkomst, om niet te zeggen 
zéér Duits, en men krijgt vaak de indruk, dat de volkse schrijvers in Nederland zich voortdurend 
willen verweren tegen de lichtelijk ridicule bijklank, die deze woorden bij het passeren van de 
grens onmiddellijk krijgen. Duitse bladen van duidelijke SS-signatuur als Germanien, een uitgave 
van Ahnenerbe, Rasse en Odal (een Monatschrift für Blut und Boden, uitgever Walther Darré, 
chef van het Rasse- und Siedlungsamt-SS en minister van landbouw) werden gretig gelezen en 
aangehaald. Een enkele volkse Nederlander plaatste zelf ook wel eens een bijdrage. Duitse nazi- 
geleerden als Günther en Clausz, en een groot aantal mindere goden werden door de volkse scri- 
benten in Nederland als autoriteiten aangevoerd. Het blijft zeker mogelijk, dat sommige volksen 
onafhankelijk van de Duitse opvattingen tot bepaalde conclusies zijn gekomen of zouden zijn 
gekomen; de geschiedenisleraar Los haalde, zoals wij zagen, zijn treurige denkbeelden over de 
'bolsjewistische ondermens' uit Amerikaanse bron. Maar juist deze lieden verslonden de litteratuur 
van het bovengenoemde soort, die vanuit Duitsland binnenstroomde; wat dit betreft vormde de 
oostelijke grens van Nederland inderdaad geen enkele hindernis. Gesteld al, dat de vraag relevant 
is, welke ideeën, die in de kring van Der Vaderen Erfdeel circuleerden, eigen vondsten waren en 
welke uit de koker van hun inspirators te Berlijn en München stamden - zij zouden het vermoedelijk 
zelf niet meer weten. 

Het lijkt aannemelijk, dat de volksen hun geestelijke en wetenschappelijke bagage of wat zij 
althans daarvoor hielden, praktisch geheel uit Duitsland betrokken. Het kon ook moeilijk anders. 
Al die theoretische activiteiten op dat brede, maar vage grensgebied van ras, volk, volkskunst e.d. 
waren en werden voornamelijk door Duitsers verricht, en de oorsprong van een en ander dateerde 
zoals bekend vaak al van lang voor 1933. 

Eén van de meest vooraanstaande Nederlandse adepten van de volkse gedachte, de reeds enige 
malen genoemde Nachenius, kunstschilder en later theoreticus van de Nederlandsche SS, was zelf 
heel dicht bij die oorsprong geweest. Al voor de eerste wereldoorlog leerde hij de werken van 
Houston Stewart Chamberlain kennen, en later de man zelf. Het racisme van de Duitse nazi's 
immers valt voor een goed deel terug te voeren op twee niet-Duitse 'denkers', die door hen ook 
buitensporig vereerd werden: de Franse graaf Gobineau en nog meer de Brit Chamberlain, die 
uit onstuitbare aandrang Duitser werd, in alle betekenissen van dat woord, een soort hyper-Duitser 
eigenlijk en bovendien schoonzoon van Richard Wagner, die hij zelf weer buitensporig bewonderde.* 

(1) Zie Schöffer, Nat. soc, gesch. p. 243, noot 3, die deze aanval op de Dietse gedachte en het antwoord 
erop in het NSB- Vormingsblad van nov. en dec. 1939 aantrof; voor ons onderwerp is echter van veel meer 
belang, dat het eerste al in het oktober-nummer van de Volksche Wacht (p. 8, 9) was verschenen, het 
tweede eveneens in het december-nummer (p. 2, 3). Dat de NSB-leiding een pan-Germaanse gedachte 
afwees en Dietsland verdedigde, is vanzelfsprekend; waar het hier om gaat, is dat de volkse groep dit voor 
de oorlog ook nog deed. 

(2) Eigenlijk lag het eerder omgekeerd: Wagner, over wie Chamberlain in de meest hysterische termen 
sprak, versterkte in hem de drang naar het Deutschtum. 'Mit Wagner trat nun Chamberlain eine vollent- 
wickelte und vollbewusste Kraft aktivsten Deutschbewusstseins entgegen', schrijft de nazi-theoreticus 



211 



PREHISTORIE DER NEDERL ANDSCHE SS! DE VOOR-OORLOGSE RADICALEN 

Op Nachenius was deze geestelijke en persoonlijke kennismaking met de grand old man van het 
Duitse racisme van grote invloed. 

Hiermee zijn wij gekomen bij de directe contacten, die de volkse groep rondom Der Vaderen 
Erfdeel voor de oorlog in Duitsland onderhield. Op zichzelf was het logisch, dat deze lieden met 
hun speciale belangstelling contacten in het buitenland zochten en vonden, en gegevens wilden uit- 
wisselen. Eveneens, dat zij gezien de aard van hun belangstelling gelijkgezinden voor het merendeel 
in Duitsland vonden. Na het voorafgaande is het ook weinig verwonderlijk, dat die relaties voor- 
namelijk met Ahnenerbe, het wetenschappelijke centrum van de SS, tot stand kwamen. Door de 
schaarste aan bronnenmateriaal valt een definitief oordeel over kwantiteit en kwaliteit van deze 
betrekkingen moeilijk te vellen, maar wat er aan schriftelijke neerslag over is, wettigt de conclusie, 
dat de politieke betekenis van deze relaties (even afgezien van die van Feldmeijer, waarover hier- 
onder) in ieder geval geen vergelijk kan doorstaan met de contacten, die Rost voor de oorlog in 
Duitsland had. Geen besprekingen over politieke vraagstukken met Hitier of Himmler, of iets van 
dien aard, geen geheimzinnige reizen naar de centrale van het nazi-regime: de enige ons bekende 
activiteit van dit soort is een reisje, dat Farwerck in 1937 naar Duitsland maakte om een agrarische 
nazi-manifestatie (het Erntedankfest op de Böckeberg) bij te wonen, waarbij hij Feldmeijer, Roskam 
en één van de gebroeders van Houten in zijn auto meenam. 1 Wat de heren daar precies bespraken 
of deden, is niet overgeleverd. 

Het kan, dunkt ons, niet van erg veel belang geweest zijn. Vanaf 1937 werd er regelmatig corres- 
pondentie met Ahnenerbe gevoerd, aan Nederlandse kant alweer voornamelijk door Farwerck, aan 
Duitse kant in eerste instantie door de Geschaftsführer van Ahnenerbe, Wolfram Sievers. Zoals zijn 
functie reeds doet vermoeden, werden met hem de meer zakelijke kanten afgedaan. Het kwam tot 
een uitwisseling van boeken en tijdschriften: onder andere verspreidde Farwerck regelmatig het 
blad Germanien onder de medewerkers van Der Vaderen Erfdeel, en stuurde zelf ook eens wat. Ver- 
moedelijk heeft hij Sievers een paar keer ontmoet (misschien op bovengenoemde Böckeberg), 
en zeker hebben beiden voor de oorlog de mogelijkheden van meer wetenschappelijk contact 
besproken; dat valt uit de toon van hun correspondentie wel op te maken. 2 

Dit wetenschappelijk of semi-wetenschappelijk contact kwam pas in de loop van 1939 op gang, 
en werd verzorgd door SS-Hauptsturmführer Dr. J. O. Plassmann, chef van de Forschungsstatte 
für Germanenkunde van Ahnenerbe en buitengewoon hoogleraar aan de universiteit van Bonn. Veel 
had het niet om het lijf: het waren grotendeels pogingen van hem om in Nederland lezingen te 
houden over de 'germanische Überlieferung in der Mystik der Zuster Hadewych' of 'Grundlagen 
der Sinnbildforschung' voor Der Vaderen Erfdeel of andere belangstellenden. 3 Het is bovendien 
de vraag of zelfs daarvan veel is terechtgekomen. De inmiddels uitgebroken oorlog doorkruiste ook 
allerlei afspraken in neutrale landen. 

Niet het resultaat in de periode voor mei 1940, niet de concrete en beuzelachtige onderwerpen 
op zichzelf zijn van belang, wel echter de intenties. De bedoelingen van de Nederlandse betrokkenen 

Alfred Rosenberg (Houston Stewart Chamberlain als Verkünder und Begründer einer deutschen Zukunft, 
München, 1927, p. 20). Maar Wagners weltanschauliche achtergrond werd met Chamberlains transmutaties 
dus ook min of meer direct aan de Nederlandsche SS overgedragen: zie voor het contact van Nachenius 
met Chamberlain Doe. I Nachenius b 5. Men mag nu zeker aannemen, dat ook bij muziekminnende 
volksgezinden Satie of Schönberg niet in de smaak zijn gevallen. 

(1) Doe. I Farwerck. 

(2) A.v.; H 982; zie ook nrs. 12 en 15; voor Sievers p. 64 en noot 7 daarbij. Farwerck werd één keer door 
Sievers voor een direct-politieke kwestie benaderd, dit op verzoek van een Hitier jugend-ïuncüonzris, 
die iets met de Jeugdstorm op touw wilde zetten. Farwerck wees dit af als te compromitterend, en Sievers 
bracht dit aan de i£/-man over (H 983). Het is echter uit de gevoerde correspondentie duidelijk, dat dit 
soort zaken buiten hun normale relatiepatroon lagen. 

(3) H 957- H 961. 



212 



DER VADEREN ERFDEEL 

lagen zeker in de eerste plaats in de relatie zelf met lieden, die dezelfde takken van wetenschap 
beoefenden, die dezelfde ideologische achtergronden hadden, en daarbij veel meer vakkennis, 
ervaring en mogelijkheden. Het ging ook de Nederlandse partners in wezen om de achtergronden 
en niet alleen om de potten en pannen op zichzelf. Maar een verdergaande strekking hunnerzijds 
valt in het - nogmaals: schaarse - bronnenmateriaal niet te onderkennen. 

De betrokken Duitsers, wetenschappelijk geschoolde SS-Führer in dienst van de Ahnenerbe- 
organisatie, die Himmlers speciale belangstelling had, zagen echter wijdere perspectieven. Bij al dit 
gedoe over oud-Germaanse sprookjes en zinnebeelden kwam de aandrang van hun kant. Plassmann 
drong zich op, vroeg aan Farwerck namen van en inlichtingen over geestverwante clubjes en vroeg, 
eenmaal in contact met één van deze groeperingen gekomen, notabene een ledenlijst. 1 Een andere 
medewerker van Ahnenerbe en lid van de SS Dr. H. Schneider maakte in 1938 en 1939 twee reizen 
naar Nederland, waar hij volgens eigen zeggen het Nederlandse volks-culturele milieu, de prestaties 
en vooral de mensen zelf mitsgaders 'bestimmte geistige Einstellungen des hollandischen Menschen 
zu seiner europaischen Umwelt' leerde kennen. 2 Deze Schneider zullen wij nog tegenkomen, vooral 
in het tweede halfjaar van 1940, toen hij de volksculturele groep vriendelijk doch straf ging organi- 
seren, en tactvol doch krachtig in de door de Duitse SS gewenste richting sturen. 8 

Wat deze Duitse SS-figuren wilden, zou toen duidelijker worden, maar die bedoelingen waren 
er voor mei 1940 al, hoewel zij dat natuurlijk niet aan hun Nederlandse relaties lieten blijken: een 
zeer doelbewuste cultuurpolitieke en daardoor politieke infiltratie, anders gezegd: door penetratie 
op volkskundig en aanverwant gebied langzame doordringing van de Duitse culturele en politieke 
invloed, speciaal in SS-zin, in Nederland. Plassmann opperde in januari 1940 tegenover Sievers 
het plan om hiervoor het Insthut für Auslandskunde te Munster te gebruiken. Dit oorspronkelijk 
katholieke instituut had allerlei betrekkingen, natuurlijk in de katholieke sfeer, met het buitenland 
onderhouden, en bezat onder meer een volkskundige verzameling. In 1939 was het door de SD in 
beslag genomen en onder nazi-leiding geplaatst. 'Die Arbeiten gehen im Rahmen des Möglichen 
weiter, natürlich unter völliger Umkehrung der ursprünglichen Tendenz.' Dit instituut, dat in West- 
falen geografisch ook zo gunstig lag, achtte Plassmann 

'hervorragend geeignet, zu einer Basis für eine zielbewusste Kulturpolitik nach den westlichen 
Grenzlandern ausgebaut zu werden, die zum grossen Teil germanischen Ursprungs sind 

Kortom, het zou een fraai aanknopingspunt zijn om alle betrekkingen van deze aard met Nederland 
en Vlaanderen te centraliseren en onder onopvallende, maar doelbewuste - dit woord vloeit niet 
toevallig voortdurend uit de Duitse pen - leiding te plaatsen. 4 

Dit alles in overeenstemming met, zo niet in opdracht van de hoogste SS-leiding. Schneider 
maakte van zijn reizen naar Nederland, waar hij blijkbaar ook niet-nationaal-socialistische folk- 
loristen ontmoet had, en van een dergelijke reis naar Engeland een rapport voor Himmler op: 

'Ich wies dabei die enge Verflechtung hollandischer und englischer Kulturarbeit nach und erhob 
damals die Forderung, nach starkercr deutscher kultureller Durchdringung gerade dieser hol- 
landischen volkstümlichen Erziehungsarbeit. Entsprechende Verwirklichungsmöglichkeiten hatte 
ich dazu vorgeschlagen und angebahnt.' 

Dit schreef hij later, toen het rapport hem van Himmler de benoeming tot SS-Untersturmfiihrer 

(1) A.v. 

(2) H 917: 5935-6. 

(3) Zie nrs. 37, 42-45 ; voor Schneider nr. 37, noot 2. 

(4) H 709:5422-4. 



213 



PREHISTORIE DER NEDERL ANDSCHE SS : DE VOOR-OORLOGSE RADICALEN 

had opgeleverd. 1 Klaarblijkelijk verschafte het hem ook na de mei-dagen van 1940 zijn hierboven 
geschetste positie in Nederland. De mogelijkheden voor de 'Erziehungsarbeit' leken toen zeer groot 
geworden. 

Hoe groot nu is de invloed van de volkse theorieën op de voor-oorlogse NSB geweest? Wij hebben 
al gezien, dat Musserts beweging steeds meer radicaliseerde. Maar dit bleef in wezen alleen een ver- 
scherping van het negativisme, resultaat van verbittering door het gevoel uitgestoten uit de maat- 
schappij te zijn. Zeker bewoog de partij zich meer en meer in racistische richting, maar kenmerkend 
is het, dat dit groeiend racisme zich hoofdzakelijk uitte in antisemitisme, dus alweer in een nega- 
tieve functie. De 'positieve' functie van dit racisme, de postulaten van Noordras en Germanendom, 
bleef voorbehouden aan de kleine volkse groep, die daardoor juist in een zekere oppositie kwam 
te staan tegenover de NSB-leiding, die deze termen wel eens in de mond nam, maar er niet over 
dacht om ze tot grondslagen van een wereldbeschouwing te maken. 

Bij die volkse oppositie hoorde ook Rost. Maar hij was de politicus, die een scherper, meer Duits 
gericht nationaal-socialisme voorstond en dit in strategie en tactiek van de NSB in praktijk trachtte 
te brengen. Of beter gezegd: hij wenste in de Nederlandse politieke arena de stijl van het extreme 
Oostenrijkse nazisme in te voeren. Geenszins was hij de theoreticus, die voor een andere ideologische 
fundering kon zorgen. Het Nationale Dagblad moet niet in de eerste plaats als een neerslag van de 
algemene opinie in de NSB worden gezien, tenzij men de begrijpelijke afwezigheid van fundamentele 
rastheoretische beschouwingen in dit dagblad (Roskams litanieën daargelaten) als een aanwijzing 
ziet voor het feit, dat men daarmee niet bij de gemiddelde lezer aan moest komen. Rost mocht op 
principiële punten andere opvattingen hebben dan Mussert en het Hoofdkwartier, hoe meer hij naar 
buiten optrad, hoe minder dat bleek. Alleen in toon en methoden onderscheidde hij zich dan van 
een Mussert of een d'Ansembourg, en ook hierin verschilde Het Nationale Dagblad maar weinig van 
Volk en Vaderland. Evenals het weekblad was de krant in principe een instrument ter beïnvloeding 
van de opinie. Zeker was dit de bedoeling van Rost 2 , maar men mag zich afvragen, of het door hem 
beoogde resultaat is bereikt. De oplaag daalde voortdurend, zozeer zelfs, dat men een paar maal 
overwoog het blad stop te zetten. Begin 1938 was die oplaag nog maar 1 1.000 en na mei 1940 waren 
er nauwelijks 4.000 lezers over. 8 Wanneer men bedenkt, dat de NSB omstreeks deze tijdstippen 
ongeveer 37.000, resp. nog geen 30.000 leden in Nederland telde 4 , is het duidelijk dat van een succes- 
volle indoctrinatie door de NSB-pers (met Volk en Vaderland ging het al niet veel beter) niet gespro- 
ken kan worden en eerst recht niet van indoctrinatie in volkse zin. Men mag wel aannemen, dat 
Het Nationale Dagblad ook door niet-NSB-ers werd gelezen en vermoedelijk heeft Rost door de 
felle aanvallen in het blad op establishment, joden en marxisten wel nieuwe leden voor de partij 
gewonnen 5 , maar deze lieden werden dan gewonnen voor de NSB als zodanig en niet voor de volkse 
groep of de volkse gedachte in de partij. 

Massale politieke propaganda zoals Rost die probeerde te bedrijven, was per definitie uitge- 
sloten bij Der Vaderen Erfdeel. Men wenste zich niet direct met politiek als zodanig te bemoeien, 
maar alleen de ogen van anderen te openen voor wat men zag als de werkelijke achtergronden van 
eigen nationale existentie en cultuur, met name voor het ras-element. Men richtte zich tot lieden, die 
belangstelling hadden voor archeologie, folklore en dergelijke zaken, in de hoop dat zij dan hun 



(1) Als noot 2 op p. 213. 

(2) Zie bv. Corresp. Rost, nr. 47. 

(3) Corresp. Rost, p. 44. 

(4) NSB 292/1569,1571. 

(5) Corresp. Rost, p. 44. 



214 



DER VADEREN ERFDEEL 



rasbewustzijn zouden hervinden. In deze vrij beperkte kring zijn er misschien wel resultaten geboekt. 
Binnen de NSB probeerde Farwerck wel iets te doen in de vorm van een werkgroep. In de boezem 
der partij waren allerlei werkgroepen, meestal 'raden' genoemd, opgericht: de Politieke Raad, de 
Raad voor Volkshuishouding, de Raad van Katholieken, de Orde van Getuigen van Christus 
(Evangelie en Volk), de Raad van Deskundigen van Onderwijs en Opvoeding enz. Ook dit allemaal 
zou het werk van Farwerck geweest zijn, vermoedelijk om de zeer vele figuren, ideeën en tegen- 
stellingen, die in de NSB waren vertegenwoordigd, niet al te zeer op elkaar te laten botsen, maar 
zich in eigen kring te laten uitleven : 'ieder kon min of meer zyn stokpaardje beryden, confessioneel, 
economisch, filosophisch, sociaal, militair, koloniaal, enz.' 1 Volks is waarschijnlijk alleen de zg. 
Agrarische Dienst geweest, die eerst onder leiding van H. J. van Houten stond, later onder Roskam. 3 
Farwerck trachtte eind 1937 de volks-culturele activiteiten in zekere mate binnen de NSB te insti- 
tutionaliseren in een 'Raad voor Volksche Cultuur'. Dit deed hij overigens uiterst behoedzaam. 
Begin 1938 gaf hij per circulaire een soort programma van de nieuwe Raad uit, dat in zeer ge- 
matigde termen gesteld was: men wilde slechts wat aan cultuur doen, niet aan politiek, was de 
vage teneur. Slechts één keer viel het woord 'ras', maar dan nog alleen in de traditionele frasering 
als 'organisch verbonden' met volk en cultuur. Waarschijnlijk mikte Farwerck op de gemiddelde 
NSB-er, die hij niet door teveel Germaans geschetter wilde afschrikken. 

Maar blijkbaar stierf de pasgeboren organisatie al vroegtijdig, want na de Duitse inval in 1940 
richtte Farwerck dezelfde Raad alweer op. In het najaar van 1940, toen de stichter zich met stille 
trom moest terugtrekken, werd deze Raad omgevormd in een afdeling van het Hoofdkwartier, en 
nog later ging zij roemloos in de afdeling Vorming op. 3 Activiteiten van enig belang zijn er, voor- 
zover bekend, nimmer door dit orgaan verricht. 

Naar onze mening is de invloed van de volkse theorieën op de voor-oorlogse NSB ondanks de 
steeds radicalere stemming in de partij niet groot geweest en bovendien nogal oppervlakkig. Men 
nam een aantal termen, waaronder dus het begrip 'volks' zelf, over, en verschraalde, bewust of on- 
bewust, de betekenis daarvan. Het enige ideologische moment van belang, dat werkelijk in brede 
kringen van de NSB aansloeg, was de Dietse gedachte, die bovendien pas na mei 1940 goed op dreef 
kwam, toen de volksen dit voor de Duitsers hinderlijke leerstuk haastig loslieten, zoals wij verderop 
zullen zien. De rest bestond uit weinig meer dan uiterlijkheden. De wolfsangel werd een algemeen 
gebruikt NSB-insigne, en figureerde voortaan onder meer op de uniformpetten van de WA; tijdens 
de bezetting was het juist de Nederlandsche SS, die van dit teken afwilde als te veel met de NSB 
verbonden, hoewel dit symbool vroeger zelf door de volksen als typisch Germaans was geïntro- 
duceerd. Germaans geachte maandnamen ('Louwmaand' en dergelijke) werden ingevoerd, 
gebruikt, en op den duur weer losgelaten, het laatste misschien omdat ook de meeste NSB-functio- 
narissen het wat vermoeiend zullen hebben gevonden om aan de hand van een lijstje steeds te moeten 
nagaan, of 'Grasmaand' nu wel april, en 'Slachtmaand' wel november was. Of het invoeren van 
deze dingen nu aan Farwerck of aan Reydon te danken was, is niet duidelijk, maar doet er ook niet 
zoveel toe; het kwam in ieder geval wel uit de volkse groep. 4 

Veel dieper dan dat zijn de volkse denkbeelden niet doorgedrongen - behalve dan wat de Dietse 
gedachte betreft, waarvoor ook nog wel andere factoren aan te wijzen zouden zijn. Gezien het 
ideologische vacuüm in de NSB, en de toenemende oriëntatie op het Duitse nationaal-socialisme, 
hetgeen wij al eerder signaleerden, is dit eigenlijk merkwaardig. Dat tijdens de bezetting, toen de 
situatie radicaal veranderd was, en het Duitse nazisme en speciaal de SS een overheersende positie 



(1) Doe. I Woudenberg, Mem. II, p. 8. 

(2) Corresp. Rost, p. 46. 

(3) NSB 72/379a; Doe. I Farwerck. 

(4) Doe. I Farwerck. 



215 



PREHISTORIE DER NEDERLANDSCHE SS ! DE VOOR-OORLOGSE RADICALEN 

innamen, de SS-gedachte diep in de NSB begon te penetreren, is niet verwonderlijk; eerder is het 
opvallend, dat de NSB nog zo'n grote mate van resistentie vertoonde. Die weerstand zou er niet 
geweest zijn, als reeds voor de oorlog de volkse denkbeelden over Noordras en Germanendom een 
belangrijk deel van kader en leden van de NSB hadden kunnen meeslepen. 

Maar, de volkse ideeën drongen dan wel niet voldoende door om de partij op sleeptouw te nemen, 
zij deden dat voldoende om door de NSB-leiding als hinderlijk te worden ondervonden. Mussert 
had bij vlagen zijn twijfels over Rost, en de sterke Duitse oriëntatie, die de volks-Germaanse door- 
draverij onvermijdelijk met zich meebracht, heeft zeker aan de top gevoelens van onbehagen en 
wrevel verwekt, ook bij Mussert zelf. Een enkele keer kwam de spanning in het openbaar: Volk en 
Vaderland publiceerde in februari 1940 een artikel onder de veelzeggende kop: 'De Theater- 
Germanen', dat besloten werd met een scherpe aanval op de volkse groep, die natuurlijk niet met 
name werd genoemd: 'Men zij op zijn hoede. Ze vinden de N.S.B, niet Germaansch, niet Dietsch 
en niet volksch genoeg. Zij zijn een gevaar voor ons volk.' 1 

Maar dit was tamelijk uitzonderlijk. Het zou volstrekt onjuist zijn de vrij openlijk uitgedragen 
tegenstelling tussen NSB en SS tijdens de oorlog terug te projecteren, en zich een duidelijk afge- 
bakende volkse groep voor de oorlog voor te stellen, die in scherpe en bewuste vete leefde met de 
NSB-leiding. Volks en volksgezind was voor velerlei uitleg vatbaar en in vele nuances. Een patroon 
van tegenstelling tussen volks en niet-volks, tussen Rost en de Farwerck-groep enerzijds en het NSB- 
hoofdkwartier anderzijds, is zeker waarneembaar, maar doorkruist en overwoekerd door andere 
tegenstellingen van belangen en personen. Om iets daarvan te noemen: Farwerck en de toen volks 
geachte Van Geelkerken waren trouwe Mussert-aanhangers, de eerste leefde in dodelijke vijand- 
schap met Rost van Tonningen, en Feldmeijer werd in de herfst van 1937 weliswaar naar de pro- 
vincie verbannen, maar dit hield waarschijnlijk verband met de zuivering, die in die tijd in de NSB 
plaatsvond van allen, die een kritische houding tegenover Mussert hadden aangenomen: in de eerste 
plaats de beste redenaar van de NSB ds. G. J. van Duyl. 2 Vooral sinds die tijd waren persoonlijke 
intriges, achterdocht en wantrouwen in de NSB-leiding in volle bloei. Dit speelde zich allemaal 
rondom de persoon van de leider af, maar Mussert zelf was daar niet actief bij betrokken. Getrouw 
aan zijn aard koesterde hij tegenover lieden als Rost en Feldmeijer ondanks zijn twijfels niet teveel, 
maar te weinig wantrouwen. 3 

Zeker is die tegenstelling tussen NSB-leiding en volkse vleugel, voor insiders al niet zo makkelijk 
waarneembaar, verborgen gebleven voor het overgrote deel van de partijleden. Evenals bij com- 
munistische partijen, en in het algemeen bij totalitaire groepsvorming het geval is, hechtte de NSB 
er buitengewoon veel waarde aan naar buiten te verschijnen als de gave monoliet. En wanneer 
spanningen en heterodoxe opvattingen aan de oppervlakte traden, eindigde dit ook met de politieke 
liquidatie van de opposanten, zoals in de herfst van 1937. Dat werd naar bekend procédé voor- 
gesteld als het uitwerpen van de 'ballast' van wankelmoedigen en halve of hele verraders, hetgeen 
de beweging alleen maar nóg hechter en vastbeslotener maakte: de lezer kan deze frases verder wel 
naar believen aanvullen. 4 De werkelijkheid zag er, zoals zich reeds vermoeden laat, wat anders uit. 
Die zuivering nu van 1937 had Mussert bevrijd van enige lastige dissidenten, maar dit had met de 
volksen of met de volkse ideologie weinig of niets te maken. Er is reden om aan te nemen, dat juist 
het vertrek van Van Duyl c.s. een zekere leegte in de NSB-top schiep, waarin de volksgezinden met 
hun speciale opvattingen des te meer opvielen. 5 

(1) VoVais febr. 1940. Volksche Wacht repliceerde in het maart-nummer (Lentemaand 1940, p. 4). 

(2) Corresp. Rost, p. 32. 

(3) Men zie Doe. I Woudenberg, Mem. II, p. 41 ; Vgl. Verkl. Mussert I, p. 3; zie tevens hieronder bij de 
oprichting van de Mussert-Garde. Vgl. Musserts uitspraak op p. 191. 

(4) Zie bv. Voor Volk en Vaderland, p. 56, 57, 305, 3 14. 

(5) Vgl. Corresp. Rost, p. 72. 



216 



FELDMEIJER EN DE MUSSERT-G ARDE 



Die opvattingen vielen toen ook des te meer op in vergelijk met het ideologische vacuüm in de 
NSB. Dat vacuüm kon Mussert met zijn brochure De bronnen van het Nederlandsche nationaal- 
socialisme ook niet opvullen. 1 

De volksgezinden bezaten dus een zekere, uit Duitsland ingevoerde of in eigen beheer ver- 
vaardigde wereldbeschouwing, met een aantal 'positieve' facetten afstekend tegen het negativisme 
van de NSB als geheel. Maar die volkse wereldbeschouwing hing toch erg in de mist van het 
grijze verleden en was teveel betrokken op potscherven en oeleborden om een revolutionair elan te 
kunnen onderhouden of te geven aan een partij, die radicale vernieuwing pretendeerde na te streven. 

D. Feldmeijer en de Mussert-Garde 

Voor de werkelijk radicalen was de NSB-leiding te kleinburgerlijk en te half, en lagen de activi- 
teiten van Der Vaderen Erfdeel te zeer in de sfeer van de studeerkamer. Speciaal moest dit gelden 
voor jongere, op actualiteit en actie gerichte figuren. 

Zo'n jongere was er in de kring van Der Vaderen Erfdeel : de reeds genoemde Johannes Hendri- 
kus ('Henk') Feldmeijer, in 1 9 1 o te Assen geboren, en voorbestemd om hoofd van de Nederlandsche SS 
te worden. 2 Voorbestemd - niet, dat de Duitse SS-leiding voor de oorlog reeds het oog op hem had 
laten vallen voor deze vertrouwensfunctie, maar wel voorbestemd in die zin, dat de jonge Feld- 
meijer alle fysieke en psychische kwaliteiten bezat, of leek te bezitten, om zulk een leiderschap te 
vervullen: het uiterlijk en de allure van een jonge Germaanse god, en de levenswijze van een asceet: 
niet roken en drinken, geen uitspattingen. Later veranderde dit alles: de jeugdige Germaanse ge- 
stalte werd wat pafferig, en de asceet ontwikkelde zich tot een nogal corrupte en hedonistische 
figuur. 3 Zeker was hij een geboren leiderstype, maar zoals zijn latere chef-staf na de oorlog ver- 
klaarde, 'een man zonder echte vrienden' 4 , bij wereldverbeteraars en leidersfiguren geen uitzon- 
derlijke constellatie; naar het schijnt ook eenzaam in zijn huwelijk.* 

Aan de Groningse universiteit begon hij een studie in de wis- en natuurkunde, maar brak die af 
om zich geheel aan de politiek te kunnen geven. 6 De nieuwe levensvervulling vond hij in de NSB. 
Hij bleek een uitstekend redenaar te zijn, en kwam in het propaganda-apparaat van de partij terecht, 
en tevens in Der Vaderen Erfdeel. Levensvervulling was dit inderdaad, omdat voor hem het 
nationaal-socialisme niet een politieke richting zonder meer was, maar een levensbeschouwing, die 
zijn leven en denken geheel vervulde, en eigenlijk als pseudo-religie fungeerde: 

'Het komt in het kort hierop neer, dat wij GELOOVEN. 
Wij zien en wij bekennen ons tot ons volk. 

Het verschil met onze tegenstanders blijkt al dadelijk hieruit, dat deze boeken hebben, waarin 
hun leer beschreven is. 

Over de Nationaal-Socialistische leer is nog geen boek geschreven en dat zal ook niet gebeuren. 
Dit duidt op onze kracht, terwijl het dikwijls juist gezien wordt als een zwak punt. Wij bekennen 
ons tot het Leven zelf. Wij houden ons niet aan een verstarrende leer . . . Nationaal-Socialisme 



(1) Van Etten, die ook op dit vacuüm wijst, ziet niet ten onrechte de Bronnen als een - mislukte -poging 
van Mussert om een compromis met het volkse standpunt te bereiken. (Tegenstelling NSB-SS, p. 5). 

(2) Zie voor meer formele gegevens zijn hier afgedrukte autobiografie (nr. 377) en de annotatie daarbij. 

(3) Zie het latere oordeel van Rauter in nr. 151. Vgl. Presser, Ondergang II, p. 195. 

(4) Doe. I Jansonius 3, p. 32. 

(5) Doe. I Y. A. Feldmeijer-Sikkes. 

(6) Volgens de bron in noot 4 na voor zijn kandidaatsexamen te zijn gezakt. 



217 



PREHISTORIE DER NEDERL ANDSCHE SS I DE VOOR-OORLOGSE RADICALEN 

is alleen te vatten op een bepaald oogenblik. Het wordt steeds rijker, het groeit. 
Dat is het meest kenmerkende van het Nationaal-Socialisme.' 

Dit waren uitingen in een rede, die Feldmeijer aan de volkse gedachte wijdde. De datum is niet 
bekend, maar zonder twijfel is dit voor de oorlog uitgesproken. 1 Na mei 1940 zou er verder een 
snelle evolutie in Feldmeijers theorieën plaatsvinden; het eindresultaat daarvan hebben wij elders al 
aangegeven. Die evolutie, voornamelijk op staatkundig gebied, was zeker mede veroorzaakt, doordat 
Feldmeijer ideologisch de NSB altijd minstens twee stappen vóór wilde blijven. Hoezeer hij aan- 
vankelijk de rol van de vurige, jeugdige idealist speelde en tot op zekere hoogte misschien ook wel 
was, tijdens de Duitse bezetting zou zijn opportunistische strebersnatuur, gericht op de gunst van 
Berlijn, duidelijk naar voren komen. Desalniettemin is die latere evolutie ook uit haar beginpunt 
verklaarbaar. Een analyse van de onophoudelijke stroom van artikelen en redevoeringen, waarmee 
hij tot zijn dood in februari 1945 zijn volgelingen bewerkte, blijve hier afwezig. Van belang is hier 
alleen te wijzen op het feit, dat de basis-elementen van zijn levensopvatting: extreem irrationalisme, 
en dynamisch vitalisme, bij Feldmeijer al lang aanwezig waren. 

Juist deze levensbeschouwelijke elementen, en Feldmeijers levenshouding in het algemeen maak- 
ten van hem een ideaal prototype van de SS-man, ook mentaal gepredisponeerd om Voorman van 
de Nederlandsche SS te worden. De opvattingen als zodanig, zeker als die in concrete vorm moesten 
worden geformuleerd, waren het minst belangrijk, dit trouwens volgens Feldmeijer zelf : het ging 
niet om de theorie, het ging om het leven. Inderdaad, Feldmeijers wereldbeschouwelijke stellingen 
waren wel min of meer dezelfde als van de andere volksgezinden, maar in stijl en levenshouding 
stak hij scherp bij deze archeologiserende amateurvorsers af, en eerst recht natuurlijk bij de 
rancuneuze burgermannen in de NSB-leiding. Die stijl nu was bij Feldmeijer primair, en daarmee 
was hij, en tot op zekere hoogte bewust, een incarnatie van de essentie van de SS. 

'Das theoretische Element spielte also in der SS eine Nebenrolle; das eigentlich Tragende und 
Verbindende war statt dessen eine bestimmte Mentaliteit . . .* schrijft Buchheim, die weliswaar 
verklaart, dat allerlei elementen in die mentaliteit algemeen nationaal-socialistisch zijn, maar: 'Die 
Besonderheit der SS bestand in der Intensitat, mit der diese Mentalitat gepflegt wurde, und in der 
Konsequenz, mit der man auch wirklich danach handelte.' 2 

Zeer kort samengevat komt die SS-mentaliteit neer op de reeds ter sprake gekomen houding van 
de Kdmpfer, die strijdt om de strijd zelf; de Germaanse heros, de Oostgoot après la lettre, de 
Kampfer, die zich verliest in de aesthetiek van de oorlog. De gevoelscontradicties, die anderen in 
een oorlogssituatie beleven - bijvoorbeeld een Amerikaanse soldaat, die de oorlog als een dirty job 
beschouwt - zijn hem vreemd, of hij dringt ze helemaal terug. De levenshouding van de Kdmpfer, 
achter wie duidelijk de gestalte van Jünger (en vager wellicht Nietzsche) zichtbaar is, legt hem 
hardheid op, tegenover zichzelf en anderen. Normale gevoelsrelaties worden verschrompeld, en zijn 
bovendien suspect als tegengesteld aan de nagestreefde 'Harte als Abhartung, aber auch als Ver- 
hartung gegenüber allen menschlichen Regungen' 3 (men vergelijke Feldmeijer als 'man zonder echte 
vrienden'). Er ontwikkelt zich alleen een nieuw weefsel van pseudo-gevoelsrelaties met de eigen 
bentgenoten: dat is de 'kameraadschap'; de overdreven betekenis, die in de SS en soortgelijke 
organisaties 1 daaraan wordt gehecht, wiist reeds op de neurotische plaats van dit element. Bin- 

(1) NSB 26/127. 

(2) Buchheim, Anat. I, p. 227-278. 

(3) A.v.,p.277- 

(4) Het lijkt de bewerker om een aantal redenen onjuist om, zoals vaak wordt gedaan, de huursoldaten in 
Afrika of dergelijke formaties zonder meer met de SS te vergelijken. Nochtans zijn de hier geschetste 
momenten in de SS-mentaliteit vaak in bepaalde mate ook bij dit soort troepen aanwezig, en kunnen door 
hen gepleegde misdaden uit een vergelijkbare achtergrond worden verklaard. 



218 



FE LD MEIJER EN DE MUSSERT-G AR DE 

dingen aan anderen, emotioneel of hiërarchisch, snijdt de Kampfer af: zijn loyaliteit richt zich niet 
op de traditionele waarden en autoriteiten, op vorst, kerk, politieke partij, zelfs in wezen niet op 
eigen ideologie of vaderland, maar vrijwel uitsluitend op de leden van zijn eigen troep, maar dat 
dan ook met vertienvoudigde intensiteit; allicht, waar alle andere categorische imperatieven worden 
verworpen. Bevelen en strevingen van meerderen, die als behorend tot de eigen groep worden 
ervaren, zijn des te onaantastbaarder, naarmate de man zich meer deze fatale levenshouding heeft 
eigen gemaakt, en des te minder stuiten deze bevelen, hoe absurd of misdadig ook, op innerlijke 
weerstand van het restant van traditionele waarden. 

Al deze - kort geschetste - wezenstrekken vertoonde Feldmeijer op exemplarische wijze. ïn de 
publikaties van de Nederlandsche SS in oorlogstijd weerklinken steeds twee Leitmotive, voortdurend 
met elkaar in onheilspellend contrapunt verweven: als eerste de Germaans-noordse rasmystiek, 
erfenis van Farwerck, voortgezet door Nachenius en anderen; als tweede het schelle thema van 
strijd, oorlog, Einsatz, Fronterlebnis, heldendom, ondergang. Het laatste is ongetwijfeld niet alleen 
de inbreng van Feldmeijer, en niet alleen tot hem beperkt, maar het is Feldmeijer, en het was al de 
voor-oorlogse Feldmeijer, toen reeds zijn stempel op zijn omgeving drukkend. Zijn vriend en 
secondant W. J. Heubel (op latere foto's ook jong, Germaans, vastberaden, martiaal, enz., hetgeen 
door de SS-pet met doodskop extra reliëf krijgt) schreef Feldmeijer in 1939 naar aanleiding van de 
geboorte van diens zoon: 

'Ik hoop van harte, dat jij hem dan als 'harde kerel', en wel in de vorm, zooals je die zelf om- 
schrijft, als voorbeeld zult mogen zijn. Dus een knaap, die niet in de strijd gelooft, bij wijze van 
liefhebberij, maar als inhoudgevend aan het leven.' 1 

Strijd is hier wel degelijk ook letterlijk, in een puur fysieke betekenis, bedoeld. Het was geheel in 
Feldmeijers stijl, en in zijn termen gesproken: 'knapen' en 'kerels', die niet bevreesd waren voor 
strijd, dood en leed, maar die juist het gevaar zochten, waren zijn ideaal. Feldmeijer zelf in een 
brochure, getiteld Wij de jeugd uit 1935: 

'Wij werden onpasselijk van een vredesidealisme, dat zich richtte tot de lichamelijke vrees voor 
verminking en verwonding.' z 

Tegen deze 'ziekelijke mentaliteit' trok Feldmeijer ten strijde. Zijn dynamische vitalisme boog zich 
dan ook met een immanente noodzaak naar de dood toe. Wij achten ons ontslagen van de plicht 
dit proces verder tot zijn eigen fysieke dood toe te volgen, evenals de uitwerking van dit alles in de 
SS-publikaties in Nederland; de belangstellende lezer neme hiervoor een aantal willekeurige 
nummers van Storm-SS en de SS- Vormingsbladen uit de bezettingstijd. Evenmin hoeft hier de 
genealogie van de SS-geest verder getraceerd te worden ; het zal de lezer niet verwonderen in deze 
publikaties en in dit verband vaak Nietzsche geciteerd te zien, bv. tirades van de oude filosoof 
in een jeugd-nummer van een SS-blad met vroegere redevoeringen van Feldmeijer. 3 

Jeugd, de jeugd, was vanaf het begin van zijn politieke loopbaan een sleutelbegrip bij Feldmeijer. 
Die jeugd had zijn meedogenloze voorkeur, het was een onmisbaar element in zijn vitalistische en 
barbaarse voorstellingswereld. Ongetwijfeld kende in 1935 de felle, 25-jarige NSB-propagandist 
nog niet de woorden, die de Führer toen al had uitgesproken: 



(1) Heubel aan Feldmeijer 29 nov. 1939 in Doe. I W. J. Heubel 14. 

(2) J. H. Feldmeijer: Wij de jeugd, Uitg. Nenasu, Utrecht z.j. (1935). 

(3) SS- Vormingsbladen, Zaaimaand (okt.) 1944. 



219 



PREHISTORIE DER NEDERLANDS CHE SS : DE VOOR-OORLOGSE RADICALEN 

'Das Schwache muss weggehammert werden. In meinen Ordensburgen wird eine Jugend her- 
anwachsen, vor der sich die Welt erschrecken wird. Eine gewalttatige, herrische, unerschrockene, 
grausame Jugend will ich. Jugend muss das alles sein. Schmerzen muss sie ertragen. Es darf nichts 
Schwaches und Zartliches an ihr sein. Das freie, herrliche Raubtier muss erst wieder aus ihren 
Augen blitzen. Stark und schön will ich meine Jugend. Ich werde sie in allen Leibesübungen 
ausbilden lassen ... Ich will keine intellektuelle Erziehung. Mit Wissen verderbe ich mir die 
Jugend ... Sie sollen mir in den schwierigsten Proben die Todesfurcht besiegen lernen. Das ist die 
Stufe der heroischen Jugend.' 1 

Toegegeven, het citaat is aan de lange kant, dit echter om het evidente verband met de heroïsche 
Kamp f er (bijvoorbeeld ook in het anti-intellectuele moment) duidelijk voor ogen te stellen. Er is 
geen twijfel aan, dat Feldmeijers jeugd-ideaal toen reeds bedenkelijk ver de richting van dit citaat 
uitging, al had hij toen vermoedelijk nog niet alle krasse consequenties getrokken. Bovendien kon 
hij zich natuurlijk in het voor-oorlogse Nederland moeilijk zó uiten als Hitier in zeer besloten 
kring had gedaan. Men vergelijke echter het hierboven geciteerde van hem uit de brochure Wij de 
jeugd, en de hele toon in dit geschrift : 

'Wij lagen op de knieën , maar tegen den grond gingen we niet! 

Wij staan al weer op onze beenen. 

Wij zetten den pas er weer in ! 

Wij zullen met dreunenden stap verder marcheeren! 

Wij kunnen bevelen en wij kunnen gehoorzamen. 
Wij zijn sterk en kennen onze jonge kracht.' 

En zo voorts in het hele geschrift, waarin drie-kwart van de zinnen begint met het dreunende 
collectief 'wij' van deze levensgevaarlijke, in wezen eenzame nihilist. De brochure is een wilde aanval 
op alles, wat in Nederland gevestigd was: het democratische stelsel, de heersende moraal, de usan- 
tiële omgangsvormen, het intellect, pacifisme, moderne kunst, jazz, studentencorpora, enz., enz., 
kortom op alles, wat er klein, verrot, voos, burgerlijk, resultaat van materialistische kruideniers- 
geest heette, en dat was, in de ogen van 'lichamelijk en geestelijk gezonde menschen' tot welke de 
schrijver zich rekende, vrijwel alles in het vooroorlogse Nederland. 

Maar het zal duidelijk zijn, dat in de visie van een Feldmeijer niet alleen het democratische, 
marxistische, burgerlijke of confessionele Nederland in elkaar geslagen diende te worden, maar dat 
dan ook de NSB zoals zij reilde en zeilde een forse onvoldoende van hem moest krijgen. De minach- 
ting voor Leider Mussert, die hij tijdens de bezetting niet altijd verborgen hield, is zeker al eerder 
ontstaan. Uiterlijke èn innerlijke allure en optreden van Mussert waren ook weinig geschikt om 
respect bij het 'trotse, jonge roofdier' af te dwingen. 2 

De rest van de NSB-leiding was, op Rost van Tonningen na, natuurlijk al niet veel beter. De hele 
politiek van de NSB werd als on-inspirerend, halfslachtig, negatief aangevoeld, en wel, omdat de 
NSB het juiste fundament en de juiste stijl zou missen. Schelden op het parlementaire systeem of 
de Indische begroting van de regering was wel nuttig, maar voor jonge radicale nationaal-socialisten 
echt niet genoeg: 



(1) Hermann Rauschning: Gesprache mit Hitier, Zürich, 1940, p. 237. 

(2) Men vergelijke bijvoorbeeld de houding van Mussert bij NSB-manifestaties met de wijze, waarop 
Feldmeijer zijn mannen inspecteert, in de door dr. R. L. Schuursma vervaardigde film „Anton Mussert". 
Ook op de foto's is het verschil vaak evident. 



220 



FELD MEIJER EN DE MUSSERT-G A RDE 

'Wij werden, toen wij nog vele jaren jonger waren, geen nationaalsocialisten omdat de valuta- 
politiek van Colijn onjuist was, ook niet, omdat het democratisch systeem ondoelmatig was, 
zelfs niet, omdat het schrijnend leed der werkloosheid bestond, doch wel, omdat we niet langer 
konden en wenschten te leven in die atmosfeer van verrotting en onoprechtheid, van ziekelijkheid 
en verzieking, van kleinheid en onbenulligheid, we werden nationaalsocialisten, omdat we wilden 
leven , we wilden ons volk, de onzen dus, weer dwingen te leven in den sterksten zin van dit 
woord.' 1 

Ook hier weer een verpolitiekt vitalisme. 

Geen wonder, dat Feldmeijer andere gedachten en plannen koesterde dan de 'nette' heren in het 
Hoofdkwartier als de gezagminnende oud-koloniaal HarlofT of de katholieke ex-burgemeester van 
Amstenrade graaf d'Ansembourg. Geen wonder echter ook, dat Farwercks knutselkring hem onvol- 
doende bevredigde, en hij naar de radicale agitator Rost graviteerde. Deze zag in de bijna zeventien 
jaar jongere Feldmeijer zeker nog niet de man, die hem later in de gunst en de hiërarchie van de 
SS voorbij zou streven, maar een capabele jeugdige hulpkracht, die aanmoediging verdiende en de 
kwaliteiten had om de jongeren aan te trekken, te radicaliseren, en, mogen wij veronderstellen, 
meer tot strijders voor Rost dan voor Mussert te maken. 

De Nationale Jeugdstorm, jeugdorganisatie van de NSB, was hiervoor niet het geschikte middel. 
Dit om verschillende redenen; afdoende was al, dat om het ambtenarenverbod te omzeilen de 
Jeugdstorm begin 1939 gereorganiseerd was als een schijnbaar neutrale, democratisch gestructu- 
reerde vereniging, niet meer onder leiding van de 'Hoofdstormer' Van Geelkerken, maar onder 
een bestuur met een voorzitter. Het hielp niet veel. De nieuwe Jeugdstorm kwam niet van de 
grond, en vond in februari 1940 het eind van haar kommervolle existentie. 2 

Van wie kwam in 1939 het plan om een geheel nieuwe jongerenorganisatie op te richten? Van 
Rost, van Feldmeijer, van hen beiden en wellicht nog anderen? Het is niet duidelijk. Ook is het niet 
uitgesloten, dat bij plannensmederij en oprichting Duitsers betrokken zijn geweest. Feldmeijer had 
al enige jaren voor de oorlog contact met de Volksbund für das Deutschtum im Ausland ( VDA) en, 
nog omineuzer, met SZMunctionarissen, die zich vanuit West-Duitsland, met name Düsseldorf, 
speciaal met Nederlandse zaken bezighielden. Voorop gingen daarbij de heren Knolle en Ispert, die 
later belangrijke functies in het bezettingsapparaat in Nederland zouden krijgen. 3 Met hulp van 
Rost werd Feldmeijers vriend Heubel naar Berlijn gezonden om zich van de gang van zaken in 
Duitsland bij jongerenorganisaties op de hoogte te stellen. 4 Men mag aannemen, dat bij deze 
oriëntatie-reis niet alleen de Hitlerjugend, maar ook de SS, en wellicht vooral de SS, in ogenschouw 
werd genomen. 

Van wie het oorspronkelijke plan ook geweest moge zijn, Feldmeijer nam meteen het initiatief 
in handen. De op te richten jongerenorganisatie wees goed beschouwd inderdaad in SS-richting: 
sport, exerceren, geen joodse of gedeeltelijk joodse leden (zulk nog steeds in tegenstelling tot de 
WA!), en medische keuring. Een vervanging van de Jeugstorm, waar aanvankelijk wel over gedacht 
was, werd het helemaal niet. Niet jongens en meisjes van middelbare school-leeftijd werden nu op- 

(1) Feldmeijer in nov. 1 941, als aangehaald in Van Etten, Tegenstelling NSB-SS, p. 17, 18; Van Etten 
heeft bepaald te weinig oog voor het nihilisme in de idealen van Feldmeijers aanhang, maar zijn analyse 
van de levensbeschouwelijke tegenstelling tot de NSB is over het algemeen wel aanvaardbaar. 

(2) Doe. II Nationale Jeugdstorm 1,5; Corresp. Rost p. 66, 67, 134, 135, nr. 53. 

(3) Nr. 44; Verkl. mevr. Rost v. Tonningen, p. 5; Van Etten beweert, dat Ispert geld van de SS aan 
Feldmeijer gaf om een jongerenorganisatie in SS-sfeer op te richten. Feldmeijer zou dat geld echter aan 
privé-zaken * versnoept* hebben, waarna Ispert hem voortaan als oplichter karakteriseerde (Van Etten, 
Ned. SS, p. 9). 

(4) Corresp. Rost, p. 67. 



221 



PREHISTORIE DER NEDERL ANDSCHE SS : DE VOOR-OORLOGSE RADICALEN 

nieuw georganiseerd, maar uitsluitend mannelijke jongelui van 18 tot 25 jaar, Feldmeijers 'kerels' 
en 'knapen'. 

Deze nieuwe formatie bleek achteraf de organisatorische voorloper van de Nederlandsche SS 
te zijn, een soort pre-SS, maar bij de oprichting in 1939 zag vrijwel niemand een verband met de 
SS, kennelijk vele insiders en Mussert ook niet. 1 Hoogstens vond de NSB-leiding het hinderlijk, dat 
dit een initiatief uit de hoek Rost-Feldmeijer was, maar Feldmeijer wachtte zich er wel voor om 
een SS-inslag openlijk ten toon te spreiden. De nieuwe organisatie, die in het najaar van 1939 op 
gang kwam, kreeg de naam 'Mussert-Garde'. Trouw aan de Leider was axiomatisch. Althans, die 
indruk trachtte Feldmeijer te geven. De Haagse afdeling kwam onder leiding te staan van W. 
Schwing, een trawant van Rost van Tonningen, en dreigde zich te ontwikkelen tot een soort privé- 
korps van Rost. 2 Feldmeijer waarschuwde evenwel Schwing ervoor de mensen niet bij voorbaat 
door een al te groot radicalisme af te stoten. 'U begrijpt, dat dit aan het wezen der zaak natuurlijk 
niets afdoet.' 3 Dat deed het Wilhelmus, aan het slot van iedere wekelijkse bijeenkomst gezongen, 
ook niet, evenmin als het sterk Dietse element, dat zich in de Mussert-Garde manifesteerde, onder 
meer in een lied van een geheel andere orde: 

'Wij zijn Dietschlands Mussert-Garde 
Wij zijn Dietschlands Jonge-Wacht 
Wij zijn jong, gezond en zelfbewust 
En onze toekomst lacht.' 

Dit lied werd zelfs korte tijd na mei 1940 nog gezongen. In die tijd meende Heubel, adjudant van 
Feldmeijer als leider van de Mussert-Garde, de activiteiten van de afdeling 'Dietsche Strijd buiten 
Rijks-Nederland' van de Mussert-Garde nog te kunnen voortzetten. 4 

De leiding van de NSB heeft waarschijnlijk de Mussert-Garde gezien als een gecamoufleerd 
weerbaarheidskorps, in de vorm van een soort kruising tussen de min of meer zieltogende Jeugd- 
storm en de reeds lang opgeheven WA. Niet alleen ambtenaren- en uniformverbod, ook de omstan- 
digheden in het algemeen - begin september 1939 was de oorlog uitgebroken - noopten de NSB er 
echter toe de activiteiten van de Mussert-Garde te beperken en zoveel mogelijk binnenshuis te 
houden. Van de wijze, waarop de wekelijkse oefenavonden verliepen, krijgt men een indruk uit 
Feldmeijers aanwijzingen aan de leider van een plaatselijke afdeling: 

'U begint met het appèl, daarna leest U voor de staande troep het leidersbeginsel als spreuk voor 
dezen avond. Vervolgens zingt U gezamenlijk een lied, daarna leest U voor bijgaande beschou- 
wing onder den titel 'Moordenaars van varkens en volkeren', als vormend deel van dezen avond. 
U kunt daar desgewenscht heel kort een beschouwing aan verbinden over de oplossing van het 
Jodenvraagstuk in den zin van het Guyana-plan van den Leider.' 



(1) Dit moge blijken uit de voorstudie, die de latere personeelschef van de Nederlandsche SS H. W. 
Bettink maakte, in NSB 189/1015; verder Van Etten, Ned. SS, p. 8; Doe. I Jansonius 3. Heubel noemt 
tegenover Feldmeijer (in de reeds geciteerde brief; zie noot 1 op p. 219) de op te richten organisatie 'je 
laatste kans in de Beweging, zoo voel ik het tenminste van de Baas zijn standpunt aan, lukt deze niet, dan 
sta je op straat en kunt een beroep zoeken.' 

(2) Zie Corresp. Rost, p. 68, 69; voor het verband met het z.g. 'Vrijkorps Rost\ 'SA-Rost' e.d. van 
medio 1940 - waarin echter de WA preponderant was - Corresp. Rost, p. 84 e.v. 

(3) Feldmeijer aan Schwing 1 nov. 1939, NSB 189/1015. 

(4) VoVa, 12 jan. 1940; Doe. I Heubel 14. Dat de leiding van de NSB met opzet dit Dietse element er 
aan toevoegde, zoals Corresp. Rost, p. 67 suggereert, lijkt de bewerker niet juist gesteld. 



222 



FELDMEIJER EN DE MUSSERT-G ARDE 

Daarna exerceren, groet, melden, inrukken, Wilhelmus. 1 Het was Feldmeijer eigenlijk ook te tam. 
Hij wenste geheel in de stijl van Rost in het openbaar op te treden, te provoceren, arrestaties uit te 
lokken. Dat lukte uitstekend; op het eind van 1939 en het begin van 1940 had de Mussert-Garde 
enige invallen van de politie te verduren en vond er een aantal arrestaties plaats. Het gedrag van 
de garde, althans van sommige plaatselijke groepen, de hier en daar duidelijke neiging naar Rost, 
het ten toon gespreide radicalisme, dit alles veroorzaakte wrijving met 'Utrecht'. 2 

Men houde echter in het oog, dat de gemiddelde Mussert-Gardist- behalve tot op zekere hoogte de 
Haagse bewonderaars van Rost misschien - weinig of niets van die achtergronden begreep of zelfs 
maar merkte, evenmin als de gemiddelde Duitse SS-man van de twintiger, begin dertiger jaren 
een tegenstelling tussen zijn korps en de partij bespeurde. Mogelijk achtte de Mussert-Gardist zich 
wel lid van een élite, en in zoverre voelde hij misschien een onderscheid met de gewone NSB-er - 
het bronnenmateriaal is te schaars om hier iets positiefs over te kunnen zeggen. Maar toch valt er 
wel een onderscheid waar te nemen, geen ideologisch verschil weliswaar, maar een zeker verschil 
in stijl, althans de poging daartoe, die Feldmeijer in het werk stelde door zijn speciale opname- 
eisen en de regie van de oefenavonden. Op dit vlak nu had ook in vroeger jaren het onderscheid 
tussen NSDAPcn SS gelegen. 

Een andere overeenkomst met Himmlers opbouw van de SS bestond in Feldmeijers streven om 
een agrarisch element in de Mussert-Garde te brengen. Voor dit doel zocht hij contact met de 
plattelandsjeugd via landelijke ruitersportverenigingen. Zo had Himmler ook het gros van de 
Noord-Duitse ruitersportverenigingen massaal in de SS opgenomen. 8 Dat Himmler en Feldmeijer 
het in deze richting zochten, was ook wel ingegeven door overwegingen van praktische politieke 
aard, maar kwam in de eerste plaats voort uit de SS-filosofle ten aanzien van boeren-krijgers. 
Merkwaardigerwijs zijn er geen pogingen bekend van Feldmeijer om aanhang te vinden in kringen, 
waarin de Duitse SS na 1933, af en toe met succes, probeerde te werven: adel en officierskringen. 
Het zij gezegd: de situatie lag natuurlijk heel anders dan in Duitsland, en de Mussert-Garde leidde 
een te kortstondig en marginaal bestaan om al te veel conclusies te kunnen trekken. 

Als Feldmeijer gedacht heeft de Mussert-Garde een ruggegraat op het platteland te geven, is dat 
blijkbaar niet goed gelukt. Uit de stukken blijkt, dat in de loop van het tweede halfjaar van 1939 
afdelingen zijn gevormd in de drie grote steden, en voorts in Haarlem, Utrecht, Amersfoort, Baarn, 
Hilversum, Bussum en Soest; mogelijk in nog meer plaatsen, maar die groepen hebben dan geen 
sporen in het bronnenmateriaal achtergelaten. Dat het Gooi hier zo'n opvallende plaats inneemt, is 
vermoedelijk voor een groot deel te danken aan W. J. Heubel en zijn minstens even fanatieke zuster 
F. S. Heubel (in december 1940 getrouwd met Rost van Tonningen); broer Wim en zuster Florrie 
waren beiden Jeugdstorm-figuren, voor wie het Gooi naar het zich laat aanzien hun politieke privé- 
jachtterrein was. 4 

Gezien deze territoriale spreiding kan de Mussert-Garde bepaald niet als een vast aan het 
hoerendom verankerde formatie worden beschouwd; het korps vond zijn leden kennelijk over- 
wegend in het geürbaniseerde gebied. Maar ook wat dit aspect betreft dient men met verdere con- 
clusies voorzichtig te zijn, omdat de Mussert-Garde kwantitatief weinig betekende, en er waar- 
schijnlijk een sterke geografische concentratie van NSB-ers nodig was om een levensvatbare groep 
van de Mussert-Garde uit te distilleren. 

(1) NSB 189/1015. 

(2) Détails bij Corresp. Rost, p. 68-70. 

(3) Feldmeijer aan J. C. Vethman 29 juli 1939, NSB 1 89/1 01 5; Höhne, Orden, p. 129, 130. 

(4) Na de oorlog verklaarde mevr. Rost van Tonningen: 'Mijn broer en ik hebben eigenlijk samen het hele 
Gooi opgebouwd.' (Verkl. mevr. Rost van Tonningen, p. 3). Hun invloed is daar zeker groot geweest. Dat 
dit de Mussert-Garde in deze streek ten goede kwam, zou men ook kunnen opmaken uit Corresp. Rost, 
P- 135,136. 



223 



PREHISTORIE DER NEDERLANDSCHE SS : DE VOOR-OORLOGSE RADICALEN 

Mussert had het later over maximaal 1 10 man in totaal. 1 Dit getal is waarschijnlijk te laag, maar 
de grootte van de plaatselijke afdelingen moet in tientallen af te tellen geweest zijn - als ze dat al 
haalden. De hele Mussert-Garde mag misschien een 200 a 300 man geteld hebben, hoogstwaar- 
schijnlijk niet meer, eerder minder. 2 Gezien de verhoudingen vlak na de Duitse inval mag men 
aannemen, dat onder hen zich vele oud-W A-mannen en toekomstige WA-mannen bevonden. 

In détails georganiseerd was de zaak bepaald nog lang niet. De heersende verboden en verdere 
regeringsmaatregelen maakten dat trouwens moeilijk. Het schijnt usance geweest te zijn 'dienst' te 
doen, tenminste binnenshuis, in zwart, soms wit, overhemd, en zwarte broek. Een rangenstelsel, 
zoals bij de WA en later de SS het geval was, ontbrak. 

Men houde bij dit alles niet alleen in het oog, dat het bronnenmateriaal buitengemeen schaars is, 
maar ook, dat de Mussert-Garde slechts weinig meer dan een half jaar bestaan heeft en nooit boven 
een begin-stadium is uitgegroeid. Evenwel, niet wat de Mussert-Garde heeft gepresteerd hoeft ons 
hier bezig te houden, en evenmin welke plaats deze organisatie later ingenomen zou hebben, als de 
voor-oorlogse ontwikkeling der dingen niet plotseling op 10 mei 1940 door Duitse parachutisten en 
pantserwagens afgebroken zou zijn. Van belang is alleen, dat Feldmeijer enerzijds uit de groep van 
Der Vaderen Erfdeel en anderzijds uit het reservoir aan weerbare jongemannen in de NSB een 
kern had losgemaakt, waarmee hij na de mei-dagen met de steun en zegen van de nieuwe heersers de 
basis kon leggen voor de opbouw van een SS in Nederland. 

E. Zomer 1940: plannen. 

De plotselinge, onverhoedse aanval, die in de eerste uren van de 10e mei 1940 door Duitsland op 
Nederland werd gedaan, kwam voor vrijwel iedereen als een verrassing, voor het overgrote deel van 
de Nederlanders als een schok - zelfs voor zeer vele NSB-ers. Desalniettemin werd die NSB gezien 
als een georganiseerde vorm van landverraad en steun aan de vijand - voor wat de vijf oorlogsdagen 
in mei 1940 betreft grotendeels ten onrechte, voor wat betreft de hele duur van de oorlog en het 
wezen der zaak geheel terecht. Dit verraad aan, om het weekblad van de beweging te parafraseren, 
volk en vaderland kwam echter voor de meeste Nederlanders veel minder onverwacht dan de overval 
zelf. Rekening houdend met de mogelijkheid van het laatste, en in dat geval de waarschijnlijkheid 
van het eerste had de Nederlandse regering vlak voor de Duitse inval 2 1 personen als staatsgevaar- 
lijk geïnterneerd, waaronder vier communisten teneinde de maatregel een neutrale tint te geven. De 
rest bestond uit NSB-ers, NSNAP-ers, en figuren, die van spionage verdacht werden. Het was een 
scherpe selectie uit een veel grotere kring van lieden, die voor internering in aanmerking kwamen. 

De belangrijkste arrestanten waren Rost van Tonningen en Feldmeijer. Hoe ook de reactie van 
het Nederlandse volk hierop geweest moge zijn - de maatregel ging zeer velen niet ver genoeg en 
gaf vermoedelijk alleen maar nieuw voedsel aan de zware verdenking van actueel of potentieel 
verraad van NSB-zijde - in de ogen van hun partijgenoten kregen de geïnterneerden de glans van het 
martelaarschap. Of Mussert erg gesticht was met het aureool, dat de gevangen volkse kameraden 
omgaf, mag worden betwijfeld; nu bleek, dat hijzelf 'te onbenullig was om hem de eer aan te doen, 
tot de 21 te behoren die als staatsgevaarlijk werden opgepakt', aldus de toenmalige procureur- 
generaal te Amsterdam mr. dr. J. A. van Thiel. 3 



(1) Mussert aan Seyss-Inquart 30 aug. 1940 (concept) in NSB 15 c. 

(2) Dit is een vage schatting, berustend op vage gegevens. Eind oktober 1939 vraagt Feldmeijer een 150 
a 200 stokken voor stokoefeningen van de Mussert-Garde. In november had de Hilversumse NSB slechts 
10 leden, die in aanmerking kwamen voor de Mussert-Garde (NSB 1 89/1015; vgl. Corresp. Rost,p. 68, 
waar gesproken wordt over Rotterdam als over de op één na grootste afdeling met minstens 60 man.) 

(3) Geciteerd bij De Jong, Vijfde Colonne, p. 93. De internering bracht binnen de NSB-Ieiding allerminst 



224 



ZOMER 1940: PLANNEN 



Op 10 mei brak het pandemonium los. De eerlijkheid gebiedt ons te zeggen: ook voor de leden 
van de NSB. De angst voor verraad, reeds lang aanwezig, groeide aan tot een golf van paniek, die 
het land overspoelde. In die vijf oorlogsdagen, vol van spanning, berichten over vijandelijke 
successen en geruchten van allerlei aard, werden allerlei mensen gearresteerd, leden en n iet-leden van 
de NSB, vaak op de meest vage en vreemde aanwijzingen. Het aantal opgeslotenen liep in de 
duizenden en duizenden, veel meer dan voorzien was, met alle gevolgen daarvan. Een zevental 
NSB-ers werd in de nerveuze verwarring neergeschoten. 'In die vijf dagen zijn er onbeschrijfelijke 
toestanden geweest', oordeelde later de hierboven aangehaalde procureur-generaal. 1 

Maar na die vijf dagen was het over. Het Nederlandse leger moest behalve in Zeeland overal 
de wapens neerleggen, de vijand deed verder ongehinderd zijn intree. Voor de anti-nazi betekende 
de capitulatie de nederlaag, de smaad, de ondergang van het land, het begin van een dwang-regime 
en een vermoedelijk zeer sombere toekomst, het einde van de vrijheid. Dat begin van de duisternis 
was voor sommige mensen het definitieve einde: een aantal Nederlanders, waaronder vele joden, 
pleegde zelfmoord. 2 Niet zo voor de zich nationaal noemende NSB-ers. Voor hen, en a fortiori voor 
de velen, die in de oorlogsdagen waren opgepakt, betekende de overwinning van de invaller de 
bevrijding. Wellicht was het menselijk of begrijpelijk dit zo te zien - van nationaal besef of waar- 
digheid getuigde het bepaald niet - stuitend was zeker de ophef, die de NSB nog jarenlang maakte 
over het lot van de kameraden, die tijdens de vijfdaagse strijd in mei 1940 'als beesten naar de ge- 
vangenissen en concentratiekampen worden gesleept' 3 , terwijl zij zich volkomen blind toonden 
voor wat hun Duitse vrienden voortdurend deden met de vele, vele Nederlanders, die naar concen- 
tratiekampen werden gesleept - naar de echte, Duitse dan, waar het nog wel wat anders toeging 
dan in de door de NSB bedoelde, inderdaad overvolle interneringsplaatsen in de mei-dagen. 

Men zou misschien menen, dat het plotselinge oorlogsgeweld, de arrestatie van zoveel NSB-ers, 
en hun snel daarop volgende 'bevrijding' door de Duitsers de eerdere internering van Rost van 
Tonningen, Feldmeijer en hun lotgenoten uit de herinnering van de partijgenoten zou wegvagen. 
Dit was echter niet het geval. Tijdens de mei-dagen begonnen de Nederlandse autoriteiten de 21 
geïnterneerden, al snel aangevuld met vele anderen, naar het zuiden af te schuiven. Tenslotte 
kwamen zij in Calais aan, waar de Duitsers hen bevrijdden. De gevaren van de tocht, de kansen op 
overbrenging naar Engeland en zelfs op fusillering 4 , en tenslotte de late terugkeer hadden de 
kroon van hun martelaarschap alleen nog maar glanzender gemaakt. Rosts behouden thuiskomst in 
Den Haag op 2 juni werd een triomfale intocht. Samen met Feldmeijer werd hij door een enthou- 
siaste NSB-menigte op de schouders rondgedragen. Dit zeer tot het uitgesproken ongenoegen van 
Mussert, en naar wij mogen aannemen, van meer leidende figuren in het Hoofdkwartier van de NSB. 

Nog pijnlijker moet het de Leider hebben getroffen, dat in die tijd de nieuwe heersers heel duide- 
lijk Rost van veel meer politiek belang vonden dan hem. Mussert had vanaf 15 mei verwacht, dat 
Hitier hem bij zich zou laten komen, en vermoedelijk zag hij zich al half als minister-president; 
in ieder geval rekende hij erop met de bezetter de macht te kunnen delen. 5 Niets van dit alles. Hitier 
wist niet eens, dat Mussert nog bestond, en dat dient men zo letterlijk mogelijk op te vatten: op 25 



unanieme verontwaardiging teweeg. (Verkl. Mussert I, p. 11; Doe. I Woudenberg, Mem. I, p. 44; vgl. 
Corresp. Rost, p. 74). 

(1) De Jong, Vijfde Colonne, p. 101. 

(2) Presser, Ondergang I, p. 14, 15. 

(3) Voor Volk en Vaderland, p. 380. 

(4) Die kans schijnt er inderdaad geweest te zijn volgens een na-oorlogse mededeling van de toenmalige 
minister-president jhr. mr. D. J. de Geer, weergegeven bij Corresp. Rost, p. 75. Voor het volgende, voor- 
zover niet anders vermeld, p. 76 e.v., waarin alle op Rost betrekking hebbende détails. 

(5) Dagboek van Mussert uit het jaar 1940 in het strafdossier der Bijzondere Rechtspleging inzake 
Mussert, portefeuille E (voortaan aan te duiden als Dagb. Mussert), 17 mei, 21 augustus. 



225 



PREHISTORIE DER NEDERL ANDSCHE SS : DE VOOR-OORLOGSE RADICALEN 

mei schreef Hitier aan Mussolini, dat vermoedelijk Mussert en de Belgische fascistenleider Degrelle 
in Noord-Frankrijk met een aantal anderen waren neergeschoten. 1 Vier dagen later werd het mili- 
taire bewind, dat de Duitsers in Nederland hadden gevestigd, rap vervangen door een Duits civiel 
gezag, en de nieuwe heerser, de rijkscommissaris Seyss-Inquart, sloeg aan het regeren zonder dat 
Mussert er aan te pas kwam. De Leider van de NSB werd door Seyss-Inquart pas voor een ont- 
moeting op de vijfde juni uitgenodigd, dat op een wijze, waaraan hij zich hevig stootte : een zekere 
NSB-er Lammers, wiens enige verdienste lag in het feit, dat hij een neef was van de chef van Hitiers 
Reichskanzlei Lammers, belde op 4 juni het Hoofdkwartier van de NSB op met de mededeling, dat 
Mussert de volgende dag bij de rijkscommissaris werd verwacht. 'Dat is het toppunt. Heb absoluut 
geen lust om er zoo te worden uitgenoodigd', noteerde Mussert in zijn dagboek. Hij ging toch. 2 

Voor Rost van Tonningen daarentegen toonden de Duitsers tot in de allerhoogste regionen on- 
middellijk grote belangstelling. Toen men nog niets afwist van het lot der afgevoerde geïnterneer- 
den, zou Hitier gedreigd hebben wanneer Rost iets mocht overkomen vijfhonderd Engelse (in een 
andere versie Nederlandse) officieren te laten neerschieten. 3 Die maatregel hoefde dus niet genomen 
te worden, want Rost werd in Calais door Duitse troepen bevrijd, en probeerde zo snel mogelijk 
naar Nederland terug te keren. Op 2 juni kwam hij in Den Haag aan en liet zich daar zoals gezegd 
door zijn aanhang toejuichen en op schouders tillen. Dezelfde avond nog had hij te Wassenaar een 
onderhoud met Seyss-Inquart (drie dagen eerder dus dan de leider van de NSB) en Himmler, die 
een tocht langs het westelijk front aan het maken was, maar gaarne naar de Haagse voorstad kwam 
om zijn SS-Potenz in het pas veroverde Nederland een goede start te geven. 

Wat is de inhoud van dit gesprek geweest? Duidelijk is wel, dat de drie deelnemers een plan voor 
de te voeren politiek in Nederland hebben besproken, maar concrete détails vallen moeilijk te 
reconstrueren uit het schaarse en praktisch geheel non-contemporaine bronnenmateriaal. 4 Hoogst- 
waarschijnlijk kwam het op het volgende neer: Rost zou trachten langs andere kanalen dan alleen 
de NSB het Nederlandse volk, althans brede lagen ervan, te winnen voor het nationaal-socialisme, 
in volkse richting liefst. De SS zou vaste voet in Nederland krijgen, en wel op twee manieren: ten 
eerste door de opname van Nederlandse vrijwilligers in een apart regiment van de Waffen-SS, dat in 
Duitsland gelegerd was. Zo zou men de beschikking krijgen over een militair gevormd en politiek 
geïndoctrineerd kader, dat men na de opleiding in Nederland zou kunnen gebruiken. Ten tweede 
zou in Nederland zelf een politieke SS-formatie worden opgericht, een Nederlandse Allgemeine SS 
dus, waarvan dit militair gevormde kader de ruggegraat zou zijn. Het resultaat van de bespreking 
werd door Hitier goedgekeurd, 5 

Er zullen wel meer mogelijkheden besproken zijn, maar de historicus is verder gedwongen termen 
te hanteren als 'wellicht', 'mogelijk' en 'vermoedelijk', en dan nog min of meer op grond van wat 
er onmiddellijk na dit gesprek a trois volgde. Vermoedelijk dan heeft Rost plannen en bijzonder- 
heden op tafel gelegd om een massa-aanhang te scheppen, die in nazi-richting beïnvloed zou 
worden, een massa-aanhang, die gebaseerd zou zijn, geheel in overeenstemming met Rosts op- 
vattingen, op arbeiders, boeren, vrouwen en jeugd. Hij zelf zou zorgen voor Gleichschaltung van de 
bestaande politieke arbeidersorganisaties. Zijn benoeming op 20 juli tot commissaris voor de 
'marxistische' partijen (de SDAP in de eerste plaats) is met dit doel gedaan. Het plan zou vrij snel 

(1) Kwiet, Reichskommissariat, p. 77. Terecht zegt deze auteur, dat hieruit de geringe interesse blijkt, die 
Hitier in dit stadium voor Mussert koesterde. Kennelijk verwarde hij een en ander met de inderdaad in 
Noord-Frankrijk neergeschoten leider van het Vlaamse Verdinaso (Verbond van Dietsche Nationaal- 
Solidaristen) Joris van Severen. 

(2) Dagb. Mussert, 4 en 5 juni. 

(3) Corresp. Rost, p. 76. 

(4) Zie behalve Corresp. Rost, p. 78, 79 en de daar vermelde bronnen ook nr. 31 en nr. 34. 

(5) Nr. 28. 



226 



ZOMER I940: PLANNEN 



mislukken. Vermoedelijk ook zijn posities van andere volkse of Rost-gezinde figuren besproken; 
Woudenberg, de vakverenigingsman van de NSB en braaf volgeling van Rost, kreeg te zelfder tijd 
als Rost een parallel-functie ten opzichte van het NVV. Aannemelijk is het, dat Rost, Himmler en 
Seyss-Inquart de mogelijkheden besproken hebben van de positie van Julia op ten Noort in de 
NSVO, de Nationaal-Socialistische Vrouwen Organisatie van de NSB, en leidende functies voor 
Wim en Florrie Heubel in een nieuwe jeugdorganisatie in plaats van de Jeugdstorm, die de NSB 
weer wilde oprichten. 

Hoogst aannemelijk is het, dat er overeenstemming bestond tussen de drie gesprekspartners over 
de figuur, die de SS-formatie in Nederland zou moeten leiden : Feldmeijer. In ieder geval moet Rost 
wel gedacht hebben (en hij zou het nog jarenlang denken, alle tekenen van het tegendeel ten spijt), 
dat hij in dat geval op een of andere manier boven Feldmeijer gesteld zou worden, en in de SS, 
Duits of Nederlands, ook een hogere rang zou krijgen. 1 

Er zit in deze hele opzet, voorzover wij in staat zijn die te reconstrueren, die typische hang naar 
Zweigleisigkeit, of beter gezegd: Mehrgleisigkeit, naar het voortgaan op verschillende banen 
tegelijk, dat één van de kenmerken was van het Duitse bezettingsbestuur, en eigenlijk van het hele 
nazi-regime. In deze beginperiode van de bezetting trachtten de Duitsers via de Nederlandsche 
Unie grote delen van het Nederlandse volk langs geleidelijke weg tot een zekere collaboratie met de 
Nieuwe Orde te brengen, anderzijds hadden zij ook grootse plannen, zoals uit het voorafgaande 
blijkt, met de Nederlandse nationaal-socialisten. Ook hier wensten zij verschillende wegen open te 
houden: men zou het met Rost proberen, maar, dat werd al vrij snel duidelijk, ook de NSB als 
zodanig met Mussert aan het hoofd zou een kans krijgen. En Rost was voor Himmler in de zomer 
van 1940 ongetwijfeld de troefkaart van de SS in Nederland, maar er werd op 2 juni kennelijk nog 
een andere kaart in het SS-spel op tafel gelegd. En zelfs die andere kaart vertoonde weer twee zijden: 
SS-infiltratie door middel van de Waffen-SS en door de oprichting van een Nederlands filiaal van de 
Allgemeine SS. 

Het is nu, dertig jaar later, waarschijnlijk niet overbodig er op te wijzen, dat er in die tijd prak- 
tisch geen Nederlander was, die ook maar bij benadering enig idee had, wat het begrip 'SS' inhield. 
Zeker, de twee runentekens waren ook al voor de oorlog hier bekend, zij het wellicht toch nog 
minder dan het begrip SA. 'SS' liet zich toen reduceren tot niet veel meer dan mishandeling in 
concentratiekampen (de uitroeiing was nog niet aan de orde) of de sinistere geheime politie van 
Himmler, en zelfs deze rudimentaire notie was verre van algemeen. 8 Voor de NSB-ers, tot wie wij 
ons hier moeten beperken, gold ook dit niet, en men krijgt de indruk, dat in de zomer van 1940 het 
begrip SS zeer weinig inhoud voor hen had, hoogstens vaag die van een keurkorps, waarbij het 
verschil tussen de militaire, politionele en politieke sub-formaties en functies praktisch helemaal 
onzichtbaar was. Dit gold zeker ook voor Mussert. Hij zou in korte tijd tot een beter inzicht in de 
SS-structuur worden gedwongen, maar uit zijn dagboekaantekeningen van de zomermaanden van 
1940 blijkt zijn volkomen onkunde van het moment. Blijkens deze bron gaf Rost de dag na zijn 
onderhoud met Seyss-Inquart en Himmler enige inlichtingen aan zijn leider, dat wil zeggen datgene, 
wat hij kwijt wilde: het ambtenaren-verbod zou worden opgeheven, de NSB moest de straat op, en 
in de SS zouden Nederlanders worden opgenomen. 8 Over het hoe en wat tastte Mussert volledig in 
het duister. 

Hij kreeg zeer snel pregnante voorlichting. Reeds op 27 mei, midden in de veldtocht dus, had 
Hitier in zijn hoofdkwartier een bevel ondertekend (dat twee dagen geantedateerd was), waarbij een 
SS-Standarte "Westland\ die voornamelijk uit Nederlandse en Vlaamse vrijwilligers zou bestaan, 
moest worden opgericht. Men ziet, dat de Duitsers met hun jacht op vrijwilligers van Germaansen 

( 1 ) Zie hierboven, p. 1 96, 1 97, en nr. 3 1 . 

(2) Vgl. p. 242. 

(3) Dagb. Mussert 3 juni. 



227 



PREHISTORIE DER NEDERLANDSCHE SS : DE VOOR-OORLOGSE RADICALEN 

bloede er geen gras over lieten groeien. 1 Op 9 juni kreeg Mussert bezoek van SS-Brigadeführer 
Berger, het hoofd van de wervingsorganisatie van de SS. Berger legde hem Hitiers bevel voor. Dit 
stuk met de omineuze, annexionistisch klinkende naam van het nieuwe regiment bracht Mussert tot 
panische schrik, en tot een ontboezeming in zijn dagboek, die beduidend langer is dan de andere 
dag-aantekeningen, maar waarvan een en ander de moeite waard is om te worden medegedeeld: 

* Voelde dit alles als een klap in mijn gezicht. Beteekent dit inlijving? Gesproken met hem over 
de verhouding Nederland Duitschland als twee broedervolken van het Germaansche ras. Bleek 
mij dat de hoogste SS leiding het Nederlandsche volk als een Duitsch volk ziet. Het is ontzettend. 
Wat moet er van terechtkomen? Weigeren, dan speel ik in de kaart van hen, die ons volk willen 
inlijven.' 

Uit de woorden van Mussert zelf blijkt, hoe deze eerste confrontatie met de eisen van de bezetter 
een model is voor Musserts houding gedurende de hele bezettingstijd: intimidatie èn gepaai van de 
Duitsers, schrik en aarzeling bij Mussert, een bezorgdheid bij hem over het lot van Nederland, die 
weliswaar niet onoprecht is, maar in wezen altijd blijkt neer te komen op bezorgdheid over zijn 
NSB, verregaande naïviteit en overschatting van zijn eigen mogelijkheden, en tenslotte, bijna altijd, 
zwichten voor de combinatie van dreigementen, chantage, vleierij en beloften, en toegeven waar het 
de essentie van de zaak betreft : 

'Op zichzelf is tegen deze SS opvoeding in heel veel opzichten niets te zeggen, onze jongeren 
zouden veel kunnen leeren . . . Maar als de NSB zich daarachter stelt kunnen wij wel uitscheiden 
met de propaganda voor het Nederlandsch Nat. Soc. want dan zou men zeker zeggen dat wij 
landverraderlijke bedoelingen hebben . . . Die SS Standarte Westland kan de doodsteek zijn voor 
het nationaal-socialisme in Nederland. Als ik de Führer maar in Nederland kon hebben en hij 
land en volk zag en mij de plannen liet uiteenzetten, dan zou hij inzien dat broederschap met 
Duitschland het grootste en het eenig juiste is. Opgaan van het Nederlandsche volk in het 
Duitsche, elke poging daartoe is in wezen een barrière tegen de goede verstandhouding, die ik 
beoog. Toch kan noch wil ik dit eerste bevel van den Führer dat mij bereikt op welke wijze dan 
ook dwarsboomen ... Ik wil volkomen loyaal zijn door te doen wat mogelijk is om te helpen aan 
dien Westland Standarte, maar daarbij zal ik hebben zorg te dragen dat de NSB. daardoor niet 
in den grond geboord wordt.' 2 

Mussert mocht zijn aarzelingen en zijn bezwaren hebben - in die dagen noemde hij medewerking 
aan de Standarte 'Westland' zelfs landverraad 3 - hij liet zich in de volgende dagen bepraten, en hij 
begon de illusie te koesteren, die al enigszins uit de geciteerde passage blijkt, dat de vrijwilligers een 
goede opleiding zouden krijgen, en toch, neen juist, 'als nog beter Nederlander' zouden terugkomen 
dan zij gegaan waren. Hij begon er iets in te zien. Het zou echter tot februari 1941 duren, voordat 
de leider der NSB zich openlijk geheel achter de werving voor de Waffen-SS stelde 4 , zonder echter 
ooit negatieve bijgedachten te kunnen kwijtraken. 

(1) Zie nrs. 25 en 26. Het was de tweede maatregel van dit soort: op 20 april 1940, terwijl de strijd in 
Noorwegen nog maar anderhalve week aan de gang was, had Hitier reeds bevolen een SS-Standarte 
'Nordland' op te richten voor Scandinavische vrijwilligers (Knoebel, SS in Belgium, p. 78 ; elders, op p. 139, 
beweert hij, dat eind mei 1940 er reeds aanplakbiljetten in Nederland en België te zien waren, waardoor 
vrijwilligers in de Waffen-SS moesten worden gelokt). 

(2) Dagb. Mussert 9 juni. 

(3) Zie Conesp. Rost, nr. 80 en noot 17 daarbij. 

(4) Zie nr. 58. 



228 



ZOMER 1940: PLANNEN 



De Duitsers hadden inderdaad wel andere plannen met de formatie van een nieuw élite-regiment 
van de Waffen-SS dan alleen een paar honderd of een paar duizend NSB-ers een fijne, moderne 
opleiding (waarvoor precies was Mussert niet duidelijk) te geven, en hen nog nationaal-voelender, 
d.w.z. als nog beter Mussert-Nederlander naar huis terug te sturen. Om te beginnen voerden zij 
een wervingspolitiek, die zij gedurende de hele bezettingsperiode met wisselende nuances zouden 
volhouden : zij stuurden een aantal aan wervers, waaronder uiterst treurige individuen, over Neder- 
land uit, die rijp en groen wierven, NSB-ers, niet-NSB-ers, en ook anti-NSB-gezinden, vage 
idealisten en (voor het merendeel) avonturiers. De geworvenen schijnen meestal niet beseft te 
hebben, dat zij in een zuiver militaire eenheid zouden terechtkomen; ook hen werd een 'opleiding' 
voorgespiegeld, een sportopleiding, dan wel een politie-opleiding, gevolgd door prettige banen in 
Nederland, wanneer Mussert daar de macht zou hebben overgenomen enz. Het was niet de laatste 
keer, dat een dergelijke valse voorstelling van zaken werd gegeven. Evenmin de eerste keer trouwens : 
met zulke methoden hadden de Duitsers voor de inval in Nederland een aantal NSB-leden, die in 
Duitsland woonden of werkten (tussen de 100 en 200) aangeworven; deze mensen waren op 10 mei 
1940 gebruikt om in burgerkleding of Nederlandse uniformen de bruggen over de rivieren in het 
Zuid-Oosten des lands te bezetten. Een deel van deze lieden kwam in de zomer van 1940 ook in de 
opleidingskazerne van de Standarte 'Westland' te München terecht, waar zij doorgaans door de 
anderen als landverraders werden beschouwd. 1 

Het aantal vrijwilligers, dat iets van de politieke achtergrond van deze SS-zaak begreep, zoals 
Heubel en Schwing, die zich ook hadden aangemeld, is zeer zeker erg klein geweest. Zij zagen 
trouwens, dat het gehalte van hun mede-vrijwilligers, de gebruikte wervingsmethoden met onvervul- 
bare beloften en regelrecht bedrog van Duitse zijde, en het Pruisische gesnauw van het Duitse 
opleidingspersoneel, dat de Nederlanders als inferieure rekruten uit een overwonnen land behan- 
delde, de doelstellingen, zowel de politieke als de militaire, in gevaar brachten. 2 

Wat waren die doelstellingen vanuit de Duitse SS-leiding gezien? Behoefte om meer en meer sol- 
daten bij elkaar te schrapen had men in Duitsland bepaald niet. Dat zou pas later, toen de oorlog 
in de Sowjet-Unie steeds ongunstiger voor de Duitsers verliep, een factor worden, die voortdurend 
in betekenis toenam en tenslotte de koers van de SS in Nederland en andere bezette gebieden in 
overwegende mate ging bepalen. Maar daar was in 1940 geen sprake van. Zeker, tegen het midden 
van dat jaar moet Hitier tot het besluit zijn gekomen om de Sowjet-Unie aan te vallen, en van dat 
besluit zal Himmler, mogen wij aannemen, wel in die tijd al op de hoogte zijn gebracht. Maar enige 
praktische consequenties had dit zeer, zeer geheime voornemen nog niet, en de oprichting van de 
twee nieuwe Standarten der Waffen-SS, 'Nordland' voor Scandinavische vrijwilligers, 'Westland' 
voor de vrijwilligers uit de Lage Landen, had niets ermee te maken. 8 Ook voor de meeste hoog- 
geplaatste Duitsers scheen de oorlog afgelopen. Frankrijk had de wapens gestrekt, en de enig over- 
gebleven vijand, Engeland, zou naar hun mening (gedeeld trouwens door Hitier) binnenkort niet 
veel anders kunnen doen. In deze situatie was een regiment Nederlandse vrijwilligers waarlijk geen 
militaire noodzaak. Het doel van de SS-plannen met dit regiment en met Nederland in het algemeen 
lag geheel op het politieke vlak, en was van tweeledige aard. 

Daar was allereerst een intern-Duitse, maar hoogst belangrijke kwestie: de verhouding tussen 
Wehrmacht en Waffen-SS. De Duitse strijdkrachten hadden nieuwe soldaten niet van node, maar 



(1) Zie nr. 18, noten 5 en 6. 

(2) Heubel aan Schumacher 25 sept. 1940, Doe. I Schumacher; Corresp. Rost nr. 86, en noot 4 daarbij. 

(3) Dit blijkt niet alleen uit hetgeen Stein, Waffen-SS, p. 97, 98, meedeelt (op 29 juli 1940 werden bepaalde 
categorieën in de Waffen-SS gedemobiliseerd), maar ook uit de plotselinge haast, die Himmler begin 1941 
maakte met het aanwerven van meer vrijwilligers en het oproepen van naar huis gestuurde vrijwilligers 
van * West land' (nrs. 57, 59; zie verderop, p. 324; Fernschreibstelle RK, 6598). 



229 



PREHISTORIE DER NEDERL ANDSCHE SS : DE VOOR-OORLOGSE RADICALEN 

desalniettemin had de SS grote behoefte aan nieuwe rekruten. Dit niet met het oog op het militaire 
potentieel van vijandelijke mogendheden, maar met het oog op de Wehrmacht, die in Duitsland, 
niet zonder reden, de SS kort wenste te houden, en daar tot nu toe ook redelijk in geslaagd was. De 
verovering van Noorwegen, Denemarken, Nederland en België gaf de SS plotseling de beschikking 
over een reservoir, waaruit de Wehrmacht om allerlei redenen niet kon en wilde putten, en waar de 
SS, ongehinderd door voor Duitsland geldende regels en afspraken, naar hartelust vrijwilligers kon 
werven, die (in principe althans) blond, blauw-ogig en van uitstekend Germaans bloed, kortom SS- 
massig van zeer goed gehalte, wellicht zelfs beter dan de Duitse SS-ers waren. 1 Elke nieuwe divisie, 
elk nieuw regiment gaf de SS weer meer gewicht tegenover de Wehrmacht. Het was uiteraard weder- 
om Berger, die de nieuwe mogelijkheden snel begreep en onmiddellijk wenste uit te buiten, waar- 
door hij zijn eigen positie in de SS eveneens sterker dacht te maken, hetgeen ook gebeurde. Van- 
daar ook de opvallende haast, die gemaakt werd met de oprichting van de regimenten 'Nordland 9 
en 'Westland\ 

Daarbij kwam nog een ander, in principe zelfs belangrijker motief. Juist in de pas-veroverde ge- 
bieden wenste de SS in belangrijke mate te kunnen 'hineinreden', inspraak te hebben, om deze term 
los van zijn democratische context te gebruiken. Dat achtte de SS-leiding van vitaal belang. De 
positie van de SS immers was in Duitsland al in zekere mate gestabiliseerd, geformaliseerd, uitge- 
kristalliseerd. Verdere vergroting van de machtssfeer van de SS in Duitsland werd bemoeilijkt door 
allerlei hindernissen van materiële en formele aard; dat was bij wijze van spreken een kwestie van 
centimeters ten koste van heel veel inspanning. De nieuwe Germaanse wingewesten vormden niet 
alleen als jachtterrein voor de rekruteringsagenten van de Waffen-SS, maar in het algemeen als 
politieke ruimte braakliggend gebied. Wat ermee gedaan moest worden, wist niemand nog precies, 
Hitier niet, ook Himmler niet. Diens gedachten gingen in deze tijd vaag naar een vergroting van het 
Duitse rijk, maar ook al naar een mogelijk te vormen Germaans rijk. Dat zou alleen door de SS 
bewerkstelligd kunnen en moeten worden, en het zou naar alle waarschijnlijkheid in dat nieuwe 
rijk, supergroot-Duits of Germaans of hoe dan ook, de SS in een dominerende positie plaatsen. 2 

Zaak was in ieder geval er snel bij te zijn. Het machtsmotief speelde bij de SS-leiding (extern, 
maar ook intern) een bijzonder belangrijke rol, ook bij Himmler, zij het gemengd, onontwarbaar 
gemengd, met 'idealistische' overwegingen in de sfeer van noords ras en blond Germanendom. 3 

De bedoeling nu van de SS-Standarte 'Westland' was met een aantal Nederlandse vrijwilligers 
blijvend een SS-regiment te vormen, en tevens - dit vooral met vrijwilligers, die slechts een halfjaar 
of minder zouden dienen - een militair gevormd en politiek in SS-geest opgevoed kader te kweken 
voor de algemene SS-formatie in Nederland, die overigens te zelfder tijd al kon worden opgezet. 
Militaire en politieke vorming liepen trouwens bij de SS per definitie sterk in elkaar over, en voor 
de weinig soldatisch geachte Nederlanders werd, alvorens zij het zwarte uniform van politieke 
SS-leiders aan konden trekken, kazernedril en afsnauwen door een tirannieke SS-Unterscharführer 
pittige SS-karaktervorming geacht. 4 

Zo hebben Himmler, Rost en Seyss-Inquart het kennelijk bedoeld, zo begreep de zeer kleine 
kern het, die in Nederland moest helpen dit plan te verwezenlijken en de oprichting van een Neder- 

(1) Zienr. 34. 

(2) Zie ook Stein, Waffen-SS, p. 43-5°, 94~96 en Knoebel, SS in Belgium, p. 77-79- 

(3) Typerend voor Himmler en vele andere Duitsers is wat de Reichsführer op 18 mei in zijn dagboek 
opschrijft, als hij SS-eenheden tussen Eindhoven en Tilburg inspecteert (zoals geciteerd door Knoebel, 
SS in Belgium, p. 77): \ . . the population is friendly and of good race and it is a joy to see the men, 
women, and children. They are a great gain for Germany.' Dit dus vlak na de gevechtshandelingen tussen 
Nederland en Duitsland ; zie ook Höhne, Orden, p. 49. 

(4) Zo voelden de (weinige) SS-bewuste vrijwilligers het zelf ook; zie Doe. I Heubel, en Corresp. Rost, 
nrs. 85 en 86, waarin, psychologisch verklaarbaar, de opleiding nog te positief wordt voorgesteld. 



230 



ZOMER 1940: PLANNEN 



landsche SS voorbereiden: behalve Rost en Feldmeijer nog een enkeling als Heubel, die zelf naar 
de opleiding in München vertrok, aan Duitse kant Rauter en enkele ondergeschikten. 1 Daarbij 
mag worden aangenomen, dat de Duitse SS-leiding, die in 1940 nog wel geloofde de Nederlanders 
- oorspronkelijk toch immers deel uitmakend van het Duitse rijk - wellicht voor het Deutschtum 
terug te kunnen winnen, de 'Standarte Westland' niet alleen als een goede SS-drilschool zag, maar 
tevens als een mogelijkheid om deze Nederlandse SS-soldaten in het algemeen met een Duitse 
omgeving en een Duits geestelijk klimaat vertrouwd te maken, kortom: te verduitsen. Allicht 
zouden deze vrijwilligers zich meer bewust worden, zo niet van een gemeenschappelijke Duitse, dan 
toch tenminste van een gemeenschappelijke Germaanse afstamming, en in een politieke SS-formatie 
in hun eigen vaderland zouden zij dit bewustzijn dan verder politiek kunnen articuleren. 

Rost zelf had weinig directe bemoeienis met de zaak. Hem was een ruimere politieke taak ge- 
geven, en hij verkeerde als 'eerste soldaat' en 'oudste vertrouwensman' 2 van de Reichsführer-SS in 
de waan, dat Feldmeijer een jongere satelliet-kracht van hem zou blijven, ook al was deze aange- 
wezen om de geprojecteerde SS-formatie op te richten en te leiden. 

Dat diende behoedzaam, maar toch niet al te langzaam te geschieden. De NSB leefde nu in de 
sfeer van spoedige Machtübernahme. De leiding had al haar aandacht gericht op opheffing van de 
vigerende verboden en andere belemmeringen. Zo snel mogelijk wilde men de partij naar buiten 
doen treden, de Jeugdstorm en de WA weer oprichten, uniformeren, en de straat opsturen, hetgeen 
ook in de bedoeling van de rijkscommissaris scheen te liggen. Kader en leden leefden in dezelfde 
hoopvolle spanning, zodat men hier en daar in het enthousiasme over de nieuwe tijdswende maar 
al op beslissingen van het centrum vooruitliep. 

De situatie werd daardoor nogal verward. Mussert-Gardisten, oud-W A-mannen, leden van 
secundaire NSB-eenheden (de z.g. 'Ordedienst' en 'Oude Garde', die een te verwaarlozen rol hebben 
gespeeld) formeerden zich in para-militaire groepen, zonder dat nu duidelijk was en is, of een her- 
oprichting van de WA of van de Mussert-Garde beoogd was. Wel maakte het NSB-hoofdkwartier 
haast met de zaak, en benoemde Mussert al op 3 juni mr. A. J. Zondervan tot Algemeen Comman- 
dant van de weer tot leven te brengen WA, maar men krijgt de indruk, dat 'Utrecht' de ontwikkeling 
niet onder controle had. Zeker gold dit voor Den Haag, waar het mengsel van Mussert-Gardisten, 
WA-mannen en anderen dezelfde neiging vertoonden tot adoratie van Rost en rebellie tegen het 
Hoofdkwartier als voor de oorlog, alleen in veel heviger mate. Wat deze lieden, die zichzelf Rost- 
brigade, SA-Rost e.d. noemden, voor ogen zweefde, was een soort staatsgreep, een 'revolutie' tegen 
het nog vigerende Nederlandse bestuur, en ook min of meer tegen de NSB-leiding in. Daar kwam 
uiteraard weinig van terecht. Noch kwantitatief, noch kwalitatief maakte deze kleine, plebejische 
knokploeg van laag sociaal en geestelijk niveau enige kans, en niemand, Mussert niet, de Duitse 
autoriteiten niet, en evenmin Rost zelf of Feldmeijer waren ervan of ermee gediend. 3 

Intussen was het voor niemand erg duidelijk, wat er ging gebeuren. Was de Mussert-Garde nu 
weer opgericht, ging dit nu gebeuren, of ging wellicht de ene troep in de andere op? Feldmeijer 
oordeelde het nodig om op 1 juli aan de NSB-districtsleider van Den Haag te schrijven, dat van 
opheffing van de Mussert-Garde of oplossing ervan in de WA geen sprake was, maar dat de garde 
bleef bestaan 'en thans reeds met de beste krachten van de WA wordt uitgebreid' 4 , een apodictische 
uitspraak, die op geen enkel bevel of suggestie van de partijleiding was gebaseerd, afgezien van het 



(1) Van Etten, Ned. SS, p. 10; Heubel aan Schumacher 25 sept. 1940, Doe. I Schumacher; Doe. 1 
Heubel 14; nr. 31. 

(2) Ned. in Oorlogst, sept. 1947, p. 156; Corresp. Rost, p. 37. 

(3) Voor bijzonderheden zie Corresp. Rost, p. 84-88. 

(4) HSSPF V 376a. Ook uit na-oorlogse verklaringen blijkt, dat de betrokken Duitsers en NSB-ers niet 
goed wisten, hoe de zaak in elkaar zat (Doe. I Jansonius 3 ; Doe. I Farwerck). 



231 



PREHISTORIE DER NEDERL ANDSCHE SS : DE VOOR-OORLOGSE RADICALEN 

feit, dat niet zozeer de opheffing, maar überhaupt de herleving van de Mussert-Garde nog een zeer 
twijfelachtige kwestie was. 

Het is echter begrijpelijk, dat Feldmeijer, in de wetenschap van wat er voor hem in het vat zat, 
geen zin had om zijn jongeren aan een herboren, typisch NSB-achtige, en ongetwijfeld Mussert- 
trouwe WA uit te leveren. Terwijl deze WA zich opmaakte om naar het misleidende voorbeeld van 
de SA in Duitsland 'de straat te veroveren' (en zodoende heel wat potentiële wervingskracht van 
de NSB kapot te knuppelen), peinsde Feldmeijer over de beste wijze en de beste krachten, ook uit 
de oude WA, waarmee hij zijn SS zou kunnen opbouwen. Maar dit alles hield hij zorgvuldig voor 
zich. Alleen tegenover zijn vertrouwde adjudant Heubel sprak hij medio juni al openlijk over 
de te vormen SS. Tegenover zijn andere volgelingen sprak hij nog vaag over 'een' plan, een grote 
zaak, een nieuwe jeugdbeweging, of eenvoudig over grondige reorganisatie van de Mussert-Garde. 

Hij wist, dat hij de gave had om jonge mensen om zich heen te verzamelen, en die een heel eind 
mee te voeren in een richting, die hem goeddunkte. De overtuigde volksgezinden van de Farwerck- 
groep zouden zeker met hem meegaan, maar, zoals Heubel terecht opmerkte, deze 'geleerdentypen' 
konden niet de kern van een SS zijn. Feldmeijer had de beschikking over de Mussert-Garde, maar 
velen daarvan waren nu net naar de opleiding bij de Standarte * Westland* in München vertrokken, 
onder hen Heubel, juist met het oog op kadervorming voor de Nederlandsche SS. Maar in de 
tussentijd was hij deze mensen toch kwijt. Aanvulling was beslist nodig, en evenals hij dat in de 
herfst van 1939 bij de oprichting van de Mussert-Garde had gedaan, sprak Feldmeijer in de zomer- 
maanden van 1940 met allerlei lieden, die voor dat nieuwe te vinden zouden zijn, en - als ze vol- 
doende enthousiast en betrouwbaar bleken te zijn - weer anderen konden overhalen. Daarbij hing 
het eigenlijk van ieder individueel geval, en vervolgens van goede timing af, in hoeverre de sluier al 
kon worden opgelicht. 1 



F. De oprichting van de Nederlandsche SS 

Onthulling van Feldmeijers doeleinden zou natuurlijk wel risico's met zich meebrengen. Jarenlang 
was iedere NSB-er weliswaar het lichtende voorbeeld van het nieuwe Duitsland voorgehouden, 
maar bovenal was hem trouw aan Volk, Vaderland, en Leider ingehamerd. De leden van de 
Mussert-Garde wilden inderdaad garde van Mussert zijn. De Dietse gedachte was ook, neen juist, in 
volkse kringen en Mussert-Garde als groots ideaal gepropageerd en ook doorgedrongen. Bij de 
volkse theoretici mocht de accentverschuiving naar een pan-Germaans ideaal een logisch en niet 
zo moeilijk proces zijn, de militante jongeren van de Mussert-Garde waren eigenlijk alleen vatbaar 
gebleken voor de vergelijkenderwijs concrete en duidelijke groot-Nederlandse idee. 2 

Dat gold thans ook voor de NSB als geheel. Wij hebben al opgemerkt, hoe 'volks' voor Mussert 
en de meeste NSB-leden vrijwel synoniem was met groot-Nederlands, en dat deze Dietse gedachte 
het enige postulaat was, waarin voor de oorlog de volkse groep de NSB als geheel met zich mee 
had kunnen trekken. De overwinning nu van het 'jonge', nationaal-socialistische Duitsland op de 
*oude, vermolmde' democratieën had de NSB de illusie gegeven, dat Duitsland nu Europa zou 
her-ordenen volgens volkse principes, hetgeen voor de NSB betekende: het laten samenvallen 
van taalgrenzen met de staatsgrenzen. Nederland zou dus allicht Vlaanderen erbij krijgen! 



(1) Doe. I Heubel 14; HSSPF V 376a; Doe. I Schumacher 2. 

(2) Heel duidelijk blijkt dit uit Doe. I Schumacher; deze bron eveneens voor het volgende, naast het 
andere genoemde materiaal. Schumacher kan ondanks persoonlijke bindingen aan Feldmeijer en Heubel 
zich niet van trouw aan Mussert en 'Dietsland' losmaken (jaren later overigens wel; zie nr. 482 I, noot 6). 



232 



DE OPRICHTING VAN DE NEDERL ANDSCHE SS 



De simpelheid van deze verwachtingen was recht evenredig aan de intensiteit: de NSB stortte 
zich in een Dietse roes. En omgekeerd evenredig aan het realiteitsbesef van Mussert en een zeer 
groot deel van zijn aanhang: zij meenden inderdaad, dat de kans groot was, dat Duitsland het door 
zijn legers bestreden en overwonnen Nederland met de helft van het eveneens veroverde België 
zou uitbreiden. Mussert gaf ook openlijk uiting aan deze illusie. Dc Amsterdamse NSB-leden 
kregen op 13 juni van hun Leider te horen, dat deze het vertrouwen en het geloof had, dat er een 
groot-Nederland zou komen van de Dollard tot aan Duinkerken, als goede buur van Duitsland, 
en lid van een Germaanse Unie. Vijf dagen eerder had Mussert het kader van de NSB verzekerd, 
dat het 'heelemaal niet oneervol [was] de overwinnaars te dienen', want het was niet ondenkbaar - 
Mussert drukte zich bij deze gelegenheid dus wat voorzichtiger uit - 

'dat zij ons volk een nieuwe kans zullen geven in de gedaante van Groot-Du itschland als een 
volk van alle man van Neerlands stam.' 1 

Dat 'Groot-Duitschland' had natuurlijk 'Groot-Dietschland' moeten zijn, en was een verspreking 
van Mussert, een verschrijving van de NSB-journalist, die zijn woorden noteerde, of een drukfout 
in het dagblad van de NSB; in ieder geval alweer een Fehllcistung, die de politieke realiteit niet 
onaardig belicht. 

Zag Mussert met al zijn hoopvolle woorden tegen de buitenwacht over een komende Dietse 
staat die realiteit? Het lijkt er niet op. Toen hij twee dagen na de capitulatie van het Nederlandse 
leger met een zekere Alfred Töpfer, een vage subalterne figuur uit het Duitse militaire bezettings- 
bestuur, de toekomst van Nederland besprak, was groot-Nederland vrijwel het enige, dat hij van 
dit gesprek noteerde: 'den opbouw van Groot-Nederland en den weg daarheen, die gevolgd moet 
worden... volkomen overeenstemming tusschen de opvattingen van Töpfer en mij.'* Töpfer 
had de rang van luitenant, en het militaire bewind verdween anderhalve week later al uit Nederland, 
maar Mussert hield aan zijn Dietse ideaal vast, ook tegenover hogergeplaatste lieden. In zijn 
eerste nota aan Hitier van 27 augustus 1940 legde Mussert nog steeds de nadruk op groot-Neder- 
land : Duitsland zou alleen maar gebaat zijn met een sterke Nederlandse staat, die dan zou moeten 
bestaan uit Nederland, het Nederlandstalige gebied in België, Frans-Vlaanderen, en alle koloniën 
van dien tot en met de Congo. En zo zou het Nederlandse volk in een bond van Germaanse vol- 
keren de tweede plaats kunnen innemen. Het denkbeeld zelf heeft Mussert nooit helemaal los 
kunnen laten, de hoop dat de Duitsers zijn ideaal zouden vervullen vervloog. 8 

Nog ongelofelijker haast dan de illusies van de naïeve NSB-leider, die altijd een opvallend 
gebrek aan vermogen tot afwegen van niet-exacte grootheden vertoonde, was het feit, dat de 
hele NSB in de zomer van 1940 leek te denken, dat Dietsland voor de deur stond. Frankrijk, tradi- 
tioneel haat-object van elke oprechte Dietser, was verslagen. Er konden nieuwe rode strepen over 
de landkaart worden getrokken, die thans moesten samenvallen met de taalgrenzen. Nu was het 
moment aangebroken 'om in de nieuwe orde een plaats te veroveren voor een Dietsch volk van 



(1) Nat. Dagbl. 10 en 14 juni 1940. 

(2) Dagb. Mussert 17 mei. Van Etten deelt mee, dat Töpfer in het civiele leven een graanhandelaar uit 
Hamburg was, die aan een soort volkshogeschool-boerderij op de Lüneburger heide een Nederduits 
gerichte groep (wat dat dan ook moge betekenen) leidde, die zich voor de oorlog voor de Dietse zaak 
interesseerde. (Van Etten, De Duitsers en het Dietse streven, p. 22). Na de oorlog verschoof het idealisme 
van Töpfer zoals bij vele gelijkgezinden naar de Europese eenheid (zie Times 20 dec. I970« 

(3) Zie de eerste nota van Mussert in: Vijf nota* s van Mussert, p. 16-23, 31, 32. In de andere vier nota's, die 
Mussert gedurende de bezetting aan Hitier gericht heeft, komt groot-Nederland nauwelijks of niet meer 
ter sprake. 



233 



PREHISTORIE DER NEDERL ANDSCHE SS: DE VOOR-OORLOGSE RADICALEN 



Delfzijl tot Duinkerken' 1 , of, zoals meermalen werd beweerd, tot 'Kales', waarmee de oprechte 
Dietser dan Calais bedoelde; de verfransing, die de noord-west-hoek van Frankrijk had onder- 
gaan sinds de glorieuze tijd van de Gulden Sporenslag in 1302 (waardoor de fiere Dietse poorters 
van Gent en Brugge de dreiging uit het zuiden een halt toeriepen enzovoorts) erkende hij ongaarne. 
Met deze praat stond de NSB-pers in de zomer van 1940 vol, dit alles aanschouwelijk gemaakt 
door kaartjes van het betreffende gebied met goed-Nederlandse plaatsnamen: Rijssel natuurlijk, 
ook Kamerijk en Grevelingen, zelfs Boonen, de laatste plaats voor de huidige lezers, die minder 
geverseerd zijn in Dietse nomenclatuur, wellicht beter herkenbaar als Boulogne-sur-Mer. De 
massa-bijeenkomst, die de NSB onder de titel 'Hagespraak der Bevrijding' op 22 juni op het partij- 
terrein te Lunteren hield, stond voor een belangrijk deel in dit Dietse teken. 

Het hoeft weinig betoog, dat de Duitsers niets deden, dat in de richting van realisatie van deze 
wensdromen wees, op incidentele en vage woorden van sommige Duitse 'instanties' na, die door 
NSB-gesprekspartners onmiddellijk in de meest optimistische zin werden geïnterpreteerd, inclusief 
de Leider: vermoedelijk moet men het gesprek tussen hem en luitenant Töpfer in deze geest zien. 
En afgezien van de vraag, of die Duitsers met hun multi-interpretabele uitspraken oprecht of 
sluw waren, welke positie en invloed hadden deze 'instanties' eigenlijk? 2 Zich constant beroepen 
op Duitse instanties, die altijd gezaghebbend, betrouwbaar, alwetend waren, behoorde gedurende 
de hele bezetting tot de NSB-folklore. Maar men zag daarbij over het hoofd, dat de massgebende 
Duitse instanties geen duidelijk gecoördineerde politiek ten opzichte van Nederland voerden, en 
bovendien dat zij in de eerste maanden van de bezetting ieder voor zich nog niet goed wisten, welke 
politiek zij moesten voeren. 

Wel wisten de Duitsers heel goed, welke politiek zij beslist niet zouden voeren, namelijk ver- 
groting van het door hun militaire inspanningen overwonnen Nederland, waarvan de bevolking 
dan wel artverwandt, maar nog steeds niet bijzonder toeschietelijk was. Eerder nog zouden de 
Nederlanders wel eens mogen bewijzen, dat zij hun nationale existentie binnen de traditionele 
grenzen waard waren. Waren zij trouwens oorspronkelijk geen Duitsers? In ieder geval dan toch 
zeer stamverwante Germanen, die zo nauw mogelijk met Duitsland verbonden moesten worden. 
Niet de zuidelijke grens van Nederland, maar de oostelijke diende zoveel mogelijk te vervagen. 

Terwijl de NSB luider om Dietsland riep dan ooit, viel na mei 1940 in de volkse groep een diepe 
stilte over dit onderwerp. Weliswaar waren er in de weken na de capitulatie in deze kring nog wat 
groot-Nederlandse kreten te horen 3 , maar al spoedig verstomden die. Zoals reeds opgemerkt, 
het was niet alleen een evolutie in de volkse theorieën naar een Germaanse conceptie, die hier 
plaatsvond, het was - en dat bepaalde op zijn minst de geruisloze snelheid van deze verandering 
in opvattingen - ook een snel aftasten van wat er bij de Duitse machthebbers leefde. 

Zoals in elke communistische partij, die al een bescheiden mate aan onafhankelijkheid vertoont, 
altijd een groep te vinden is, die elk persoonlijk of ideologisch heil verwacht van strikt conformisme 
aan Moskou, zo trachtten de volksen zich nu bij de gezaghebbende Duitsers te legitimeren door 
strikte orthodoxie. Teneinde de NSB voor te blijven dienden zij dat zo radicaal en zo snel mogelijk 
te doen. Deze wedloop naar volslagen extremisme om tot elke prijs 'bij' te blijven en liefst nog 
voor te gaan liggen, zou Feldmeijer, zou de Nederlandsche SS gedurende de hele bezetting vol- 
houden. Op het moment, dat die bezetting een aanvang nam, gold het alleen dan ook zo snel 
mogelijk te weten te komen, wat de strikte orthodoxie van het moment was. Dat was lieden als 
Rost en Feldmeijer, beiden radicaal, ambitieus en opportunistisch, wel toevertrouwd. Uiteraard 

(1) Nat. Dagbl. 24 juni 1940. Voor het volgende levert bijna elk willekeurig nummer van de NSB-bladen 
uit die tijd de documentatie. 

(2) Dezelfde situatie, met veel ernstiger implicaties, vindt men voortdurend door Presser beschreven 
inzake de jodenvervolging, ook al bij het begin der bezetting: zie Presser, Ondergang I, p. 16. 

(3) Zie p. 222; in het bronnenmateriaal nog wat verspreide uitingen van die aard. 



234 



DE OPRICHTING VAN DE NE DE R L ANDSC HE SS 

ging het hun in de eerste plaats om de koers, die de SS zou gaan varen. Heubel en zijn zuster, nauw 
met hen verbonden, hadden medio 1940 een tamelijk lang gesprek met de diep door hen vereerde 
Rekhsführer-SS. De denkbeelden over Nederlands toekomst van dit idool en orakel kwamen, 
wanneer men op de na-oorlogse verklaringen van Heubels zuster (toen de weduwe Rost van 
Tonningen) mag afgaan, nog als een schok, zelfs voor hen: Nederlandse SS-divisies, de haken- 
kruisvlag ook als vlag voor Nederland, een onderling nauw verbonden Germaanse jeugd, enz. : 

'Himmler was de figuur, die mij toen eigenlijk erg geschokt heeft, want ik was toen nog lang niet 
zover als ik eigenlijk een paar jaar later werd in mijn innerlijke beschouwing, en Himmler heeft 
ons toen ideeën vertolkt die ik toen niet eens aanneembaar achtte ... de vlaggenkwestie bij- 
voorbeeld en de SS-Divisionen, dus de kracht uit Nederland scheppen om op te bouwen tot 
het heilige werk. Wij stamden toch gedeeltelijk nog uit een Dietse sfeer, dus we konden het 
eigenlijk nog helemaal niet begrijpen, die grootse beschouwingen.' 1 

Of Rost en Feldmeijer langs deze kanalen de opvattingen van Himmler vernamen, is niet bekend. 
De datum van deze openbaringen van de Reichsführer is niet overgeleverd, en men mag aannemen, 
dat Rost uit het gesprek van 2 juni met Seyss-Inquart en Himmler iets van die grootse beschou- 
wingen over de verdere toekomst van Nederland zal hebben opgevangen, ook al zal Himmler 
hem niet vertrouwd hebben gemaakt met alle aspecten van het te verrichten heilige werk. Misschien 
voorzagen Rost en Feldmeijer een en ander al eerder. In ieder geval kregen zij omstreeks deze 
tijd zekerheid omtrent de richting, waarin te Berlijn werd gedacht. Rost schreef op 24 augustus 
aan Seyss-Inquart, dat hij op 3 juni al Mussert had geïnformeerd, dat Duitsland de groot-Neder- 
landse gedachte afwees.* 

Bij Rost en Feldmeijer vinden wij geen spoor van aarzeling in het volgen van de Himmler-koers 
en althans bij iemand als Wim Heubel ook niet. Maar bij de rank and file van de volksgezinden, 
en speciaal in de Mussert-Garde, mocht men verwachten, dat sommigen de snelle politieke acro- 
batentoeren van hun leiders niet zouden kunnen volgen, en niet het jarenlang gepredikte groot- 
Nederlandse ideaal plotseling overboord zouden kunnen zetten. Dat viel inderdaad in de Mussert- 
Garde te bespeuren, en niet alleen daar, maar ook bij sommige kaderleden van de Jeugdstorm, 
die de beide Heubels in groot-Germaanse richting wilden sturen. 8 In klein bestek en in een beperkt 
aantal individuele gevallen vond hier voor het eerst plaats, wat zich in latere jaren bij zeer velen 
in de NSB zou herhalen: de Duits getinte, groot-Germaanse indoctrinatie riep vaak nationalis- 
tische reacties op, die in tegenstelling tot het NSB-nationalisme van voor de oorlog anti-Duits 
gekleurd werden. 

Iets daarvan merkte of voorzag Feldmeijer wel, en dat was één van de redenen, waarom hij in 
de zomer van 1940 voorzichtig opereerde, ook tegenover de mannen, die hij in zijn komende 
Nederlandse SS dacht op te nemen. Pas in september werd blijkbaar het parool uitgegeven, dat de 
Dietse gedachte 'achterhaald' was 4 , en jarenlang nog zouden Nederlandse SS-theoretici zich in- 
spannen om voortdurend te bewijzen, dat Dietsland voor de oorlog een 'stadium' was, waar men 
door heen had moeten gaan om heel logisch naar een groot-Germaanse gedachte te evolueren. 

(1) Verkl. mevr. Rost van Tonningen, p. 8. 

(2) Corresp. Rost nr. 80. Het feit zelf mag zonder bezwaar worden aangenomen, het tijdstip echter komt 
de bewerker wat geantedateerd voor. Mussert zou volgens Rost geantwoord hebben, dat hij liever naar 
Zuid- Afrika ging dan aan zo'n politiek mee te werken (waarna hij dus niet naar Zuid-Afrika ging en wel 
met de Duitsers samenwerkte). 

(3) Een voorbeeld hiervan vindt men in het in noot 2 op p. 232 vermelde geval. Voor het Jeugdstorm- 
kader: Corresp. Rost, p. 136-138. 

(4) Eerste uitlating in deze geest in Doe. I W. J. Heubel. 



235 



PREHISTORIE DER NEDERL ANDSC H E SS : DE VOOR-OOR LOGSE RADICALEN 

Een andere reden om zeer geruisloos en voorzichtig te werk te gaan was uiteraard om de hele 
NSB niet kopschuw te maken. Men had natuurlijk meteen een Nederlandsche SS kunnen op- 
richten als een zelfstandige organisatie, iets tussen een partij en een para-militaire eenheid in, in 
duidelijke concurrentie met de belangrijkste rechts-radicale en nationalistische partij. In België 
gebeurde dat inderdaad. In Nederland zou echter die SS een formatie van de NSB zijn, net zoals WA, 
Mussert-Garde of Jeugdstorm, evenals de SS in Duitsland een Gliederung was van de NSDAP. 
De opzet laat achteraf gezien aan duidelijkheid weinig te wensen over: deze SS-formatie zou 
binnen de NSB als revolutionaire voorhoede en radicaliserend ferment moeten fungeren, en zij 
zou zo haar politieke rol beter kunnen vervullen dan als extreme organisatie, per definitie uiterst 
gering in leden-aantal, buiten de partij. In de praktijk echter maakte het weinig verschil: ook in 
Vlaanderen werd de grootste fascistische partij, het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) door 
de stichting van een zelfstandige Vlaamse SS uit angst voor deze concurrentie naar nauwere samen- 
werking en groter conformisme met de Duitsers gedreven. 1 

Achteraf gezien mag dit alles inderdaad duidelijk zijn, maar in dat onzekere jaar 1940 waren 
er maar heel weinigen, die een redelijk inzicht hadden in het ondoorzichtige patroon van de politiek, 
die de Duitsers voerden, beter gezegd, van de diverse en divergerende politieke plannen en koers- 
bepalingen van de Duitse instanties. Voor de onmiddellijk betrokken toeschouwer, die de dis- 
tantie van de tijd, en de wetenschap van de ware machtsverhoudingen miste, was de Duitse politiek 
vaak zonder vaste lijn, leek er anderzijds soms een duidelijke koers gevolgd te worden waar die 
feitelijk ontbrak, of omgekeerd. Zo ook bij de oprichting van de Nederlandsche SS, en daarom 
is het niet zo erg verwonderlijk (met nadruk op het woordje erg) dat Mussert van heel deze opzet 
vooreerst niets bemerkte. Zelfs de bedoeling om een SS-formatie op te richten ontging hem aan- 
vankelijk. Hij dacht toen nog, dat de Duitse SS belangeloos zou helpen WA en Mussert-Garde 
op een nieuwe en stevige basis te zetten. 2 

Daarbij heeft hij de Mussert-Garde hoogstwaarschijnlijk gezien als een nog trouwere kern dan 
de WA, zoals de SS dat ten opzichte van de Führer in vergelijking met de SA was, ondanks het feit, 
dat hij Feldmeijer thans niet minder begon te wantrouwen dan Rost na hun terugkeer uit Calais. 

Vanuit dit gezichtspunt moet men vermoedelijk het ritueel zien, dat zich op de kaderbijeenkomst, 
die de NSB op 8 juni in het Utrechtse jaarbeursgebouw hield, afspeelde: Mussert overhandigde 
aan Feldmeijer in diens functie van leider der Mussert-Garde een vlag, die de baar van een in de 
mei-dagen omgekomen NSB-er (of een paar NSB-ers, dat is niet duidelijk) had bedekt. Hierna 
legde Feldmeijer de eed van trouw af 'aan Volk en Vaderland, de Beweging en den Leider.' De 
vlag was van dit moment af de 'eerevlag der Beweging', voorlaan bij elke plechtigheid door Feld- 
meijer aan het hoofd van zijn gardisten mee ie dragen. Dat gebeurde ook op 22 juni op de massale 
'Hagespraak der Bevrijding' met het maximum aan nazi-stijl, dat de NSB kon opbrengen. 3 

Mussert hoopte waarschijnlijk door deze eed Feldmeijer vaster aan zich te binden 4 , en vermoe- 
delijk ook de hele Mussert-Garde door het ritueel met de erevlag. Dit had namelijk een precedent. 
In 1926 had Hitier zijn SS de 'bloedvlag' van de partij gegeven. 5 Wanneer men dat hele litur- 
gische gebeuren met vlag en eed inderdaad interpreteerde als een erkenning van de Mussert-Garde 
als een soort SS, hing het er maar van af, of het accent kwam te liggen op de trouw aan de Leider 
of op het karakter als SS - en in welke richting Himmler, Rauter en Feldmeijer het wensten te 
sturen, is voor de lezer nu wel duidelijk. 



(1) Knoebel, SS in Belgium.p. 152, 153. 

(2) Dagb. Mussert 15 en 20 juni: vgl. p. 228. 

(3) Nat. DagbL 10 en 22 juni 1940; VoVa 14 juni 1940; Mussert-film van Schuursma. 

(4) Zo ook Van Geelkerken na de oorlog in Doe. I Jansonius 3. 

(5) Zie p. 13. 



236 



DE OPRICHTING VAN DE NEDERL ANDSCHE SS 

Het was voor Mussert nog steeds niet duidelijk, waar het heen ging. Op 23 juli schreef Feldmeijer 
hem, dat binnenkort Himmler een bezoek aan Mussert wilde brengen om 'organisatie en plaats 
der M.G. persoonlijk met U te bespreken', en in de tussentijd zou hij, Feldmeijer, - zijn toon 
wekte de suggestie van gehoorzaam en hulpvaardig initiatief - uitzien naar geschikte krachten voor 
de garde. 1 Daar was hij in werkelijkheid trouwens allang mee bezig. Mussert mag zich hebben 
afgevraagd, wat Himmler er eigenlijk mee te maken had. Koesterde hij nog steeds de onmogelijke 
gedachte, dat de Duitse SS geheel belangeloos zou helpen aan de wederopbouw van de para- 
militaire formaties van de NSB? Aan de vorming van zijn volgelingen tot nog nationalistischer 
Nederlanders? Het is allerminst uitgesloten. 

Hoe de kaarten werkelijk lagen, ervoer hij van de Reichsführer zelf. Een week later, op 30 juli, 
stonden voor het eerst tijdens de oorlog Mussert en Himmler tegenover elkaar. Dit begin van een 
reeks confrontaties tussen de leider van de NSB en de machtige SS-chef voltrok zich in het fraai 
gelegen en riante kasteel Oud-Wassenaar, waar bijna twee maanden eerder Himmler, Seyss-Inquart 
en Rost hun plannen hadden gesmeed. Evenals van dit gesprek is er van de eerste ontmoeting tussen 
Mussert en Himmler geen directe documentaire neerslag, en moeten wij dit voor de Leider zo 
onaangename onderhoud uit spaarzame en allerminst objectieve uitingen van de betrokkenen van 
latere datum reconstrueren. 

Dat het voor Mussert hoogst onaangenaam was, blijkt uit die gegevens duidelijk. Mocht Mussert 
na het bezoek op 9 juni van de weinig fijngevoelige SS-Brigadefiihrer Berger, die hem zo zeer had 
geschokt, ooit gehoopt hebben met de Reichsführer zelf de zaken prettiger te regelen, bijvoorbeeld 
in de zin van een vlotte samenwerking inzake 'organisatie en plaats' der Mussert-Garde, dan moet 
het gesprek met Himmler een tweede, vermoedelijk nog ergere schok voor hem geweest zijn. Deze 
stelde onmiskenbaar centraal, dat er voor Nederland maar één toekomst was, en dat was een Ger- 
maanse toekomst, 'worüber Herr Mussert entsetzt gewesen sei'. 2 Dat laatste was dus niet de eerste 
keer en evenmin de laatste. Liet Himmler toen al het woord 'Reich' vallen, zoals hij later beweerde? 
Misschien niet, of waarschijnlijk met opzet niet al te duidelijk. Zijn nadruk op het gemeenschap- 
pelijke Germaanse lot van de Nederlandse, Duitse en Scandinavische volkeren was duidelijk genoeg. 
Men begeeft zich waarachtig niet in al te wilde speculaties, wanneer men veronderstelt, dat Mussert 
evenals de vorige keer en alle volgende keren wat protesten heeft laten horen om zich tenslotte er 
toch bij neer te leggen. Tegen de nordische wereldbeschouwing, die Himmler ontvouwde, durfde hij 
geen bezwaar te maken. 3 Maar kennelijk bracht Himmler ook ter sprake, dat de wederom op te 
richten Mussert-Garde - vanzelfsprekend onder leiding van Feldmeijer - liefst maar een SS-inslag 
moest hebben ter propagering van een groot-Germaans besef. Een soort SS-formatie; een Neder- 
landse SS kortom. Hoe Himmler handig van de ene genuanceerde uitdrukking naar de andere 
overgleed, weten wij niet en hoeft ons nauwelijks bezig te houden. Dat hij zich in dergelijke 
termen heeft uitgedrukt, mag men veilig aannemen, gezien Musserts notities over een bespreking, 
die hij zes dagen later, op 5 augustus (alweer in kasteel Oud-Wassenaar) had met Seyss-Inquart, 
die trouwens in het zich genuanceerd uitdrukken nog meer bedreven was : 



(1) HSSPFV376a. 

(2) Nr. 432; wanneer men wil zien, hoe Mussert in een persoonlijke confrontatie met Himmler er geheel 
en al onderdoor gaat, leze men dit document, een verslag van een gesprek tussen hen in juli 1943- Dat in 
het onderhoud van 1940 een Germaanse toekomst centraal heeft gestaan, valt ook af te leiden uit de 
bronnen, in de volgende noot genoemd. 

(3) A.v.; Mussert aan Seyss-Inquart 30 aug. 1940 (concept), NSB 15 c; notitie van Mussert, kerstmis 
1940: Overzicht van den strijd der N.S.B., NSB 15 g (de eerste versie daarvan, daterend van 5 december, 
gepubl. in Vijf nota's van Mussert, p. 121-140); Mussert aan Himmler 5 jan. 1944, NSB 20 e; voor de 
datum van het bezoek Besprechungen bei Generalkommissar zbV Schmidt (afgekort: BS) 8/40-1 1 en 
n/40-8,HSSPF 54 a. 



237 



PREHISTORIE DER NEDERL ANDSCHE SS: DE VOOR-OORLOGSE RADICALEN 

'Belangrijkste onderwerp : SS kwestie. 
Rijkscommissaris begreep de groote moeilijkheid: 
W.A. in opbouw. Daarnaast een soort SS. formatie.' 1 

Het hoge woord was er uit, beter gezegd, de twee letters 'SS' waren genoemd; stellig door Himmler, 
waarbij de rijkscommissaris zich bepaalde tot het begrijpen van moeilijkheden. Typerend voor 
Mussert is het weer, dat hij geen duidelijke en consequente afwijzing aandurfde. Had hij niet kort- 
weg elke medewerking kunnen weigeren aan dit plan, waarvan hij terecht niet veel goeds verwachtte? 

Men houde bij de beantwoording van deze vraag rekening met de politieke situatie, zoals die zich 
in augustus en begin september 1940 ontwikkelde. Daarbij herinneren wij de lezer er aan, dat 
spreken over de politiek van de Duitse bezetter eigenlijk misleidend is. De verschillende instanties 
hadden, hoe vaag ook meestal, hun eigen visie, hun eigen plannen, uitgangspunten, en vooral niet 
te vergeten hun eigen belangen. Het belangrijkste voor Seyss-Inquart was zonder enige twijfel zich 
aan Hitier te doen kennen als een knap bestuurder, die met resultaten voor de dag kwam. Daarom 
probeerde hij in deze tijd nog in de eerste plaats een brede basis voor zijn politiek te vinden, ook 
buiten de rechts-radicale kringen om - of juist buiten die kringen om. Dat hoeft ons hier verder 
niet bezig te houden. Die bredere basis zou hij niet vinden, en hij zou weldra vrijwel alleen op de 
Nederlandse nationaal-socialisten, of wie daarvoor doorgingen, zijn aangewezen. Maar ook in dit 
milieu had niemand het monopolie van vertrouwen en steun van de bezetter, al mochten bepaalde 
lieden zich met die hoop vleien. Tenslotte was Rost van Tonningen weliswaar de authentieke 
radicale nationaal-socialist, maar tevens uit dien hoofde exponent van de SS, enige tijd zelfs de 
belangrijkste. En hoewel Seyss-Inquart zelf een hoge SS-rang bekleedde en altijd tegenover de SS de 
indruk trachtte te geven, dat hij de SS-koers volgde, voelde hij er weinig voor om via Rost zijn 
Nederlandse satrapie tot een leen van Himmler te laten maken. De intelligentie van Rost en het 
politieke onverstand van Mussert deden de keus niet noodzakelijkerwijs op de eerste vallen. Het 
waren integendeel goede redenen om ernstig aan steun voor de tweede te denken. Daarbij : van alle 
recht s-radicale stromingen en figuren bood alleen de NSB enigermate een reële basis voor politieke 
collaboratie, en men kon het toejuichen of betreuren, die NSB was nu eenmaal vast met de persoon 
van Mussert verbonden. Rost met al zijn jachtige bemoeienissen met arbeiders, boeren, jeugd, met 
al zijn relaties en connecties ontbeerde een vaste basis. Voor een scherp opmerker moest het boven- 
dien tegen augustus 1940 al twijfelachtig zijn, of Rost met zijn poging het georganiseerde 'marxisme' 
in Nederland in de naziboot te nemen, succes zou hebben. Een en ander ontging de rijkscommissaris 
niet. 2 

Tot de koele analyse was Seyss-Inquart zeer zeker in staat ; actief een bepaalde weg inslaan was 
echter een ander ding. In het bepalen van een politieke koers onderging hij de invloed - die in later 
jaren wel afnam - van de veel minder aarzelende, veel meer daadkrachtige Schmidt. Voor de 
politische Generalkommissar golden weliswaar ook soortgelijke overwegingen als hierboven ver- 
meld, maar bij hem lagen uitgangspunten en accenten toch weer iets anders. Als representant van de 
NSDAP zocht hij naar andere politieke krachten dan degenen, die zich ter beschikking stelden aan 
concurrerende machtsapparaten als de SS. In de hoek der Nederlandse fascisten en nationaal- 
socialisten hoefde hij niet lang te zoeken : Mussert, leider van de grootste rechts-radicale groepering, 
bood zich aan, en Schmidt moet onmiddellijk het naïeve vertrouwen hebben opgemerkt, dat Mus- 
sert in hem persoonlijk stelde; deze zag in Schmidt een oprechte en goedwillende volgeling van 

(1) Dagb. Mussert 5 aug. 

(2) Vgl. p. 197. Het hier gestelde is natuurlijk een algemene beschouwing, maar wordt volledig gedocu- 
menteerd zowel door het reeds genoemde bronnenmateriaal, dat op deze periode betrekking heeft, als 
door stukken van latere datum; men zie o.a. nrs. 393, 394 en 394 I; tevens nr. 390, noot 15 vanwege 
Seyss-Inquarts aangeboren Verlogenheit; IMT 997-PS; Corresp. Rost, p. 94, 95» 127. 



238 



DE OPRICHTING VAN DE NEDE RL AND SC HE SS 

Hitier, in wiens oprechtheid en goede bedoelingen Mussert evenzeer bleef geloven tot zijn dood 
toe. 1 Schmidt zag een kneedbare, weinig realistische partijleider en een aan deze figuur verknochte 
aanhang: bruikbare instrumenten voor zijn eigen ambities. 

Dat juist deze koers hem al snel in een heftige politieke vete met de SS-representant in Nederland 
Rauter zou brengen, werd naar onze mening niet voorzien. Himmler en Rauter stonden in deze tijd 
nog tamelijk positief tegenover de NSB en haar leider. Weliswaar waren zij reeds voordat allerlei 
ongunstige informaties over deze partij hen bereikten op de hoogte van het feit, dat de echte natio- 
naal-socialistische leer er in hoogst verwaterde vorm voorkwam; weliswaar was de SS er veel aan 
gelegen, dat Rost van Tonningen buiten de partij om het Nederlandse volk rijp maakte voor die 
leer. Maar zover was het nog niet. Het was nu minstens van even groot belang, van groter belang 
misschien wel, dat er snel een inheemse politieke SS in Nederland werd geschapen. Dat kon thans 
wel buiten Rost om, maar zoals de situatie eenmaal lag, niet buiten de NSB en buiten Mussert om. 

Wellicht had een andere politieke partij met meer reserve en distantie dan nu juist de NSB in 1940 
ten opzichte van de Duitse bevrijders en kameraden bezat, met een meer in politieke tactiek door- 
knede leider dan nu juist een Mussert, meer winst uit de situatie gehaald. Maar Mussert begon met 
een door niets gerechtvaardigd vertrouwen in de rijkscommissaris en diens politieke adjunct. Zelfs 
aan Himmler, die hem zo had doen schrikken - en die hij wèl meteen gewantrouwd moet hebben - 
gaf hij als het ware een politiek voorschot. Hij meende, dat de enig juiste gedragslijn bestond in 
openlijk en zonder meer klaar staan voor wat hij als oprechte en loyale samenwerking beschouwde. 
Zijn hele partij volgde hem in deze fatale houding. Op de al eerder genoemde 'Hagespraak der 
Bevrijding', de massabijeenkomst op 22 juni van de NSB te Lunteren, was dat heel evident geweest. 
Dat was ook de bedoeling van de manifestatie geweest: de Duitsers laten zien hoe de NSB-massa 
van haar onvoorwaardelijke vriendschap en wil tot samenwerking met de bezetter getuigde. 

Het gaf de Duitsers de gelegenheid om met de NSB te jongleren. Wij menen, dat tegen het begin 
van augustus Seyss-Inquart, Schmidt en Himmler, hoe verschillend zij ook gemotiveerd waren, 
elkaar vonden in een wat andere koers: de NSB zou 'een kans krijgen*. Dat hadden zij, toen zij Rost 
van Tonningen als coming man naar voren hadden geschoven en daarnaast niet-nazi groeperingen 
als de Nederlandsche Unie in hun politiek betrokken, trouwens nimmer uitgesloten. Het betekende 
ook niet, dat in de mehrgleisige Duitse politiek Rost en de Unie nu van de baan waren. Maar 
Mussert en zijn NSB zouden nu de ruimte krijgen, op voorwaarde, dat Mussert gehoorzaam in het 
voetspoor van de Führer zou gaan lopen, en dat binnen de partij zeer spoedig de Nederlandse SS- 
formatie tot stand zou komen, die van het begin af de NSB in het spoor zou dwingen. Himmler had 
Mussert die SS aangezegd, aan de rijkscommissaris en Schmidt was het nu om Mussert snel tot 
concrete stappen te brengen. 

Beiden, Seyss-Inquart en Schmidt, namen in deze periode de houding aan, die zij gedurende de 

(1) Voor de periode en de materie, waar het hier om gaat, blijkt dit uit Musserts eigen dagboek uit 1940 
(ook enigszins uit de in noot 4 op p. 236 genoemde bron), en uit de verklaringen, die hij na de oorlog gaf; 
hoe apologetisch die ook zijn, wat dit aspect van Mussert betreft, zijn zij volkomen in overeenstemming 
met het bronnenmateriaal uit de bezettingstijd. Hoewel eigenlijk buiten dit bestek vallend mogen hier toch 
wel de eerste indrukken gereleveerd worden, die Mussert van de belangrijkste Duitse machthebbers kreeg. 
Schmidt: 'een aardige flinke jongere man, die mij zeer sympathiek leek.' Seyss-Inquart: 'een nobel, eerlijk 
mensch met zacht karakter, die van den Führer opdracht heeft het zoo goed mogelijk met ons land en ons 
volk te maken.' Zelfs Rauter: 'Prima man. Gelooft volkomen in zijn roeping.' (Dagb. Mussert 5 en 15 
juni). De brutale vechtersbaas Rauter kon dit positieve beeld niet lang handhaven, ook van Seyss-Inquart 
en zijn politiek leerde Mussert tenslotte enige schaduwzijden kennen, maar zijn oordeel over Schmidt werd 
in de loop der tijden alleen nog maar positiever. Zelfs van Bormann zei hij na de oorlog nog: 'Hij was een 
fatsoenlijk man en steunde ons ook.' In Musserts eenvoudige visie hadden Führer en NSDAP, d.w.z. 
Hitier, Bormann en Schmidt, het beste met Nederland voor. De laatste twee werden gedwarsboomd, en de 
eerste werd bedrogen door Himmler en Goering. (Verkl. Mussert I, p. 8, 9, II, p. 2, 3). 



239 



PREHISTORIE DER NEDERL ANDSC HE SS: DE VOOR-OORLOG SE RADICALEN 

hele bezettingstijd zouden volhouden: Seyss-Inquart mild, vaderlijk, en vol begrip